Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 25 juni 2023, Min-BuZa.2023.15455-30, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikelen 5.1 en 10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 5.1 en 10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van lokale voedselsystemen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika worden ingediend van 2 oktober 2023, 9:00 uur tot en met 18 december 2023, 15:00 uur Nederlandse tijd.

  • 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika worden ingediend aan de hand van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een subsidieplafond van € 12 miljoen.

Artikel 4

  • 1. De verdeling van het subsidieplafond bedoeld in artikel 3, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen.

  • 2. Uit oogpunt van doelmatigheid zullen per doelland, genoemd in annex 1 van de bijlage bij dit besluit, niet meer dan twee subsidieaanvragen in aanmerking kunnen komen voor subsidieverlening. Indien twee of meer van de aanvragen die betrekking hebben op hetzelfde doelland in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage en de daarbij behorende annexen in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, namens deze, de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, P. Grotenhuis

BIJLAGE

1. Achtergrond

Al sinds 2015 neemt de voedselonzekerheid wereldwijd weer toe. Grote grensoverschrijdende uitdagingen van de 21e eeuw, zoals klimaatverandering, pandemieën, conflicten en persistente armoede liggen hieraan ten grondslag. Met name in Afrika blijft de mate van zelfvoorziening en regionale handel in de landbouw, landbouwproducten en landbouw-gerelateerde inputketens nog sterk achter. Dit creëert afhankelijkheden van internationale handel die kwetsbaar blijken. De oorlog in Oekraïne maakt dat eens te meer pijnlijk duidelijk, zowel voor landbouwproducten als voor landbouw-inputs zoals kunstmest of alternatieven daarvoor. De huidige mondiale voedselcrisis wordt dus niet alleen aangejaagd door klimaatverandering en lokale conflicten, maar zeker ook door de oorlog in Oekraïne. Daarnaast wordt ook de landbouwproductie voor de komende seizoenen bedreigd door een gebrek aan inputs of de hoge prijzen daarvan, die ze de facto ontoegankelijk maken voor kwetsbare boerenbedrijven en huishoudens.

De langjarige inzet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is er op gericht een bijdrage te leveren aan voedselzekerheid (SDG22). In het licht van de huidige crisis moet die verder worden geïntensiveerd. Specifiek de weerbaarheid van de voedselsystemen ten opzichte van geopolitieke conflicten en klimaatverandering vraagt extra aandacht. De verwachting is dat, gebaseerd op lokale, al of niet door Nederlandse of internationale partijen al gesteunde, initiatieven, het mogelijk moet zijn om impact te versnellen of te vergroten met een extra inzet of toepassing van beschikbare (bestaande) kennis of innovaties.

Met het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika (hierna: subsidieprogramma), aangekondigd in een brief aan de Tweede Kamer van 23 december 20223, wordt beoogd een impuls te geven aan de weerbaarheid van lokale voedselsystemen in Afrika door het verhogen van de productiviteit, stabiliteit (inclusief t.a.v. klimaatverandering en marktprijzen), zelfredzaamheid en lokale waarde-toevoeging. Het draagt daarmee bij aan voedselzekerheid en de beleidsmatig al eerder gestelde doelen voor 2030 om 32 miljoen kwetsbare mensen uit ondervoeding te helpen, de inkomens en productiviteit van 8 miljoen kleinschalige voedselproducenten te verdubbelen en 8 miljoen hectare land in duurzaam beheer te laten komen. De doelgroep van het subsidieprogramma wordt gevormd door voedsel-onzekere mensen en voedselproducenten, met prioriteit voor kwetsbare kleinschalige boerenbedrijven/huishoudens.

2. Uitvoerder

De Minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan RVO, agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de Minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

3. Begrippen

In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:

Doelland:

één van de landen waarvoor het subsidieprogramma openstaat, zie annex 1 bij deze beleidsregels. Dit zijn landen waarop activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd moeten zijn gericht ten einde in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma;

Economische activiteit:

iedere activiteit waarbij goederen of diensten op een markt worden aangeboden;

Gender sensitief:

Inzetten op het stimuleren van gendergelijkheid door bewust te zijn van of rekening te houden met verschillende rollen, rechten en machtsrelaties (gerelateerd aan gender) die door middel van een gender analyse aan het licht komen;

Gender transformatief:

inzetten op het doorbreken van bestaande onderliggende sociale patronen, beleid en sociale regels die genderongelijkheid in stand houden, met als doel om structureel gender- en economische gelijkheid te versterken;

Kennisinstelling:

een onderwijs- of onderzoeksorganisatie die bijdraagt aan kennisuitwisseling. Om als kennisinstelling te kwalificeren moeten de kerntaken van de kennisinstelling onafhankelijk onderzoek en/of kennisoverdracht zijn, ongeacht of de kennisinstelling ook economische activiteiten uitvoert of behoort tot de overheid;

Lokale maatschappelijke organisatie:

een in een doelland gevestigde, niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie, met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid anders dan naar Nederlands recht. De organisatie is niet door een overheidsinstantie opgericht, dan wel na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd. De organisatie is ook als zodanig geregistreerd in het doelland waar de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd;

Lokale onderneming:

een onderneming beschikkend over private rechtspersoonlijkheid anders dan naar Nederlands recht. De onderneming heeft een registratie in het doelland waar de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd.

Maatschappelijke organisatie:

een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie, met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid, en is ook als zodanig geregistreerd. De organisatie is niet door een overheidsinstantie opgericht, dan wel na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd;

minister:

de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

OESO-richtlijnen:

algemene beginselen voor internationaal ondernemen die een belangrijk uitgangspunt zijn voor het IMVO-beleid van de Nederlandse regering. De rode draad is het in acht nemen van de ‘regels’ van het land waar een onderneming actief is en verantwoord ketenbeheer. De OESO-richtlijnen bieden handvatten voor ondernemingen om om te gaan met zaken zoals ketenverantwoordelijkheid, mensenrechten, kinderarbeid, landrechten, milieu en corruptie. In de OESO-richtlijnen4 worden deze en andere begrippen nader gedefinieerd en uitgewerkt;

Onderneming:

een rechtspersoon, niet zijnde een maatschappelijke organisatie of kennisinstelling, die economische activiteiten uitvoert;

Penvoerder:

de partner in een samenwerkingsverband die namens het samenwerkingsverband de subsidie aanvraagt. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de Minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen;

Samenwerkingsverband:

een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband bestaande uit partners met eigen rechtspersoonlijkheid gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partners een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt.

4. Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika

4.1 Doel

Het subsidieprogramma heeft als doel om een impuls te geven aan de weerbaarheid van lokale voedselsystemen door het verhogen van de productiviteit, stabiliteit (inclusief klimaatweerbaarheid), zelfredzaamheid en lokale waarde-toevoeging voor (sub)nationale en regionale markten in Afrika en Jemen.

Het gaat hier om activiteiten die bestaande hierop gerichte processen en projecten versnellen of opschalen. Waarbij bestaande kennis en innovaties worden ingezet om de lokale voedselsystemen te verbeteren en weerbaar te maken. De activiteiten dragen daarmee bij aan voedsel- en voedingszekerheid voor kwetsbare groepen producenten en consumenten in Afrika en Jemen. Het subsidieprogramma is niet gericht op export-waardeketens buiten de regionale markten in Afrika en Jemen.

De activiteiten moeten klimaat-adaptief zijn en gender sensitief of gender transformatief. Belangrijke aandachtsgebieden zijn weerbare voedselproductie (zoals versterken agro-ecologie en biodiversiteit), landbouw-inputs (voorziening of lokale productie) en watergebruik, bodemvruchtbaarheid (inclusief kunstmest en alternatieven), lokale waarde-toevoeging in landbouw of voedselketens of het tegengaan van verliezen na de oogst, of beleid of institutionele versterking die gericht zijn op het vergroten van de zelfredzaamheid van de beoogde doelgroep zoals beschreven onder 4.2 of het verminderen van kwetsbaarheden in agro-food markten.

Het subsidieprogramma is gericht op subsidiëring van activiteiten in de doellanden zoals opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels (de landen opgenomen in deze annex sluiten aan bij de beleidsnota Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking5).

4.2 Doelgroep

De begunstigden van het subsidieprogramma zijn voedsel-onzekere mensen en voedselproducenten, en dan met name de kwetsbare kleinschalige boerenbedrijven/huishoudens. Daarbij geldt een bijzondere aandacht voor de vrouwen en jongeren binnen deze doelgroep.

4.3 Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Subsidies in het kader van het subsidieprogramma zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden, namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt voor activiteiten als zijnde een project, waarbij een penvoerder per groep6 of per fiscale eenheid7 maximaal tweemaal in aanmerking kan komen voor subsidie.

Aan een samenwerkingsverband kunnen maatschappelijke organisaties, ondernemingen en kennisinstellingen deelnemen.

Aan (de partners van) het samenwerkingsverband worden de volgende eisen gesteld:

  • De penvoerder heeft aantoonbare ervaring in de afgelopen vijf jaar met het managen van vergelijkbare projecten in Afrika.

  • Een samenwerkingsverband bestaat uit minimaal een Nederlandse organisatie, een lokale organisatie en een maatschappelijke organisatie.

  • Een samenwerkingsverband bestaat uit maximaal vier organisaties.

  • Elke partner in het samenwerkingsverband moet beschikken over rechtspersoonlijkheid.

  • Alle partners moeten noodzakelijk zijn voor het behalen van de doelstelling van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • Het samenwerkingsverband moet gevormd zijn voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.

De partners van het samenwerkingsverband moeten een integriteitsbeleid hebben vastgesteld. De partners moeten tevens procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.

4.4 Adviestraject

Als een penvoerder overweegt namens een samenwerkingsverband een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt een verplicht adviestraject aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’ op basis van het daartoe door RVO beschikbaar gestelde format.8 Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO-adviseur. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het staat vrij om na het advies wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de aanvrager vervolgens besluit om een aanvraag in te dienen is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan.

Aangezien de quick scans de basis vormen voor het uitwerken en indienen van een subsidieaanvraag, kunnen deze uiterlijk tot en met 4 september 2023 worden ingediend bij RVO. Dit zodat RVO voldoende tijd heeft voor de beoordeling van de quick scan en de aanvrager voldoende tijd heeft voor het verwerken van het quick scan advies in een eventuele subsidieaanvraag.

4.5 Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet het gaan om activiteiten die:

  • zijn gericht op het doel van het subsidieprogramma zoals beschreven in paragraaf 4.1;

  • een logische uitwerking zijn van een analyse van de lokale context op het gebied van weerbare voedselsystemen en het verminderen van kwetsbaarheden en kwetsbare afhankelijkheden;

  • aansluiten bij een bestaand project of interventie en extra of nieuwe resultaten (zie Annex 2) kunnen opleveren binnen de termijn van drie jaar;

  • gericht zijn op het inbrengen van bestaande kennis, kunde en innovaties toegepast op de lokale context waarmee de weerbaarheid van het voedselsysteem wordt vergroot;

  • aansluiten op het beleid van Nederland in het doelland zoals vastgelegd in de The Multi-Annual Country Strategy (MACS); en

  • aansluiten op het nationale beleid van het doelland, waarbij een adequate risico analyse vereist is t.a.v. programma context en uitvoerbaarheid.

Indien er sprake is van het geografisch opschalen van bestaande activiteiten zal worden getoetst of het voorgestelde uitbreidingsgebied voldoende additioneel is.

Het project moet resultaten opleveren in één of meerdere van de doellanden opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels, en bijdragen aan het resultatenkader voedselzekerheid als weergegeven in annex 2 bij deze beleidsregels.

In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor de volgende activiteiten:

  • activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

  • productonderzoek en ontwikkeling van ‘proof of concept’;

  • eenmalige trainingsactiviteiten die los staan van de meerjarige activiteiten;

  • activiteiten die als export- of investeringsactiviteiten zijn aan te merken; hierbij moet gedacht worden aan het vooraf of tijdens het project verkopen van technologie, en investeringen die binnen een commercieel aanvaardbare termijn kunnen worden terugverdiend of commercieel kunnen worden gefinancierd.

4.6 Looptijd van de activiteiten

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd moeten in maximaal 3 jaar worden uitgevoerd, waarbij geldt dat de uitvoering uiterlijk drie maanden na subsidieverlening van start moet gaan.

4.7 Omvang van de subsidie

De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 1.000.000.

De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal € 2.000.000, en per onderneming in het samenwerkingsverband maximaal € 500.000, waarbij geldt dat:

  • a. maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen maximaal 100% van de door hen te maken subsidiabele kosten met subsidiemiddelen mogen dekken;

  • b. ondernemingen maximaal 50% van de door hen te maken subsidiabele kosten met subsidiemiddelen mogen dekken.

Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de partners van het samenwerkingsverband zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Dit mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

5. Subsidiabele kosten

5.1 Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

  • kosten moeten redelijk, logisch en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd, die naar hun aard passend zijn bij de betreffende partner die de kosten maakt;

  • kosten moeten direct gerelateerd zijn aan de uitvoering van de activiteiten;

  • kosten moeten worden gemaakt na de indiening van de aanvraag en binnen de termijn van de subsidiebeschikking;

  • de interne kosten worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;

  • kosten worden aan lokale maatstaven en op redelijkheid getoetst;

  • uit de activiteiten verkregen opbrengsten worden in mindering gebracht op de subsidiabele kosten, bijvoorbeeld inkomsten uit training en advies;

  • voor kosten van projectmanagement en coördinatie geldt een maximum van 10% van de totale subsidiabele kosten.

5.2 Subsidiabele kosten

Subsidiabele kosten zijn de volgende door de partners van het samenwerkingsverband zelf te maken kosten voor:

  • projectmanagement, zoals het organiseren van bijeenkomsten, opstellen van (business) plannen, rapporteren, projectadministratie, audit kosten;

  • monitoring en (externe) evaluatie van het project;

  • demonstratiematerialen zoals bijvoorbeeld zaden, (kunst)mest en pesticiden;

  • instandhouding van (delen van) het door het project opgeleverde product of de door het project opgeleverde dienst gedurende de projectperiode waarop de subsidie betrekking heeft;

  • activiteiten die individuele organisaties overstijgen en direct bijdragen aan de doelstellingen van het projectvoorstel zoals bijvoorbeeld een multi-stakeholder dialoog, marktontwikkeling, versterken institutionele capaciteit;

  • kwaliteits- of IMVO-certificatie (bijvoorbeeld ISO- en/of milieucertificering), vergunningen, marketing, advieskosten;

  • overige technische assistentie, zoals kennisoverdracht aan en training van medewerkers van de partners en derde partijen;

  • investeringen in kapitaalgoederen die worden ingezet in het productieproces, zoals machines, nieuw te bouwen gebouwen en installaties en bedrijfsinventaris, en (computer)software.

Waarbij de volgende kostensoorten van toepassing zijn:

  • a. Personeelskosten, waarbij geldt dat, ten behoeve van de doelmatige besteding van deze subsidie, de in de begroting aangegeven uurtarieven nooit meer dan het maximale bedrag voor schaal 18 uit de Handleiding Overheidstarieven9 voor het betreffende jaar mag bedragen. Het uurtarief wordt berekend op basis de volgende berekeningsmethode: de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van de activiteiten hebben gemaakt, vermeerderd met een 50% opslag voor indirecte kosten. De directe loonkosten zijn de bruto loonkosten, vermeerderd met de werkgeverslasten, de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden, emolumenten en uitkering na ontslag.

  • b. Afschrijvingskosten van activa gedurende de looptijd van de activiteiten. De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten is de aanschafprijs, rekening houdend met de eventuele restwaarde en vermeerderd met eventuele aanpassingskosten.

  • c. Kosten derden: op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit en kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde goederen en diensten.

  • d. Reiskosten: internationale reiskosten en interlokale reiskosten buiten Nederland op basis van economy class.

  • e. Verblijfkosten: de maximale vergoeding voor verblijfkosten is het aantal overnachtingen maal de logies- en overige kosten conform de Daily Subsistence Allowance Rates van de Verenigde Naties, geldend op de startdatum van de activiteiten.10

5.3 Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

  • kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie en andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt;

  • omzetbelasting (btw) voor zover dit geen kostenpost is;

  • kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen groter dan 5% van de totale subsidiabele kosten;

  • financieringskosten en rentevergoedingen;

  • risicofinanciering aan derde partijen (lening, garantie, krediet);

  • kosten voor aankoop, huur of leasen van bestaande gebouwen dan wel van land;

  • kosten voor onderzoek en ontwikkeling (R&D), uitgezonderd demonstratie-activiteiten;

  • operationele kosten: kosten voor operationele diensten en kosten gemoeid met goederen die slechts één productiecyclus mee gaan of in één jaar worden afgeschreven;

  • kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectueel eigendom.

6. Aanvraag

6.1 Vereisten

Voordat een penvoerder een aanvraag doet voor subsidie voor een project in het kader van het subsidieprogramma, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.4 (advies naar aanleiding van ‘quick scan’).

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.11

De aanvraag wordt opgesteld in de Engelse taal en bevat in ieder geval:

  • Referentienummer van het ontvangen RVO-advies;

  • Partnerformulieren;

  • Projectplan, in lijn met wat hiervoor is opgenomen in paragraaf 4 (met uitzondering van paragraaf 4.4)

  • Begroting, inclusief de totale subsidiabele kosten per partner;

  • Voor deelnemende ondernemingen, de meest recente door de accountant geauditeerde versie van de jaarrekening;

  • Ondertekende samenwerkingsovereenkomst die de medewerking van de partners aan de uitvoering van de activiteiten en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgt, evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen.

Tevens moeten de partners verklaren op de hoogte te zijn en te zullen handelen naar de OESO richtlijnen.12 Ook dienen de partners op de hoogte te zijn van de FMO-uitsluitingslijst en geen activiteiten uit te voeren die op deze lijst benoemd staan.13 De partners dienen te verklaren van deze richtlijnen op de hoogte te zijn en deze te onderschrijven. De partners dienen feiten of omstandigheden die wijzen op het schenden van deze richtlijnen onverwijld te melden bij RVO. Partners moeten open staan voor verbetering als dat wordt geïdentificeerd.

6.2 Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen; na de deadline voor het indienen van aanvragen is een aanvulling niet meer mogelijk. Hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat RVO geen toepassing zal geven aan de bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot een lagere rangschikking of zelfs afwijzing van de subsidieaanvraag.

Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.

7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van het subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in het subsidieprogramma zijn neergelegd.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria, waaraan eveneens (in voldoende mate; minimaal 70 punten van de maximaal 100 te behalen punten) moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.

De brede OS-relatie landen zoals opgenomen in de annex 1 bij deze beleidsregels krijgen 5 bonuspunten.

Criterium

Maximum

Minimum

Beleidsbijdrage

40

28

Staat van dienst

40

28

Duurzaamheid

20

14

Totaal aantal punten

100

70

Per doelland komt de aanvrager die het beste aan de criteria voldoet als eerste in aanmerking voor subsidie, daarna de aanvrager die als tweede in de beoordeling is geëindigd.

De volgende criteria zijn van toepassing, waarbij per set van criteria het minimaal benodigde en maximale aantal te behalen punten is aangegeven:

Beleidsbijdrage (minimaal 28, maximaal 40 punten)

  • a. De omvang en waarschijnlijkheid van de door het project te behalen bijdrage aan de gestelde beleidsgebieden en resultatenkader zoals benoemd in paragraaf 4.1. Zie annex 2 bij deze beleidsregels voor het resultatenkader voedselzekerheid en bijbehorende indicatoren.

  • b. De mate waarin het project het aantoonbaar belang voor en de impact op en behoefte van de doelgroep borgt (zie paragraaf 4.2).

  • c. De mate waarin een analyse van het lokale voedselsysteem is gemaakt en de projectactiviteiten die hieruit voortvloeien logisch aansluiten op de uitkomst van deze analyse.

Staat van dienst (minimaal 28, maximaal 40 punten)

  • a. Relevant inhoudelijk en geografisch track record van de partners.

  • b. Bewezen effectiviteit van het project concept.

Duurzaamheid (minimaal 14, maximaal 20 punten)

  • a. De mate waarin Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO); geïntegreerd is binnen het project. Uitgangspunt hierbij zijn de OESO- richtlijnen.

  • b. De mate waarin het project bijdraagt aan Klimaatweerbaarheid en bijdraagt aan duurzaam landgebruik.

  • c. De mate waarin na de projectperiode de projectresultaten bestendigd blijven zonder additionele externe donor financiering

Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Hiervoor kan RVO contact zoeken met de projectpartners en relevante stakeholders.

RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe experts. De Ambassades van het Koninkrijk der Nederlanden worden altijd gevraagd om input voor de beoordeling van de aanvragen op het criterium Beleidsbijdrage, in het bijzonder de factoren betreffende de aansluiting van de aanvragen op hun beleid en de inbedding in de lokale context.

8. Afwijzingsgronden

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of indien het beschikbare budget ontoereikend is.

9. Toezicht

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

10. Verplichtingen

Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de beschikking.

In de beschikking zal in ieder geval een meldingsplicht worden opgenomen. De subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel en/of tijdig) kan uitvoeren. Ook zal een verplichting worden opgenomen dat de subsidieontvanger en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid.14 De subsidieontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze organisaties eveneens onverwijld te melden bij RVO.

11. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 3,1% bedraagt.

Annex 1 – Doellanden

Brede OS-relatie landen

Combinatie landen

Benin

Egypte

Burkina Faso

Ghana

Burundi

Ivoorkust

Ethiopië

Kenia

Jemen

Marokko

Mali

Nigeria

Mozambique

Senegal

Niger

Zuid Afrika

Oeganda

 

Soedan

 

Zuid-Soedan

 

Annex 2 – Resultatenkader en bijbehorende indicatoren voedselzekerheid

Outcomes (= NL fair share in SDG-2 targets 2030)

32 million people1 lifted out of undernourishment

8 million small scale food producers2 doubled productivity and income

8 million hectares of farmland 3 converted to sustainable use

Outcome indicators (cumulative, proxies for contribution to target)

A.1.1. Number of people with a more diverse and adequate diet

A.1.2. Number of people whose nutritional situation became more resilient to shocks

B.1.1. Number of small-scale food producers who progressively realize a living income

B.1.2. Number of small-scale food producers who progressively decrease the yield gap

B.1.3. Number of female small-scale food producers who progressively become more empowered

B.1.4. Number of small-scale food producers whose livelihood became more resilient to shocks

C.1.1. Number of hectares of farmland under at least 2 conservation practices

C.1.2. Number of hectares of farmland that agro-ecologically became more resilient to shocks

Outputs

Undernourished people benefitting from activities to improve nutrition

Small-scale food producers benefitting from activities to improve performance

Farmland3 benefitting from activities to strengthen ecological sustainability

Output indicators (non-cumulative)

A.2.1 Number of people directly reached with activities aimed at structural/systemic improvement of their nutritional situation

A.2.2 Number of people directly reached with activities aimed at temporary/partial improvement of their nutritional situation

A.2.3 Number of people indirectly reached

B.2.1 Number of small-scale food producers directly reached with activities aimed at structural/systemic improvement of their agricultural performance

B.2.2. Number of small-scale food producers directly reached with activities aimed at temporary/partial improvement of their agricultural performance

B.2.3 Number of small-scale food producers indirectly reached

C.2.1 Number of hectares of farmland directly reached with activities aimed at structural/systemic improvement of agro-ecological sustainability

C.2.2 Number of hectares of farmland directly reached with activities aimed at temporary/partial improvement of agro-ecological sustainability

C.2.3 Number of hectares of farmland indirectly reached

Enablers for FNS

Knowledge & Innovation Systems

Policy environment

Land Rights

Indicators

D.1. Number of small-scale food producers applying new technologies/practices that aim to transform food systems towards desirable outcomes4

D.2. Number of FNS-relevant knowledge and extension institutions reached with interventions that aim to strengthen their capacity

D.3. Share of supported international partnerships5 with participation of Dutch knowledge institutions

E.1. Number of reforms / improvements in major6 (inter)national FNS policies / laws / regulations

F.1. Number of people7 who enjoy (more) secure tenure rights to land

F.2. Number of (inter)national institutions that contributed to improved (sub)national land governance aspects

X Noot
1

Mainly children under two and their mothers.

X Noot
2

Small-scale food crop/livestock/fish producers, disaggregated for male/female and age (% < 35). For FAO definition see http://www.fao.org/3/a-i6858e.pdf http://www.fao.org/3/CA2591EN/ca2591en.pdf

X Noot
3

Including pastures and fishing grounds

X Noot
4

Disaggregated for male/female and age (% <35)

X Noot
5

aimed at transformation of food systems.

X Noot
6

Benefitting at least tens of thousands of undernourished people and/or small scale food producers

X Noot
7

Disaggregated for male/female and age (% < 35)


X Noot
2

SDG staat voor Sustainable Development Goals

X Noot
6

een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden

X Noot
7

een groep van meerdere ondernemingen die gezien wordt als één onderneming voor een bepaalde

belastingsoort

X Noot
8

english.rvo.nl/arfsa

X Noot
9

Handleiding overheidstarieven per jaar, te raadplegen via https://www.kennisopenbaarbestuur.nl

X Noot
11

english.rvo.nl/arfsa

X Noot
14

elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag

Betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van

gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.

Naar boven