Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 34337 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 34337 | ander besluit van algemene strekking |
De Staatssecretaris van Financiën,
Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 3.82 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluit:
Op 19 juni 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een procedure waarin de fiscale behandeling van uitkeringen van de Deutsche Rentenversicherung centraal stond.1 In dit beleidsbesluit worden enkele gevolgen van dit arrest nader uitgewerkt.
|
DRV |
De Duitse Rentenversicherung |
|
Wet IB 2001 UBIB 2001 URIB 2001 Wet LB 1964 Box 1 Box 3 |
Wet inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 Wet op de loonbelasting 1964 Hst. 3 van de Wet IB 2001 (inkomen uit werk en woning) Hst. 5 van de Wet IB 2001 (inkomen uit sparen en beleggen) |
De DRV is een Duitse wettelijke regeling die onder andere voorziet in een wettelijke verzekering voor de oudedag en het overlijden. Die regeling bevat zowel elementen van een algemene ouderdomsregeling zoals de AOW/Anw (eerste pijlervoorziening) als van een pensioenregeling (tweede pijlervoorziening). De DRV wordt uitgevoerd door de Deutsche Rentenversicherung, die ook andere verzekeringen uitvoert.
In het besluit van 24 maart 2014, nr. DGB 2014/144M is met betrekking tot de DRV het standpunt ingenomen dat de DRV geen pensioenregeling is in de zin van Hoofdstuk IIB Wet LB 1964, maar dat de desbetreffende aanspraken op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001 – met overeenkomstige toepassing van artikel 19d Wet LB 1964 – niet tot het in artikel 3.80 Wet IB 2001 bedoelde loon behoren en de desbetreffende inhoudingen op het loon in mindering komen. In de praktijk geldt volgens dat besluit als uitgangspunt dat de uitkeringen bij de uitkeringsgerechtigde zelf zijn belast, en wel in de regel als loon in de zin van de artikelen 3.81 en 3.82 Wet IB 2001.
De Hoge Raad oordeelt dat op DRV-uitkeringen niet artikel 3.81 maar artikel 3.82, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 van toepassing is. De Hoge Raad beschouwt artikel 3.82 Wet IB 2001 als bijzondere regeling ten opzichte van het algemene loonbegrip van artikel 3.81 Wet IB 2001. Alleen dat artikel beheerst daardoor volgens de Hoge Raad de box 1-behandeling van DRV-uitkeringen. Bij toepassing van artikel 3.82 Wet IB 2001 is van belang of aannemelijk is dat de aanspraak eerder in een met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting vergelijkbare heffing is betrokken.
Daarbij is dus van belang of en in hoeverre de aanspraak in een dergelijke heffing is betrokken. In de meeste gevallen zal het hierbij gaan om de Duitse belastingheffing, maar in voorkomende gevallen kan het ook (deels) gaan om de Nederlandse heffing of de heffing van een derde land.
De DRV-premies zijn in Duitsland in gelijke mate door werkgever en werknemer betaald.
Vast staat dat het werkgeversdeel van de DRV-premies in Duitsland niet tot het loon behoord heeft. Het aan de werkgeversbijdragen gerelateerde deel van de DRV is dan ook niet eerder in de heffing betrokken.
Voor het aan werknemersbijdragen gerelateerde deel van de DRV is dit anders. Vast staat dat het werknemersdeel van de DRV-premies tot 2005 in Duitsland ten minste beperkt aftrekbaar was. Voor inwoners van Duitsland was aftrek ten minste deels mogelijk als onderdeel van de zogenoemde Sonderausgaben.2 Voor niet-inwoners was die aftrek tot 1995 slechts in beperkte mate mogelijk via een forfaitair bedrag. Vanaf 1995 hadden zij onder omstandigheden daarvoor dezelfde mogelijkheden als een inwoner van Duitsland.
Vanaf 2005 zijn de werknemerspremies in Duitsland in toenemende mate aftrekbaar. Met ingang van 2023 zijn de werknemerspremies volledig aftrekbaar. Dat leidt tot de conclusie dat bij veel DRV-aanspraken een splitsing nodig is bij de toepassing van artikel 3.82 Wet IB 2001. Ik merk daarbij op dat onderscheid gemaakt moet worden tussen de DRV-uitkering zelf en de daarbij betaalde Zuschuss (onderdeel 5 van dit besluit).
Nieuwe jurisprudentie
Het arrest is nieuwe jurisprudentie in de zin van artikel 45aa URIB 2001. Dit besluit vormt nieuw beleid in de zin van artikel 45aa URIB 2001. Dat betekent dat ambtshalve vermindering op grond van het arrest en dit besluit alleen mogelijk is voor belastingaanslagen die op 19 juni 2026 nog niet onherroepelijk vaststonden.
Box 1-gevolgen
Voor zover de DRV-aanspraken in Duitsland belast zijn opgebouwd omdat de werknemerspremies niet aftrekbaar waren, is de omkeerregel niet van toepassing. Dat deel van de DRV-uitkering is niet belastbaar in box 1.
Box 3-gevolgen
Het gedeelte van de aanspraak waarop de omkeerregel niet van toepassing is, is een bezitting in box 3. Dat is niet alleen het geval in de uitkeringsfase, maar ook in de opbouwfase zodra een dergelijke aanspraak ontstaat. Over dit deel van de aanspraak kan dus box 3-belasting verschuldigd zijn. Ook is daardoor sprake van vermogen dat meetelt voor de vermogensgrens voor inkomensafhankelijke regelingen zoals de huur- en zorgtoeslag.
De jaarlijks in aanmerking te nemen waarde wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 19 UBIB 2001 bepaald. Deze waardering is afhankelijk van de leeftijd van de pensioengerechtigde, het geslacht en van de aanwezigheid van een partner met recht op nabestaandenpensioen.
Bij een belastingplichtige zonder partner wordt de waarde bepaald met toepassing van artikel 19, eerste of zevende lid, UBIB 2001.
Bij een belastingplichtige met een partner is in beginsel sprake van een uitkering afhankelijk van – de langstlevende van – twee levens en dient de waardering anders plaats te vinden. Artikel 19 UBIB 2001 bevat geen waarderingsvoorschrift dat op deze situatie is toegeschreven. Ook wijken de uitgangspunten van het nabestaandendeel van de DRV te ver af van de uitgangspunten van artikel 19 UBIB 2001 voor uitkeringen afhankelijk van twee levens om daar op andere wijze bij aan te kunnen sluiten. Dit betekent dat strikt genomen zou moeten worden teruggevallen op het elfde lid van genoemd artikel (het bedrag waarvoor een dergelijke uitkering – bij een verzekeraar – zou kunnen worden gekocht). Ook dat zou echter op grote praktische bezwaren stuiten.
Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van artikel 62 AWR.
Goedkeuring
Ik keur goed dat bij de waardering van het box 3-deel van een DRV-aanspraak van een belastingplichtige met partner, deze waardering geschiedt alsof de belastingplichtige geen partner heeft.
De bewijslast om aannemelijk te maken over welk deel van een aanspraak een met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting overeenkomende heffing heeft plaatsgevonden (en dus op welk deel de omkeerregel van toepassing is) rust op de belastingplichtige. Daarvoor zijn gegevens over de opbouw en Duitse fiscale behandeling van de aanspraak nodig. Voor een goede splitsing is daarbij onder andere noodzakelijk per jaar inzichtelijk te maken waar de belastingplichtige woonde, waar deze werkte, welke mogelijkheid tot aftrek er was en in hoeverre die aftrek feitelijk plaats heeft gevonden. Die gegevens over het verleden zijn mogelijk niet meer volledig of in het geheel niet beschikbaar. Gezien het eerder ingenomen beleidsmatige standpunt over de behandeling van deze aanspraken had een belastingplichtige ook niet hoeven beseffen dat het noodzakelijk zou kunnen zijn deze informatie te bewaren. Opsplitsing van dergelijke aanspraken in een box 1- en box 3-deel is daardoor ingewikkeld en tijdsintensief werk voor zowel de belastingplichtige als de Belastingdienst.
Kohortenprinzip Duitsland
Ook Duitsland zag zich geconfronteerd met de vraag hoe omgegaan moest worden met de heffing over DRV-uitkeringen waarop deels en in veranderende mate de omkeerregel van toepassing was. Duitsland heeft om die reden een zogenoemd Kohortenprinzip3 geïntroduceerd, dat toepassing vindt vanaf 2005. Deze regeling houdt samengevat in dat Duitsland een vast bedrag van de uitkering als niet-belastbaar aanmerkt. Dat bedrag wordt bepaald door een percentage, gebaseerd op het jaar waarin de uitkering in gaat, te vermenigvuldigen met de jaaruitkering van het jaar erna. Op die manier doet Duitsland recht aan de omstandigheid dat niet alle premies (volledig) aftrekbaar waren, en dus de DRV-aanspraak niet volledig onder de omkeerregel valt.
In de bewijsrechtelijke positie waarin een belastingplichtige komt te verkeren en gezien de wijze waarop Duitsland zelf rekening houdt met de eerdere Duitse behandeling zie ik aanleiding om als bewijsvermoeden bij het Duitse Kohortenprinzip aan te sluiten.
Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van artikel 62 AWR.
Goedkeuring
Ik keur onder voorwaarden goed dat bij de beoordeling welk deel van een DRV-aanspraak op grond van artikel 3.82 Wet IB 2001 belastbaar is in box 1, gebruikgemaakt wordt van de aan het Duitse Kohortenprinzip ontleende tabel in onderdeel 9 van dit besluit. Voor nog niet ingegane aanspraken kan daarbij de Duitse wettelijke pensioenleeftijd (Regelaltersrente) gebruikt worden. Het niet in box 1 belastbare deel wordt berekend door het toepasselijke percentage uit de tabel te vermenigvuldigen met de jaaruitkering van het jaar erna.
Ik merk op dat het hier om een goedkeuring gaat. Het staat een belastingplichtige vrij om aan de hand van bewijsstukken het werkelijke percentage van de aanspraak dat belastbaar is in box 1 aannemelijk te maken.
De waarde van het overige deel van de aanspraak behoort tot de rendementsgrondslag van box 3.
Voorwaarde
Voor deze goedkeuring geldt de volgende voorwaarde:
– Het gaat om een belastingaanslag die op 19 juni 2026 nog niet onherroepelijk vaststond.
Voorbeeld
A is op 1 januari 2026 70 jaar oud. Omdat hij van 1985 tot en met 2004 in Duitsland heeft gewerkt geniet hij in 2026 een DRV-uitkering ter hoogte van € 10.000 per jaar (exclusief Zuschuss, zie onderdeel 5 van dit besluit). Dat pensioen is in 2021 ingegaan. A heeft geen partner. A heeft voor het overige geen noemenswaardige box 3-bezittingen of -schulden en ontvangt huurtoeslag. De DRV-uitkering bedroeg in 2022 € 9.000 (exclusief Zuschuss).
Uit de tabel in onderdeel 9 van dit besluit volgt bij ingangsjaar van de uitkering in 2021 een belast percentage van 81%. Dat betekent dat 19% van de in 2022 genoten uitkering het niet in box 1 belastbare deel van de uitkering vormt. Het niet in box 1 belastbare deel bedraagt daarom jaarlijks € 1.710.
Het niet in box 1 belastbare deel van de aanspraak behoort tot de bezittingen in box 3 en moet gewaardeerd worden via artikel 19 UBIB 2001. Bij toepassing van de goedkeuring bedraagt de waarde van die bezitting op grond van het eerste lid van dat artikel € 13.6804.
A kan er ook voor kiezen aan de hand van bewijsstukken aannemelijk te maken dat de omkeerregel op een kleiner deel van zijn uitkering van toepassing is en daardoor een minder groot deel van de uitkering belastbaar is in box 1. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat hij aannemelijk maakt dat het niet in box 1 belastbare deel van de uitkering in 2026 € 5.000 bedraagt.
De waarde van zijn aanspraak bedraagt in dat geval op grond van het eerste lid van artikel 19 UBIB 2001 € 40.000. Hoewel dit bedrag onder het heffingvrije vermogen blijft en A daardoor geen box 3-belasting verschuldigd is, verliest hij wel het recht op huurtoeslag. De vermogensgrens voor huurtoeslag bedraagt in 2026 in zijn geval namelijk € 38.749.
Inwoners van Nederland met een DRV-uitkering krijgen van de DRV een tegemoetkoming (Zuschuss) voor de premie Wlz en de bijdrage Zvw die zij in Nederland betalen. Deze wordt naast de DRV-uitkering zelf betaald maar het recht op deze Zuschuss volgt niet uit de DRV-aanspraak zelf. De Zuschuss is integraal belastbaar in box 1 op grond van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.5 De hiervoor en in het arrest van 29 juni 2026 opgenomen uitgangspunten gelden dus niet voor de Zuschuss.
Het belastingverdrag met Duitsland6 bepaalt onder andere in welke staat door een inwoner van Nederland genoten DRV-uitkeringen belast mogen worden. Voor de verdeling van dat heffingsrecht is onder andere van belang wat in een kalenderjaar het totaalbedrag aan pensioenen of soortgelijke beloningen, alsmede lijfrente en pensioenen krachtens de bepalingen van het socialezekerheidsstelsel van een verdragsluitende staat is. Dit arrest en besluit zien alleen op de nationaalrechtelijke behandeling van de DRV-uitkeringen en brengen geen verandering aan in de verdragstoepassing.
Zoals in onderdeel 2 is aangegeven, wijken de uitgangspunten van het arrest en dit besluit af van de standpunten die ik eerder heb ingenomen en die onder andere in het besluit van 24 maart 2014, nr. DGB 2014/144M, zijn opgenomen. Eerder werd immers uitgegaan van volledige belastingheffing in box 1. Daaruit volgt dan ook dat de DRV-aanspraak niet tot de box 3-bezittingen behoort waardoor geen doorwerking naar (de vermogenstoets voor de) inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen bestaat. Op dat eerdere standpunt kan zolang dat standpunt niet herzien wordt nog een beroep worden gedaan. Belastingplichtigen hebben daardoor feitelijk een keuzemogelijkheid:
– Zij kunnen ervoor kiezen de DRV-aanspraak volledig in box 1 te houden volgens het oude standpunt.
– Zij kunnen er ook voor kiezen het arrest en de uitgangspunten van dit besluit toe te passen. Bij dit laatste wijs ik er nogmaals op dat dit alleen mogelijk is voor belastingaanslagen die op 19 juni 2026 nog niet onherroepelijk vaststonden.
Keuze voor toepassing van dit besluit (splitsing) of het oude standpunt (volledig box 1)
De keuze voor toepassing van de uitgangspunten van dit besluit en het arrest van 19 juni 2026 en het oude standpunt kan gemaakt worden bij zowel de aangifte inkomstenbelasting, in bezwaar als in een verzoek om ambtshalve vermindering (voor op 19 juni 2026 nog niet onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen).
Bij ingediende aangiften inkomstenbelasting waarin de DRV-uitkering volledig in box 1 is opgegeven gaat de Belastingdienst ervanuit dat een beroep op het oude standpunt wordt gedaan.
Verwerking van de uitgangspunten van dit besluit in de aangifte
Bij de keuze voor toepassing van de uitgangspunten van dit arrest dient een deel van de DRV-aanspraak in box 3 belast te worden. Onder toepassing van het belastingverdrag met Duitsland is het mogelijk dat niet Nederland maar Duitsland het heffingsrecht over de DRV-uitkering heeft. Nederland dient dan een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen, ook voor dat box 3-deel. Ten tijde van publicatie van dit beleidsbesluit is het niet mogelijk die situatie juist te verwerken in de aangifte inkomstenbelasting. Tot het moment waarop de aangifte wel voorziet in die mogelijkheid zal in een dergelijk geval contact opgenomen moeten worden met de competente inspecteur bij de Belastingdienst om tot een juiste aanslag te komen.
Voor de goedkeuring in onderdeel 3 kan van onderstaande tabel worden uitgegaan.
|
Ingangsjaar uitkering |
Percentage belastbaar in box 1 |
Ingangsjaar uitkering |
Percentage belastbaar in box 1 |
|---|---|---|---|
|
2005 en eerder |
50,0% |
2032 |
87,0% |
|
2006 |
52,0% |
2033 |
87,5% |
|
2007 |
54,0% |
2034 |
88,0% |
|
2008 |
56,0% |
2035 |
88,5% |
|
2009 |
58,0% |
2036 |
89,0% |
|
2010 |
60,0% |
2037 |
89,5% |
|
2011 |
62,0% |
2038 |
90,0% |
|
2012 |
64,0% |
2039 |
90,5% |
|
2013 |
66,0% |
2040 |
91,0% |
|
2014 |
68,0% |
2041 |
91,5% |
|
2015 |
70,0% |
2042 |
92,0% |
|
2016 |
72,0% |
2043 |
92,5% |
|
2017 |
74,0% |
2044 |
93,0% |
|
2018 |
76,0% |
2045 |
93,5% |
|
2019 |
78,0% |
2046 |
94,0% |
|
2020 |
80,0% |
2047 |
94,5% |
|
2021 |
81,0% |
2048 |
95,0% |
|
2022 |
82,0% |
2049 |
95,5% |
|
2023 |
82,5% |
2050 |
96,0% |
|
2024 |
83,0% |
2051 |
96,5% |
|
2025 |
83,5% |
2052 |
97,0% |
|
2026 |
84,0% |
2053 |
97,5% |
|
2027 |
84,5% |
2054 |
98,0% |
|
2028 |
85,0% |
2055 |
98,5% |
|
2029 |
85,5% |
2056 |
99,0% |
|
2030 |
86,0% |
2057 |
99,5% |
|
2031 |
86,5% |
2058 en verder |
100,0% |
Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Bundesverfassungsgericht 6 maart 2002, 2 BvL 17/99, ECLI:DE:BVerfG:2002:ls20020306.2bvl001799, rov. 130 t/m 134.
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, 12 april 2012.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-34337.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.