Aanwijzing advisering door de Centrale toetsingscommissie

Rechtskarakter: Aanwijzing (artikel 130 lid 6 Wet RO)

Van: College van procureurs-generaal

Registratienummer: 2026A001

Datum inwerkingtreding: 1 mei 2026

Vervallen: Aanwijzing opsporingsbevoegdheden (2014A009) (met uitzondering van de paragrafen 2.7 tot en met 2.9)

Relevante beleidsregels OM: Aanwijzing voor de internationale aspecten van de inzet van de bevoegdheid ex art. 126nba Sv (2019A001); Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (2020A003); Aanwijzing herziening ten nadele (2014A001)

Relevante wetgeving: artt. 126l, 126s, 126zf Sv en 6:1:7 lid 2, artt. 126h, 126p en 126ze Sv, artt. 126w, 126x en 126zu Sv, artt. 126nba, 126uba, 126zpa en 6:1:7 lid 2 Sv, art. 126ff lid 2 Sv, art. 44a Sr en artt. 226g t/m 226k Sv, art. 226l Sv, art. 151a Sv, artt. 482a Sv e.v.

Omschrijving

Deze aanwijzing bevat regels over de advisering door de Centrale toetsingscommissie (CTC). Deze aanwijzing geeft aan in welke gevallen de advisering van de CTC en de toestemming van het College van procureurs-generaal (hierna College) is vereist en welke procedure daartoe moet worden gevolgd. Ook wordt het toetsingskader voor de CTC beschreven. Daarnaast bevat deze aanwijzing informatie over de samenstelling van de CTC. Voorts wordt de mogelijkheid van collegiale toetsing door de CTC beschreven. In een beperkt aantal gevallen is een collegiale toetsing verplicht. Ten slotte wordt ingegaan op de vertrouwelijkheid van CTC-stukken.

1. Inleiding

Het openbaar ministerie heeft op grond van artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) het gezag over de opsporing. Dit betekent dat de wettelijk geregelde opsporingsbevoegdheden in de meeste gevallen uitsluitend kunnen worden toegepast op bevel of vordering van de officier van justitie. Bij een aantal opsporingsbevoegdheden is bovendien een machtiging van de rechter-commissaris vereist alvorens een bevel kan worden gegeven of een vordering kan worden gedaan.

Voor de toepassing van een aantal ingrijpende opsporingsbevoegdheden is de voorafgaande toestemming van het College van procureurs-generaal vereist. Het College wordt hierover geadviseerd door de CTC. Deze procedure dient ook in een aantal andere specifieke gevallen gevolgd te worden (zie paragraaf 3). In deze aanwijzing wordt de (verplichte) procedure bij de CTC en de toestemming van het College van procureurs-generaal beschreven.

2. Samenstelling CTC

De CTC is een intern adviesorgaan van het openbaar ministerie. De CTC is samengesteld uit leden van het openbaar ministerie en de politie. Voor de advisering over het onderwerp toezeggingen aan getuigen en getuigenbescherming kan de CTC worden aangevuld met leden die niet aan het openbaar ministerie verbonden zijn. Het gaat om leden uit de gedrags- en rechtswetenschap en leden met deskundigheid op het gebied van veiligheid en beveiliging respectievelijk ethische dilemma’s.

3. Gevallen waarin toestemming van het College is voorgeschreven

Voor de toepassing van in elk geval de volgende (opsporings)bevoegdheden is de advisering door de CTC en de toestemming van het College vereist.

  • 1. Het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) met een technisch hulpmiddel in een woning of een daaraan gelijk te stellen ruimte (artikelen 126l, 126s, 126zf Sv en 6:1:7 lid 2 Sv);

  • 2. Politiële infiltratie (artikelen 126h, 126p en 126ze Sv);

    Afzonderlijke toestemming is vereist voor pseudokopen (artikelen 126i, 126q en 126zd Sv) en pseudoverkopen tijdens een infiltratietraject indien de toepassing daarvan niet past binnen het infiltratietraject dat eerder is aan de CTC is voorgelegd en waarvoor door het College toestemming is verleend;

  • 3. Burgerinfiltratie (artikelen 126w, 126x en 126zu Sv);

    Afzonderlijke toestemming is vereist voor pseudokopen (artikelen 126ij en 126z Sv) en pseudoverkopen tijdens een infiltratietraject indien de toepassing daarvan niet past binnen het infiltratietraject dat eerder is aan de CTC is voorgelegd en waarvoor door het College toestemming is verleend;

  • 4. Het binnendringen van een geautomatiseerd werk (artikelen 126nba, 126uba, 126zpa en 6:1:7 lid 2 Sv);

  • 5. Alle gevallen van afzien van inbeslagneming van bij de wet verboden, voor de volksgezondheid schadelijke of voor de veiligheid gevaarlijke voorwerpen (doorlaatverbod, artikel 126ff lid 2 Sv);

  • 6. Alle gevallen van het ‘doorlaten van personen’ in het kader van mensensmokkel (artikel 126ff lid 2 Sv);

  • 7. Toezeggingen aan getuigen in strafzaken (artikel 44a Sr en artikelen 226g t/m 226k Sv);

  • 8. Het toepassen van getuigenbescherming (artikel 226l Sv);

  • 9. Grootschalig DNA-onderzoek (artikel 151a Sv);

  • 10. DNA-verwantschapsonderzoek (met uitzondering van een-op-een-vergelijkingen en reguliere databankbevragingen) (artikel 151da Sv);

  • 11. Herziening ten nadele (artikelen 482a Sv e.v.);

  • 12. De toepassing van onorthodoxe opsporingsmethoden;

    Het uitgangspunt is dat geen gebruik wordt gemaakt van opsporingsmethoden die naar de stand van de wetenschap (nog) geen zekerheid bieden omtrent de betrouwbaarheid van de resultaten.1 Alleen bij zeer hoge uitzondering, namelijk in geval van een verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en het opsporingsonderzoek is vastgelopen, kan een dergelijke opsporingsmethode worden overwogen.2 De resultaten kunnen alleen als sturingsinformatie worden gebruikt;

  • 13. Inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken waarin de uitvoering van een van bovengenoemde opsporingsactiviteiten wordt verzocht;

  • 14. Het treffen van maatregelen die verband houden met de naamsbekendheid en herkenbaarheid van officieren van justitie en advocaten-generaal in strafzaken.

4. Toetsingskader

De CTC toetst aan wet- en regelgeving en jurisprudentie, in het bijzonder aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, en (afbreuk)risico’s. De CTC verricht een integrale toetsing en afweging van verschillende, nevengeschikte belangen op het gebied van opsporing en vervolging, veiligheid en ethische vraagstukken en dilemma’s.

5. Procedure

Het verzoek aan de CTC wordt door de officier van justitie inhoudelijk afgestemd met de rechercheofficier van het eigen parket. De hoofdofficier legt de zaak schriftelijk of digitaal voor aan de CTC. De CTC geeft een advies aan het College, op basis waarvan het College een beslissing neemt.

In twee gevallen legt het College zijn voorgenomen beslissing voor aan de Minister van Justitie en Veiligheid, te weten de uitzondering op het verbod op doorlaten zoals bedoeld in artikel 126ff lid 2 Sv en de inzet van een (criminele) burgerinfiltrant (artikel 131 lid 5 Wet RO i.c.m. artikel 140a Sv). Dit is een wettelijke verplichting.

Het College stelt – door tussenkomst van de secretaris van de CTC – de aanvragende hoofdofficier zo spoedig mogelijk in kennis van zijn beslissing, met de eventueel daarbij gestelde voorwaarden. De beslissing wordt schriftelijk of digitaal bevestigd.

Een door de CTC geadviseerde en door het College gestelde termijn behoeft niet gelijk te zijn aan de wettelijke termijn van het bevel van de officier van justitie. Indien toestemming is gegeven voor een termijn die de geldigheidsduur van het bevel overstijgt, kan het bevel met inachtneming van die termijn en (indien nodig) na machtiging van de rechter-commissaris worden verlengd.

De door het College gestelde termijn waarbinnen de inzet van de bevoegdheid plaatsvindt kan zo nodig op verzoek van de hoofdofficier worden verlengd. Hiervoor geldt in beginsel dezelfde procedure.

In spoedeisende gevallen is een versnelde, mondelinge procedure mogelijk. Het advies van de CTC wordt achteraf op schrift gesteld. De beslissing van het College wordt schriftelijk of digitaal bevestigd.

6. Collegiaal advies

Buiten de gevallen waarin de advisering door de CTC verplicht is, kan een officier van justitie ook collegiaal advies inwinnen van de CTC. De zaak wordt dan in beginsel niet aan het College voorgelegd.

Bij een voorgenomen toepassing van een ingrijpende ruisstrategie of een ingrijpende vorm van stelselmatige informatie-inwinning (artikelen 126j, 126qa en 126zd Sv) legt de officier van justitie dit voornemen in ieder geval voor aan de CTC voor collegiaal advies. In deze gevallen is een collegiaal advies verplicht.

7. Processtukken

CTC-stukken, daaronder begrepen de beslissing van het College, zijn vertrouwelijk. Het zijn geen processtukken en deze worden niet in het dossier gevoegd. Volgens vaste rechtspraak gaat het om interne stukken die voor de zelfstandige beoordeling door de rechter van de inzet van de bevoegdheid niet van belang zijn.3

Slotbepaling

Deze aanwijzing treedt in werking op 1 mei 2026.


X Noot
1

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruik van vormen van leugen- en geheugendetectie.

X Noot
2

Hierbij moet met name worden gedacht aan misdrijven die zo ernstig zijn in de gevolgen voor een slachtoffer of nabestaanden, dat alle mogelijkheden om het misdrijf op te lossen overwogen moeten kunnen worden.

X Noot
3

HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1332, NJ 2000, 104 en HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6245, NJ 2000, 502.


X Noot
1

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruik van vormen van leugen- en geheugendetectie.

X Noot
2

Hierbij moet met name worden gedacht aan misdrijven die zo ernstig zijn in de gevolgen voor een slachtoffer of nabestaanden, dat alle mogelijkheden om het misdrijf op te lossen overwogen moeten kunnen worden.

X Noot
3

HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1332, NJ 2000, 104 en HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6245, NJ 2000, 502.

Naar boven