Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 29 juni 2026, nr. WJZ/103991925, wijziging van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 ten behoeve van de Sectorale interventie Groenten en Fruit [KetenID WGK 28768]

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op

  • verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • artikel 3 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;

  • de artikelen 15 en 19 van de Landbouwwet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling Europese EZ-, LVVN-, KGG-subsidies 2021 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepaling ingevoegd:

nieuwe landbouwer:

landbouwer, niet zijnde een jonge landbouwer, die voor het eerst bedrijfshoofd is en beschikt over de vereiste passende opleiding of vaardigheden;

2. In het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. De begripsomschrijving van accountant komt te luiden:

accountant:

een Registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep, die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep;

b. In de begripsomschrijving van uitgavenpost wordt ‘het concrete’ vervangen door ‘de concrete’.

c. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

bedrijf:

alle voor landbouwactiviteiten gebruikte en door een landbouwer beheerde registergoederen in juridisch eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht;

reguliere pacht:

een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 7:317 tot en met 7:326 van het Burgerlijk Wetboek;

B

Artikel 5.2.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na ‘leden’ ingevoegd ‘en eigenaren, aandeelhouders of bestuurders ervan’.

2. In onderdeel b, subonderdeel 1, wordt ‘door de ondernemingen’ vervangen door ‘tussen ondernemingen en de betreffende producentenorganisatie’.

3. In onderdeel b, subonderdeel 2, wordt ‘prijsbeleid van de ondernemingen’ vervangen door ‘prijsbeleid tussen de betreffende producentenorganisatie en de ondernemingen’.

C

Artikel 5.2.40 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt na ‘controleverklaring’ ingevoegd ‘en een verslag van verrichte werkzaamheden’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Producentenorganisaties overleggen jaarlijks bij de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 5.3.193, aan de minister het actiefondsoverzicht met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

D

Artikel 5.2.49, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel f vervalt ‘of’.

2. Onder vervanging van de punt door een puntkomma in onderdeel g wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. het eenmalig wijzigen van het declareren van een duurzaam productiemiddel dat in tranches is opgenomen naar in één keer declareren.

E

Artikel 5.2.50 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt door een puntkomma in onderdeel c, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het eenmalig wijzigen van het declareren van een duurzaam productiemiddel dat in tranches is opgenomen naar in één keer declareren. Deze wijziging kan ingediend worden tussen 16 oktober en 31 januari om 12:00 uur.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. De producentenorganisatie geeft ten aanzien van de melding van wijzigingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, gemotiveerd aan wat de gevolgen van deze wijziging zijn voor de uitvoering en de begroting van het operationeel programma.

F

Aan artikel 5.2.64 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien de producentenorganisatie het duurzaam productiemiddel niet herplaatst of terugvordert als bedoeld in het eerste lid, wordt de restwaarde bij de producentenorganisatie teruggevorderd.

G

Aan artikel 5.2.66 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van het tweede lid kan bij de aanvraag tot subsidievaststelling eenmalig een restantbedrag gedeclareerd worden indien een wijziging is ingediend zoals bedoeld in artikel 5.2.49, eerste lid, onderdeel h, of artikel 5.2.50, tweede lid, onderdeel d.

H

Na artikel 5.3.4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.3.4a. Subsidie jonge of nieuwe landbouwers

  • 1. Het percentage, bedoeld in artikel 52, lid 5a van verordening 2021/2115, wordt verleend voor een investering in een duurzaam productiemiddel in het kader van de sectorale doelstellingen productieplanning en organisatie, concentratie van het aanbod en in de handel brengen van de producten, en verbetering van het concurrentievermogen, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdelen a, b, en c, van verordening 2021/2115, op het bedrijf, waarvan het bedrijfshoofd een jonge landbouwer of nieuwe landbouwer is die voor het eerst lid is van een producentenorganisatie, en in die hoedanigheid voor het eerst deelneemt aan een operationeel programma of gedurende de drie jaar na de datum waarop de jonge landbouwer of nieuwe landbouwer het lidmaatschap bij een producentenorganisatie heeft verkregen.

  • 2. Een jonge landbouwer wordt geacht voor het eerst deel te nemen aan een operationeel programma, wanneer deze:

    • a. bedrijfshoofd is van een lid dat het lidmaatschap bij een producentenorganisatie heeft verkregen gedurende de looptijd van het operationeel programma van die producentenorganisatie;

    • b. gedurende de looptijd van een operationeel programma bedrijfshoofd wordt van een lid van een producentenorganisatie;

  • 3. Een nieuwe landbouwer wordt geacht voor het eerst deel te nemen aan een operationeel programma, wanneer deze:

    • a. voor het eerst bedrijfshoofd is van een lid dat het lidmaatschap bij een producentenorganisatie heeft verkregen gedurende de looptijd van het operationeel programma van die producentenorganisatie;

    • b. gedurende de looptijd van een operationeel programma voor het eerst bedrijfshoofd wordt van een lid van een producentenorganisatie.

  • 4. Een jonge landbouwer of nieuwe landbouwer is bedrijfshoofd als bedoeld in artikel 5.1.1, eerste lid, indien deze op de datum van indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 5.2.48, derde lid:

    • a. voor ten minste 50 procent zeggenschap heeft in een landbouwbedrijf;

    • b. als natuurlijk persoon daadwerkelijke langdurige zeggenschap heeft in een landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 dat, behoudens de datum, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, van overeenkomstige toepassing is; en

    • c. belast of mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering.

  • 5. Van de 50 procent zeggenschap, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is sprake, ingeval een jonge landbouwer en nieuwe landbouwer:

    • a. ten minste 50 procent van een bedrijf juridisch in eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht heeft; of

    • b. ten minste 50 procent van de aandelen bezit in geval van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap.

  • 6. Indien aan het bedrijf meerdere jonge landbouwers of nieuwe landbouwers als bedrijfshoofd deelnemen, dan hebben de jonge landbouwers of nieuwe landbouwers individueel de vereiste daadwerkelijke langdurige zeggenschap, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, en gezamenlijk ten minste het percentage van de zeggenschap, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a.

  • 7. Een jonge landbouwer of nieuwe landbouwer beschikt over een passende opleiding of passende vaardigheden, als bedoeld in artikel 5.1.1, eerste lid, indien deze beschikt over:

    • a. een diploma of een getuigschrift van een opleiding landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau middelbaar beroepsonderwijs; of

    • b. een bewijs van tenminste twee jaar aantoonbare ervaring met land- en tuinbouwproductie, op het tijdstip van de aanvraag, bedoeld in artikel 5.2.48, tellend vanaf het moment dat de leeftijd van 16 jaar is bereikt.

  • 8. Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie bewijsstukken om aan te tonen dat het bedrijfshoofd van een lid kwalificeert als jonge landbouwer of nieuwe landbouwer.

I

In artikel 5.3.8a, eerste lid, wordt ‘artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving’ vervangen door ‘de artikelen 3.84, 3.145 en 4.160c van het Besluit bouwwerken leefomgeving’.

J

Aan artikel 5.3.78, zevende lid, wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma in onderdeel i een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • j. installaties of apparatuur voor conditionering van champignon- en witloftrekcellen.

K

In artikel 5.3.83, onderdeel d, wordt ‘vliegenlampen’ vervangen door ‘lampen voor de bestrijding van gevleugelde insecten’.

L

In artikel 5.3.93 vervalt het derde lid.

M

In artikel 5.3.103, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘de Regeling natuurbescherming’ vervangen door ‘artikel 4.30 van de Omgevingsregeling in samenhang met Bijlage VIIb van de Omgevingsregeling’.

N

Aan artikel 5.3.121, zevende lid, wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma in onderdeel i een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • j. installaties of apparatuur voor conditionering van champignon- en witloftrekcellen.

O

Artikel 5.3.127 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt ‘of’.

2. Onder vervanging van de punt door een puntkomma in onderdeel b wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. anti-stuifmiddelen op basis van Magnesiumlignosulfonaat die op grond van bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet als meststof kunnen worden verhandeld.

P

In artikel 5.3.134 vervalt het derde lid.

Q

In artikel 5.3.175, eerste en derde lid, wordt ‘subsidiebedragen’ telkens vervangen door ‘steunbedragen’.

R

In artikel 5.3.177, eerste lid, wordt ‘afnemers als bedoeld in artikel 5.3.174, vierde lid’ vervangen door ‘afnemers voor toegestane bestemmingen als bedoeld in artikel 5.3.173, vierde lid’.

S

In artikel 5.3.193 wordt ’15 februari’ vervangen door ‘1 maart’.

T

In artikel 5.3.194, tweede lid, wordt ’31 maart van’ vervangen door ‘de datum van het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling in’.

U

Artikel 5.3.194a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt een ‘1’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan in geval van een oogst- en productieverzekering als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel i, van verordening 2021/2115 de factuur en het betaalbewijs aan de verzekeringsmaatschappij op naam van het bij de producentenorganisatie aangesloten lid staan.

V

Artikel 5.3.198a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van de onderdelen b en d vervalt ‘en’.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd, luidende:

  • f. aantal afzetbevorderings-, communicatie- en marketinginterventies per doelstelling als bedoeld in artikel 46, onderdelen h en i, van verordening 2021/2115;

  • g. het geslacht van de jonge landbouwer of nieuwe landbouwer.

W

In artikel 5.6.1 vervalt de begripsbepaling van ‘nieuwe landbouwer’.

X

In artikel 5.6.2, negende lid, wordt ‘artikel 5.6.1’ vervangen door ‘artikel 5.1.1’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026, met uitzondering van Artikel I, onderdeel B, dat met ingang van 1 januari 2028 in werking treedt, en geldt, voor wat betreft artikel I, onderdelen H tot en met P en T met ingang van het uitvoeringsjaar 2027.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 29 juni 2026

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

De nationale regelgeving ten behoeve van de Sectorale interventie groenten en fruit is als onderdeel van het Nationaal Strategisch Plan voor lidstaat Nederland vastgelegd in de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 (hierna: REES 2021). Hoofdstuk 5 van de REES 2021 ziet op specifieke subsidieregels voor het ELGF en ELFPO. In titel 5.1 zijn algemene bepalingen opgenomen die voor het ELGF en het ELFPO in het algemeen en daarmee voor alle titels van hoofdstuk 5 van de REES 2021 relevant zijn. In titels 5.2 tot en met 5.3 staan de bepalingen die specifiek voor de sectorale interventie groenten en fruit gelden.

2. Doel en aanleiding van de wijzigingen

De Sectorale interventie groenten en fruit heeft als doel de teelt van groenten en fruit te verduurzamen en marktgericht te kunnen produceren. Hiermee wordt beoogd de positie van de telers in de keten te versterken.

Voor de wijziging van de sectorale interventie groenten en fruit is met de sector en de uitvoerende organisatie gesproken en zijn wensen ingewilligd waar deze passend waren binnen de kaders en doelstellingen van de sectorale interventie en het nationaal strategisch plan.

Met deze wijziging wordt uitvoering gegeven aan het politieke akkoord dat bereikt is naar aanleiding van het Commissievoorstel met nummer COM(2024) 577 final,1 die onder andere verordening 2021/2115 wijzigt. De publicatie van deze wijzigingsverordening volgt naar verwachting in juli 2026. Het akkoord omvat een verhoogd steunpercentage van 70% voor investeringen in een duurzaam productiemiddel die worden geplaatst op het bedrijf van jonge- en nieuwe landbouwers, die voor het eerst lid zijn van een producentenorganisatie, als onderdeel van hun eerste operationeel programma, en in het kader van de sectorale doelstellingen productieplanning en – organisatie, concentratie van het aanbod en in de handel brengen van de producten, en verbetering van het concurrentievermogen, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel a, b, en c, van verordening 2021/2115.

Voorts zijn de bepalingen met betrekking tot de eigendomsbelangen van leden in afnemers van de producentenorganisaties waar zij lid van zijn aangescherpt, zodat deze gelden voor alle uiteindelijke belanghebbenden (Ultimate Beneficial Owners (UBO)) van het desbetreffende lid, en niet enkel voor de relatie tussen afnemer en producentenorganisatie. Tevens wordt het mogelijk gemaakt voor producentenorganisaties om de keuze voor het declareren van een investering in tranches eenmalig te wijzigen, zodat het restantbedrag in één keer gedeclareerd kan worden. Daarnaast is de regeling in overeenstemming gebracht met gewijzigde relevante regelgeving en zijn er enkele wijzigingen aangebracht om bestaande uitvoeringspraktijk te codificeren.

Tot slot zijn er enkele kleine correcties aangebracht, zijn er wijzigingen aangebracht in de subsidiabele uitgaven zoals het toevoegen van een anti-stuifmiddel ten behoeve van duurzaam bodembeheer, en waar noodzakelijk zijn enkele begrippen nader gedefinieerd, zoals nieuwe landbouwer.

3. Regeldruk

Voor onderhavige wijzigingsregeling is een vergelijking gemaakt tussen de aanpassingen die de regeldruk verlagen en die de regeldruk verhogen. Het verminderen van de administratieve lasten voor de aanvragers en de uitvoeringsorganisatie is een aandachtspunt geweest. Verreweg de meeste aanpassingen hebben betrekking op verduidelijking van teksten, het verwijderen of verbeteren van verwijzingen, de onderlinge afstemming tussen artikelen en overige regelgeving of het concreter benoemen van reeds bestaande verplichtingen. Deze aanpassingen hebben geen invloed op de regeldruk. Daarom is de vergelijking beperkt tot de aanpassingen die de regeldruk het meest verlagen met de aanpassingen die de regeldruk het meest verhogen.

Enkele aanpassingen vormen een (lichte) verhoging van de regeldruk. Er is een bepaling van de regeling gewijzigd dat niet alleen leden melding moeten doen van eigendomsbelangen in ondernemingen die afnemer zijn van de producentenorganisaties waar zij lid van zijn, maar alle uiteindelijke belanghebbenden (UBO) van leden. Indien sprake is van een dergelijk belang moeten zij ook aantonen geen invloed te kunnen uitoefenen op de verkoopvoorwaarden of commerciële relaties tussen de producentenorganisatie en de afnemer. Dit artikel was voorheen van toepassing op leden van producentenorganisaties, maar dit kunnen bedrijven zijn met meerdere rechtspersonen als belanghebbenden. Om deze reden is het uitgebreid. Hiervoor zullen producentenorganisaties hun statuten aan moeten passen, wat eenmalig lichte regeldruk oplevert. Voor het aanpassen van de statuten, de juridische controle, en de notariële goedkeuring van de statuten worden de eenmalige regeldrukkosten ingeschat op € 677,– per producentenorganisatie. Voor de 11 producentenorganisaties samen is dat in totaal € 7.447,–. Om de producentenorganisaties voldoende tijd te geven aan deze gewijzigde bepaling te voldoen, geldt deze vanaf een latere ingangsdatum, namelijk 1 januari 2028.

Tevens dienen de producentenorganisaties kennis te nemen van de wijzigingsregeling. Dit betreft naar schatting € 50,– voor een tijdsbesteding van één uur per producentenorganisatie, voor de 11 producentenorganisaties samen in totaal € 550,–.

Voorts hebben enkele aanpassingen naar verwachting een neutraal effect op de regeldruk. Op grond van een recente wijziging van verordening 2021/2115 wordt het subsidiepercentage verhoogd van 50% naar 70% voor investeringen op het bedrijf van jonge en nieuwe landbouwers. Dit betreft een lastenluwe implementatie van Europese regelgeving en is geen verplichting voor de begunstigden. Producentenorganisaties kunnen indien leden voldoen aan deze voorwaarden een verhoogd subsidiepercentage voor bepaalde investeringen aanvragen. Vanwege de voorwaarden die gesteld worden aan jonge- en nieuwe landbouwers zal de wijziging aanvullende controles op de leeftijd en het lidmaatschap van de betreffende landbouwers tot gevolg hebben. Hiervoor dient bewijsvoering aangeleverd te worden, wat zich zo veel mogelijk beperkt tot documentatie die deze personen tot hun beschikking zouden moeten hebben (behaalde diploma’s, bewijs van werkervaring, bewijs van zeggenschap over een bedrijf). De landbouwers in kwestie dienen deze documentatie aan te leveren en de producentenorganisatie dient deze bewijsvoering aan de uitvoeringsinstantie te overleggen. Dit kost hen beiden ongeveer een half uur per investering en levert zo marginale regeldruk op van € 50 per investering. Dit wordt ruimschoots gecompenseerd door het hogere subsidiepercentage. Vanwege het facultatieve karakter van de wijziging en het financiële voordeel voor de begunstigden is geconcludeerd dat deze wijziging een neutraal effect heeft op de regeldruk.

De mogelijkheid dat een declaratie van een investering gewijzigd kan worden van een declaratie in tranches naar een declaratie in één keer heeft per saldo naar verwachting tevens een neutraal effect op de regeldruk. Producentenorganisaties hebben de mogelijkheid hier gebruik van te maken, het is geen verplichting, maar indien zij hier gebruik van willen maken moet er een wijziging voor ingediend worden. Dit vereist een administratieve handeling. Daartegenover biedt de mogelijkheid de producentenorganisaties meer financiële ruimte in volgende jaren en dus meer flexibiliteit in de financiële planning van hun operationele programma’s, wat de algehele regeldruk van de interventie voor een producentenorganisatie verlaagt.

Tot slot is er een bepaling geschrapt die afdekzeilen en silo’s voor wateropslag uitsloot van subsidie in combinatie met investeringen bij substraatteelt ter verbetering van de waterkwaliteit bij de bron. Producentenorganisaties hoeven bij dit type investering niet meer te controleren of de betreffende onderdelen in hun aanvraag zijn opgenomen en subsidiabel zijn. Dit vormt een beperkte vermindering van de regeldruk op een specifieke type investering, vandaar dat het regeldruk verlagend effect geschat wordt op € 0,–.

Naar schatting bedragen eenmalige regeldrukkosten per producentenorganisatie en in totaal:

Activiteit

Betreffende bedrijven

Eenheidsprijs

Totaal

Kennisname regeling

1 uur

11 producentenorganisaties

€ 50

550

       

Aanpassen statuten +

11 producentenorganisaties

€ 77

847

Juridische controle +

 

€ 100

1.100

notariële goedkeuring +

 

€ 500

5.500

Totale eenmalige kosten

 

€ 727,–

7.997,–

Omdat de genoemde wijzigingen een zeer marginaal effect hebben op de regeldruk, en verreweg de meeste wijzigingen geen invloed hebben, is de conclusie dat de algehele regeldruk gelijk blijft.

In 2026 zijn 11 producentenorganisaties erkend met een lopend operationeel programma, dat in 2027 voortgezet wordt. Deze producentenorganisaties hebben voor 2026 in totaal ruim 185 miljoen euro aan subsidie verleend gekregen. Dat komt neer op een gemiddeld subsidiepercentage van bijna 68%. Deze wijzigingsregeling heeft een relatief kleine invloed op het totaal van de bestaande regeling.

De regeldruk is voldoende in kaart gebracht, ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen significante gevolgen voorziet voor de regeldruk.

4. Notificatie

De regeling bevat geen nieuwe technische voorschriften in de zin van Richtlijn (EU) 2015/1535 en is niet genotificeerd bij de Commissie.

5. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026 met uitzondering van artikel I, onderdeel B, dat met ingang van 1 januari 2028 in werking treedt. Daarnaast geldt voor artikel I, onderdelen H tot en met P en T, dat deze gelden met ingang van het uitvoeringsjaar 2027. Deze onderdelen betreffen wijzigingen die betrekking hebben op de subsidiabiliteit van uitgaven. Ten behoeve van een ordentelijke uitvoering gelden deze wijzigingen daarom met ingang van het eerstvolgende uitvoeringsjaar, 2027.

Artikel I, onderdeel B heeft een latere ingangsdatum om producentenorganisaties en hun leden de tijd te geven de noodzakelijke handelingen te verrichten om te voldoen aan de gewijzigde bepaling, zoals het wijzigen van statuten. De doelgroep is dus gebaat bij een latere ingangsdatum.

De mogelijkheid van het verhogen van het percentage voor investeringen op locatie van jonge landbouwers en nieuwe landbouwers, zoals uitgewerkt in nieuw artikel 5.3.4a zal gelden vanaf uitvoeringsjaar 2027. Het subsidiepercentage kan worden aangevraagd en verleend voor nieuwe investeringen vanaf uitvoeringsjaar 2027 en niet voor investeringen die zijn verleend voor 2026 of door middel van een tussentijdse wijziging zijn of worden verleend in 2026.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

In artikel 5.1.1, eerste lid wordt een begripsbepaling voor ‘nieuwe landbouwer’ ingevoegd. Een nieuwe landbouwer is een landbouwer die ouder is dan 40 jaar op het moment van indienen van de aanvraag voor verlening, voor het eerst bedrijfshoofd en beschikt over een passende opleiding of vaardigheden. Zie voor een nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij Artikel I, onderdeel F.

Met de wijziging van de begripsomschrijving van ‘accountant’ in artikel 5.1.1. wordt geborgd dat alleen gecertificeerde accountants die bevoegd zijn tot het uitvoeren van wettelijke controles worden bedoeld.

In de begripsomschrijving van uitgavenpost wordt een schrijffout gecorrigeerd.

In het tweede lid worden de begripsomschrijvingen van ‘bedrijf’ en ‘reguliere pacht’ ingevoegd. De begrippen worden gebruikt om te beoordelen of er sprake is van daadwerkelijke langdurige zeggenschap, wat een vereiste is om als jonge landbouwer of nieuwe landbouwer te worden beschouwd als bedrijfshoofd. Reguliere pacht en erfpacht zijn veel voorkomende juridische titels voor (agrarisch) grondgebruik in Nederland. Om aan te sluiten bij die praktijk is het ook mogelijk met een bedrijf onder het recht van reguliere pacht of erfpacht voor subsidie in aanmerking te komen. Voor erfpacht wordt verwezen naar het genotsrecht, bedoeld in titel 7 Erfpacht van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 85 tot en met 100), voor reguliere pacht is een begripsomschrijving toegevoegd waarin wordt verwezen naar de pachtovereenkomst als bedoeld in titel 5 Pacht van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 317 tot en met 326).

Artikel I, onderdeel B

Om effectief en onafhankelijk namens hun leden de afzet te kunnen verzorgen, is het voor producentenorganisaties van essentieel belang dat er geen invloed is vanuit afnemers op de verkoop en commerciële relaties van de producentenorganisatie. Artikel 5.2.10 dient ertoe dit te waarborgen, maar beperkte zich tot het lid zelf terwijl het geldt voor alle belanghebbenden (Ultimate Beneficial Owners (UBO)) van een lid. Om er geen twijfel over te laten bestaan dat er geen inmenging mag zijn van één (rechts)persoon bij zowel de koop als verkoop van groenten en fruit van producentenorganisaties wordt verduidelijkt dat het niet alleen gaat om de eigendomsbelangen van de leden van de producentenorganisatie, maar ook van de eigenaren, aandeelhouders of bestuurders van de leden. Producentenorganisaties zullen hun statuten hierop moeten aanpassen. Tevens zijn het tweede en derde lid gespecificeerd zodat de beperking enkel geldt voor de relatie tussen ondernemingen en de producentenorganisatie van de producten waarvoor het lid bij de producentenorganisatie is aangesloten, en niet voor de relatie tussen ondernemingen en het lid in algemene zin.

Om producentenorganisaties de tijd te geven hun statuten aan deze wijziging aan te passen treedt dit artikel in werking met ingang van 1 januari 2028.

Artikel I, onderdeel C

Aan artikel 5.2.40, vierde lid, wordt toegevoegd dat door de externe accountant die de controle uitvoert, naast het overleggen van een controleverklaring ook een verslag van de verrichte werkzaamheden moet worden overlegd, zodat de producentenorganisatie geïnformeerd is over hetgeen de accountant heeft gecontroleerd. Hiermee wordt het artikel inhoudelijk gelijkgeschakeld met artikel 5.3.195. Dit is een codificatie van de huidige praktijk.

Ook wordt een nieuw lid toegevoegd, waaruit blijkt dat producentenorganisaties bij de aanvraag tot subsidievaststelling een overzicht van het actiefonds moet worden aangeleverd. Hiermee dienen producentenorganisaties aan te tonen dat de financiering van hun operationele programma's via het actiefonds deugdelijk is. Het nieuwe lid bevat een codificatie van deze huidige praktijk.

Artikel I, onderdeel D

Met de wijziging van artikel 5.2.49 wordt gefaciliteerd dat producentenorganisaties in hun operationeel programma kunnen wijzigen dat een investering in een duurzaam productiemiddel niet meer in tranches wordt gedeclareerd, maar in één keer. Er kan per investering in een duurzaam productiemiddel één keer een wijziging ingediend worden om het restbedrag in één keer te declareren in plaats van in tranches. Met deze mogelijkheid kunnen producentenorganisaties investeringen in een duurzaam productiemiddel versneld declareren, wat hen meer flexibiliteit geeft in de financiële planning van hun operationele programma’s.

Artikel I, onderdeel E

De wijziging van artikel 5.2.50 ziet op de mogelijkheid voor producentenorganisaties om gedurende het jaar in hun operationele programma te wijzigen dat een investering in een duurzaam productiemiddel niet meer in tranches wordt gedeclareerd, maar in één keer. Er kan per investering in een duurzaam productiemiddel één keer een wijziging ingediend worden om het restbedrag in één keer te declareren in plaats van in tranches. Wanneer het operationeel programma op dit punt wordt gewijzigd moet de producentenorganisatie hiervan melding doen en daarbij uitwerken wat de gevolgen zijn voor de uitvoering en de begroting van het operationeel programma. Tevens kan de wijziging slechts ingediend worden tussen 16 oktober en 31 januari om 12:00 uur, zodat deze door de uitvoeringsorganisatie verwerkt kan worden bij de beoordeling van de vaststelling. Met deze mogelijkheid kunnen producentenorganisaties investeringen in een duurzaam productiemiddel versneld declareren, wat hen meer flexibiliteit geeft in de financiële planning van hun operationele programma’s

Artikel I, onderdeel F

Artikel 5.2.64, eerste lid, beschrijft wat een producentenorganisatie moet doen bij het uittreden van een lid. Een producentenorganisatie moet een duurzaam productiemiddel dat op het terrein van het uittredend lid van de producentenorganisatie is geplaatst, herplaatsen naar het terrein van een ander lid of de restwaarde terugvorderen bij het uittredend lid. Middels deze wijziging wordt toegevoegd dat als een producentenorganisatie deze acties niet uitvoert, de restwaarde bij de producentenorganisatie zelf wordt teruggevorderd. Dit betreft een codificatie van de bestaande praktijk.

Artikel I, onderdeel G

De wijziging van artikel 5.2.66 ziet op de mogelijkheid voor producentenorganisaties om de wijze waarop investeringen in duurzame productiemiddelen gedeclareerd kunnen worden te wijzigen van in tranches naar in één keer. Er kan per investering in een duurzaam productiemiddel één keer een wijziging ingediend worden om het restbedrag in één keer te declareren in plaats van in tranches. Vervolgens kan deze opgenomen worden in de gedeeltelijke betaling of de vaststelling. Omdat met de wijziging meerdere tranches in één keer worden gedeclareerd, is het noodzakelijk af te kunnen wijken van het tweede lid van artikel 5.2.66 dat voorschrijft dat tranches identieke bedragen dienen te zijn.

Artikel I, onderdeel H

Artikel I, onderdeel E implementeert het politieke akkoord dat bereikt is naar aanleiding van het Commissievoorstel met nummer COM(2024) 577 final,2 die onder andere verordening 2021/2115 wijzigt. De publicatie van deze wijzigingsverordening volgt naar verwachting in juli 2026.

Aan artikel 52 van die verordening wordt een lid 5a toegevoegd, waardoor het mogelijk wordt om voor investeringen in duurzame productiemiddelen op het bedrijf die volledig eigendom is van jonge en nieuwe landbouwers, die voor het eerst lid zijn van een producentenorganisatie, het subsidiepercentage te verhogen van 50% tot 70%. Er mag dus geen sprake zijn van gedeeld eigendom. Uit artikel 5.2.72 volgt dat het verhoogde subsidiepercentage tevens geldt voor uitgaven voor huur en lease, mits deze een economisch verantwoord alternatief voor koop vormen en voor zover koop van het duurzaam productiemiddel subsidiabel zou zijn. De verhoging van het subsidiepercentage geldt alleen wanneer de jonge landbouwer of nieuwe landbouwer de investering doet als onderdeel van hun eerste operationeel programma, of (als het niet het eerste operationeel programma is) gedurende de 3 jaar na de datum waarop jonge landbouwers of nieuwe landbouwers zich bij de producentenorganisatie hebben aangesloten. Het eerste lid noemt deze eisen.

In het tweede en derde lid wordt gespecificeerd wanneer een jonge landbouwer of nieuwe landbouwer wordt geacht voor het eerst deel te nemen aan een operationeel programma. Een jonge landbouwer neemt voor het eerst deel aan een operationeel programma als deze ofwel bedrijfshoofd is van een lid dat het lidmaatschap bij een producentenorganisatie heeft verkregen gedurende de looptijd van het lopende operationeel programma van die producentenorganisatie, ofwel gedurende de looptijd van een lopend operationeel programma bedrijfshoofd wordt van een lid van een producentenorganisatie. Voor een nieuwe landbouwer gelden deze eisen ook, maar daarvoor geldt dat deze voor het eerst bedrijfshoofd moet zijn.

In het vierde en vijfde lid wordt uitgewerkt aan welke eisen voldaan moet zijn om in het licht van deze regeling beschouwd te kunnen worden als bedrijfshoofd. Een jonge landbouwer of nieuwe landbouwer wordt gezien als bedrijfshoofd wanneer deze het landbouwbedrijf in eigen naam uitvoert, en in geval sprake is van betrokkenheid van andere (jonge) landbouwers, voldoende zeggenschap heeft in het bedrijf. De concrete vereisten zijn, in het geval van andere betrokken landbouwers, als volgt: i) de jonge landbouwer heeft ten minste 50% zeggenschap in het landbouwbedrijf; ii) de landbouwer heeft als natuurlijk persoon daadwerkelijk langdurige zeggenschap in het bedrijf en iii) de jonge landbouwer is betrokken bij de dagelijkse bedrijfsvoering.

Ook bepaalde pachtvormen kunnen relevant zijn voor de beoordeling van de zeggenschap. Hoewel de jonge landbouwer op grond van een pachtconstructie niet het volledige bedrijf met bijbehorende grond en registergoederen ‘in eigendom’ verkrijgt, is dit een veel voorkomende constructie bij de start van een bedrijf of bij bedrijfsovernames. Vaak ook omdat degene die het bedrijf overdraagt zelf niet altijd het bedrijf volledig in eigendom heeft.

Met het zesde lid wordt verduidelijkt welke eisen aan jonge landbouwers en nieuwe landbouwers worden gesteld wanneer meerdere jonge of nieuwe landbouwers als bedrijfshoofd betrokken zijn bij een landbouwbedrijf. Zij moeten in dat geval individueel beschikken over de benodigde daadwerkelijke en langdurige zeggenschap, terwijl zij gezamenlijk voor 50% (juridische) zeggenschap in het bedrijf moeten hebben.

Een jonge landbouwer of nieuwe landbouwer moet ook een passende opleiding hebben, zoals blijkt uit het zevende lid. Ofwel beschikt de jonge landbouwer over een diploma of getuigschrift van een opleiding landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau middelbaar beroepsonderwijs of hoger onderwijs, ofwel beschikt deze aantoonbaar over ten minste twee jaar ervaring met land- en tuin-bouwproductie op het tijdstip van de subsidieaanvraag.

Uit het achtste lid blijkt dat om te bepalen of aan bovenstaande vereisten is voldaan aanvullende gegevens kunnen worden opgevraagd. Het kan onder andere gaan om de volgende informatie:

  • Leeftijd en geslacht: Identiteitsbewijs

  • Educatie en werkervaring: Diploma, getuigschrift of verklaring van werkervaring.

  • Bedrijfshoofd: Bijvoorbeeld maatschapsakte of aandeelhoudersovereenkomst en statuten waaruit blijkt dat 50% of meer van het kapitaal in handen is van de jonge/nieuwe landbouwer

  • Voor het eerst (bedrijfshoofd) (alleen voor nieuwe landbouwer): CV of verklaring van het lid aan de producentenorganisatie over het arbeidsverleden in samenwerkingsovereenkomst.

Bovenstaande is een niet limitatieve lijst.

Wanneer blijkt dat het bedrijfshoofd van het lid niet voldoet aan de definitie van jonge landbouwer of nieuwe landbouwer zal de investering volledig worden afgekeurd.

Artikel I, onderdeel I

Met de wijziging van artikel 5.3.8a worden investeringen in een gebouwautomatiserings- en controlesysteem (GACS) en energiemanagement software (EMS) in het kader van de energiebesparingsplicht uitgesloten van subsidie onder de Sectorale interventie groenten en fruit, wanneer deze geplaatst worden in utiliteitsgebouwen met een verwarmings- of airconditioningssysteem met een vermogen van meer dan 290 kW. Onder de energiebesparingsplicht, zijn vanaf 1 januari 2026 alle utiliteitsgebouwen met een verwarmings- of airconditioningssysteem met een vermogen van meer dan 290 kW verplicht om een GACS te gebruiken. Maatregelen die verplicht zijn onder de energiebesparingsplicht zijn niet subsidiabel onder de Sectorale interventie groenten en fruit. Als een onderdeel van GACS valt EMS onder dezelfde verplichting en wordt in voornoemde situatie eveneens uitgesloten van subsidie.

Artikel I, onderdeel J

Met de wijziging van artikel 5.3.78 wordt de conditionering van champignon- en witloftrekcellen uitgesloten van subsidie onder de Sectorale interventie groenten en fruit. De conditionering van champignon- en witloftrekcellen valt volgens Bijlage II Deel 1 eerste lid van Gedelegeerde Verordening 2022/126 onder algemene productiekosten, gelijk aan de verwarming van kassen, en wordt als zodanig uitgesloten van steun. Elders in de regeling worden deze uitgaven eveneens uitgesloten van subsidie (artikel 5.3.131, 5.3.136), met de wijziging wordt dit artikel daarmee gelijkgeschakeld. Investeringen in het kader van energie-efficiëntie door toepassing van energiebesparende technieken met betrekking tot de champignonteelt en witloftrek in cellen zijn wel subsidiabel.

Artikel I, onderdeel K

Met de wijziging van artikel 5.3.83 wordt het begrip ‘vliegenlamp’ verruimd zodat ook lampen die dienen ter bestrijding van andere gevleugelde insecten die een plaag kunnen vormen in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

Artikel I, onderdeel L

In artikel 5.3.93 vervalt het derde lid, waarin geregeld was dat uitgaven voor afdekzeilen van bassins en silo’s voor wateropslag niet subsidiabel zijn. Dit lid was opgenomen om de uitgaven als algemene productiekosten uit te sluiten. Echter, als deze uitgaven als inherent onderdeel van de investering worden opgenomen dragen zij bij aan het doel en functie van de investering, en is er voorts geen reden de uitgaven uit te sluiten van subsidie. In het geval dat de uitgaven niet als onderdeel van de investering maar als algemene productiemiddelen worden beoordeeld, dan volstaat een verwijzing naar Bijlage II Deel 1 eerste lid van Gedelegeerde Verordening 2022/126, waarin algemene productiekosten worden uitgesloten. In dat geval is het hier expliciet uitsluiten van de uitgaven overbodig.

Artikel I, onderdeel M

In artikel 5.3.103 wordt een verwijzing geactualiseerd. Er werd verwezen naar de Regeling natuurbescherming, maar deze regeling is opgegaan in de Omgevingsregeling.

Artikel I, onderdeel N

Met de wijziging van artikel 5.3.121 wordt de conditionering van champignon- en witloftrekcellen uitgesloten van subsidie onder de Sectorale interventie groenten en fruit. De conditionering van champignon- en witloftrekcellen valt volgens Bijlage II Deel 1 eerste lid van Gedelegeerde Verordening 2022/126 onder algemene productiekosten, gelijk aan de verwarming van kassen, en wordt als zodanig uitgesloten van steun. Elders in de regeling worden deze uitgaven eveneens uitgesloten van subsidie (artikel 5.3.131, 5.3.136), met de wijziging wordt dit artikel daarmee gelijkgeschakeld. Investeringen in het kader van energie-efficiëntie door toepassing van energiebesparende technieken met betrekking tot de champignonteelt en witloftrek in cellen zijn wel subsidiabel.

Artikel I, onderdeel O

Aan artikel 5.3.127 wordt een lid toegevoegd waarmee anti-stuifmiddelen op basis van Magnesiumlignosulfonaat in aanmerking komen voor subsidie. Het gaat hierbij om organische en biologisch afbreekbare bindmiddelen die stuifgevoelige bodems in de land- en tuinbouw beschermen tegen winderosie. Om in aanmerking te komen voor steun dient het middel als meststof te kunnen worden verhandeld, vandaar dat het opgenomen dient te zijn in Bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Artikel I, onderdeel P

In artikel 5.3.134 vervalt het derde lid, waarin geregeld was dat uitgaven voor afdekzeilen van bassins en silo’s voor wateropslag niet subsidiabel zijn. Zie voor een toelichting Artikel I, onderdeel L.

Artikel I, onderdeel Q

Artikel 5.3.175 implementeert artikel 26, tweede lid, van Verordening (EU) 2022/126. Uit dit artikel blijkt dat maximumsteunbedragen bestaan uit zowel de financiële steun van de Unie, als de nationale bijdrage in voorkomend geval en de bijdrage van de producentenorganisatie. Om duidelijk te maken dat het in dit artikel dus niet alleen gaat om de bijdrage vanuit de Unie, maar ook om andere financiële bijdragen wordt er gesproken van steunbedragen.

Artikel I, onderdeel R

In artikel 5.3.177 wordt een verwijzing gecorrigeerd.

Artikel I, onderdeel S

In verband met het tijdig kunnen doen van de melding, bedoeld in artikel 5.2.50, onderdeel d (nieuw), inzake het eenmalig wijzigen van het declareren van een duurzaam productiemiddel dat in tranches is opgenomen naar in één keer declareren, moet de start van de periode waarin de subsidievaststelling wordt aangevraagd worden verlaat van 15 februari naar 1 maart. Dit wordt met de wijziging van artikel 5.3.193 bewerkstelligt.

Artikel I, onderdeel T

In artikel 5.3.194, tweede lid, wordt de uiterlijke datum waarop uitgaven van uitgevoerde activiteiten kunnen worden betaald, gewijzigd naar het moment van de indiening van de subsidievaststelling voor het uitvoeringsjaar. Indien producentenorganisaties hun aanvraag tot subsidievaststelling eerder dan 1 april van het jaar volgend op het uitvoeringsjaar indienen, wordt het zo niet meer mogelijk om nog uitgaven in de aanvraag tot subsidievaststelling op te nemen die na de aanvraag, maar vóór 1 april zijn betaald. Dit is een codificatie van de huidige praktijk.

Artikel I, onderdeel U

Aan artikel 5.3.194a wordt een lid toegevoegd, waarmee wordt geregeld dat de bepaling dat facturen en betaalbewijzen op naam gesteld moeten zijn van de producentenorganisatie, de unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming niet geldt voor facturen en betaalbewijzen voor oogst- en productieverzekeringen. Deze verzekeringen kunnen enkel door telers zelf afgesloten worden, facturen en betaalbewijzen mogen daarom ook op naam van het aangesloten lid staan. De producentenorganisatie mag de subsidiabele kosten aan het lid vergoeden indien het lid aan de bepalingen van artikel 5.3.185 voldoet. Met de wijziging van het artikel wordt de bestaande uitvoeringspraktijk om deze bewijsvoering uit te zonderen gecodificeerd.

Artikel I, onderdeel V

Artikel 5.3.198a, eerste lid, bevat een opsomming van de gegevens die de producentenorganisatie overlegt bij de aanvraag tot gedeeltelijke betaling of de aanvraag tot subsidievaststelling. Aan deze opsomming ontbrak de gegevensuitvraag uit artikel 46, onderdelen h en i, van verordening 2021/2115. Deze vragen werden in de praktijk wel uitgevraagd. Met de toevoeging van onderdeel f wordt dit gecorrigeerd.

Er wordt een onderdeel g toegevoegd op basis waarvan moet worden aangeleverd wat het geslacht is van de jonge landbouwer of nieuwe landbouwer, omdat dit gegeven onderdeel uitmaakt van de rapportageverplichting aan de Europese Commissie.

Artikel I, onderdeel W

In artikel 5.6.1 vervalt de begripsbepaling van ‘nieuwe landbouwer’, omdat deze als gevolg van artikel I, onderdeel A, van deze wijziging wordt opgenomen in artikel 5.1.1.

Artikel I, onderdeel X

In artikel 5.6.2, negende lid, wordt de verwijzing naar de begripsbepaling van ‘nieuwe landbouwer’ in lijn gebracht met de huidige wijziging.

Artikel II

Artikel II bevat de inwerkingtredingbepaling. Zie voor de toelichting van de inwerkingtredingbepaling het algemeen deel van de toelichting.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen


X Noot
1

Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de versterking van de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen.

X Noot
2

Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de versterking van de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen.


X Noot
1

Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de versterking van de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen.

X Noot
2

Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de versterking van de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen.

Naar boven