Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 29549 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 29549 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op de artikelen 2, 4, 5, eerste en tweede lid, 16, 17, eerste lid, onderdeel a, tweede en vierde lid, 19, tweede en derde lid, 23, onderdeel b, 34, eerste lid, 43, 44, tweede lid en 50, tweede, vierde en vijfde lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
A
Titel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 2.3.2, tweede lid, sub o, wordt als volgt gewijzigd:
a. in onderdeel 2° vervalt ‘kleppensectie,’;
b. Onder vernummering van de onderdelen 3° tot en met 6° tot 4° tot en met 7° wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:
3°. voor de onderdelen 1° tot en met 2° bij het niet aanwezig zijn van kleppensectie;
2. Artikel 2.3.7, derde lid, onderdeel c, wordt als volgt gewijzigd:
a. ‘75.000’ wordt vervangen door ‘50.000’.
b. ‘50.000’ wordt vervangen door ‘75.000’.
B
Titel 2.7 komt te luiden:
In deze titel wordt verstaan onder:
een persoon met een landbouwonderneming;
een traject van ten minste 20 en ten hoogste 50 uur aan sociaal-economische begeleiding voor één agrarisch ondernemer;
een persoon die sociaal-economische begeleiding geeft aan een agrarisch ondernemer en die:
a. overeenkomstig artikel 38, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 is erkend in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem; en
b. beschikt over actuele kennis ten aanzien van de agrarische sector over ten minste één van de volgende onderwerpen:
1°. persoonlijke ontwikkeling van een ondernemer en zijn bedrijf;
2°. bedrijfsopvolging; of
3°. duurzaam verdienvermogen;
een organisatie zonder winstoogmerk, die zich bezighoudt met het organiseren van activiteiten voor agrarisch ondernemers en die leden heeft onder de agrarisch ondernemers in Nederlandse regio’s of waarvan uit de statuten blijkt dat de organisatie actief is in de betreffende provincie;
een loket op provinciaal niveau van waaruit procesbegeleiding en groepsbijeenkomsten aan agrarisch ondernemers worden aangeboden met als doel om ervaringen van de sociaal-economische begeleiding uit te wisselen;
plannen van de provincies met betrekking tot natuur, water en klimaat in het landelijk gebied;
begeleiding van een agrarisch ondernemer, waarbij aandacht is voor zowel economische als sociale aspecten van het duurzaam toekomstperspectief van de landbouwonderneming binnen de kaders van de relevante gebiedsplannen.
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband van regionale agrarische organisaties dat is gericht op sociaal-economische begeleiding van agrarisch ondernemers, voor de volgende activiteiten:
a. het opzetten van een provinciaal knooppunt dat meerdere jaren actief moet zijn;
b. de uitvoering van een provinciaal knooppunt;
c. de sociaal-economische begeleiding door een procesbegeleider van een agrarisch ondernemer die voor de betreffende begeleiding geen subsidie bedoeld in titel 5.7 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 heeft ontvangen;
d. het organiseren van groepsbijeenkomsten van ten minste vijf deelnemende agrarisch ondernemers met als doel om ervaringen van de sociaal-economische begeleiding uit te wisselen of andere relevante kennis te delen; en
e. kennisdeling over de eigen werkwijze van de verschillende provinciale knooppunten.
2. Het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste drie regionale agrarische organisaties.
3. De minister verstrekt maximaal aan één samenwerkingsverband per provincie subsidie.
1. De subsidie bedraagt:
a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.7.2, eerste lid, onderdelen a, b, d en e: 100 procent
b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.7.2, eerste lid, onderdeel c, 100 procent van de subsidiabele kosten van de eerste 50 uur begeleiding per agrarisch ondernemer.
2. De totale hoogte van de subsidie voor de activiteiten genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, bedraagt ten minste € 1.000.000 en ten hoogste € 2.950.000 per subsidieontvanger.
1. De subsidiabele kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.7.2, onderdelen a tot en met e, zijn de kosten, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
2. Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten voor:
a. het opstellen van bedrijfsplannen;
b. psychische begeleiding.
De minister wijst de subsidie toe op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
1. Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen acht maanden na de subsidieverlening.
2. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.
1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 bevat ten minste:
a. gegevens over de aanvragers die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, waaronder de nummers waaronder de aanvragers zijn geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, de post- en bezoekadressen en de rekeningnummers;
b. gegevens van de contactpersoon van de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
c. het projectplan;
d. een projectbegroting;
e. de samenwerkingsovereenkomst.
2. Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de geplande activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
b. de doelstellingen van het project;
c. de wijze van uitvoering van het project en de rol en de taken van de bij de uitvoering betrokken partijen;
d. het verwachte aantal agrarisch ondernemers dat deelneemt in een begeleidingstraject;
e. het verwachte aantal in te huren procesbegeleiders;
f. afspraken over de rolverdeling tussen het samenwerkingsverband en andere actoren in het gebied met relevante coachingsinstrumenten;
g. een omschrijving van hoe in de begeleidingstrajecten rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden en de kaders van de relevante provinciale gebiedsplannen met betrekking tot de opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat;
h. een communicatiestrategie;
i. een planning.
3. De projectbegroting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevat ten minste:
a. de omvang van de gevraagde subsidie per deelnemer in het samenwerkingsverband met, indien van toepassing, een overzicht van de uren die de deelnemer gaat besteden aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
b. de totale kosten van het project.
4. De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, bevat ten minste een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende regionale agrarische organisaties en de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemers, alsmede een bepaling waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is om namens de deelnemers aan het samenwerkingsverband te handelen.
1. Het samenwerkingsverband organiseert begeleidingstrajecten voor agrarische ondernemers als bedoeld in artikel 2.7.2, eerste lid, onderdeel c, van ten minste 20 en ten hoogte 50 uur per agrarisch ondernemer.
2. Het aantal trajecten van het samenwerkingsverband in de betreffende provincie bedraagt minimaal:
|
Provincie |
Minimum aantal deelnemende agrarisch ondernemers met een traject |
|---|---|
|
Drenthe |
250 |
|
Flevoland |
200 |
|
Friesland |
250 |
|
Gelderland |
300 |
|
Groningen |
250 |
|
Limburg |
300 |
|
Noord-Brabant |
300 |
|
Noord-Holland |
300 |
|
Overijssel |
300 |
|
Utrecht |
200 |
|
Zeeland |
200 |
|
Zuid-Holland |
250 |
3. De sociaal-economische begeleiding ziet ten minste toe op één van de volgende thema’s:
a. toekomstscenario’s voor het bedrijf;
b. communicatie en samenwerking binnen het bedrijf;
c. verduurzamen van het bedrijf;
d. persoonlijke vraagstukken met betrekking tot het bedrijf; of
e. bedrijfsverbreding.
4. Een tussenrapportage als bedoeld in artikel 39 van het besluit bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de voortgang van het project in vergelijking met de voorziene tijdsduur en kosten zoals opgenomen in het projectplan;
b. de bereikte output van begeleiding in aantallen deelnemers en gerealiseerde begeleidingsuren en prognoses voor het vervolg;
c. een overzicht van aantallen begeleidingstrajecten per thema als bedoeld in het derde lid;
d. een overzicht van aantallen begeleidingstrajecten per agrarische sector;
e. een overzicht van de waardering van de ontvangen begeleiding volgend uit het evaluatieformulier als bedoeld in het vijfde lid.
5. Het samenwerkingsverband zorgt ervoor dat iedere deelnemende agrarisch ondernemer het door de minister beschikbaar gestelde evaluatieformulier invult over de ontvangen sociaal-economische begeleiding.
De minister besluit afwijzend op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.7.2 indien:
a. de aanvrager niet beschikt over het voor het project noodzakelijke aantal gekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 21, zesde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
b. een deelnemer van het samenwerkingsverband een producentengroepering of -organisatie is die een landbouwonderneming verplicht lid te zijn van de groepering of organisatie om deel te kunnen nemen aan het project als bedoeld in artikel 21, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
c. de verlening van subsidie niet in overeenstemming zou zijn met artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
d. de subsidie minder bedraagt dan € 1.000.000 per samenwerkingsverband.
e. niet ten minste 80% van de totale begroting ziet op kosten betreffende de activiteiten bedoeld in artikel 2.7.2, onderdelen c en d;
f. de subsidie wordt verleend aan een grote onderneming.
Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, omvat:
a. de bereikte output van begeleiding in aantallen deelnemers en gerealiseerde begeleidingsuren;
b. een overzicht van aantallen begeleidingstrajecten per thema als bedoeld in artikel 2.7.8, derde lid.
C
In artikel 2.21.3, tweede lid, wordt ‘mestheften’ vervangen door ‘mesheften’.
In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt in de numerieke volgorde, een rij ingevoegd, luidende:
|
Titel 2.7 |
2.7.2 |
Landbouwondernemingen |
Sociaal-economische begeleiding |
17 november 09:00 uur tot en met 17 december 2026 17:00 uur |
€ 35.400.000 |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 24 augustus 2026
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Veel agrarisch ondernemers in Nederland zien zich geplaatst voor moeilijke besluiten rond de toekomst van hun bedrijf. Onderliggende vraagstukken zijn vaak zeer complex en slecht te overzien voor de individuele ondernemer, waardoor het nemen van besluiten over de toekomst van het bedrijf nog lastiger is. Daarnaast hebben veel agrarisch ondernemers verschillende adviseurs die vanuit een deelbelang naar het bedrijf kijken (bijvoorbeeld voer of gewasbescherming) en wordt een sparringpartner gemist die met de agrariër langere tijd holistisch naar het bedrijf en diens toekomstperspectief in het gebied kan kijken. Deze problematiek werd in 2022 aangekaart bij de Minister van LVVN door enkele agrarische partijen onder de noemer van het Plan BoerenPerspectief. De minister heeft daarop besloten om een pilot te financieren vanaf 2024 voor twee jaar met in eerste instantie zeven regionale provinciale knooppunten. In 2025 zijn hier drie knooppunten bijgekomen. Op basis van een positieve tussenevaluatie in 2026 is besloten om de pilot om te zetten in een meerjarige regeling voor sociaal economische begeleiding.
De gedachte is dat knooppunten een ‘veilige tussenlaag’ moeten vormen tussen individuele agrariërs en overheid, waarbij agrarisch ondernemers tijd en ruimte krijgen om na te denken over welke beweging zij willen maken met hun bedrijf. De uitvoering door regionale agrarische organisaties biedt een gevoel van nabijheid en vertrouwen aan de ondernemers. De begeleiding behandelt een breed spectrum aan sociaal-economische thema’s (het raakvlak van het persoonlijke en het bedrijfseconomische) en vindt plaats over meerdere sessies – idealiter gedurende een langere periode. Via deze aanpak kunnen agrariërs weer handelingsperspectief krijgen.
Uit de pilotfase (2024–2026) is gebleken dat de aanpak van BoerenPerspectief voorziet in de behoefte aan procesbegeleiding van een doelgroep agrarisch ondernemers die momenteel niet wordt bediend via andere instrumenten. Dit zijn bijvoorbeeld ondernemers die nog aan het begin staan van hun afwegingen over de toekomst van hun bedrijf, maar ook ondernemers die liever niet direct met een aan de overheid verbonden begeleider praten. Ook blijft naar verwachting de behoefte aan procesbegeleiding de komende jaren groot, in verband met de doelen op het gebied van natuur, water en klimaat die in het Nederlandse landelijk gebied gerealiseerd moeten worden. Daarom heeft het ministerie besloten om de aanpak van BoerenPerspectief verder te financieren via de regeling Sociaal-Economische Begeleiding (SEB).
In de aanloop naar deze regeling heeft uitvoerig overleg en samenwerking met stakeholders plaatsgevonden via de kwartiermakersfase en de pilotfase. Uit de pilotfase geleerde lessen zijn betrokken in het ontwikkelen van deze regeling.
De samenwerking met stakeholders en de uitkomsten van de pilotfase onderschrijven de noodzaak voor overheidsinterventie op dit terrein. De afgelopen jaren hebben veel ondernemers in de agrarische sector het gevoel gehad dat zij weinig handelingsperspectief hebben. De overheid vraagt veel van agrarisch ondernemers, en met deze aanpak wordt ruimte gecreëerd om binnen die kaders weer het handelingsperspectief te vinden.
Met deze subsidiemodule wil LVVN bereiken dat voor individuele agrarisch ondernemers de randvoorwaarden worden gecreëerd om na te kunnen denken over de te maken beslissingen op hun bedrijf. De concrete doelen van de SEB zijn tweeledig:
• Om via knooppunten, die worden uitgevoerd door agrarische organisaties, zoveel mogelijk boeren te voorzien van meerjarige procesbegeleiding rond het toekomstperspectief van het bedrijf
• Procesbegeleiding moet leiden tot handelingsperspectief voor de boer binnen de kaders van de voor hem/haar relevante gebiedsplannen en/of maatschappelijke opgaven
De toegevoegde waarde van de begeleiding via knooppunten is dat zij gevormd worden door regionale agrarische organisaties. Deze zijn vertrouwd bij de boeren in hun gebied, en dit creëert een omgeving van vertrouwen waarin de overpeinzingen over de toekomst van het bedrijf vrij kunnen worden besproken. Dit vergroot ook het bereik van de regeling. Knooppunten zijn verantwoordelijk voor het werven van deelnemers, als ook het werven van procesbegeleiders, het zorgen voor een juiste match tussen deze twee en het monitoren van de procesbegeleiding zelf.
De doelen van de regeling zullen gemonitord worden via de voortgangsverslagen die de begunstigden van de regeling moeten aanleveren maar ook via een nog op te zetten onafhankelijke monitoringssystematiek.
Ondersteuning van agrarisch ondernemers vanuit het Rijk geschied door zaakbegeleiding, SEB/Boerenperspectief en de Subsidiemodule Agrarisch Advies en Educatie (de SABE regeling). De agrarisch ondernemer kan hiertussen kiezen, afhankelijk van zijn vraag.
Voor vragen over en ondersteuning bij een maatregel of regeling van de overheid zijn zaakbegeleiders beschikbaar. Voor begeleiding en coaching bij vragen over de toekomst van het bedrijf in de breedte is SEB beschikbaar. Ook indien een agrarisch ondernemer start met zijn proces voor transitie vanwege overheidsbeleid, maar (nog) geen vertrouwen in de overheid heeft, is SEB beschikbaar. Wanneer er een keuze is gemaakt voor deelname aan één van de regelingen kan het zijn dat een zaakbegeleider aan een ondernemer wordt gekoppeld.
De Sabe-regeling is gericht op kennisoverdracht naar het boerenerf in de volle breedte van verduurzaming en kringlooplandbouw. Via de Sabe-regeling kan een landbouwer een gericht bedrijfsadvies en of bedrijfsplan ontvangen op maat, of deelnemen in een praktijkleernetwerk met andere landbouwers om kennis te delen over verschillende thema’s binnen duurzame landbouw en kringlooplandbouw.
De subsidiemodule biedt ruimte aan projecten die verder bouwen op de aanpak die door Plan BoerenPerspectief is neergezet. Daarvoor komen alleen samenwerkingsverbanden van agrarische organisaties in aanmerking die kunnen aantonen dat in de leden van het verband regionaal geworteld zijn (via ledenbestand of statuten). Indien nog geen knooppunt bestaat in de provincie kan voor het opzetten subsidie worden aangevraagd. Knooppunten zijn verantwoordelijk voor het inhuren van voldoende gekwalificeerde procesbegeleiders, het werven van deelnemers, de ‘matchmaking’ tussen deelnemers en procesbegeleiders en het organiseren van kennisdeling voor zowel deelnemers als procesbegeleiders (intervisie) en ook om onderling als knooppunten van elkaar te leren.
De minister verstrekt één subsidie per provincie, omdat uit de pilotfase naar voren is gekomen dat dit organisatieniveau tegelijkertijd voldoende slagvaardig is en voldoende regionaal geworteld. Daarnaast wordt een minimaal aantal deelnemers vereist dat moet worden ondersteund. Deze aantallen zijn gebaseerd op aantallen die met de pilotfase zijn waargemaakt en daarnaast ook op de verwachte vraag naar begeleiding die voortkomt uit de gebiedsplannen per provincie (in sommige provincies zijn opgaven groter en urgenter dan in andere). Omdat wordt verwacht dat in elke provincie minstens 150 boeren geholpen moeten worden ligt het minimumbedrag voor een aanvraag op 1.000.000 euro.
De samenwerkingsverbanden kunnen uitsluitend zogenoemde erkende bedrijfsadviseurs inzetten als procesbegeleiders. Erkende bedrijfsadviseurs zijn adviseurs die zijn erkend in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem. Het bedrijfsadviseringssysteem vloeit voort uit de NSP verordening (EU) nr. 2021/21151 en de Uitvoeringsregeling GLB 2023. Voor erkenning in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem is onder meer vereist: ten minste een hbo-opleidingsniveau of hbo-denkniveau en ten minste drie jaar werkervaring als adviseur. Adviseurs worden erkend door een aangewezen beroepsorganisatie. In Nederland is de Vereniging Agrarische Bedrijfsadviseurs (VAB) op het moment de enige aangewezen beroepsorganisatie. Om procesbegeleider te worden bij een SEB traject moet een adviseur erkende expertise hebben in één of meer van de volgende aandachtsgebieden:
|
E1 Persoonlijke ontwikkeling van ondernemer en zijn bedrijf |
De ontwikkeling van vaardigheden van medewerkers van de landbouwonderneming die verband houden met hun persoonlijke ontwikkeling en de duurzame ontwikkeling van het bedrijf. Zoals bij de veehouderij inzichtelijk maken en verkennen van de principes van dierwaardige veehouderij om deze toe te kunnen passen in de landbouwpraktijk. Zoals verkennen en inzichtelijk maken van het handelings- en toekomstperspectief van de ondernemer en zijn bedrijf als het gaat om de verschillende transitiepaden (bijvoorbeeld innoveren en of extensiveren, verplaatsen) naar verduurzaming in relatie tot de eigen landbouwpraktijk en het gebied/regio. |
|
E3 Bedrijfsopvolging |
Het starten, overnemen of beëindigen van een agrarische onderneming |
|
E4 Duurzaam verdienvermogen |
Het toekomstperspectief en inkomen van agrarische ondernemers versterken door deelname in vernieuwende duurzame product-markt-combinaties (zoals biologische producten, verkennen en inzichtelijk maken van dierwaardige veehouderij principes als mogelijk nieuw marktlabel, milieukeur en sterren vlees), keten- en/of gebiedsorganisaties. Of door de agrarische productie te combineren met het leveren van diensten aan de samenleving zoals korte ketens, multifunctionele landbouw, en sociale en/of ecosysteemdiensten |
Daarnaast is het specifiek niet de bedoeling dat de procesbegeleiding wordt ingezet voor het opstellen van bedrijfsplannen of het verlenen van psychische bijstand. De focus van SEB is het ondersteunen van de gedachtevorming voordat bedrijfsplannen worden opgesteld. Voor het opstellen en doorrekenen van bedrijfsplannen kan een SABE voucher worden aangevraagd of op eigen kosten worden geïnvesteerd. Natuurlijk moet er plaats zijn voor de sociaal-emotionele kant van bedrijfsveranderingen in SEB-trajecten, maar wanneer de hulpvraag op ondersteuning psychische nood neerkomt moet worden doorverwezen naar Taboer of pyschologen.
Projectaanvragen worden op basis van de aanvraag beoordeeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in opdracht van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvraag (het zogenoemde ‘wie het eerst komt wie het eerst maalt’ principe).
De aanvraag bestaat uit het geheel aan documenten (o.a. bewijs van samenwerkingsverband en financiële toelichting) en de inhoudelijke toelichting (projectplan).
De openstelling vindt plaats op 17 november tot en met 17 december 2026. De openstelling voor 2026 wordt opgenomen in de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026.
Bij de totstandkoming van de subsidiemodule is nauw contact geweest met zowel potentiële subsidieaanvragers als de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland over de vermindering van de regeldruk bij de uitvoering van de module.
Aangenomen wordt dat de meeste projectaanvragen tussen de 1.000.000 en 3.000.000 euro liggen. Het gaat immers om een project voor 4 jaar, met meerdere partners. Naar verwachting zullen in 2027 ongeveer 12 aanvragen worden gedaan (1 per provincie). Verder is de aanname dat de samenwerkingen bestaan uit gemiddeld één penvoerder en drie samenwerkingspartners. De totale tijdsinspanning voor de subsidieaanvraag wordt bepaald op 170 uur per project en bestaat uit: het kennisnemen van de regeling, het opstellen van een samenwerkingsovereenkomst (voor nieuwe samenwerkingsverbanden) en het verzamelen van en opsturen van de documenten om te voldoen aan de informatieverplichtingen.
Om het standaarduurtarief te bepalen wordt het gemiddelde van de standaardtarieven uit het handboek genomen voor hoogopgeleide medewerkers. Derhalve zijn de totale regeldrukkosten van de regeling tussen de € 54 x 170 uur x 12 aanvragen = € 110.160. Per aanvraag is dit is 170 uur x € 54 = € 9.180. Daarnaast dient de subsidieaanvrager ten behoeve van de subsidievaststelling een controleverklaring van een accountant te overleggen na afloop van het project, indien het subsidiebedrag voor één individuele ontvanger in het samenwerkingsverband € 125.000 of meer bedraagt. De kosten voor een dergelijk product (inclusief het tarief voor de dienstverlening) worden geraamd op € 3.000. Er wordt verwacht dat binnen elk samenwerkingsverband gemiddeld drie aanvragers een controleverklaring moeten overleggen, dat is dus 36 x € 3.000 = € 108.000. De kosten voor de gehele doelgroep voor zowel het aanvragen van de subsidie als het voldoen aan de verplichting bij de subsidievaststelling worden daarmee ingeschat op 0,56% van het subsidiebudget van € 38.735.000 voor alle jaren. ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze regeling wordt uitgevoerd door RVO, en is in nauw overleg met RVO opgesteld om de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te waarborgen. RVO heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd. Dit heeft geleid tot aanscherpingen in de beoordelingssystematiek en bewijsvoering. De regeling wordt door RVO uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2026, met uitzondering van artikel I, onderdelen A en C, die op 1 september 2026 in werking treden. Hiermee wordt voldaan aan de systematiek van de vaste verandermomenten voor regelgeving, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van elk kwartaal in werking treden. Wel wordt afgeweken van de systematiek dat de termijn tussen de publicatiedatum van een ministeriële regeling en het tijdstip van inwerkingtreding minimaal twee maanden is. De afwijking kan worden gerechtvaardigd, omdat de subsidiemodule sociaal- economische begeleiding wordt opengesteld van 17 november tot en met 17 december 2026, en er na publicatie voldoende de tijd is om de aanvragen voor te bereiden.
Artikel I, onderdelen A en C treden in werking met ingang van 1 september 2026. Met deze datum van inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten. De afwijking kan worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding van de regeling om de verschrijvingen te herstellen.
De subsidie die wordt verstrekt op grond van deze subsidiemodule kwalificeert als staatssteun in de zin van het EU-Werkingsverdrag. De subsidie wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Subsidie kan gegeven worden voor de volgende activiteiten:
a. het opzetten van een provinciaal knooppunt dat meerdere jaren actief moet zijn;
b. de uitvoering van een provinciaal knooppunt;
c. de sociaal-economische begeleiding door een procesbegeleider van een agrarisch ondernemer die voor de betreffende begeleiding geen subsidie als bedoeld in titel 5.7 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 heeft ontvangen;
d. het organiseren van groepsbijeenkomsten van deelnemende agrarisch ondernemers met als doel om ervaringen van de sociaal-economische begeleiding uit te wisselen of andere relevante kennis te delen; en
e. kennisdeling over de werkwijze van de verschillende provinciale knooppunten.
De kosten voor het opzetten en uitvoeren van het provinciaal knooppunt, de begeleiding en kennisdeling door middel van groepsbijeenkomsten komen voor subsidie in aanmerking tenzij er sprake is van kosten genoemd in het derde lid, onderdeel b en c van artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
In aanmerking komen de kosten van de organisatie van beroepsopleiding en van acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops, conferenties, coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Hieronder vallen onder meer de volgende kosten voor kennisdeling:
• het ontwikkelen van een website;
• het ontwikkelen en verspreiden van communicatiemiddelen, zoals een nieuwsbrief, een podcast of video-opname;
• de organisatie en uitvoering van kennisbijeenkomsten, waaronder demonstratiedagen, workshops en discussieavonden;
• openbaarmaking van resultaten en inzichten;
Er moeten twee verschrijvingen worden hersteld in de subsidieregeling Energie-efficiëntie glastuinbouw (EG). In artikel 2.3.2, tweede lid, sub o, onderdeel 2° vervalt ‘kleppensectie,’ en in artikel 2.3.3, tweede lid, sub o, wordt onder vernummering van onderdeel 3° tot en met 6° een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: 3°. voor de onderdelen 1° tot en met 2° bij het niet aanwezig zijn van kleppensectie.
In artikel 2.3.7, derde lid, onderdeel c, zijn de bedragen per abuis omgewisseld. De wijziging zal voor de openstelling van de EG van 8 september tot en met 24 september inwerkingtreden en heeft geen invloed op de eerdere berekening van de regeldruk. De gewijzigde artikelen vallen binnen de goedkeuringsbeschikking SA.120764 (2025/N) van de Europese Commissie op de subsidiemodule EG.
Dit artikel bevat de definities van enkele begrippen die in deze regeling voorkomen. Opgemerkt wordt dat de begripsbepalingen opgenomen in artikel 1.1. van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies eveneens van toepassing zijn. Hierin is bijvoorbeeld landbouwonderneming gedefinieerd.
Voor de definitie van procesbegeleider wordt erkenning door het bedrijfsadviseringssysteem als uitgangspunt genomen.
In de definitie van regionale agrarische organisatie is beschreven dat dit gaat om organisaties die zich zonder winstoogmerk bezighouden met het organiseren van activiteiten voor agrarisch ondernemers. Daarmee wordt bedoeld activiteiten die betrekking hebben op primaire agrarische producenten en kennis en vaardigheden die zij nodig hebben om hun beroep uit te kunnen oefenen. Daarnaast moeten regionale agrarische organisaties kunnen aantonen dat zij leden hebben onder de agrarisch ondernemers in Nederlandse regio’s of dat de statuten blijkt dat de organisatie actief is in de betreffende provincie, omdat voor de uitvoering van deze regeling van belang is dat de organisatie voldoende lokaal geworteld is.
Met de module sociaal-economische Begeleiding wordt subsidie verstrekt voor het opzetten danwel uitvoeren van een provinciaal knooppunt, met als doel sociaal-economische begeleiding aan te bieden aan agrarisch ondernemers.
De subsidie kan worden verleend voor vijf activiteiten, namelijk:
a. het opzetten van een provinciaal knooppunt dat meerdere jaren actief moet zijn. Hieronder vallen activiteiten zoals het opzetten van een werkorganisatie.
b. De uitvoering van een provinciaal knooppunt. Hieronder vallen activiteiten zoals: de werving van procesbegeleiders en deelnemende agrarisch ondernemers, het koppelen van deelnemende agrarisch ondernemers aan de juiste procesbegeleider, het monitoren van de procesbegeleiding, het organiseren van intervisie tussen procesbegeleiders, communiceren over de werkzaamheden.
c. De sociaal-economische begeleiding. Hiermee wordt bedoeld één-op-één procesbegeleiding van een agrarisch ondernemer door een procesbegeleider, binnen de volgende thema’s:
• Alle toekomstscenario’s onderzoeken (doorgaan, stoppen, verplaatsen)
• Doorgaan met bedrijf met aanvullend/nieuw verdienmodel
• Afbouwen en/of bedrijfsovername
• Bedrijfsbeëindiging
• Verplaatsing
• Communicatie en samenwerking binnen het bedrijf
• Verduurzamen bedrijf
• Persoonlijke vraagstukken met betrekking tot het bedrijf
• Bedrijfsverbreding
Deze thematiek is op basis van de pilotfase vastgesteld.
d. het organiseren van groepsbijeenkomsten van deelnemende agrarisch ondernemers met als doel om ervaringen van de sociaal-economische begeleiding uit te wisselen of andere relevante kennis te bespreken. Een groepsbijeenkomst heeft ten minste vijf deelnemers.
e. Kennisdeling over de werkwijze van de verschillende knooppunten. Onder kennisdeling wordt verstaan het proces voor het verwerven, verzamelen en delen van expliciete en impliciete kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten, in dit geval expliciet over de werking van knooppunten.
Artikel 2.7.4 bepaalt welke kosten voor subsidie in aanmerking komen per activiteit.
Het artikel specificeert dat het niet de bedoeling is dat de subsidie wordt ingezet voor het opstellen van bedrijfsplannen of het verlenen van psychische begeleiding. In paragraaf 1.1 van de algemene toelichting wordt dit verder uitgelegd.
Dit artikel schrijft voor welke informatie een aanvrager moet aanleveren. Daarbij zijn er twee onderdelen die meer toelichting behoeven:
Afspraken over de rolverdeling tussen het samenwerkingsverband en andere actoren in het gebied met relevante coachingsinstrumenten;
Aanvragers moeten inzage geven in afspraken die het knooppunt maakt met relevante actoren in het gebied die ook procesbegeleiding aanbieden. Dit kunnen provinciale instrumenten zijn, maar ook zaakbegeleiders vanuit het Rijk. De reden hiervoor is dat de rolverdeling voor agrariërs duidelijk moet zijn, maar ook om het risico op dubbele financiering te verkleinen.
Een omschrijving van hoe de begeleidingstrajecten opereren binnen de kaders van de relevante provinciale gebiedsplannen met betrekking tot de opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat
De knooppunten opereren als onafhankelijke loketten. Tegelijkertijd vindt hun dienstverlening plaats in een context waarin door lokale overheden plannen worden gemaakt voor de verduurzaming van het landelijk gebied.
De aanvragers moeten dan ook toelichten hoe zij zullen opereren binnen de voor hun gebied geldende plannen op het gebied van natuur, water en klimaat in het landelijk gebied.
Artikel 2.7.8 specificeert welke verplichtingen de subsidieontvanger na moet komen.
Het schrijft de minimale (20 uur) en maximale (50 uur) lengte van de aangeboden begeleidingstrajecten voor en ook het minimale aantal voltooide trajecten dat de aanvragers moet verzorgen per provincie. Een voltooid begeleidingstraject is dus ten minste 20 uur. Na maximaal 50 uur wordt een begeleidingstraject niet meer vergoed en komt alles boven de 50 uur voor rekening van de deelnemende agrarisch ondernemer. Bij elkaar betekent dit dat aanvragers ook méér dan het genoemde minimale aantal trajecten kunnen realiseren indien die trajecten korter zijn dan 50 uur.
Het artikel geeft ook inzicht in de rapportageverplichtingen die een aanvrager aangaat. Bij het vierde lid onderdeel d wordt gevraagd naar een overzicht van uit welke agrarische sectoren (bijvoorbeeld melkveehouderij of akkerbouw) de deelnemende agrariërs afkomstig zijn. Bij het vierde lid onderdeel e wordt gevraagd om in de tussenrapportages een geaggregeerd beeld te geven van de waardering die deelnemende agrariërs geven aan de begeleiding. Het is dus niet de bedoeling om individuele evaluatieformulieren aan te leveren.
Het artikel verplicht aanvragers om ervoor te zorgen dat elke deelnemende agrarisch ondernemer een evaluatieformulier heeft ingevuld over het ontvangen begeleidingstraject. De aanvragers moeten dit in hun administratie opslaan. Het formulier wordt beschikbaar gesteld door de minister. Uit het formulier moet volgen over welke thematiek het begeleidingstraject is gegaan, de mate van tevredenheid van de deelnemende ondernemer over het traject en de mate waarin het traject heeft bijgedragen aan de oplossing van de vraag van de ondernemer.
Het is de bedoeling dat het grootste deel van de begroting naar 1-op-1 begeleiding van agrarisch ondernemers gaat, daarom wordt als afwijzingsgrond gehanteerd dat ten minste 80% van de totale projectbegroting uitgegeven moet worden aan 1-op-1 begeleiding. De overige 20% van de begroting kan worden uitgegeven aan het (al dan niet opzetten en) uitvoeren van het knooppunt, het organiseren van groepsbijeenkomsten voor deelnemende agrariërs en kennisdeling tussen samenwerkingsverbanden.
De verschrijving ‘mestheften’ wordt hersteld in de subsidiemodule 2.21 Verbetering energie-efficiëntie van vissersvaartuigen 2026.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013, L 435/1.
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013, L 435/1.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-29549.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.