Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 14457 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 14457 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op de artikelen 2, 4, 5, eerste en tweede lid, 13, tweede lid, 16, 17, eerste lid, onderdeel a en vierde lid, 19, eerste en tweede lid, 23, onderdeel b, 25, 28 34, 44, tweede lid, en 50, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
Aan hoofdstuk 2 wordt een titel toegevoegd, luidende:
In deze titel wordt verstaan onder:
beheer van het Nederlandse cultuurlandschap om een bijdrage te leveren aan het behalen van doelstellingen voor natuur, water en klimaat;
zones rond lijnvormige langzaam en snelstromende smalle natuurlijke waterlopen;
vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied haar werkgebied is gelegen;
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor de periode 2023–2027, bestaande uit Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435), Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435), en Verordening (EU) 2021/2117 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten en (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (PbEU 2021, L 435);
gebied als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet;
een proces voor het verwerven, verzamelen en delen van expliciete en impliciete kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten;
een samenhangend landschapstype waarin doelsoorten of soortgroepen, zoals de grutto, duurzaam kunnen voorkomen omdat noodzakelijke ecologische voorwaarden aanwezig zijn;
Natura 2000-gebied als bedoeld in de Omgevingswet;
investering als bedoeld in artikel 2, onderdeel 39, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
landbouwbeleid voor de periode 2028 tot en met 2034, volgend op de huidige periode 2023 tot en met 2027 van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, zoals is voorgesteld in het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028–2034 (COM/2025/560 final);
organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
beekdalen, leefgebied voor soorten die onderdeel uitmaken van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer, gebied in en rondom Natura 2000-gebied, grondwaterbeschermingsgebied of veenweidegebied;
proefproject als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, dat gericht is op het versterken van agrarisch natuurbeheer;
samenwerkingsverband van ten minste vier deelnemers waarvan tenminste één deelnemer een gecertificeerd agrarisch collectief is en tenminste één deelnemer een landbouwonderneming;
veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet in de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en in de provincie Groningen in de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Westerkwartier en in de provincie Overijssel in de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle;
beheer, niet zijnde legselbeheer, dat een grote invloed heeft op doelsoorten, habitattypen of ten behoeve van doelen voor omliggende natuur, water en klimaat, én relatief veel inspanning, ruimte en opbrengstverlies voor agrariërs in een gebied met zich meebrengen.
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het verrichten van één of meer van de volgende activiteiten:
a. het oprichten en gedurende het proefproject in stand houden van een samenwerkingsverband als bedoeld in de aanhef;
b. het doen van niet-productieve investeringen ten behoeve van de proefprojecten;
c. gezamenlijk uitvoeren van proefprojecten, bestaande uit beheermaatregelen op of aanpalend aan landbouwgrond als bedoeld in bijlage 2.29;
d. het voorbereiden, uitvoeren en meten op doelbereik van proefprojecten die zich richten op het versterken van agrarisch natuurbeheer en de bijbehorende kennis- en innovatievraagstukken;
e. kennisdeling naar aanleiding van de resultaten van de proefprojecten.
2. De activiteiten ten behoeve van het proefproject, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd op één van de volgende twee onderdelen:
a. het uitproberen van nieuwe maatregelen of het verder ontwikkelen van bestaande maatregelen, en het onderzoeken van de effecten van die maatregelen gericht op het versterken van het agrarisch natuurbeheer, en waar mogelijk het nieuwe GLB, en waarbij het proefproject bijdraagt aan zwaar agrarisch natuurbeheer op bedrijfsniveau in of nabij een prioritair gebied, in lijn met de doelstellingen voor natuur, water en klimaat in het betreffende prioritaire gebied;
b. het ontwikkelen en uitproberen van nieuwe individuele maatregelen in het veld, of het ontwikkelen en uitproberen van nieuwe beleidsinstrumenten, binnen het agrarisch natuurbeheer, en het onderzoeken van de effecten van die maatregelen of instrumenten, met als doel om te komen tot instrumentarium of maatregelen die in de toekomst breed inzetbaar zijn binnen het agrarisch natuurbeheer.
1. Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:
a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel a: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b: voor zover het een investering op een landbouwonderneming betreft, de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c: de kosten, bedoeld in artikel 34, twaalfde lid, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
d. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel d: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdeel d, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
e. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel e: de kosten, bedoeld in artikel 21, derde lid, met uitzondering van onderdeel b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
2. Voor zover sprake is van investeringskosten als bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b, en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen uitsluitend in aanmerking de kosten van investeringen:
a. die verband houden met de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen e, f of g, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; en
b. die betrekking hebben op niet-productieve investeringen.
3. Voor zover sprake is van kosten voor beheermaatregelen als bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, komen uitsluitend in aanmerking de kosten voor beheermaatregelen, indien zij verder gaan dan:
a. het in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling GLB opgenomen criterium waaraan de landbouwer dient te voldoen om een landbouwareaal in een staat te houden die begrazing of teelt mogelijk maakt;
b. de in artikel 32, aanhef en onderdelen a en b, en bijlagen 3 en 4 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 opgenomen conditionaliteiten.
1. De subsidie bedraagt:
a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdelen a, d en e, 100 procent van de subsidiabele kosten;
b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b, voor niet-productieve investeringen 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 500.000, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming;
c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b, 100 procent van de subsidiabele kosten, indien het een investering door een onderzoeksorganisatie betreft.
d. de kosten voor de beheermaatregelen, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, worden bepaald op basis van de vergoedingen opgenomen in bijlage 2.29.
2. De hoogte van de subsidie bedraagt in totaal maximaal € 5.000.000 aan het samenwerkingsverband.
1. De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
2. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder b, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder a, toegevoegd.
3. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder a, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder b, toegevoegd.
1. Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.
2. Het project is uiterlijk drie jaar na subsidieverlening afgerond.
De minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, indien:
a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdelen a en e, geen subsidie wordt aangevraagd of uitsluitend niet-subsidiabele kosten worden opgevoerd;
b. na toepassing van artikel 2.29.9, eerste lid, aan een aanvraag in totaal minder dan 30 punten zijn toegekend;
c. na toepassing van artikel 2.29.9, eerste lid, voor één of meer criteria als bedoeld in artikel 2.29.9, eerste lid, onderdelen a tot en met d, 0 punten is toegekend;
d. de verlening van subsidie niet in overeenstemming zou zijn met de artikelen 14, 21, 32, 34 of 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
e. een grote onderneming, die geen onderzoeksorganisatie is, deelnemer is in een samenwerkingsverband;
f. de subsidie minder bedraagt dan € 1.000.000;
g. ten behoeve van het samenwerkingsverband, voor wat betreft dezelfde openstellingsperiode, reeds een aanvraag is ingediend voor subsidie als bedoeld in artikel 2.29.2 of reeds subsidie is verstrekt op grond van artikel 2.29.2.
1. De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:
a. de mate van effectiviteit hoger is;
b. de haalbaarheid hoger is;
c. de mate van efficiëntie hoger is; en
d. de mate van innovatie hoger is.
2. Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten minste 0 en ten hoogste 5.
3. Voor de rangschikking van een aanvraag wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk wegingsfactoren van respectievelijk 4, 3, 2 en 1.
4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate daaraan in totaal meer punten zijn toegekend.
5. Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor.
1. Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
2. Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
a. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;
b. een projectplan voor de volledige projectduur tot maximaal drie jaren, gerekend vanaf de startdatum;
c. een begroting voor de gehele projectperiode gerekend vanaf de startdatum;
d. een beschrijving van de geplande activiteiten en hoe deze activiteiten bijdragen aan doelstellingen van titel 2.29.2, tweede lid, van deze regeling;
e. een intekening door de aanvrager op een omgevingskaart met daarin aangegeven het werkgebied waar het samenwerkingsverband de activiteiten wil uitvoeren;
f. onverminderd artikel 1.9, een ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers;
g. indien de deelnemer aan het samenwerkingsverband een onderneming betreft:
1°. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 59, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw verkeert;
2°. een verklaring waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij de groepsvrijstellingsverordening landbouw vastgestelde criteria;
h. indien van toepassing, een verklaring van de subsidieaanvrager over de subsidiabele kosten die bestaan uit omzetbelasting die de subsidieontvanger niet in aftrek kan brengen.
3. Het projectplan bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. indien het een project als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, de visie en gebiedsgerichte benadering van het project, een uiteenzetting van de gebiedskenmerken, de in het betreffende gebied voorkomende uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur, en de wijze waarop het project via het experimenteren met verschillende maatregelen en instrumenten kan bijdragen aan het behalen van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur;
b. indien het een project als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b, betreft, een uiteenzetting van de probleemstelling en de wijze waarop de experimentele maatregel of het bestaande of te ontwikkelen instrument bij kan dragen aan het oplossen van de uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur;
c. de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur;
d. de wijze waarop de effecten van de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode op doelbereik gemonitord zullen worden;
e. de wijze waarop resultaten uit de proefprojecten worden verspreid;
f. de kansen en mogelijke risico’s van deelname aan proefprojecten door leden van het samenwerkingsverband en derden en de wijze waarop deze risico’s gemitigeerd worden.
4. De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, bevat ten minste een omschrijving van de wijze waarop ten aanzien van de deelnemers in het samenwerkingsverband wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten.
5. Bij een aanvraag om subsidie wordt mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt gefinancierd.
1. De penvoerder dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten. De eerste tussenrapportage wordt uiterlijk een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ingediend.
2. Een tussenrapportage en eindverslag bevatten ten minste de volgende gegevens:
a. de behaalde (deel)resultaten van uitgevoerde proefprojecten, de effecten van uitgevoerde proefprojecten op het beoogde doelbereik en de geleerde lessen met betrekking tot toekomstbestendig agrarisch natuurbeheer;
b. het aantal betrokken partijen, specifiek het aantal en type agrarische ondernemers, bij de uitvoering van proefprojecten;
c. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers;
d. het aantal en soort investeringen en het gebruik hiervan;
e. indien de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, door het samenwerkingsverband worden verricht, een kaart waarop van beheermaatregelen op perceelsniveau wordt aangegeven waar de beheermaatregelen uitgevoerd gaan worden of uitgevoerd zijn.
3. De resultaten en tussenresultaten van de proefprojecten worden actief en breed gedeeld op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform vanaf de einddatum van de subsidie of vanaf de datum waarop informatie over de resultaten wordt gegeven aan leden van een specifieke organisatie.
4. De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van de subsidie.
5. Voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten zijn voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk, onder meer via een openbaar toegankelijk digitaal platform.
6. Indien de subsidieontvanger mede actief is in de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten, maar als terreinbeheerder hoofdzakelijk activiteiten verricht die betrekking hebben op natuurbeheer of natuurherstel, voert de subsidieontvanger een zodanige administratie dat met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten aantoonbaar is dat de subsidie niet ten goede komt aan de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten.
De subsidie, bedoeld in artikel 2.29.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd:
a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel a, door artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b, door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, door de artikelen 34 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
d. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel d, door de artikelen 32 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
e. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel e, door artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt onder de laatste rij betreffende titel 2.29 een rij ingevoegd, luidende:
|
Titel 2.29: Pilots Agrarisch natuurbeheer |
Artikel 2.29.2, tweede lid, onder a |
Agrarisch natuurbeheer in prioritaire gebieden |
29-04-2026 t/m 03-06-2026 |
€ 13.000.000 |
|
|
Artikel 2.29.2, tweede lid, onder b |
Het ontwikkelen van maatregelen en instrumenten |
29-04-2026 t/m 03-06-2026 |
€ 7.000.000 |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23 april 2026
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Bijlage bij de subsidieregeling Pilots Agrarisch natuurbeheer
Vergoedingen worden berekend conform de berekeningswijze, zoals opgenomen in het Nationaal Strategisch Plan van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, in lijn met de berekeningen voor het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Deze berekeningswijze is gebaseerd op de kosten voor extra arbeid direct gerelateerd aan de activiteit, inkomstenderving en besparingen. Transactiekosten maken geen onderdeel uit van de beheervergoeding in deze regeling. Op basis van deze berekeningswijze is een maximale vergoeding per activiteit vastgesteld. Deze maximale vergoeding is opgenomen in onderstaande tabel. Nederland heeft voor een aantal activiteiten verschillende vergoedingen voor bouwland op zand (regio 1) en klei (regio 2).
|
1 |
2 |
|---|---|
|
Activiteit |
Berekeningsmethode |
|
1. Er worden in de rustperiode van datum x tot datum y geen landbouwkundige bewerkingen uitgevoerd. |
€ 3.214,48 per ha op grasland en € 330,10 per ha op bouwland |
|
3. Het grasland wordt vanaf 1 maart en vóór de rustperiode niet gemaaid. |
€ 2.707,68 per ha |
|
4. Het land is geïnundeerd (volledig drassig). De inundatieperiode loopt van datum x tot datum y. |
€ 3.214,48 per ha op grasland |
|
5. Er wordt aantoonbaar gezocht naar nesten. Gevonden nesten en/of kuikens worden beschermd en gevrijwaard van alle landbouwkundige bewerkingen, tenminste via enclaves van minimaal a m2 (alleen op grasland) danwel via een rustperiode van datum x tot datum y, waarbij de vrijwaring tenminste 14 kalenderdagen duurt, of via het plaatsen van nestbeschermers. Gevonden nesten zijn geregistreerd (bijv op stalkaart of via geo informatie). Voor specifieke soorten kan nestgelegenheid worden geplaatst. |
€ 3.360,03 per ha op grasland en € 711,58 per ha op bouwland |
|
6. Vaste mest is opgebracht (vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn; besluit meststoffen 1Ai; Bijlage i uit Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Tabel I) rund (10,13), paard (25), schaap (56)), of met bodemverbeteraars gericht op bodembiologie uit lijst a. |
€ 184,80 per ha |
|
7. Geen gebruik van chemische onkruidbestrijding op min x % van de oppervlakte. |
€ 88,10 per ha op grasland en € 131,60 per ha op bouwland |
|
8. Beweiding is verplicht vanaf datum x tot datum y met minimale a en maximale veebezetting b (GVE/ha). |
€ 2.599,08 per ha |
|
9. Minimaal f% van de oppervlakte bestaat van datum x tot datum y uit gewas a of meerdere gewassen b of gewasresten c. |
€ 3.888,32 per ha in regio 1 en € 5.301,00 per ha in regio 2 |
|
11. Handhaven verschijningsvorm door o.a. het element te vrijwaren voor beschadiging door vee van datum x tot datum y. |
€ 4.579,00 per ha |
|
16. Watergang heeft (via natuurlijke of kunstmatige voorziening) vrij toegang, na onderlopen wordt er schoongemaakt |
€ 117,46 |
|
17. Het gewas wordt minimaal 1 keer per jaar gemaaid en afgevoerd. |
€ 3.214,48 per ha op grasland; Op bouwland € 2.136,79 per ha in regio 1 en € 3.962,85 per ha in regio 2 |
|
18. Waterpeil is x cm hoger dan aangegeven polderpeil. X cm boven zomer dan wel winterpeil (volgens vergunning). |
€ 283,69 per ha |
|
19. Minimaal a verschillende indicatorsoorten uit lijst b ten behoeve van specifiek doel zijn in transect aanwezig in de periode x tot y. |
Grasland € 3.214,48 per ha; Op bouwland € 2.104,65 per ha in regio 1 en € 2.636,20 per ha in regio 2 |
|
20. Op het grasland zijn na datum x tot datum y van het volgende kalenderjaar geen landbouwkundige bewerkingen uitgevoerd. |
€ 183,49 per ha |
|
21. Van datum x tot datum y beweiding toegestaan met maximale veebezetting b (GVE/ha). |
€ 2.599,08 per ha |
|
22. Jaarlijks is minimaal f% tot maximaal g% van oppervlakte van de beheereenheden in het leefgebied is gekapt, geknot, gesnoeid of gedund ten behoeve handhaven verschijningsvorm. |
€ 189.531,00 per ha |
|
23. Minimaal f% tot maximaal g% van de eenheid of van het leefgebied onder beheer is jaarlijks geschoond of geschoond en gemaaid of gemaaid. |
€ 8.310,00 per ha |
|
24. Snoeiafval is verwijderd of op rillen gelegd in het element en/of maaiafval is verwijderd. |
€ 265.259,00 per ha |
|
26. Jaarlijks is op minimaal f% tot maximaal g% van de eenheid of het leefgebied onder beheer geschoond waarbij de bagger vanuit het waterelement op aangrenzende landbouwgrond gespoten. |
€ 917,00 per ha |
|
27. De peilscheiding is jaarlijks schoongemaakt en/of onderhouden. |
€ 263.200,00 per ha |
|
29. In de teeltruggen zijn minimaal a drempeltjes van minimaal b cm hoog aanwezig. Per m zijn c drempels aanwezig met een minimale afstand van d m onderling. |
€ 300,00 per ha |
|
30. Plantresten (a), lijst conform 6 (b) en/of andere bodemverbeteraars (c) al dan niet opgebracht, zijn ondergewerkt binnen d weken na aanbrengen. |
€ 524,80 per ha |
|
32. De grond is niet tot minimaal gekeerd (zie lijst a met toegestane technieken). |
Grasland € 91,00 per ha; Op bouwland € 234,00 per ha in regio 1 en € 295,00 per ha in regio 2 |
|
34. Perceel is < x ha en is voor y% omzoomd door houtige- of waterelementen. |
€ 600,00 per ha |
|
35. Maximaal ha/X kg N dierexcretie/ha/bedrijf of Y GVE/ha/bedrijf. |
Grasland € 2.182,00 per ha; Op bouwland € 1.075,96 per ha in regio 1 en € 3.233,46 per ha in regio 2 |
|
37. Jaarlijks aanleggen van een greppel met minimale breedte x en minimale diepte y ten behoeve van infiltratie. Is aanwezig van datum x tot datum y. |
€ 2.418,75 per ha |
|
38. Er zijn afweermaatregelen tegen predatoren (lijst a) van datum x tot datum y. |
€ 24.411,11 per ha |
|
41. Gewas a is uiterlijk op datum x geoogst. |
€ 730,55 per ha in regio 1 en € 559,43 per ha in regio 2 |
|
43. Drooglegging (verschil tussen het peil rondom het perceel in cm ten opzichte van het NAP en de gemiddelde hoogte van het maaiveld van het perceel in cm ten opzichte van het NAP) voor de periode van x tot en met y. |
€ 1.130,00 per ha op grasland |
Met deze regeling wordt de subsidiemodule voor pilots Agrarisch natuurbeheer ingevoerd en opengesteld.
Het Rijk heeft aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor Agrarisch Natuurbeheer, ter versterking van het beheer voor soorten, in gebieden en voor landschap. Hiermee wordt het beheer voor bijvoorbeeld boerenlandvogels, met name de grutto en bijvoorbeeld in en rondom Natura 2000-gebieden, de Nederlandse veenweidegebieden en in grondwaterbeschermingsgebieden en brede beekdalen versterkt. Het kabinet wil deze middelen inzetten via een mix van subsidie-instrumenten die agrarische ondernemers in staat stelt met hun bedrijfsvoering een bijdrage te leveren aan de agrarische natuur van het gebied waar hun bedrijf is gevestigd. Met deze regeling wil het Rijk de implementatie van het Agrarisch Natuurbeheer samen met belanghebbenden uitwerken en ondersteunen.
Met de op grond van deze regeling te subsidiëren pilots wordt onderzocht op welke wijze Agrarisch Natuurbeheer effectief en efficiënt ingezet kan worden om bij te dragen aan de doelen voor natuur, water en klimaat en een toekomstbestendig agrarisch verdienmodel. De pilotregeling geeft daarmee uitvoering aan de doelen die in de Contourenbrief Agrarisch Natuurbeheer en de daaropvolgende Kamerbrief inzake de uitwerking van de Contourenbrief zijn opgenomen1. Het gaat hierbij niet alleen om conceptuele ontwikkeling, maar ook om het toepassen van de maatregelen in de praktijk. Er zijn vele vormen denkbaar en wij nodigen de samenwerkingsverbanden dan ook uit om met een passend voorstel te komen. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan certificeringsmodellen gericht op weidevogelbedrijven of akkervogelbedrijven, concepten die gesloten kringlopen stimuleren, zoals Boeren voor Natuur, concepten die uitvoering geven aan de aanbevelingen uit de Ecologische Evaluatie van het ANLb om tot geconcentreerd zwaar beheer te komen, of andere concepten die op bedrijfsniveau een forse omslag vragen, en daarmee toekomstbestendig ingezet kunnen worden om bij te dragen aan de opgaven van de prioritaire gebieden.
Projecten behoren allen een visie en gebiedsgerichte benadering te bevatten, een uiteenzetting van de gebiedskenmerken, de in het betreffende gebied voorkomende uitdagingen voor natuur, water en klimaat, en de wijze waarop het project via het combineren en ontwikkelen van verschillende maatregelen en instrumenten in deze gebieden kan bijdragen aan het behalen van de overheidsdoelstellingen voor natuur, water en klimaat. De pilotregeling bestaat uit twee categorieën. De categorieën hebben elk hun eigen doelstellingen. Deze worden hieronder toegelicht. Naast de categorie-specifieke doelstellingen leveren alle pilots inzicht in hoe administratieve en/of uitvoeringslasten kunnen worden verlaagd, en hoe nieuwe inhoudelijke kennis en inzichten uit de proefprojecten worden gedeeld.
Categorie agrarisch natuurbeheer voor prioritaire gebieden (artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a, van de regeling)
Het doel van deze categorie is om uit te testen op welke manieren je zwaar agrarisch natuurbeheer kunt uitvoeren en realiseren om bij te dragen aan de opgaven in prioritaire gebieden, vooruitlopend op de nieuwe programmaperiode van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)2. Met zwaar beheer wordt beheer bedoeld dat een grote invloed heeft op doelsoorten, habitattypen of ten behoeve van doelen voor omliggende natuur, water en klimaat, én relatief veel inspanning, ruimte en opbrengstverlies voor agrariërs in een gebied met zich meebrengen. Daarbij gaat het om het nemen van meerdere maatregelen of het toepassen van meerdere beleidsinstrumenten in één gebied met als doel om integraal in een gebied doelen voor natuur, water en klimaat te realiseren, bijvoorbeeld aan de hand van aanbevelingen uit het PBL-rapport dat handvaten geeft voor een succesvol agrarisch natuurbeheer3, landschapsecologische systeemanalyses en/of aanbevelingen uit de ecologische evaluatie van het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer4. Individuele projecten in deze categorie kunnen kennis en ervaring opleveren met de stapeling van verschillende maatregelen en instrumenten die nodig zijn voor het bereiken van de doelen in het gebied en via aanpassingen in de bedrijfsvoering versneld bijdragen aan het versterken van de agrarische natuur. Deelnemende bedrijven kunnen bijvoorbeeld niet-productieve investeringen doen om het gebied in te richten en daar vervolgens beheermaatregelen toepassen, samengesteld uit activiteiten opgenomen in bijlage 2.29 behorende bij deze regeling, of afspraken maken om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bemesting te verminderen. Het samenwerkingsverband wordt gevraagd om in de aanvraag op te nemen op welke wijze het mozaïek van activiteiten integraal bijdraagt aan de gebiedsopgaven. Het samenwerkingsverband moet daarbij bijdragen aan de gebiedsopgaven in bijvoorbeeld de Nederlandse veenweidegebieden en/of in en rondom Natura 2000-gebieden. En in grondwaterbeschermingsgebieden en brede beekdalen, voor zover daar extra inzet nodig is om landbouwemissies door nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen te beperken.
In deze categorie voorzien wij projecten op gebieds- en/of bedrijfsniveau. Als gekozen wordt voor een aanpak op gebiedsniveau verwachten wij dat de projecten een mozaïek van maatregelen stimuleren die op verschillende bedrijven in het gebied worden genomen. Als gekozen wordt voor een aanpak op bedrijfsniveau verwachten wij projecten gericht op het vergroten van het aandeel agrarisch natuurbeheer in de bedrijfsvoering van individuele bedrijven in een gebied. Daarmee kan worden onderzocht wat er nodig is om de stap naar een bedrijfsvoering met een groot aandeel zwaar beheer (30–50% in weidevogelgebieden en meer dan 20% in akkervogelgebieden) mogelijk te maken, inclusief onderbouwing van wat daarvoor nodig is qua inrichting, financiering, samenwerking, uitvoerbaarheid en de mogelijkheid om op te schalen. Het huidige instrumentarium biedt niet de passende maatregelen om de stap te zetten naar zwaar agrarisch natuurbeheer, wat wel gewenst is voor voldoen aan doelstellingen voor natuur, water en klimaat. Het uiteindelijke doel van deze opzet is om deze nieuwe concepten op te nemen in de reguliere instrumenten van het agrarisch natuurbeheer passend binnen het toekomstig Gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Categorie ontwikkeling maatregelen en instrumenten (artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b, van de regeling).
Deze categorie is gericht op het ontwikkelen en uittesten van individuele maatregelen in het veld of van instrumenten binnen het Agrarisch Natuurbeheer. Het kan hierbij gaan om het ontwikkelen en in het veld uittesten van nieuwe (combinaties van) (ANLb-) beheerpakketten, het uitwerken van nieuwe eco-activiteiten, het verder uitwerken van beheerstrategieën, het uittesten van instrumenten via een praktijktoets of uitvoeringstoets, het experimenteren met nieuwe instrumenten of het verder ontwikkelen van bestaande instrumenten. Bij het uitwerken van beheerpakketten worden de vergoedingen berekend conform de berekeningswijze, zoals opgenomen in het Nationaal Strategisch Plan van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, in lijn met de berekeningen voor het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de activiteiten, en de vergoedingen daarvoor die gebaseerd is op de berekeningswijze voor kosten en inkomstenderving, zoals opgenomen in de bijlage van deze regeling. Overigens, bij het binnen de pilot toepassen van beheermaatregelen, behoort cumulatie met bestaande gelijksoortige beheermaatregelen bij andere regelingen te worden voorkomen.
Het samenwerkingsverband wordt gevraagd om in de subsidieaanvraag op te nemen op welke wijze zij aan instrumentontwikkeling wil doen, welk instrument ontwikkeld zal worden en hoe het samenwerkingsverband zorgdraagt voor de inhoudelijke uitwerking en onderbouwing. Het wordt aangeraden om binnen deze categorie kennisinstellingen in het samenwerkingsverband te betrekken.
Hoewel de regeling onderscheid maakt tussen twee hoofdcategorieën in artikel 2.29.2, tweede lid, wordt onderkend dat sommige pilots zowel toepassing als instrumentontwikkeling combineren. In zulke gevallen kan het project worden ingediend onder de categorie die het zwaartepunt van het project representeert, mits dit voldoende gemotiveerd wordt.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (hierna: de minister) rangschikt een aanvraag voor subsidie op basis van de selectiecriteria: mate van effectiviteit, haalbaarheid, mate van efficiëntie van uitvoering en mate van innovativiteit. Het projectplan dient daarvoor de volgende onderdelen te bevatten:
1. Titelpagina met minimaal de naam van het project en de naam van de aanvrager/penvoerder;
2. Aanvrager: toelichting op het samenwerkingsverband en de meerwaarde van de samenwerking voor uw project. Hoe draagt het samenwerkingsverband bij aan het behalen van gebiedsdoelen voor natuur, water en klimaat en wat is ieders rol, taak en verantwoordelijkheid;
3. Projectbeschrijving in relatie tot de doelstelling van de regeling en met inbegrip van de op te leveren producten en beheeractiviteiten;
4. Beschrijving van de opgave voor natuur, water en klimaat in een gebied;
5. Probleembeschrijving, welk probleem wordt aangepakt met de uitvoering van het project;
6. Doelstelling van het project. Omschrijft wat met het project wordt bereikt en hoe dit bijdraagt aan het beleidsdoel van deze regeling. Hoe wordt (een mix van) instrumenten optimaal in een gebied ingezet zodat deze een bijdrage leveren aan de opgaven voor natuur, water en klimaat én tegelijkertijd boeren een passende vergoeding geven voor de diensten binnen het agrarisch natuurbeheer die zij voor het gebied leveren;
7. Uitvoering en realisatietermijn. Beschrijft de projectactiviteiten per te onderscheiden fase. Per fase behoren de activiteiten/processen en de beoogde start- en einddatum te worden benoemd;
8. Beoogde concrete resultaten en producten in relatie tot de doelstelling, die na afloop van het project zijn opgeleverd;
9. Een structuur voor uitwisseling van kennis en ervaringen tussen pilots, met overheden en andere belanghebbenden;
10. Selectiecriteria, in het projectplan behoort een beschrijving te zijn opgenomen hoe het project bijdraagt aan de hieronder toegelichte selectiecriteria;
11. Onderbouwde begroting, in lijn met de productenlijst; en
12. Publiciteitsvoorwaarden, beschrijft de activiteiten en geef aan welke netwerken daarbij gebruikt worden.
In elke proefproject moet duidelijk worden aangegeven aan welke doelen wordt bijgedragen:
• operationele doelen: wat moet er feitelijk gedaan en gerealiseerd worden?
• beleidsdoelen: aan welke voor een gebied concrete, SMART-geformuleerde, beleidsdoelen en opgaven voor natuur, water en klimaat in combinatie met een passende vergoeding voor diensten; draagt het proefproject bij?
• leerdoelen: hoe worden tijdens de looptijd van de pilot bevindingen uit de pilots afgestemd met beleidsontwikkelingen bij de overheid, met name het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Aanvragen worden op volgorde van rangschikking toegewezen. Voor ieder criterium kan nul tot en met vijf punten worden behaald, waarbij per selectiecriterium 0 punten worden gegeven wanneer de projectaanvraag geen bijdrage levert en 5 punten wanneer het project een zeer goede bijdrage levert.
De criteria hebben daarnaast de volgende wegingsfactoren:
|
Selectiecriterium |
Punten |
Wegingsfactor |
Maximaal |
|---|---|---|---|
|
Effectiviteit |
0–5 |
4 |
20 |
|
Haalbaarheid |
0–5 |
3 |
15 |
|
Efficiëntie |
0–5 |
2 |
10 |
|
Mate van innovatie |
0–5 |
1 |
5 |
|
Totaal |
50 |
Het aantal punten dat wordt behaald, betreft de toegekende punten bij de rangschikking, vermeerderd met de wegingsfactor. Het maximum aantal punten is 50. Indien een aanvraag minder dan 30 punten behaalt, wordt de aanvraag afgewezen. Een aanvraag moet op elk selectiecriterium minimaal 1 punt behalen. Bij een gelijk aantal punten, wordt de aanvraag hoger gerangschikt wanneer deze meer punten heeft behaald bij een selectiecriterium met een hogere wegingsfactor.
Het selectiecriterium effectiviteit betreft de bijdrage die het project levert aan de doelstelling van de pilotregeling.
Onder effectiviteit wordt verstaan: de mate waarin het project bijdraagt aan het bereiken van de beoogde doelen van de regeling, passend bij de gekozen categorie. Voor categorie 1 (prioritaire gebieden) betreft dit de bijdrage aan de opgave voor natuur, water en klimaat, in combinatie met een passende vergoedingssystematiek, onder meer bij verzwaring van beheer in een gebied en op bedrijfsniveau, inclusief een onderbouwing van de randvoorwaarden die nodig zijn om meer zwaar beheer structureel in te bedden en op te schalen. Voor categorie 2 (instrumenten) betreft dit de potentie van het instrument om het ANB-stelsel te versterken, te verbreden of toekomstbestendiger te maken, zodat door de inzet van een mix van ANB-instrumenten doelbereik in gebieden voor natuur, water en klimaatdoelen wordt verbeterd.
Binnen categorie 1 (agrarisch natuurbeheer in prioritaire gebieden’) betekent dit het toepassen van een meer en zwaarder agrarisch natuurbeheer op bedrijfsniveau, in lijn met de doelstellingen voor natuur, water en klimaat in of nabij een prioritair gebied inclusief onderbouwing wat daarvoor nodig is qua inrichting, financiering, samenwerking en uitvoerbaarheid en met expliciete reflectie op hoe dit opgeschaald kan worden. Hoe kan een mix van instrumenten effectiever worden ingezet voor het behalen van doelen voor natuur, water en klimaat in een gebied, hoe kan de samenwerken aan het behalen gebiedsdoelen worden versterkt, wat is ieders rol, taak en verantwoordelijkheid, wat zijn randvoorwaarden ter verbetering van vergoedingen en ter versterking van de uitvoerbaarheid. Bij deze gebieden gaat het zowel over leefgebieden voor soorten, met name voor de grutto als de gebieden in en om Natura 2000 gebieden, veenweiden, beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden.
Binnen categorie 2 (‘ontwikkeling en toetsing van maatregelen en instrumenten’) betreft dit in het bijzonder het praktijkgericht ontwikkelen, testen en evalueren van nieuwe:
• eco-activiteiten; en/of
• beheerpakketten; en/of
• manieren van planvorming, meten en controleren; en/of
• ondersteunende en/of aanvullende instrumenten.
Bij elk nieuwe instrument of maatregel moet een analyse van de haalbaarheid, effectiviteit en mogelijke routes voor verankering in beleid gemaakt worden, in combinatie met andere ANB-instrumenten die bijdragen aan doelbereik in gebieden.
Het selectiecriterium haalbaarheid betreft de kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en/of succesvol (op grotere schaal) kan worden toegepast binnen de Nederlandse landbouw. De kwaliteit van het projectplan, de expertise in het samenwerkingsverband en de deelnamebereidheid (en mate waarin dit is vastgelegd) is daarbij van belang. Cofinanciering (van binnen of buiten het samenwerkingsverband) en een uitgebreide structuur voor uitwisseling van kennis en ervaringen tussen pilots, met overheden en andere belanghebbenden draagt bij aan een hogere score op het criterium haalbaarheid.
Het selectiecriterium efficiëntie beoordeelt of de te leveren resultaten in verhouding staan tot de begrote input (geld, tijd en overige middelen).
Het selectiecriterium innovatie heeft betrekking op de mate waarin het voorstel vernieuwend is. Dit kan gericht zijn op inhoudelijke innovaties (nieuwe beheerpakketten, nieuwe methoden, nieuwe instrumenten, etc.), maar ook op innovatieve wijzen van samenwerking.
Met deze wijzigingsregeling wordt de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 aangepast, zodat de subsidiemodule pilots Agrarisch Natuurbeheer opengesteld kan worden. Voor de subsidiemodule pilots Agrarisch Natuurbeheer loopt de openstellingsperiode van 29 april 2026 tot en met 3 juni 2026 om 17.00 uur. Het subsidieplafond wordt vastgesteld op € 20 mln. euro, waarvoor € 13 mln. euro voor categorie 1 (artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a, van deze regeling) en € 7 mln. euro voor categorie 2 (artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b, van deze regeling).
In het kader van deze regeling is sprake van verschillende subsidiabele activiteiten. De subsidiabele activiteiten zijn het oprichten en in stand houden van een samenwerkingsverband, het voorbereiden en uitvoeren van proefprojecten, het uitvoeren van beheermaatregelen op of aanpalend aan landbouwgrond, het doen van investeringen ten behoeve van het proefproject en kennisdeling naar aanleiding van de resultaten van de proefprojecten.
Voor het subsidiëren van de kosten voor het oprichten en in stand houden van het samenwerkingsverband geldt dat dit kan worden gerechtvaardigd door artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (Steun voor samenwerking in de landbouw). Het gaat hier om kosten van voorbereidende ondersteuning, capaciteitsopbouw en netwerkvorming met het oog op het opzetten en uitvoeren van een samenwerkingsproject (elfde lid, onderdeel a) en met de samenwerking gepaard gaande werkingskosten (elfde lid, onderdeel c).
Voor het subsidiëren van de kosten voor het uitvoeren van beheermaatregelen als bedoeld in de bijlage 2.29 bij de regeling geldt dat dit kan worden gerechtvaardigd door artikel 34 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (Steun voor agromilieuklimaatverbintenissen). Het gaat hier om vergoedingen die worden berekend conform de systematiek van gederfde inkomsten en extra kosten ten opzichte van de gemiddelde referentie bedrijfsvoering (twaalfde lid).
De kosten die worden gemaakt voor het voorbereiden, uitvoeren en meten op doelbereik van de proefprojecten vallen onder artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw voor zover er sprake is van haalbaarheidsstudies en kosten voor uit te voeren verrichtingen (op grond van het elfde lid, onderdeel d). Bij kosten voor uit te voeren verrichtingen gaat het om operationele kosten voor landbouwactiviteiten.
Voor zover sprake is van onderzoeksactiviteiten, direct uitgevoerd op een landbouwlocatie, vallen deze onder operationele kosten voor landbouwactiviteiten. Voor zover de proefprojecten niet direct plaatsvinden op een landbouwlocatie maar bijvoorbeeld in een laboratorium is relevant of er sprake is van het verrichten van onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie in de zin van artikel 1.3, onderdeel ee, van de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2014/C 198/01). De activiteiten van deze onderzoeksorganisaties vallen onder ‘onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling’ en ‘kennisdeling’ dat door de Europese Commissie als niet-economische activiteiten wordt beschouwd (artikel 2.1.1, punt 20, onderdeel a, sub (i), (ii) en (iii), van de OOI-Kaderregeling 2022, nr. 2022/C 414/01). Omdat de activiteiten geen economisch karakter hebben, worden onderzoeksorganisaties niet als onderneming in de zin van het EU recht gekwalificeerd. Dit betekent dat voor zover op grond van deze regeling subsidie wordt verstrekt voor het verrichten van onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie, geen sprake is van staatssteun. Om als onderzoeksorganisatie onder het O&O&I-kader te kwalificeren moet de primaire taak van de organisatie (o.a. blijkens de statuten) zijn het verrichten van onafhankelijk onderzoek.
Voor zover er sprake is van onderzoek dat niet op een landbouwlocatie plaatsvindt en dat wordt uitgevoerd door een onderzoeksorganisatie die niet onder het O&O&I-kader valt, geldt dat de hiermee verband houdende kosten subsidiabel zijn onder artikel 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en bosbouwsector). Het betreft dan onderzoek dat wordt uitgevoerd ten behoeve van de landbouwsector, waarbij de uitbetaling plaatsvindt aan de aanbieder van de dienst, dat wil zeggen de betrokken onderzoeksorganisatie.
Investeringskosten vallen, voor zover het gaat om investeringen op een landbouwbedrijf, onder artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (Steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen op landbouwbedrijven). Hierbij moet voldaan zijn aan alle voorwaarden uit deze artikelen, inclusief steunintensiteit en steundrempels. De investering moet verband houden met de primaire landbouwproductie op het landbouwbedrijf. In het kader van deze module komen investeringskosten alleen in aanmerking voor subsidie als de investering verband houdt met de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, met uitzondering van onderdeel d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Dit zijn doelstellingen op het gebied van klimaatverandering, duurzaamheid, dierenwelzijn, modernisering van landbouw en biodiversiteit. Voor de aankoop en aanplant van eenjarige gewassen, de aankoop van dieren (en nog enkele minder relevante categorieën) mag geen steun toegekend worden.
Indien sprake is van investeringen in onderzoeksmateriaal dat niet direct toerekenbaar is aan de landbouwactiviteiten of de primaire productie van een landbouwonderneming, dan vormen deze investeringen onderdeel van de subsidie aan de onderzoeksorganisatie. Die subsidie valt dan, afhankelijk van het karakter van de onderzoeksorganisatie, ofwel onder het OOI-kader (waarbij van staatssteun geen sprake is) of kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, waarvan het zevende lid bepaalt dat onder andere kosten van apparatuur en uitrusting die voor het project worden gebruikt, subsidiabel zijn.
Onder kennisdeling valt het openbaar maken van de resultaten, ontwikkelen en verspreiden van communicatiemiddelen en het organiseren van bijeenkomsten. Steun voor deze activiteiten kan worden gerechtvaardigd onder artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw dat ziet op steun voor kennisuitwisselings- en voorlichtingsacties die ten goede komen aan de landbouwsector en die worden uitbetaald aan de aanbieder van de desbetreffende diensten.
Van de publicatie van de invoering van en openstelling van de subsidiemodule pilots Agrarisch natuurbeheer, alsook van toekomstige publicaties van wijzigingen, subsidieplafonds en openstellingen van de subsidiemodule pilots Agrarisch natuurbeheer, zal een kennisgeving aan de Europese Commissie worden gedaan, conform artikel 9, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Omdat de subsidie voor economische activiteiten die op grond van de subsidiemodule pilots Agrarisch natuurbeheer wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening landbouw wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, genoemd in artikel 1.8 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, bekend.
Deze regeling betreft de invoering van de subsidiemodule pilots Agrarisch natuurbeheer. Deze subsidiemodule heeft administratieve lasten tot gevolg, samenhangend met de aanvraag voor subsidie, de tussentijdse (jaarlijkse) rapportage(s) over de voortgang en de aanvraag tot subsidievaststelling. Dit worden ook wel regeldrukkosten genoemd.
In de berekening maken we onderscheid tussen de tijd die nodig is voor het indienen van een aanvraag, en de tijd die – na verlening van de subsidie – nodig is voor de uitvoering gedurende de looptijd van de subsidie. Hieronder zullen eerst beide categorieën apart behandeld worden, waarbij een inschatting wordt gegeven van het aantal uur aan administratieve lasten die de aanvrager zal besteden. Ten slotte zal een berekening worden gemaakt van de totale regeldruk.
Bij het aanvragen van de subsidie is tijd nodig voor het opstellen van een projectplan en begroting, het maken van een kaart en het indienen van een aanvraag. Gedurende de loop van het project is daarnaast tijd nodig voor het opstellen van de voortgangsrapportages en het eindverslag, het regelen van een accountantsverklaring en het indienen van het vaststellingsverzoek.
Per project wordt gerekend op 120 uur aan administratieve lasten die nodig zijn voor het indienen van een aanvraag, en 40 uur aan administratieve lasten gedurende de loop van de pilot. De totale administratieve lasten komen uit op 160 uur per gegund project. De verwachting is dat agrarisch collectieven de aanvraag zullen indienen, dus is voor de berekening een uurtarief voor loonkosten voor medewerkers van een collectief van € 78,– gehanteerd. De totale regeldrukkosten komen daarmee op € 12.480,– per toegekende aanvraag, en € 9.360,– per afgewezen aanvraag.
De verwachting is dat ongeveer 20 aanvragen worden ingediend voor de pilotregeling. Er is circa € 20 mln. Beschikbaar voor de regeling, met een minimumbedrag van € 1 mln en een maximumbedrag van € 5 mln per aanvraag. Daarmee zullen tussen de 5 en 20 aanvragen worden toegekend. De regeldrukkosten zullen daarmee vallen tussen de € 202.800,– (15 x € 9.360 + 5 x € 12.480) en € 249.600,– (20 x € 12.480). Dat geeft een regeldruk van tussen de 1,01% en 1,25%.
Deze regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Naar aanleiding hiervan is deze regeling niet geselecteerd voor formele advisering, omdat zij geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
De uitvoering van de subsidiemodule Pilots Agrarisch natuurbeheer is in handen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. Deze subsidiemodule wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.
Bij het opstellen van de regeling zijn diverse organisaties betrokken, waaronder bijvoorbeeld Boerennatuur, de koepelorganisatie voor collectieven die deelnemen aan het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Daarnaast zijn er presentaties geweest voor potentiële aanvragers en medeoverheden. Deze presentaties hadden als doel om mogelijke pilotideeën te toetsen aan de regelingsvoorwaarden, en om tot een doelmatige invulling van administratieve en uitvoeringslasten te komen. De regeringstekst is aangepast op basis van de bevindingen en reacties uit deze besprekingen.
Tot slot is het beleid-in-wording besproken met verschillende directies binnen het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en is de EZK-LVVN Monitorcommissie geconsulteerd. Daarnaast zijn er met de RVO, de uitvoerder van de regeling, risicoanalyse-sessies georganiseerd.
Op basis van het ontwerp van deze regeling en informatie uit de presentaties werken potentiële aanvragers sinds het begin van dit jaar aan het opstellen van pilotvoorstellen.
Dit artikel bevat de definities van enkele begrippen die in deze regeling voorkomen.
Beekdalen
De definitie van beekdalen ziet op zones rond beken. Beken zijn gedefinieerd in het rapport ‘Basiskaart Aquatisch: de Watertypenkaart’ van het Planbureau voor de leefomgeving als lijnvormige langzaam en snelstromende wateren5. De bij deze watertypen behorende watertypencodes conform de KRW zijn R3, R4, R5, R9, R10, R11, R12, R13, R14, R15, R17 en R18.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
Het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) regelt binnen welke kaders en doelstellingen de Europese Unie subsidie verstrekt aan landbouwers. Het huidige GLB bestaat uit twee fondsen: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) Het ELGF bestaat uit inkomenssteun (rechtstreekse betalingen) en uit de Gemeenschappelijke Marktordening (GMO). Het GLB wordt elke zeven jaar opnieuw bekeken en waar nodig aangepast. Het huidige GLB bestaat uit drie basis verordeningen: verordening (EU) 2021/21156 (de Strategische GLB Plan-verordening), verordening (EU) 2021/21167 (de horizontale verordening met betrekking tot financiering, beheer en monitoring van het GLB) en verordening (EU) 2021/21178 (de GMO verordening). Daarnaast zijn er diverse gedelegeerde verordeningen en uitvoeringsverordeningen. Voor het toekomstig GLB, waarvan de ambitie is dat dit in 2028 start, is in 2025 een voorstel gepubliceerd voor een verordening voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028–20349.
Grondwaterbeschermingsgebied
Ingevolge de Omgevingswet is een grondwaterbeschermingsgebied een door de provincie aangewezen gebied waarin met het oog op de waterwinning de kwaliteit van het grondwater bijzondere bescherming verdient.
Kennisdeling
Voor de definitie kennisdeling is aangesloten bij de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2014/C 198/01).
leefgebied voor soorten die onderdeel uitmaken van het agrarisch- natuur en landschapsbeheer
Een leefgebied voor soorten die onderdeel uitmaken van het agrarisch natuur en landschapsbeheer, waaronder de grutto, is een gebied dat belangrijk is voor de broed-, foerageer- en slaapfunctie van deze soorten in agrarisch gebied. De leefgebieden voor vogels zijn onder meer genoemd in het concentratiegebieden rapport van Sovon Vogelonderzoek Nederland (Geactualiseerd landelijk overzicht van vogelsoorten met concentraties van (inter)nationaal belang)10. Daarnaast zijn voor de grutto gebieden genoemd in het Aanvalsplan Grutto11. De leefgebieden zijn tevens vastgelegd in provinciale natuurbeheerplannen.
Natura 2000-gebied
Ingevolge de Omgevingswet is een Natura 2000-gebied een gebied dat in de Habitatrichtlijn12 of ter uitvoering van de Vogelrichtlijn13 of de Habitatrichtlijn is aangewezen als speciale zone voor de bescherming van de natuurlijke habitat en soorten.
Niet-productieve investering
Voor de definitie van niet-productieve investering is aangesloten bij de groepsvrijstellingsverordening landbouw, namelijk een niet-productieve investering is een investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het bedrijf.
Onderzoeksorganisatie
Voor de definitie onderzoeksorganisatie is aangesloten bij de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Samenwerkingsverband
De in het kader van deze regeling te verstrekken steun wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband. Op grond van de hiertoe opgenomen definitie moet het beoogde samenwerkingsverband ten minste vier deelnemers bevatten, waarvan tenminste één landbouweronderneming en minimaal één agrarisch collectief. De definitie laat ruimte voor samenwerkingsverbanden met onder meer een andere landbouwonderneming, grondeigenaar, groepering, vereniging of (landbouw)organisatie. Nationale en decentrale overheden kunnen deelnemen aan het samenwerkingsverband, maar door deze overheden gemaakte kosten zijn niet subsidiabel.
Veenweidegebieden
Veenweidegebieden zijn gekoppeld aan de definitie van veengrond voor de grondsoortenkaart als uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. De veengronden in de lagere delen van Nederland, die onderhevig zijn aan een peilbesluit en beneden 1 m boven NAP liggen, worden in het Interbestuurlijk programma Veenweide als kustvlakteveen gekenmerkt. Deze kustvlaktevenen zijn hoofdzakelijk gelegen in de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht en verder in delen van Groningen en Overijssel. In het kader van het Nationaal programma veenweide hebben deze provincies een Regionale Veenweidestrategie opgesteld om broeikasgasemissies uit deze veengronden terug te dringen.
Zwaar agrarisch beheer
Met zwaar agrarisch beheer wordt beheer bedoeld dat een grote invloed heeft op doelsoorten, habitattypen of ten behoeve van doelen voor omliggende natuur, water en klimaat, én relatief veel inspanning, ruimte en opbrengstverlies voor agrariërs in een gebied met zich meebrengen. Legselbeheer is op zichzelf niet te kwalificeren als zwaar agrarisch beheer, maar dat laat onverlet dat legselbeheer onderdeel kan zijn van het totale pakket aan beheermaatregelen in de pilot. Legselbeheer is beheer dat als doel heeft om nesten te zoeken en te beschermen en kuikens te beschermen totdat deze vliegvlug zijn.
Met de module Pilots Agrarisch natuurbeheer wordt subsidie verstrekt voor pilots (proefprojecten) die bijdragen aan het versterken van agrarisch natuurbeheer.
De subsidie kan worden verleend voor de volgende activiteiten, namelijk het oprichten en in stand houden van het samenwerkingsverband, het voorbereiden, uitvoeren en meten op doelbereik van proefprojecten, het uitvoeren van beheermaatregelen, het doen van investeringen en kennisdeling over de proefprojecten.
Voor de subsidie zullen voorschotten worden verstrekt conform artikel 46, eerste tot en met vierde, zevende en tiende lid van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: Kaderbesluit). Hierin is bepaald dat de minister het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten verstrekt en dat de volgende voorschotten worden verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten. Als datum van de aanvang van de activiteiten geldt de dag na de verzending van de beschikking tot subsidieverlening, of als deze later is de datum die in het plan is opgenomen als start van de activiteiten. Het voorschot bedraagt 90% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in aanmerking komt. De berekening van de hoogte van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag wordt berekend door de in het plan berekende subsidie voor de gehele subsidieperiode te vermenigvuldigen met het subsidiepercentage en te delen door het aantal voorschotmomenten in deze periode. Het geheel van voorschotten bedraagt niet meer dan het voorschotpercentage maal de maximale hoogte van de subsidie.
Artikel 2.29.3 bepaalt welke kosten voor subsidie in aanmerking komen per activiteit.
Organisatiekosten van het samenwerkingsverband (eerste lid, onderdeel a)
Gedacht kan worden aan de volgende kosten:
• aansturen, coördineren, organiseren van het samenwerkingsverband;
• werven van deelnemers, bevorderen van samenwerking in een regionaal netwerk of netwerken;
• projectadministratie en projectrapportage, waaronder monitoring en evaluatie.
Investeringskosten (eerste lid, onderdeel b)
Indien een deelnemer van het samenwerkingsverband binnen het kader van dit project een investering doet, geldt voor niet-productieve investeringen 100 procent van de in aanmerking komende kosten, doch ten hoogste € 500.000. De investering moet gedaan worden door een kleine of middelgrote onderneming actief in de primaire landbouwproductie, de verwerking van landbouwproducten of de afzet van landbouwproducten.
Bij investeringen op een landbouwonderneming kan worden gedacht aan de volgende kosten:
• materiële kosten, waaronder de inkoop van apparatuur, uitrusting, materiaal, leveranties en soortgelijke diensten, die rechtstreeks uit de proefpraktijken voortvloeien tot maximaal de marktwaarde van de activa met uitzondering van de aankoop en aanplant van eenjarige gewassen en aankoop van dieren;
• de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij aangekochte grond slechts in aanmerking komt voor een bedrag dat niet hoger is dan 10% van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting;
• bouw, koop, huurkoop of verbetering van software en digitale hardware.
Investeringen kunnen ook niet direct toerekenbaar zijn aan de landbouwactiviteit of de primaire productie van landbouwondernemingen. Deze investeringen kunnen gerechtvaardigd worden op grond van artikel 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw als deze worden gedaan door een onderzoeksorganisatie. In het zevende lid van artikel 38 wordt bepaald welke kosten subsidiabel zijn.
Bij investeringen door een onderzoeksorganisatie kan gedacht worden aan de volgende kosten:
• kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project;
• kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project en onder de voorwaarden genoemd in het zevende lid onderdeel c.
Kosten verband houdende met proefprojecten, bestaande uit beheermaatregelen op of aanpalend aan landbouwgrond als bedoeld in bijlage 2.29 (eerste lid, onderdeel c)
In de bijlage 2.29 bij deze regeling is een overzicht van mogelijke beheermaatregelen/activiteiten opgenomen, met de berekeningswijze en bijbehorende maximale vergoeding per activiteit. De vergoedingen worden berekend conform de berekeningswijze, zoals opgenomen in het Nationaal Strategisch Plan van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, in lijn met de berekeningen voor het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De maximale vergoeding per activiteit is opgenomen in bijlage 2.29 bij deze regeling. Er is sprake van maximale tarieven per hectare berekend conform de systematiek van gederfde inkomsten en extra kosten ten opzichte van de gemiddelde referentie bedrijfsvoering.
In het derde lid is opgenomen dat alleen de kosten voor beheermaatregelen in aanmerking komen als de beheermaatregelen verder gaan dan de in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling GLB opgenomen definitie van landbouwactiviteit, en de in de in artikel 32, aanhef en onderdelen a en b, en bijlagen 3 en 4 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 opgenomen conditionaliteiten. Door deze bepaling op te nemen in artikel 2.29.3, derde lid, van deze regeling wordt invulling gegeven aan artikel 34, derde en vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
In de definitie van landbouwactiviteit, waarmee invulling is gegeven aan artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2021/2115, is opgenomen dat dit een activiteit is die nodig is om landbouwareaal in een staat te houden die teelt of begrazing mogelijk maakt. In artikel 3 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 wordt dit nader ingevuld door de drie activiteiten te benoemen die aan deze voorwaarde voldoen, te weten: het jaarlijks, vóór 1 oktober, maaien van het areaal grasland, het inzaaiklaar houden van bouwland en het areaal blijvende teelt in goede vegetatieve staat houden.
In artikel 32 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 is de verplichting neergelegd voor landbouwers die een aanvraag hebben ingediend voor basisinkomenssteun voor duurzaamheid om te voldoen aan de conditionaliteiten van het GLB. Deze conditionaliteiten betreffen enerzijds beheerseisen, neergelegd in Europese richtlijnen en verordeningen op het gebied van de bescherming van klimaat en milieu, van de volksgezondheid en gezondheid van planten alsmede het dierenwelzijn. Anderzijds betreft het normen (GLMC’s) in verband met het houden van landbouwareaal in een goede landbouw- en milieuconditie. Deze beheerseisen en normen zijn neergelegd in bijlage III van verordening (EU) 2021/2115. Ten aanzien van de beheerseisen is in bijlage 3 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 neergelegd in welke nationale regelgeving deze eisen worden uitgevoerd of geïmplementeerd, of voor zover de Europese norm van toepassing is in welke bepaling deze Europese norm is terug te vinden. In bijlage 4 bij de Uitvoeringsregeling GLB 2023 zijn de normen opgenomen.
Kosten verband houdende met proefprojecten (eerste lid, onderdeel d)
Gedacht kan worden aan de volgende kosten:
• de voorbereiding op een proefproject, het opstellen van een plan van aanpak en het gereedmaken van de locatie;
• de uitvoering van een proefproject, arbeidskosten van eigen deelnemers en inhuur derden;
• monitoring, effectmetingen en analyse;
• vastleggen van bevindingen en de bespreking hiervan met stakeholders.
Kosten ten behoeve van kennisdeling (eerste lid, onderdeel e)
De kosten voor kennisdeling komen voor subsidie in aanmerking tenzij er sprake is van kosten genoemd in het derde lid, onderdeel b en c van artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Dit betreffen de reis-, verblijfs- en dagvergoedingen van de deelnemers en de kosten van vervangingsdiensten tijdens de afwezigheid van de deelnemers.
Wel in aanmerking komen de kosten van de organisatie van beroepsopleiding en van acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops, conferenties, coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Hieronder vallen onder meer de volgende kosten voor kennisdeling:
• het ontwikkelen van een website;
• het ontwikkelen en verspreiden van communicatiemiddelen, zoals een nieuwsbrief, een podcast of video-opname;
• de organisatie en uitvoering van kennisbijeenkomsten, waaronder demonstratiedagen, workshops en discussieavonden;
• openbaarmaking van resultaten en inzichten uit proefprojecten.
Artikel 2.29.4 bepaalt de steunintensiteit en maximale subsidiebedragen. De totale subsidie per samenwerkingsverband bedraagt maximaal € 5.000.000. Voor de kosten gemaakt voor het oprichten van het samenwerkingsverband en kennisdeling komt 100% in aanmerking voor subsidie. Voor niet-productieve investeringen 100% van de kosten, ten hoogste € 500.000 per onderneming per project, indien de investeringen plaatsvinden op een landbouwonderneming. Indien de investering wordt gedaan door een onderzoeksorganisatie komen 100% van de kosten in aanmerking voor subsidie.
De subsidie wordt per deelnemer verstrekt. Mocht een deelnemer investeringen doen dan geldt ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw dat de subsidie van de met primaire landbouwproductie verband houdende investeringen op landbouwbedrijven niet meer mogen bedragen dan € 600.000 per onderneming per investeringsproject.
Maar omdat in de regeling is bepaald dat voor niet-productieve investeringen ten hoogste € 500.000 kan worden gesubsidieerd, indien de investeringen plaatsvinden op een landbouwonderneming, blijft de subsidiering onder het hiervoor genoemde bedrag van € 600.000 per onderneming per investeringsproject.
Het subsidieplafond wordt verdeeld op basis van rangschikking (eerste lid).
Voor beide categorieën pilots zoals opgenomen in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdelen a en b, van de subsidiemodule is een subsidieplafond ingesteld. Op deze manier worden de aanvragen aan de hand van rangschikkingscriteria voor beide categorieën apart gerangschikt. Indien blijkt dat het budget voor de categorie, bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a, niet wordt benut of niet volledig wordt benut, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor pilots als bedoeld in de categorie, bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b, toegevoegd. Andersom kan dat ook het geval zijn. Dus als blijkt dat het budget voor de categorie, bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b, niet wordt benut of niet volledig wordt benut, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor de pilots als bedoeld in de categorie, bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a, toegevoegd (tweede en derde lid). Als de beoordeling van de projecten waarvoor subsidie is aangevraagd heeft plaatsgevonden, en er nog niet beschikt is, wordt beoordeeld of het subsidieplafond van een van de categorieën bereikt is en of de overheveling van budget nodig is.
De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate daaraan meer punten zijn toegekend. In artikel 2.29.8, eerste lid, is bepaald welke criteria gehanteerd worden voor de puntentoekenning. Per criterium zijn maximaal 4 punten te verdienen. Voor zover het subsidieplafond wordt overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van die aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt vast door middel van loting in lijn met artikel 28, tweede lid van het Kaderbesluit.
In paragraaf 1.3 van het algemeen deel van de toelichting wordt op de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 2.29.8, en de selectieprocedure, uitvoerig ingegaan.
Op de aanvraag om subsidie wordt beslist binnen de in de tabel bij artikel 26 van het Kaderbesluit aangegeven termijn, namelijk 13 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.
De realisatietermijn bedraagt 3 jaar na de datum van subsidieverlening. Dat wil zeggen dat een aanvraag wordt afgewezen indien niet aannemelijk is dat de activiteiten binnen 3 jaar kunnen worden voltooid. Met de realisatie wordt uiterlijk binnen drie maanden na de subsidieverlening gestart.
Op deze subsidie zijn de afwijzingsgronden van artikel 22 en 23 van het Kaderbesluit van toepassing. Artikel 22 van het Kaderbesluit bepaalt dat geen subsidie wordt verleend indien er niet wordt voldaan aan verschillende voorwaarden uit het toepasselijk Europese steunkader. In artikel 23 is bepaald dat afwijzend op een subsidie wordt beslist indien er onvoldoende vertrouwen bestaat over de haalbaarheid, noodzaak, behalen van het beoogde resultaat, capaciteit van de betrokkene om de activiteiten uit te voeren of de minister van oordeel is dat hierbij sprake is van een onaanvaardbaar risico.
In aanvulling daarop is in artikel 2.29.7 een aantal specifieke afwijzingsgronden opgenomen.
Allereerst wordt de aanvraag afgewezen indien er geen subsidie is aangevraagd of uitsluitend niet-subsidiabele kosten worden opgevoerd voor de activiteit oprichten en gedurende het proefproject in stand houden van een samenwerkingsverband, en voor de activiteit kennisdeling naar aanleiding van de resultaten van de proefprojecten (onderdeel a).
Deze activiteiten worden als essentieel onderdeel gezien van de pilots agrarisch natuurbeheer.
De tweede afwijzingsgrond betreft een te laag puntentotaal. Indien aan de aanvraag minder dan 30 punten zijn toegekend, is deze van onvoldoende kwaliteit om subsidie te ontvangen (onderdeel b).
De derde afwijzingsgrond betreft een zeer geringe bijdrage op de rangschikkingscriteria effectiviteit, haalbaarheid, efficiëntie en innovatie. Indien voor een van deze criteria na vermenigvuldiging met de desbetreffende wegingsfactor 0 punten is toegekend wordt de aanvraag afgewezen (onderdeel c).
Ten vierde wordt een aanvraag afgewezen indien subsidieverlening niet in overeenstemming zou zijn met artikel 14, 21, 32 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Hieruit volgt onder andere dat een aanvraag wordt afgewezen indien de samenwerking niet bijdraagt aan de verwezenlijking van een of meer van de doelstellingen van artikel 6, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2021/2115 (onderdeel d).
Ten vijfde mag er geen subsidie worden verleend aan een grote onderneming, behalve indien dit een onderzoeksorganisatie is (onderdeel e). Een grote onderneming is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en betreft een onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187) (de algemene groepsvrijstellingsverordening).
Ten zesde wordt ook de aanvraag afgewezen als de subsidieaanvraag minder dan € 1.000.000 bedraagt (onderdeel f).
Het is niet wenselijk dat hetzelfde samenwerkingsverband meerdere malen een aanvraag kan doen of meerdere malen subsidie kan ontvangen op grond van deze regeling voor dezelfde openstellingsperiode. Daarom is als laatste in artikel 2.29.7 opgenomen dat een aanvraag wordt afgewezen indien er reeds op grond van deze titel subsidie is aangevraagd door, of is verleend aan, het samenwerkingsverband voor dezelfde openstellingsperiode (onderdeel f).
In dit artikel zijn informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de subsidieaanvraag moet bevatten of waarvan deze vergezeld dient te gaan. Op grond van het eerste lid bevat de aanvraag om subsidie ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Het gaat hierbij om de volgende gegevens: a) de naam en grootte van de onderneming, b) een beschrijving van het project of de activiteit, met inbegrip van de start- en einddatum, c) de plaats van het project of de activiteit, d) een lijst van de in aanmerking komende kosten en e) de soort overheidsfinanciering (in dit geval: subsidie) en het bedrag daarvan dat nodig is voor het project of de activiteit.
Op grond van het tweede lid bevat de aanvraag om subsidie daarnaast de minimale informatievereisten over de subsidieaanvrager, het project en de begroting die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. Deze vereisten sluiten (grotendeels) aan bij de wijze waarop andere (vergelijkbare) subsidiemodules in de Regeling nationale EZ, LVVN- en KGG-subsidies zijn vormgegeven. Onder meer wordt gevraagd om een intekening op een omgevingskaart van het beoogde werkgebied van het samenwerkingsverband waar de beoogde maatregelen komen aan te leveren (artikel 2.29.9, tweede lid, onderdeel e).
Als een deelnemer aan het samenwerkingsverband een landbouwonderneming betreft wordt daarnaast gevraagd om een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert, en een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming een mkb-onderneming is (tweede lid, onderdeel g). Wat een mkb-onderneming is, is bepaald in de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Op de website van RVO staat nader uitgelegd wat onder de definitie van mkb wordt verstaan en wordt de aanvrager verwezen naar de Engelstalige online mkb-toets van de Europese Commissie.
Een onderneming in moeilijkheden komt niet in aanmerking voor subsidie (artikel 22 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies). Voor de definitie van het begrip ‘onderneming in moeilijkheden’ wordt verwezen naar artikel 2, onderdeel 59, van de vrijstellingsverordening landbouw.
In het tweede lid, onderdeel h, wordt gevraagd om een verklaring van de subsidieaanvrager over de subsidiabele kosten die bestaan uit omzetbelasting die de subsidieontvanger niet in aftrek kan brengen. De subsidieontvanger is bij aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 2.29.2 verplicht om aan te geven of de btw verrekenbaar is. Indien de btw niet verrekenbaar is dient de aanvrager dit te onderbouwen aan de hand van een verklaring. Deze verklaring is nodig bij aanvraag om niet-verrekenbare btw subsidiabel te kunnen stellen.
Het derde lid beschrijft de elementen die in ieder geval moeten worden beschreven in het projectplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. Het projectplan moet in ieder geval de volgende onderdelen bevatten: a) als het een project als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, de visie en gebiedsgerichte benadering van het project, een uiteenzetting van de gebiedskenmerken, de in het betreffende gebied voorkomende uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur, en de wijze waarop het project via het experimenteren met verschillende maatregelen en instrumenten kan bijdragen aan het behalen van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur; b) indien het een project als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b, betreft, een uiteenzetting van de probleemstelling en de wijze waarop de experimentele maatregel of het bestaande of te ontwikkelen instrument bij kan dragen aan het oplossen van de uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur; c) de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur; d) de wijze waarop de effecten van de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode op doelbereik gemonitord zullen worden; e) de wijze waarop resultaten uit de proefprojecten worden verspreid; en f) de kansen en mogelijke risico’s van deelname aan proefprojecten door leden van het samenwerkingsverband en derden en de wijze waarop deze risico’s gemitigeerd worden.
Ingevolge artikel 37 van het Kaderbesluit dient de subsidieontvanger de activiteiten uit te voeren overeenkomstig het plan.
Tot slot is van belang dat op grond van artikel 19, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies een aanvraag om subsidie moet worden ingediend met gebruikmaking van een middel dat beschikbaar wordt gesteld. Dit middel zal aan het begin van de openstellingsperiode beschikbaar worden gesteld via www.rvo.nl.
Verder dient de samenwerkingsovereenkomst, die moet worden overgelegd bij de aanvraag om subsidie, duidelijkheid te geven over de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband omgaan met de bijdrage in de kosten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten (vierde lid). Dit geldt in aanvulling op artikel 1.9 waarin ten algemene al is bepaald dat indien een geheel of gedeeltelijk van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisatie deelneemt aan het project de deelnemers een overeenkomst moeten afsluiten. De afspraken hoeven niet voorgelegd te worden aan de minister als aan de in het tweede lid vermelde informatie bij de aanvraag wordt overgelegd.
Artikel 39 van het Kaderbesluit bepaalt dat indien de periode van uitvoering van de activiteiten meer dan twaalf maanden in beslag neemt, bij de beschikking tot subsidieverlening de verplichting wordt opgelegd tot indiening van één of meer rapportages, maar ten hoogste één rapportage per jaar.
Als beheermaatregelen als bedoeld in artikel 2.29.9, eerste lid, onderdeel c, en de bijlage 2.29 bij de regeling uitgevoerd gaan worden, zullen de rapportages een kaart moeten bevatten waarop is aangegeven waar de beheermaatregelen op perceelsniveau uitgevoerd gaan worden of uitgevoerd zijn.
De rapportages kunnen voor het samenwerkingsverband als geheel worden ingediend en worden daarom ingediend via de penvoerder.
Verder zijn er een aantal andere verplichtingen opgenomen, namelijk dat de resultaten en tussenresultaten op grond van artikel 38, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw op een openbaar toegankelijk platform worden gepubliceerd voor minstens vijf jaar na de einddatum van het gesteunde project of vanaf het moment dat de resultaten voor het eerst gedeeld kunnen worden (derde en vierde lid). Daarnaast moeten de voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten openbaar toegankelijk zijn via een digitaal platform (vijfde lid).
Op grond van het zesde lid geldt de verplichting dat indien de subsidieontvanger mede actief is in de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten, maar als terreinbeheerder hoofdzakelijk activiteiten verricht die betrekking hebben op natuurbeheer of natuurherstel, de subsidieontvanger een zodanige administratie voert dat met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of en uitsplitsing van de kosten aantoonbaar is dat de subsidie niet ten goede komt aan activiteiten in de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten. Deze verplichting is opgenomen omdat voorkomen moet worden dat subsidie die wordt verstrekt onder het staatssteunkader van artikel 53 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt aangewend voor activiteiten die vallen onder het staatssteunkader van artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
In artikel 50, tweede lid, van het Kaderbesluit is opgenomen welke bescheiden gepaard dienen te gaan bij een aanvraag tot subsidievaststelling, namelijk een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van de activiteiten, een mededeling van andere inkomsten, indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt, een controleverklaring van een accountant of een accountant administratieconsulent waaruit blijkt dat is voldaan aan artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht.
De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling af binnen de in artikel 52 van het Kaderbesluit genoemde termijn.
Voor deze subsidiemodule wordt gebruikt gemaakt van artikel 14, 21, 32, 34 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. De organisatiekosten van het samenwerkingsverband vallen onder artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw aangezien het artikel ziet op het vormen van samenwerkingsverbanden. De kosten die verband houden met proefprojecten, bestaande uit beheermaatregelen op of aanpalend aan landbouwgrond als bedoeld in bijlage 2.29, vallen onder artikel 34 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. De kosten die verband houden met proefprojecten, niet zijnde de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, vallen onder artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw en aanvullend onder artikel 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. De investeringskosten vallen onder artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw en indien deze gedaan worden door een onderzoeksinstelling onder artikel 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Kosten die worden gemaakt ten behoeve van kennisdeling worden onder artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw gebracht. Zie voor een verdere uitwerking paragraaf 2 van het algemene deel van deze toelichting.
In artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 is bepaald dat subsidieregelingen een vervaltermijn van maximaal vijf jaren bevatten. Artikel 2.29.13 geeft invulling aan voormelde bepaling. Dit artikel bepaalt namelijk voor de onderhavige subsidiemodule wat de vervaldatum is. Deze subsidiemodule vervalt op 15 april 2031. Te zijner tijd zal bezien worden of het wenselijk is deze titel te verlengen. De (mogelijke) ontwerpregeling inzake een dergelijke verlenging zal, overeenkomstig artikel 4.10, zevende lid, van de Comptabiliteitswet 2016, aan de Tweede Kamer worden overgelegd.
In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 is aangegeven in welke periode de diverse subsidiemodules van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zijn opengesteld en wat het subsidieplafond bedraagt. Deze regeling is aangepast.
In de tabel van artikel 1 wordt ook de openstelling van de subsidiemodule Pilots agrarisch natuurbeheer toegevoegd. Voor de subsidiemodule Pilots Agrarisch natuurbeheer loopt de openstellingsperiode van 29 april 2026 tot en met 3 juni 2026 om 17.00 uur. Het subsidieplafond wordt vastgesteld op € 20 mln. euro, waarvoor € 13 mln. euro voor categorie 1 (artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a, van deze regeling) en € 7 mln. euro voor categorie 2 (artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b, van deze regeling).
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten voor regelgeving, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van elk kwartaal in werking treden. Ook wordt afgeweken van de regel dat ministeriële regelingen minimaal twee maanden voor inwerkingtreding bekend moeten worden gemaakt.
De afwijking kan worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding van de regeling. Met de afwijkende inwerkingtredingstermijn van deze onderdelen wordt de doelgroep dan ook de mogelijkheid geboden om spoedig subsidieaanvragen in te dienen op grond van de subsidiemodule Pilots Agrarisch natuurbeheer. Vasthouden aan de systematiek van de vaste verandermomenten en bekendmakingstermijn zou hebben betekend dat subsidieaanvragen pas vanaf het eerstvolgende vaste verandermoment op 1 juli ingediend zouden kunnen worden. De subsidiemodule wordt opengesteld van 29 april 2026 tot en met 3 juni 2026, maar de doelgroep heeft voldoende tijd om aanvragen in te dienen en voor te bereiden, omdat potentiële aanvragers op basis van het ontwerp van deze regeling en informatie uit de gegeven presentaties sinds het begin van dit jaar werken aan het opstellen van pilotvoorstellen.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
COM(2025) 560 final 2025/0241 (COD) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028–2034 Brussel, 16.7.2025.
Huitzing et al (PBL), 14 april 2025: Investeren, concentreren, extensiveren – Achtergrondrapport bij policybrief Agrarisch natuurbeheer: handvatten voor een succesvol agrarisch natuurbeheer.
Visser, T. & Kleyheeg, E., 2025. Ecologische evaluatie Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer. Wageningen, Wageningen Environmental Research.
Basiskaart Aquatisch; de Watertypenkaart, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag/ Bilthoven 2010, PBL-publicatienummer 500067004.
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435).
Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435).
Verordening (EU) 2021/2117 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten en (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (PbEU 2021, L 435).
COM(2025) 560 final 2025/0241 (COD) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028–2034 Brussel, 16.7.2025.
Dit plan heeft als doel de achteruitgang van de weidevogelpopulaties te stoppen en herstel mogelijk te maken; https://gruttoaanvalsplan.nl/
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206).
Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20).
COM(2025) 560 final 2025/0241 (COD) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028–2034 Brussel, 16.7.2025.
Huitzing et al (PBL), 14 april 2025: Investeren, concentreren, extensiveren – Achtergrondrapport bij policybrief Agrarisch natuurbeheer: handvatten voor een succesvol agrarisch natuurbeheer.
Visser, T. & Kleyheeg, E., 2025. Ecologische evaluatie Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer. Wageningen, Wageningen Environmental Research.
Basiskaart Aquatisch; de Watertypenkaart, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag/ Bilthoven 2010, PBL-publicatienummer 500067004.
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435).
Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435).
Verordening (EU) 2021/2117 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten en (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (PbEU 2021, L 435).
COM(2025) 560 final 2025/0241 (COD) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028–2034 Brussel, 16.7.2025.
Dit plan heeft als doel de achteruitgang van de weidevogelpopulaties te stoppen en herstel mogelijk te maken; https://gruttoaanvalsplan.nl/
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206).
Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14457.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.