Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2026, 18884 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2026, 18884 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
De SLIM-regeling wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:
In de begripsbepaling van ‘werkgeversvereniging’ wordt ‘subsidieaanvraag’ vervangen door ‘aanvraag’.
B
Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepaling van ‘geregistreerd gastouderbureau’ vervalt.
2. In de alfabetische rangschikking wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:
een overzicht van de scholing die voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, onder a tot en met f, en derde lid. Scholingspakketten worden vanaf 2027 drie keer per jaar door de minister vastgesteld;.
3. De begripsbepaling van ‘werkgever’ wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a vervalt ‘of’.
b. De punt aan het slot van onderdeel b wordt vervangen door een puntkomma.
c. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
c. een geregistreerd gastouderbureau is, als bedoeld in de Wet kinderopvang; of
d. krachtens een maatschapsovereenkomst als bedoeld in artikel 749 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam is in de zeevisserij.
C
In artikel 3.2 wordt ‘3.6,7.1’ vervangen door 3.6, 7.1’.
D
In artikel 3.4 vervalt ‘, een geregistreerd gastouderbureau’.
E
Artikel 3.5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt verwijderd ‘of geregistreerd gastouderbureau’.
2. Het tweede lid, onderdeel h, komt te luiden:
h. de scholing op zijn vroegst is ingekocht vanaf het moment dat deze is vastgesteld als subsidiabele scholing en de scholing niet later is gestart dan 13 weken na indiening van de subsidieaanvraag. De factuurdatum van de factuur van de betreffende scholing geldt als datum van inkoop van de scholing.
3. In het derde lid wordt ‘1 mei 2026’ gewijzigd in ‘21 augustus 2026’.
4. In het zesde lid wordt ‘www.uitvoeringvanbeleid.nl’ gewijzigd in ‘www.uitvoeringvanbeleidszw.nl’.
5. Er worden aan het slot twee leden toegevoegd, luidende:
7. Indien na een vaststellingsmoment scholing geen deel meer uitmaakt van het scholingspakket blijft deze nog subsidiabel tot het eerste daaropvolgende vaststellingsmoment.
8. Het zevende lid is niet van toepassing op opleidingen bedoeld in lid 3.
F
Artikel 3.6 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° komt te luiden:
1°. beroepsopleidingen als bedoeld in de artikelen 1.4.1, lid 1a, en 7.2.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs:
a. die gericht zijn op het uitreiken van een diploma zoals bedoeld in artikel 7.4.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
b. die keuzedelen van een beroepsopleiding middelbaar beroepsonderwijs zijn die kunnen worden afgerond met een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of
c. die kunnen worden afgerond met een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
2. Aan het slot van het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° wordt na de puntkomma verwijderd ‘en’.
3. In het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° wordt toegevoegd onder vervanging van de puntkomma door een komma, ‘en voor onderdelen van een beroepsopleiding als bedoeld in onderdeel c, subonderdeel 1°, die kunnen worden afgerond met een mbo-verklaring, de titelvermelding ‘Praktijkleren met de praktijkverklaring; en’.
4. Het vierde lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. een verklaring of bewijs van accreditatie van een landelijke werkgeversorganisatie of een O&O-fonds dan wel een organisatie die wordt bestuurd door ten minste een landelijke werkgeversorganisatie of een O&O-fonds; of
5. Het vijfde lid komt te luiden:
5. Aanvragen tot erkenning van ontwikkelpaden kunnen worden ingediend tijdens aanvraagperiodes die door de minister worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
G
Artikel 3.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. Uit het eerste lid wordt verwijderd ‘, geregistreerde gastouderbureaus’.
2. Het derde lid, tweede zin vervalt.
3. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot het vijfde en zesde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, dat luidt:
4. Indien de scholing een keuzedeel betreft van een beroepsopleiding middelbaar beroepsonderwijs dat kan worden afgerond met een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, bedraagt het subsidiepercentage 90% vanaf het eerstvolgende vaststellingsmoment van de scholingspakketten, vanaf de publicatiedatum van deze wijzigingsregeling.
4. In het zesde lid (nieuw) onderdeel a wordt verwijderd ‘door de subsidieontvanger’.
5. Er wordt een zevende lid toegevoegd, luidend:
7. Marktconformiteit als bedoeld in het zesde lid, hoeft niet te worden aangetoond voor opleidingen waarvoor het lesgeld wettelijk is vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 7.4.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.43 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
H
Artikel 3.9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Aanvragen voor scholing komen niet voor subsidie in aanmerking indien de scholing wordt uitgevoerd door:
a. de subsidieontvanger of een partij in het samenwerkingsverband;
b. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieontvanger of in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband;
c. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook:
1°. in het bestuur van de subsidieontvanger zijn vertegenwoordigd; of
2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd;
d. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of bestuurder is van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor:
1°. de subsidieontvanger; of
2°. een partij uit het samenwerkingsverband;
e. een organisatie waarin de subsidieontvanger of een partij uit het samenwerkingsverband, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of
f. een organisatie waarin zich een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het initiatief betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht; of
g. de werkgever als bedoeld in artikel 3.1.
I
Artikel 3.11, tweede lid, komt te luiden:
2. De eerste dag van het tijdvak voor collectieve aanvragen waarin de aanvraag is ingediend wordt aangemerkt als de startdatum van de periode. De periode eindigt uiterlijk voor collectieve aanvragen ingediend in het daarvoor bestemde tijdvak:
– in kalenderjaar 2025 op 31 december 2027; en
– in kalenderjaar 2026 op 31 december 2028.
J
Artikel 3.12 komt te luiden:
De minister stelt vast binnen welke tijdvakken bij de minister subsidies kunnen worden aangevraagd door werkgevers en door collectieven. Tijdvakken worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
K
Artikel 3.13, eerste lid, komt te luiden:
1. De minister stelt per aanvraagtijdvak subsidieplafonds vast voor subsidies voor werkgevers en voor collectieven. Subsidieplafonds worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
L
Artikel 3.14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Uit het opschrift wordt verwijderd ‘en geregistreerd gastouderbureau’.
2. Uit het eerste lid wordt verwijderd ‘of geregistreerd gastouderbureau’.
3. Uit het tweede lid wordt verwijderd ‘en een geregistreerd gastouderbureau’.
M
Artikel 3.15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. een door alle deelnemers aan het collectief getekende samenwerkingsovereenkomst, waaruit in ieder geval blijkt dat de hoofdaanvrager als zodanig is aangewezen en gemachtigd is om het collectief in en buiten rechte te vertegenwoordigen; en
2. Het tweede lid, onderdeel b, wordt verletterd tot onderdeel c, onder invoeging van een nieuw onderdeel b, dat luidt:
b. een intentieverklaring tot samenwerking in het collectief, ondertekend door een daartoe bevoegd gemachtigde; en.
N
In artikel 3.16, eerste lid, wordt aan het slot toegevoegd ‘, met dien verstande dat voor het jaar 2026 geldt dat deelname aan het collectief uiterlijk 26 maart 2026 op de daarvoor gebruikelijke wijze gemeld dient te zijn.’
O
In artikel 3.18, eerste lid, wordt verwijderd ‘en een geregistreerd gastouderbureau’.
P
1. In artikel 3.20, derde lid, wordt het woord ‘jaar’ vervangen door ‘kalenderjaar’.
2. Artikel 3.20, tweede lid, vervalt onder vernummering van de leden 3 en 4 tot lid 2 respectievelijk 3.
Q
In artikel 3.21 wordt verwijderd ‘en elk geregistreerd gastouderbureau’.
R
Artikel 3.24 wordt als volgt gewijzigd:
1. Uit het eerste lid wordt verwijderd ‘en geregistreerde gastouderbureaus’.
2. Uit het tweede lid wordt verwijderd ‘of geregistreerd gastouderbureau’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
De ervaringen met de SLIM-Scholingssubsidie in 2025 hebben geleid tot enkele aanpassingen die de uitvoering en samenwerkingsprocessen soepeler laten verlopen. Voor een beter begrip zijn enkele zaken verduidelijkt.
Door krapte op de arbeidsmarkt staat de realisatie van maatschappelijke opgaven voor onder meer zorg, onderwijs en de energietransitie onder druk. Bij- en omscholing kunnen bijdragen aan het terugdringen van arbeidsmarktkrapte. Het kabinet heeft tijdelijk budget beschikbaar gesteld om scholing te subsidiëren voor maatschappelijk cruciale sectoren. Het tijdelijk beschikbare budget is toegevoegd aan de lopende SLIM-regeling voor mkb. Het subsidiëren van scholing past namelijk goed binnen de SLIM-regeling aangezien deze gericht is op het ondersteunen van leer- en ontwikkelactiviteiten bij werkgevers. Het doel, de doelgroep en de activiteiten wijken echter ook af van de al bestaande SLIM-regeling. Daarom is ervoor gekozen om voor deze scholingssubsidie een nieuw hoofdstuk aan de SLIM-regeling toe te voegen. Voor meer informatie over de SLIM-Scholingssubsidie zie Staatscourant 2025, 7276 voor de initiële publicatie en Staatscourant 2025, 23399 voor de eerste wijzigingen.
Deze wijzigingsregeling regelt dat aanvraagperiodes voor erkenning van ontwikkelpaden, aanvraagtijdvakken voor subsidies en de subsidieplafonds voortaan worden gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van Uitvoering Van Beleid (www.uitvoeringvanbeleidszw.nl). Dit betreft een meer efficiënte handelwijze in het regelgevend traject, omdat daarmee het periodiek wijzigen van de SLIM-regeling zelf niet meer nodig is.
Deze toelichting is tevens de eerste mededeling voor de:
– aanvraagperiodes voor erkenning van ontwikkelpaden: zie de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel F (artikel 3.6);
– aanvraagtijdvakken voor subsidies: zie de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel J (artikel 3.12); en
– de subsidieplafonds: zie de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel J (artikel 3.13).
Tevens zijn er enkele kleine aanpassingen die in de artikelsgewijze toelichting aan bod komen, zoals onder meer het verduidelijken wanneer scholing subsidiabel is, en het hebben van een beoordeelbaar dossier voor NLQF-inschaling niet meer subsidiabel is. Daarnaast krijgen keuzedelen een vast subsidiepercentage van 90%, en is deelname door centrumgemeenten aan een collectief op basis van een intentieverklaring toegestaan.
Regeldrukberekening
Het indienen van een subsidieaanvraag op grond van de SLIM-scholingssubsidie geeft administratieve lasten. Er is een berekening gemaakt van de regeldruk die deze regeling met zich meebrengt. Deze berekening is uitgesplitst naar de aanvraag van individuele werkgevers en collectieven, oftewel samenwerkingsverbanden.
Individuele werkgevers
De administratieve last voor de regeling bestaat uit het leren kennen van de regeling, invullen en indienen van de aanvraag voor een subsidie. Werkgevers moeten voor de aanvraag kennisnemen van de regeling en verschillende gegevens verzamelen voor de aanvraag. Dit gaat bijvoorbeeld om organisatiegegevens, de factuur en betaalbewijs van de scholing en informatie over de werknemers die scholing krijgen. Tijdens de beoordeling van een dossier kunnen aan werkgevers nog vragen worden gesteld als de aanvraag niet volledig is. Na afloop worden 10% van de toegekende aanvragen tot € 50.000 en alle toegekende aanvragen boven € 50.000 100% steekproefsgewijs gecontroleerd op of de deelnemer is gestart met de scholing waarvoor de subsidie is verleend en dat is voldaan aan de subsidieverplichting. Wij verwachten, op basis van voorgaande openstellingsrondes, ongeveer 1.200 aanvragen, waarvan naar verwachting 708 (59%) worden gehonoreerd. De totale regeldrukgevolgen voor het voorstel zijn € 59.112. Met een subsidieplafond van € 6 miljoen is het regeldrukpercentage 0,1%.
Collectieven
Voor collectieven bestaan de administratieve lasten voor het aanvragen uit het leren kennen van de regeling, het opstellen van een plan, samenwerkingspartners vinden, inclusief arbeidsmarktregio’s, het opstellen van een begroting, een ondertekende samenwerkingsovereenkomst en intentieverklaringen voor centrumgemeenten van arbeidsmarktregio’s om te ondertekenen, een steunverklaring van de eigenaar van het ontwikkelpad waar de aanvraag voor is, het invullen van het webformulier. Tijdens de beoordeling van een dossier kunnen aan hoofdaanvragers nog vragen worden gesteld als de aanvraag niet volledig is.
Tijdens de uitvoering van de subsidie gaat het om het bijhouden van de projectadministratie, het aanleveren van een voortgangsrapportage, en het voorzien van een accountant van alle informatie. De accountantsverklaring dient te worden aangeleverd in het kader van het vaststellingsverzoek om de subsidie af te ronden. Het vaststellingsverzoek gebeurt door een webformulier in te vullen.
We verwachten 6 aanvragen in het komende tijdvak van 1–30 juni ’26, waarvan er waarschijnlijk 5 (84%) zullen worden gehonoreerd. De regeldrukgevolgen voor het voorstel zijn € 23.988. Met een subsidieplafond van € 23 miljoen is het regeldrukpercentage 1%.
In totaal bedragen de regeldrukgevolgen voor individuele werkgever en voor collectieven in totaal € 83.100. Met een totaal subsidiebudget van € 29 mln komt het regeldrukpercentage op 0,3%.
Toets op uitvoering, misbruik en oneigenlijk gebruik
Uitvoering Van Beleid heeft de regeling getoetst en uitvoerbaar bevonden. Op enkele bevindingen is de regeling aangepast. Het risico op misbruik en oneigenlijk gebruik is gelijk gebleven ten opzichte van de vorige wijzigingsregeling.
Advies ATR
ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Internetconsultatie
Aangezien de regeling enkele aanscherpingen en verduidelijking behoefde, is de wijzigingsregeling niet in internetconsultatie gebracht. Daarnaast is de verwachting dat internetconsultatie niet in betekenende mate zou leiden tot aanpassing van het voorstel.
Onderdeel A (artikel 1.1)
In de begripsbepaling van werkgeversvereniging is ‘subsidieaanvraag’ veranderd in ‘aanvraag’ en daarmee gelijkluidend gemaakt aan de begripsbepaling van werknemersvereniging. Dat past ook beter omdat in deze regeling niet alleen sprake van subsidieaanvragen, maar ook van aanvragen voor erkenning van ontwikkelpaden.
Onderdeel B (artikel 3.1)
In de begripsbepalingen van artikel 3.1 is het scholingspakket opgenomen, omdat dit begrip de subsidiabiliteit van de scholing aangeeft en het wenselijk is daar kort naar te kunnen verwijzen.
Tevens is een in artikel 3.1 is de begripsbepaling van werkgever aangevuld met twee onderdelen. Maatschappen in de zeevisserij vervullen een coördinerende rol voor wat betreft opleiding, training en ontwikkeling van individuele bemanningsleden aan boord van kotters. Deze vorm van maatschap is als werkgever aangemerkt, gelet op de specifieke arbeidsomstandigheden van bemanningen op zeevissersvaartuigen. Denk hierbij aan lange werkdagen, langdurige periodes op zee en een beperkte bemanningsgrootte. In de artikelen 3.4, 3.5, 3.8, 3.12, 3.14, 3.18, 3.21 en 3.24 werden geregistreerde gastouderbureaus steeds in één adem genoemd met de werkgevers omdat alle voorwaarden hetzelfde zijn. Omwille van de leesbaarheid is de bedoelde bemanningsmaatschap in de visserij niet ook telkens aan die artikelen toegevoegd, maar is de begripsbepaling van werkgever uitgebreid met onderdeel c. waarin de geregistreerde gastouderbureaus en de in maatschapsverband werkende vissers voor deze regeling worden aangemerkt als werkgever.
Onderdeel E (artikel 3.5)
Met de aanpassing in het tweede lid worden aanvangs- en einddatum van scholing als voorwaarde voor subsidiabiliteit verduidelijkt. Uitgangspunt is dat scholing niet voor subsidie in aanmerking komt als deze reeds werd ingekocht of aangevraagd voordat deze voor de eerste keer subsidiabel is geworden. Voor het bepalen van het moment van inkoop van de scholing wordt de factuurdatum van de factuur van de betreffende scholing gebruikt.
Een foutieve link naar de website van Uitvoering Van Beleid is vervangen door de correcte link.
Het toegevoegde zevende lid geeft een afloopperiode aan voor de subsidiabiliteit van scholing die uit het scholingspakket verwijderd is. Deze opleidingen zijn na vaststelling van het scholingspakket nog subsidiabel tot het moment van vaststelling van het volgende scholingspakket. Zo wordt voorkomen dat werkgevers verrast worden als een opleiding plotseling niet meer subsidiabel is.
In het derde lid is de datum aangepast. Tot 21 augustus zijn non formele opleidingen subsidiabel waarvan het Nationaal Coördinatiepunt NLQF heeft geoordeeld dat de aanvraag voor NLQF-inschaling volledig is. Dit eindigt op 21 augustus 2026 als volgende vaststellingsmoment. Lid 8 maakt duidelijk dat de overgangsperiode na verwijdering uit het scholingspakket niet van toepassing is op deze opleidingen.
Onderdeel F (artikel 3.6)
In eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° is verduidelijkt wat wordt beoogd: beroepsopleidingen in de bbl en derde leerweg die in het ontwikkelpad staan betreffen volledige beroepsopleidingen waarbij het onderwijs- en examenprogramma gericht is op het behalen van het mbo-diploma.
De informatie over Praktijkleren met de Praktijkverklaring in een ontwikkelpad is verduidelijkt in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°. Deze scholing heeft geen code in de Registratie Opleidingen en Instellingen, de naam Praktijkleren met de Praktijkverklaring volstaat.
Omdat het wenselijk is om ook een O&O-fonds als partij aan te merken voor het ondersteunen van branchewaardering is het O&O-fonds toegevoegd aan het vierde lid, onderdeel c.
Aanvragen tot erkenning van ontwikkelpaden kunnen bij de minister worden gedaan in daarvoor openstaande tijdvakken. De thans bekende periodes zijn:
a. in 2026:
– van 1 tot en met 15 april;
– van 1 tot en met 15 juli; en
– van 15 tot en met 31 oktober;
b. in 2027:
– van 1 tot en met 16 maart;
– van 15 tot en met 30 juni; en
– van 15 oktober tot en met 1 november.
c. in de jaren met ingang van 2028:
– van 15 tot en met 31 maart;
– van 15 tot en met 30 juni; en
– van 15 tot en met 30 oktober.
Wijziging van periodes worden voortaan bekendgemaakt via de Staatscourant en op de website van Uitvoering Van Beleid (www.uitvoeringvanbeleidszw.nl).
Onderdeel G (artikel 3.8)
In het derde en vierde lid is aangepast dat alle keuzedelen waaraan een certificaat is verbonden zoals bedoeld in artikel 7.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en die subsidiabel zijn voortaan een subsidiepercentage van 90% kennen. Deze aanpassing vermindert de uitvoeringsdruk om het niveau van de keuzedelen vast te kunnen stellen. In het vierde lid is opgenomen dat dit geldt vanaf 22 mei 2026, de datum van het eerstvolgende vaststellingsmoment van subsidiabele scholing na publicatie van deze wijzigingsregeling.
Overwogen is om in artikel 3.8, derde lid, tot uitdrukking te brengen dat cofinanciering is toegestaan uit eigen middelen van de werkgever, werkgevers- of werknemersvereniging, of het O&O-fonds. Daarmee wordt gedoeld op het financieren van deel van de scholingskosten waar geen SLIM-subsidie voor is verstrekt, respectievelijk 10% en 60%. Voor publiek gefinancierde werkgevers geldt dat de eigen middelen uit publieke middelen komen en worden gezien als eigen middelen van de werkgever. Een voorbeeld hiervan zijn door OCW-bekostigde onderwijsinstellingen die gefinancierd worden van overheidswege via de lumpsumfinanciering en OCW-subsidieregelingen zoals de subsidieregeling
Zijinstroom in Beroep. Omdat deze gangbare praktijk impliciet al uit de regelingstekst blijkt, is ervan afgezien om dit op te nemen. De niet-subsidiabele kosten in artikel 3.9, eerste lid (nieuw) zijn (scholings)kosten die niet in aanmerking komen voor SLIM-subsidie als er al financiering door andere overheidsbronnen plaatsvindt, dit is bedoeld om dubbelfinanciering te voorkomen van kosten voor dezelfde activiteit van dezelfde begunstigde.
Aangepast in lid 6 (nieuw) is dat wanneer collectieven voor het uitvoeringsmodel kiezen dat werkgevers zelf scholing inkopen, niet de collectieven verantwoordelijk zijn voor de inkoop, maar de werkgever. De subsidieontvanger is wel verantwoordelijk voor de juistheid van de te verantwoorden kosten.
De offerteprocedure moet inzichtelijk zijn voor de accountant. Dat betekent dat de stukken van de offerteprocedure beschikbaar zijn bij de subsidieontvanger.
In een nieuw zevende lid is opgenomen dat voor opleidingen met overheidsbekostiging geen marktconformiteit hoeft te worden aangetoond, omdat hiervoor wettelijk vastgestelde prijzen gelden voor het lesgeld. Deze opleidingen hoeven ook niet opgenomen te worden in offerteprocedures.
Onderdeel H (artikel 3.9)
Toevoeging van het tweede lid betreft een verplaatsing van bepalingen uit artikel 3.20 waarin de weigeringsgronden voor subsidie zijn vervat. De verplaatste bepalingen vormen immers geen weigeringsgronden maar zijn reden voor niet-subsidiabiliteit. Met de toevoeging is geregeld dat scholing niet subsidiabel is in genoemde situaties.
Onderdeel I (artikel 3.11)
In artikel 3.11 is het tweede lid aangepast zodat de projectperiode om uitvoering te geven aan de subsidiabele activiteiten voor collectieve aanvragen start op de eerste dag van het desbetreffende aanvraagtijdvak.
Tevens is de projectperiode voor collectieve aanvragen die in 2026 worden aangevraagd en toegekend verlengd tot en met 31 december 2028. De looptijd van de projectperiode is in
– 2025: van 1 september 2025 tot en met 31 december 2027; en
– 2026: van 1 september 2026 tot en met 31 december 2028.
Onderdeel J (artikel 3.12)
In artikel 3.12 is opgenomen dat nieuwe aanvraagtijdvakken bekend worden gemaakt via de Staatscourant en op de website van Uitvoering Van Beleid (www.uitvoeringvanbeleidszw.nl), zowel voor werkgevers als voor collectieve aanvragen.
De nu bekende aanvraagtijdvakken voor indiening van een subsidieaanvraag bij de minister zijn:
a. voor een werkgever:
– in 2025: van 10 maart 09:00 uur tot en met 30 juni 17:00 uur en van 1 juli 09:00 uur tot en met 10 november 17:00 uur;
– in 2026: vanaf 26 mei van 09:00 uur tot en met 31 december 17:00 uur;
– in 2027: van 1 januari tot en met najaar 2027, nog nader te bepalen datum.
b. voor collectief:
– in 2025: van 1 september 09:00 uur tot en met 7 oktober 17:00 uur; en
– in 2026: van 1 september 09:00 uur tot en met 16 oktober 17:00 uur.
Onderdeel K (artikel 3.13)
In artikel 3.13 is opgenomen dat nieuwe subsidieplafonds bekend worden gemaakt via de Staatscourant en op de website van Uitvoering Van Beleid (www.uitvoeringvanbeleidszw.nl), zowel voor werkgevers als voor collectieve aanvragen. Het blijft, op grond van het derde lid, mogelijk om binnen kalenderjaren niet gebruikt budget van het tijdvak voor werkgevers aan het tijdvak voor collectieven en vice versa toe te voegen.
Voor de periodes hieronder genoemd zijn de subsidieplafonds als volgt:
a. ten behoeve van werkgevers:
– voor het jaar 2025 € 4 miljoen voor het eerste tijdvak en € 4 miljoen voor het tweede tijdvak;
– voor het jaar 2026 € 4 miljoen;
– voor het jaar 2027 € 6 miljoen;
b. ten behoeve van collectieven:
– voor het jaar 2025: € 22 miljoen; en
– voor het jaar 2027: € 22 miljoen.
Onderdeel M (artikel 3.15)
Met de wijziging in artikel 3.15, lid 2 onderdeel a is geregeld dat een koepelorganisatie aangewezen moet worden door één of meer werkgeversverenigingen en één of meer werknemersverenigingen die een band hebben met één of meer beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren.
Deelname aan het samenwerkingsverband en ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst volstaat. Een extra schriftelijke aanwijzing voor de koepelorganisatie is niet nodig.
In artikel 3.15, lid 2 onderdeel b. is voor centrumgemeenten, als vertegenwoordiger van de arbeidsmarktregio, toegevoegd dat het voor deelname aan een samenwerkingsverband niet verplicht is om de samenwerkingsovereenkomst te ondertekenen. Als alternatief kunnen centrumgemeenten een intentieverklaring ondertekenen. Het ondertekenen van ofwel een intentieverklaring ofwel een samenwerkingsovereenkomst is wel minimaal vereist als bevestiging van deelname aan het collectief. Hiermee bevestigt de centrumgemeente met welke sector(en) samenwerking wordt vormgegeven om de subsidie uit te voeren. Indien een centrumgemeente participeert op basis van een intentieverklaring, kunnen provincies dit ook doen.
Onderdeel N (artikel 3.16)
In artikel 3.16 eerste lid is de oude datum vervangen door 26 maart 2026.
Onderdeel P (artikel 3.20)
Zie voor toelichting op de verplaatsing van de bepalingen in het tweede lid naar artikel 3.9 tweede lid de toelichting bij onderdeel H.
In artikel 3.20, het nieuwe tweede lid, wordt het woord ‘jaar’ vervangen door kalenderjaar, om duidelijk aan te geven naar welke periode gekeken wordt voor de subsidieverlening en de eventuele begrenzing daarvan.
De wijziging treedt in werking de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en minimum-invoeringstermijn voor regelgeving. Dat is nodig aangezien deze regeling deels reparatieregelgeving betreft.
Voor enkele bepalingen geldt dat deze van kracht zijn met ingang van 1 september 2025, de eerste dag van het tijdvak voor collectieve aanvragen in 2025. Zo worden terugwerkend tot die datum maatschap vissers gelijkgesteld aan werkgevers, hoeven de prijzen van opleidingen die wettelijk vastgesteld zijn niet te worden meegenomen in de offerteprocedures, wordt de startdatum van de projectperiode gewijzigd in de eerste dag van het aanvraagtijdvak voor collectieve aanvragen en kunnen, tot slot, centrumgemeenten deelname aan collectieve aanvragen kenbaar maken door een intentieverklaring te ondertekenen in plaats van een samenwerkingsovereenkomst.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
Kopieer de link naar uw clipboard
https://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-18884.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.