Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 7 december 2020, nr. WJZ/ 20285216, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (vaststelling Energielijst 2021)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdelen b en c wordt ‘het Besluit duurzame energieproductie’ telkens vervangen door ‘het Besluit duurzame energieproductie en klimaattransitie’.

2. In onderdeel c wordt ‘een aanvraag die na 31 december 2015 is ingediend’ vervangen door ‘een aanvraag die tussen 1 januari 2016 en 31 december 2020 is ingediend’.

3. In onderdeel d wordt ‘de Regeling nationale EZ-subsidies’ vervangen door ‘de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies’.

B

De bijlage bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 wordt vervangen door de bij deze regeling behorende bijlage.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 7 december 2020

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL C, VAN DEZE REGELING

Bijlage behorende bij artikel 2 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, door:

  • 1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:

    • 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

    • 1.1.B.

      • 1. Besparingssysteem voor het verminderen van het energiegebruik van klimaatinstallaties in of bij bestaande bedrijfsgebouwen door het toepassen van een (individueel) instelbare ruimteregelaar voor het schakelen, afhankelijk van automatische aan- of afwezigheidsdetectie, en bestaande uit: individuele ruimteregelaar met (bewegings)sensoren, (eventueel) regelunit, (eventueel) individuele ruimte regelklep.

      • 2. Hierbij geldt dat het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 1.000 per ruimteregelaar bedraagt.

    • 1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

    • 1.2.B.

      • 1. Warmtepomp voor het verwarmen van bedrijfsgebouwen of het collectief verwarmen van woningen, en bestaande uit:

        • a. elektrisch gedreven brine/water warmtepomp met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 4,5 (ηs,h) ≥ 310% bij stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) (ijs)buffer, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

        • b. elektrisch gedreven warmtepomp met directe uitwisseling in de bodemwarmtewisselaar met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 5,0 (ηs,h) ≥ 344% bij stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) (ijs)buffer, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

        • c. elektrisch gedreven water/water warmtepomp met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 5,0 (ηs,h) ≥ 344% bij stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, (eventueel) grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) (ijs)buffer, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

        • d. elektrisch gedreven brine/lucht warmtepomp met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 3,0 (ηs,h) ≥ 207% bij stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) (ijs)buffer, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting; of

        • e. elektrisch gedreven water/lucht warmtepomp met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥4,5 (ηs,h) ≥ 310% bij stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, of elektrisch gedreven warmtepomp met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 5,0 (ηs,h) ≥ 344% bij stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018 (waterloop), (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) (ijs)buffer, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt voor de aansluiting op het verwarmingsnet en het verwarmingsnet zelf € 400 bedraagt per geïnstalleerde kWth van het thermisch vermogen van de warmtepomp;

        • •. onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker; en

        • •. warmtepompen die geplaatst worden in woningen niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen. Indien centraal opgestelde warmtepompen worden gebruikt voor verwarming van woningen of andere gebouwen komen deze wel in aanmerking.

    • 1.2.C.

      • 1. Warmtepomp voor het verwarmen van bedrijfsgebouwen of het collectief verwarmen van woningen, en bestaande uit:

        • a. elektrisch gedreven lucht/water warmtepomp met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 4,3 (ηs,h) ≥ 297% voor de buitenunit bij nominaal thermisch vermogen en een stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

        • b. elektrisch gedreven lucht/water en lucht (gecombineerd) warmtepomp met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 4,3 (ηs,h) ≥ 297% voor de buitenunit, bij nominaal thermisch vermogen en een stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

        • c. elektrisch gedreven lucht/lucht warmtepomp (Airconditioner systemen) met een nominaal thermisch verwarmingsvermogen van ≤12kW met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 4,4 (ηs,h) ≥ 303% voor de buitenunit bij nominaal thermisch vermogen en een stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

        • d. elektrisch gedreven lucht/lucht warmtepomp met een nominaal thermisch verwarmingsvermogen >12kW met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 4,0 (ηs,h) ≥ 276% voor de buitenunit bij nominaal thermisch vermogen en een stookseizoen ‘A’ = average, gemeten conform NEN-EN 14825:2018, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

        • e. elektrisch gedreven lucht/water warmtepomp met directe uitwisseling in de luchtwarmtewisselaar met een seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming SCOP ≥ 3,3 (ηs,h) ≥ 228% voor het systeem, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting; of

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • voor het bepalen van de SCOP, met uitzondering voor e, de koelcapaciteit van de buitenunit als maximale ondergrens geldt;

        • het maximumbedrag dat voor de warmtepomp inclusief verwarmingsnet, genoemd onder a, b, c en d, voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 1.200 per geïnstalleerde kWth van het nominaal thermisch vermogen van de buitenunit bedraagt;

        • het maximumbedrag dat voor de warmtepomp inclusief verwarmingsnet, genoemd onder e, voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 1.200 per geïnstalleerde kWth van het nominaal thermisch vermogen van het systeem bedraagt;

        • onder nominaal vermogen wordt verstaan het thermisch vermogen waarop de SCOP is gebaseerd. Hierbij komt het nominaal thermisch vermogen overeen met Prated;

        • onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker; en

        • warmtepompen die geplaatst worden in woningen niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen. Indien centraal opgestelde warmtepompen worden gebruikt voor verwarming van woningen of andere gebouwen komen deze wel in aanmerking.

    • 1.2.D. Warmtepompboiler waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van tapwater in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepompboiler met een COP ≥ 3,0 gemeten conform NEN-EN 16147:2017, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.

    • 1.2.E. Warmtepompboiler met een halogeenvrij koudemiddel waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van tapwater in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepompboiler met een COP ≥ 2,8 gemeten conform NEN-EN 16147:2017, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.

    • 1.2.F. Luchtdicht luchtverdeelsysteem voor het transporteren van toe- of afvoerlucht in een bedrijfsgebouw, en bestaande uit: luchtkanalen in combinatie met luchtklep of geluiddemper of luchtkanaalnaverwarmer of -nakoeler of luchtvolumeregelaar of aansluitkast van een ventilatierooster, gemonteerd in het luchtkanaal van een ventilatiesysteem, waarbij het ventilatiesysteem minimaal voldoet aan luchtdichtheidsklasse (LUKA) C gemeten conform NEN-EN 1751:2014, NEN-EN 12237:2003 en NEN-EN 1507:2006 of maximaal ATC 3 gemeten conform NEN-EN 16798-3:2017. Het maximum investeringsbedrag, dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt € 10 per m2 gebruiksoppervlak. Een ventilatorconvector of fancoilunit wordt niet gerekend tot de hiervoor genoemde luchtdichte componenten.

    • 1.2.G. Hoogrendement luchtverwarmer voor het verwarmen van ruimten in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: direct gasgestookte luchtverwarmer, al dan niet voorzien van een tussenmedium, samengebouwd tot één geheel, beoordeeld conform NEN-EN 17082:2019 met een rendement van minimaal 90% op de bovenwaarde van de toegepaste gas(soort), verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) luchttoevoersysteem, (eventueel) voor ruimten met een gemiddelde hoogte van meer dan 4 meter een inducerend uitblaassysteem op de luchtverwarmer met nozzles of verstelbare inducerende schoepen of een individueel thermostatisch geregelde steunventilator in een omkasting aan het plafond gemonteerd die verticaal naar beneden blaast met nozzles of verstelbare inducerende schoepen.

    • 1.2.H. Direct gasgestookt stralingspaneel voor het verwarmen van gesloten binnenruimten in bedrijfsgebouwen met een gemiddelde hoogte van meer dan 4 meter, niet zijnde tuinbouwkassen, en bestaande uit:

      • a. direct gasgestookte donkerstraler met een verbrandingsrendement groter of gelijk aan 86% gemeten conform NEN-EN 416-2:2019 of NEN-EN 17175:2019, verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) warmtewisselaar in de rookgasafvoer, (eventueel) luchttoevoersysteem; of

      • b. direct gasgestookte hogetemperatuurstraler, verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) warmtewisselaar in de rookgasafvoer, (eventueel) luchttoevoersysteem.

    • 1.2.I. HR-pomp voor klimaatinstallaties in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit:

      • a. stand-alone natloper-circulatiepomp tot 2.500 Watt, met een geïntegreerde toerenregeling, met een EEI < 0,23 gemeten conform de methode zoals weergegeven in bijlage II van de Verordening (EG) Nr. 641/2009 van de Commissie van 22 juli 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees parlement en de Raad betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp voor stand-alone natloper-circulatiepompen en in producten ingebouwde natloper-circulatiepompen; of

      • b. stand-alone inline droogloper circulatiepomp voorzien van een elektromotor als bedoeld in onderdeel 1.2.N.

    • 1.2.J.

      • 1. Warmtepomp met een halogeenvrij koudemiddel voor het verwarmen van bedrijfsgebouwen of het collectief verwarmen van woningen, en bestaande uit:

        • a. elektrisch gedreven warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel, waarbij een temperatuurtoename (dT) tussen brontemperatuur (intrede temperatuur verdamper) en afgiftetemperatuur (uittrede temperatuur condensor), de volgende COP-eis geldt:

          • COP ≥ 4,0 bij dT tot +40°C;

          • COP ≥ 3,5 bij dT van +40°C tot +50°C;

          • COP ≥ 3,0 bij dT ≥+50°C, (eventueel) systeem voor het onttrekken van warmte, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet,(eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) restwarmteopslagvat; of

        • b. ab- of adsorptiewarmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel, waarbij de regenerator wordt aangedreven door afvalwarmte of duurzame warmte, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting, (eventueel) verwarmingsnet, (eventueel) restwarmteopslagvat.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • het maximumbedrag dat voor de aansluiting op het verwarmingsnet en het verwarmingsnet zelf voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, € 400 per geïnstalleerde kWth van het thermisch vermogen van de warmtepomp bedraagt;

        • onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker;

        • hier onder duurzame warmte wordt verstaan: warmte afkomstig van investeringen als bedoeld in onderdeel D;

        • onder afvalwarmte wordt verstaan: warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend.

    • 1.2.K.

      • 1. Warmtekrachtinstallatie voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch vermogen tot 300 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 67% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • een warmtekrachtinstallatie met een nieuw opgesteld nominaal elektrisch vermogen groter dan of gelijk aan 300 MWe niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek;

        • onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan: de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit;

        • voor het bepalen van het nieuw opgesteld nominaal elektrisch vermogen van een warmtekrachtinstallatie het samenstel van nieuwe voorzieningen dient te worden genomen waarbij onder een samenstel van nieuwe voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige nieuwe middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie van elektriciteit opgewekt door middel van een warmtekrachtinstallatie;

        • onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan: de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof;

        • onder een zuigermotor wordt verstaan: een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking;

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 600 per kW elektrisch vermogen bedraagt;

        • het elektrisch vermogen bepaald is bij het nominaal motorvermogen; en

        • een warmtekrachtinstallatie op basis van een zuigermotor niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek.

    • 1.2.L. Brandstofcel voor het gelijktijdig opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande uit: brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.

    • 1.2.M. Energieprestatieverbetering van bestaande liften bestaande uit een pakket aan energiezuinige maatregelen waardoor een bestaande lift gaat voldoen aan de energieprestatie-eisen van energielabel A van richtlijn VDI 4707 Part 1:2009.

    • 1.2.N. Hoogrendementmotor

      • a. ontworpen voor rechtstreeks aansluiten op het elektriciteitsnet, bestaande uit: elektromotor die voldoet aan de IE4 efficiency-klasse conform NEN-EN-IEC 60034-30-1:2014; of

      • b. ontworpen voor variabel toerental en niet rechtstreeks aansluiten op het elektriciteitsnet, bestaande uit: elektromotor, die voldoet aan de IE4 efficiency klasse conform IEC/TS 60034-30-2:2016, elektronische toerenregeling, (eventueel) geïntegreerde reductor (niet zijnde wormwielreductor).

    • 1.2.O. Adiabatische luchtkoeling door:

      • 1.

        • a. adiabatisch direct werkende luchtkoeler voor het koelen van bedrijfsgebouwen, waarbij de buitenlucht door directe bevochtiging, door middel van directe verneveling of een met water verzadigd pakket, wordt afgekoeld, en bestaande uit: ventilator, bevochtigingsapparatuur, regeling, (eventueel) waterbehandelings-apparatuur, (eventueel) filter;

        • b. adiabatische indirect werkende dauwpuntsluchtkoeler voor het koelen van bedrijfsgebouwen, waarbij ingaande lucht wordt afgekoeld in een scheidingswarmtewisselaar door een tweede luchtstroom die gekoeld is door middel van bevochtiging, en bestaande uit: ventilatoren, warmtewisselaar, bevochtigingsapparatuur, regeling, (eventueel) waterbehandelingsapparatuur, (eventueel) filter.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • luchtkanalen en luchtslangen niet in aanmerking komen; en

        • het maximumbedrag voor meet- en regeltechniek dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 5.000 per luchtkoeler bedraagt.

    • 1.2.P.

      • 1. Verwarmingssysteem voor het verwarmen van bestaande pluimveestallen waarbij warme lucht van boven uit de stal wordt gerecirculeerd, en bestaande uit:

        • a. laaghangende warmtewisselaar met geïntegreerde (toerengeregelde) ventilator en voorzien van een luchtverdeelbak, (eventueel) verticaal aanzuigkanaal, (eventueel) geïntegreerde warmteopwekker, (eventueel) aansluiting op externe warmteopwekker; of

        • b. direct gasgestookte luchtverwarmer met een gesloten rookgasafvoersysteem, circulatieventilator. De luchtcapaciteit van de circulatieventilator(en) dient gezamenlijk ten minste 20 m3/h per m2 staloppervlak te bedragen.

      • 2. Hierbij geldt dat de externe warmteopwekker niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt.

    • 1.2.Q Energiezuinige ventilator in mechanische ventilatie- of luchtcirculatiesystemen, en bestaande uit: een direct aangedreven ventilator, waarvan de efficiëntiegraad (N) minimaal 5 hoger is dan de waarde, die vanaf 1 januari 2015 is vereist op grond van Verordening (EU) nr. 327/2011, sensoren, regeleenheid.

    • 1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

  • 2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

    • 2.1.A. HR-glas voor beglazing in buitengevel-, of dakconstructies voor:

      • a. bestaande bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform NEN-EN 673:2011 voor warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating en/of gasgevulde spouw, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 1,1 W/m2K, (eventueel) kozijn. Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, is € 150 /m2 glas; of

      • b. bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform NEN-EN 673:2011 voor warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating en/of gasgevulde spouw, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 0,7 W/m2K, (eventueel) kozijn. Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, is € 150 /m2 glas.

    • 2.1.B. Isolatie voor bestaande constructies in bedrijfsgebouwen:

      • a. door verbetering van de isolatie van bestaande vloeren, daken, plafonds of wanden van ruimten, anders dan koel- of vriesruimten, en bestaande uit: isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R = Σ (Rm) = Σ (d/λ) toeneemt met ten minste 2,00 m2K/W ten opzichte van de oude situatie. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 20 per m2 te isoleren oppervlak; of

      • b. door verbetering van de isolatie van bestaande platte daken van bedrijfsgebouwen, anders dan koel- of vriesruimten, en bestaande uit: dak-isolatiemateriaal gecombineerd met witte dakbedekking, waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R = Σ(Rm) = Σ(d/λ) toeneemt met ten minste 2,00 m2K/W ten opzichte van de oude situatie. Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, is € 30 /m2 te isoleren oppervlak.

    • 2.1.C. Faseovergangsmaterialen voor het verminderen van het energieverbruik voor het koelen of verwarmen van bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: faseovergangsmaterialen met een gedefinieerd overgangstraject en een capaciteit in het overgangstraject van minimaal 100 kJ/kg. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 10 per kg faseovergangsmateriaal.

    • 2.1.D. Warmtewerende coating voor het verbeteren van de energieprestaties van koel- en vrieshuizen, door toepassen van warmtewerende coating op de buitenschil van koel- vrieshuizen, en bestaande uit: coating met minimale warmtereflectie van 85%, gemeten conform NEN-ISO 22969:2019 (eventueel) primer.

    • 2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen.

    • 2.2.B. Luchtgordijn met sensor gestuurde automatische regeling, ter vervanging van een bestaand luchtgordijn, voor het verminderen van warmteverlies via openstaande deuren, en bestaande uit: luchtgordijn met geïntegreerde sensor, die de automatische regeling voorziet van meetgegevens van de buiten- en binnentemperatuur en de stand van de deur.

  • 3. Warmtehergebruik door:

    • 3.1.A. Warmteterugwinning.

    • 3.1.B.

      • 1. Warmte- of koudeterugwinningssysteem uit ventilatielucht voor het koelen of verwarmen van bedrijfsgebouwen door het benutten van koude of warmte in de afzuiglucht, en bestaande uit: luchtbehandelingskast, met een luchtdebiet van meer dan 1.000 m3 per uur, met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 78% en een maximaal drukverlies van 230 Pa over de warmtewisselaar en een maximale luchtsnelheid van 1,6 m/s in de kast, (eventueel) extra warmtewisselaar voor luchtontvochtiging, waarbij de te drogen lucht eerst wordt afgekoeld in een warmtewisselaar en vervolgens nagekoeld in een verdamper (eventueel) gesloten adsorptie koelcircuit waarbij de benodigde warmte afkomstig is van afvalwarmte of duurzame warmte.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • de genoemde technische eisen bepaald dienen te zijn conform NEN-EN 13053:2019;

        • koelmachines, ketels, luchtkanalen inclusief luchtroosters, luchtregelkleppen of luchtbrandkleppen en warmtepompen niet in aanmerking komen;

        • onder afvalwarmte wordt verstaan: warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend;

        • onder duurzame warmte wordt hier verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven onder D; en

        • het maximumbedrag voor meet- en regeltechniek dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 5.000 per warmte- of koudeterugwinningssysteem bedraagt.

    • 3.1.C.

      • 1. Warmte- of koudeterugwinningssysteem uit ventilatielucht bij grootkeukens voor het koelen of verwarmen van grootkeukens door het benutten van koude of warmte in de afzuiglucht, en bestaande uit: luchtbehandelingskast met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 78% en een maximaal drukverlies van 230 Pa over de warmtewisselaar en een maximale luchtsnelheid van 1,6 m/s in de kast, (eventueel) warmtewisselaar voor naverwarming of nakoeling, (eventueel) bevochtigingsapparatuur voor adiabatische koeling, (eventueel) waterbehandelingsapparatuur, (eventueel) gesloten adsorptie koelcircuit waarbij de benodigde warmte afkomstig is van afvalwarmte of duurzame warmte, (eventueel) systeem voor het ontvetten/reinigen van de afzuiglucht.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • de genoemde technische eisen bepaald dienen te zijn conform NEN-EN 13053:2019;

        • koelmachines, ketels, en luchtkanalen inclusief luchtroosters, luchtregelkleppen of luchtbrandkleppen en warmtepompen niet in aanmerking komen;

        • onder afvalwarmte wordt verstaan: warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend;

        • onder duurzame warmte wordt hier verstaan: warmte afkomstig van investeringen als bedoeld in onderdeel D; en

        • het maximumbedrag voor meet- en regeltechniek dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 5.000 per warmte- of koudeterugwinningssysteem bedraagt.

    • 3.1.D. Koude- of warmteterugwinningssysteem uit ventilatielucht voor het koelen of verwarmen van veestallen door het benutten van koude of warmte in de afzuiglucht, en bestaande uit: luchtbehandelingskast met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 78% gemeten conform NEN-EN 13053:2019.

    • 3.1.E. Warmte- of koudeterugwinningssysteem uit ventilatielucht voor het koelen of verwarmen van bedrijfsgebouwen door het benutten van koude of warmte in de afzuiglucht, en bestaande uit: luchtbehandelingskast, met een luchtdebiet tot en met 1.000 m3 per uur, met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 80%. De luchtkanalen inclusief luchtroosters, luchtregelkleppen en luchtbrandkleppen komen niet in aanmerking. De genoemde technische eisen dienen bepaald te zijn conform NEN 5138:2004.

    • 3.2.A.

      • 1. Systeem voor benutting van afvalwarmte voor het verwarmen van gebouwen, en bestaande uit: afvalwarmtetransportleiding, (eventueel) warmtewisselaar bij de afvalwarmtebron, (eventueel) warmtedistributienet, (eventueel) warmtewisselaar tussen warmtedistributienet en verwarmingsnet.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • verwarmingsnetten niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen;

        • het systeem voor benutting van afvalwarmte voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik dient te maken van afvalwarmte of voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik te maken van afvalwarmte gecombineerd met duurzame warmte;

        • onder een warmtetransportleiding wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindverbruikers;

        • onder een warmtedistributienet wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de eindverbruikers;

        • onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker;

        • onder afvalwarmte wordt verstaan: warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend; en

        • •. onder duurzame warmte wordt hier verstaan: warmte afkomstig van investeringen als bedoeld in onderdeel D.

  • 4. Efficiënte verlichting door:

    • 4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

    • 4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

    • 4.2.B.

      • 1. Besparingssysteem voor verlichting in of bij bestaande bedrijfsgebouwen voor het verminderen van het energiegebruik door het toepassen van een regelinstallatie voor het schakelen, afhankelijk van de daglichtintensiteit of automatische aan- of afwezigheidsdetectie, en bestaande uit:

        • a. Externe licht- of bewegingssensoren (niet in een verlichtingsarmatuur geïntegreerd), schakel- of regeleenheid, (eventueel) dimregeling; of

        • b. Lichtbesturingscomponenten geïntegreerd in een verlichtingsarmatuur met (draadloze) communicatie voor het besturen van de LED-driver en (draadloze) licht- en bewegingssensoren, (eventueel) koppeling naar gebouwbeheersysteem.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 150 per externe licht- of bewegingssensor bedraagt;

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 50 per in een verlichtingsarmatuur geïntegreerd lichtbesturingscomponent bedraagt.

    • 4.2.C.

      • 1. LED-verlichtingssysteem voor verlichting in of bij bestaande bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: LED-verlichtingsarmaturen met een geïntegreerde, niet uitwisselbare LED-lichtbron, die voldoen aan de levensduurcriteria L90B50 of hoger

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • de opgegeven criteria gelden bij 50.000 uur en tq=25 °C en gemeten dienen te zijn conform LM-80 protocol, TM21 en NEN-EN-IEC 62722-2-1: 2016 of gelijkwaardige normen/protocollen;

        • metingen op grond van LM-80-08, TM21 en NEN-EN-IEC 62722-2-1:2016 of gelijkwaardige protocollen, verricht dienen te worden door geaccrediteerde instellingen, waarbij elektrische- en fotometrische metingen specifiek in de accreditatie-scope van betreffende instelling dienen te zijn opgenomen;

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 1.000 per armatuur( ≥L90) bedraagt; en

        • uitwisselbare LED-lichtbronnen, zoals LED-buizen, uitgesloten zijn van energie-investeringsaftrek.

    • 4.2.D. LED-belichtingssysteem voor podium- of theaterbelichting, en bestaande uit: Spot- en/of floodlightarmaturen, (DMX) driver. De Power Factor van het belichtingssysteem moet ten minste 0,90 bedragen.

    • 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

  • 5.

    • 1. Energieprestatieverbetering van bestaande bedrijfsgebouwen, bepaald volgens een energie-indexberekening, zoals vastgelegd in ISSO 75.1 methode 2014 (Handleiding Energieprestatie Advies Utiliteitsgebouwen, Energielabel + Algemeen deel), bestaande uit een pakket van energie-investeringen gebaseerd op een maatwerkadvies, zoals vastgelegd in ISSO 75.2 methode 2014 versie 2018 (Energieprestatie Advies Utiliteitsgebouwen, maatwerkadvies). De energieprestatie van het bedrijfsgebouw moet door het pakket van energie-investeringen voldoen aan minimaal label B en met minimaal drie labels zijn verbeterd.

    • 2. Hierbij geldt dat:

      • voor investeringen die deel uitmaken van het pakket van energie-investeringen die ook zijn omschreven in hoofdstuk D. Duurzame energie alle eisen die aan deze bedrijfsmiddelen worden gesteld eveneens van toepassing zijn;

      • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 85 per m2 gebruiksoppervlakte per labelsprong bedraagt. De labelverbetering moet zijn bepaald conform de basismethodiek, zoals vastgelegd in ISSO 75.2 methode 2014, versie 2018;

      • de bijdrage van een maatregel aan de labelverbetering niet wordt meegerekend in de energieprestatieverbetering van het bedrijfsgebouw wanneer deze maatregel niet als onderdeel van het pakket van energie-investeringen wordt gemeld voor energie-investeringsaftrek;

      • bij een functieverandering van een gebouw het maatwerkadvies dient te worden opgesteld op basis van de nieuwe functie van het gebouw zowel in de oude als nieuwe situatie;

      • een investering in een maatregel die onder deze code wordt gemeld niet ook kan worden gemeld onder een andere omschrijving; en

      • het maatwerkadvies opgesteld dient te zijn voordat is geïnvesteerd in de maatregelen genoemd in het maatwerkadvies en voordat het pakket van energie-investeringen voor energie-investeringsaftrek wordt gemeld.

B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij processen

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij processen door:

  • 1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:

    • 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

    • 1.1.B. Intelligent lokaal warmtedistributiesysteem waarmee vraag en aanbod van diverse gebruikers en producenten op elkaar kunnen worden afgestemd, en bestaande uit: meet- en regelsysteem in combinatie met software voor de real-time koppeling tussen producenten en gebruikers binnen het energienetwerk.

    • 1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

    • 1.2.B. Pulsed electric field installatie voor:

      • a. conservering (pasteurisatie) van vloeibare levensmiddelen door toepassing van pulsed electric field (PEF) technologie; of

      • b. geschikt maken van knol- en wortelgewassen voor verdere verwerking door het perforeren van de celwand middels PEF-technologie, en bestaande uit: PEF-generator, PEF-behandelkamer, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de elektriciteitsaansluiting.

    • 1.2.C. Hoogrendementmotor:

      • a. ontworpen voor rechtstreeks aansluiten op het elektriciteitsnet, bestaande uit: elektromotor die voldoet aan de IE4 efficiency-klasse conform NEN-EN-IEC 60034-30-1:2014; of

      • b. ontworpen voor variabel toerental en niet rechtstreeks aansluiten op het elektriciteitsnet, bestaande uit: elektromotor, die voldoet aan de IE4 efficiency klasse conform IEC/TS 60034-30-2:2016, elektronische toerenregeling, (eventueel) geïntegreerde reductor (niet zijnde wormwielreductor).

    • 1.2.D.

      • 1. Warmtepomp waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor processen, en bestaande uit:

        • a. elektrisch gedreven warmtepomp waarbij, bij een temperatuurlift (dT) tussen brontemperatuur (intrede temperatuur verdamper) en afgiftetemperatuur (uittrede temperatuur condensor), de volgende COP-eis geldt:

          • COP ≥ 4,0 bij dT tot +40°C

          • COP ≥ 3,5 bij dT van +40°C tot +50°C

          • COP ≥ 3,0 bij dT van +50°C tot +60°C

          • COP ≥ 2,5 bij dT van +60°C tot +70°C

          • COP ≥ 2,3 bij dT ≥+70°C,

          (eventueel) systeem voor het onttrekken van warmte, (eventueel) systeem voor het toevoegen van warmte aan een proces, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

          (eventueel) systeem voor het onttrekken van warmte, (eventueel) systeem voor het toevoegen van warmte aan een proces (eventueel) restwarmteopslagvat; of

        • b. ab- of adsorptiewarmtepomp waarbij de regenerator wordt aangedreven door afvalwarmte of duurzame warmte, (eventueel) systeem voor het onttrekken van warmte, (eventueel) systeem voor het toevoegen van warmte aan een proces, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • hier onder duurzame warmte wordt verstaan: warmte afkomstig van investeringen als bedoeld in onderdeel D; en

        • onder afvalwarmte wordt verstaan: warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend.

    • 1.2.E. Gasgestookte hogedrukreiniger voor het reinigen van oppervlakken met warm water onder hoge druk eventueel met gelijktijdige dosering van reinigingsmiddelen, waarvan het rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van de NOx niet meer dan 60 ppm bedraagt en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer dan 160 ppm bedraagt, en bestaande uit: gasgestookte hogedrukreiniger, (eventueel) standaard spuitlans, (eventueel) standaard hoge-drukslang.

      De jaar-emissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoichiometrische verbranding.

    • 1.2.F.

      • 1. Decentraal koelsysteem (hydroloop) met een totaal koelvermogen van maximaal 50 kW voor het koelen van producten in meubels en/of cellen tot maximaal + 16 oC, en bestaande uit: stekkerklare koelmeubels en/of gekoelde cellen, die onderling zijn verbonden met een glycolnet en drycooler en waarbij:

        • de aangesloten meubels en/of condensoreenheden:

          • a. werken met een halogeenvrij koudemiddel;

          • b. zijn voorzien van ten minste één frequentiegeregelde of elektronisch toerengeregelde compressor;

          • c. beschikken over een elektronische expansieregeling;

        • de drycooler is ontworpen:

          • a. op maximaal 14 K temperatuurverschil tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur;

          • b. op maximaal 4 K temperatuurverschil tussen waterintrede- en wateruittredetemperatuur;

          • c. met een specifiek opgenomen vermogen van de drycooler van maximaal 21 W per kW drycoolervermogen;

        • het systeem een weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot +13 oC buitenluchttemperatuur bevat.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • het specifiek opgenomen vermogen van de drycooler de som van het totaal opgenomen vermogen van de ventilatoren en pompen, gedeeld door het drycoolervermogen bij een temperatuurverschil van maximaal 14 K tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur, is;

        • de omgevingstemperatuur een drogeboltemperatuur van +30 oC met een relatieve vochtigheid van 50% is;

        • het maximale temperatuurverschil van 14 K tussen condensatie- en omgevingstemperatuur geldt voor een buitenluchttemperatuur van +13 oC en hoger;

        • een koel- en/of of vriesinstallatie waarbij in het samenstel van voorzieningen een halogeenhoudend koudemiddel wordt toegepast, niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek. Onder samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen.

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, € 3.500 per geïnstalleerde kW van het koel- en vriesvermogen van het decentraal koelsysteem bedraagt; en

        • het totale koelvermogen de som van alle afzonderlijke koelvermogens van de aangesloten meubels en/of condensoreenheden is. Dit koelvermogen is bepaald bij een condensatietemperatuur van +44 oC, en een verdampingstemperatuur van -10 oC (voor koeltoepassingen) of een verdampingstemperatuur van -35 oC (voor vriestoepassingen).

    • 1.2.G.

      • 1. Energiezuinige Uninterruptable Power Supply (UPS) voor het gedurende beperkte tijd leveren van elektriciteit bij elektriciteitsuitval, en bestaande uit 3 fasen statische UPS. Het rendement van de UPS moet minimaal bedragen:

        • bij vermogens kleiner dan of gelijk aan 40 kVA: 95,0%,

        • bij vermogens groter dan 40 kVA en kleiner dan of gelijk aan 200 kVA: 95,5%,

        • bij vermogens groter dan 200 kVA: 96,0%.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • bij 3 fasen statische UPS noodstroomopwekking en batterijen niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen;

        • het rendement moet zijn gemeten conform NEN-EN-IEC 62040-3:2011, in bedrijfsmodus en bij 50% belasting van de UPS; en

        • indien een UPS meerdere modi heeft, alle modi dan aan bovengenoemde rendementseis moeten voldoen.

    • 1.2.H.

      • 1. Transportleiding voor levering van gasvormig koolstofdioxide (CO2) aan glastuinbouwbedrijven voor het bemesten van gewassen in tuinbouwkassen, en bestaande uit: pijpleiding tussen de externe bron en het glastuinbouwbedrijf, (eventueel) CO2-reinigingsapparatuur, (eventueel) CO2 compressor/ventilator ten behoeve van CO2-transport naar het glastuinbouwbedrijf.

      • 2. Hierbij geldt dat distributiesystemen voor CO2 in de kas, CO2 afvang, CO2 opslag in de bodem en CO2 compressoren ten behoeve van opslag van CO2 in de bodem niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.

    • 1.2.I. Energiezuinige ventilator in mechanische ventilatie- of luchtcirculatiesystemen, en bestaande uit: een direct aangedreven ventilator, waarvan de efficiëntiegraad (N) minimaal 5 hoger is dan de waarde, die vanaf 1 januari 2015 is vereist op grond van Verordening (EU) nr. 327/2011, sensoren, regeleenheid.

    • 1.2.J.

      • 1. Energiezuinige subkritische koel- en/of vriesinstallatie voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 16°C, en bestaande uit:

        • a. ten minste één frequentiegeregelde of elektronisch toerengeregelde compressor;

        • b. een luchtgekoelde, watergekoelde of verdampingscondensor, ontworpen op maximaal 10 K temperatuurverschil tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur, met een specifiek opgenomen vermogen van de condensor van maximaal 21 W per kW condensorvermogen;

        • c. een weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot + 13°C buitenluchttemperatuur;

        • d. een elektronische expansieregeling (bij een direct expansiesysteem);

        • e. verdamper;

        • f. (eventueel) het koudenet met CO2 als koudedrager; en

        • g. (eventueel) adiabatische voorkoelblokken (pads) bij een luchtgekoelde condensor.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • koeltunnels niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen;

        • het specifiek opgenomen vermogen van de condensor de som is van het totaal opgenomen vermogen van de ventilatoren en/of pompen, gedeeld door het condensorvermogen bij een temperatuurverschil van 10 K tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur;

        • een koel- en/of vriesinstallatie op basis van een halogeenvrij koudemiddel voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt;

        • een koel- en/of vriesinstallatie waarbij in het samenstel van voorzieningen een halogeenhoudend koudemiddel wordt toegepast, niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek. Onder samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen;

        • de omgevingstemperatuur bij de luchtgekoelde condensor een drogeboltemperatuur van + 30°C met een relatieve vochtigheid van 50% is, bij de verdampingscondensor dat een natteboltemperatuur van + 22°C is. Indien niet met de buitenlucht wordt gekoeld is de omgevingstemperatuur de (oppervlakte)-wateraanvoertemperatuur;

        • het maximale temperatuurverschil van 10 K tussen condensatie- en omgevingstemperatuur geldt voor een buitenluchttemperatuur van + 13°C en hoger; en

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, € 1.500 per geïnstalleerde kW van het koel- of vriesvermogen van de compressoren bij de in deze omschrijving genoemde condities, bedraagt.

    • 1.2.K. Energiezuinige professionele koel- of vrieskast met een maximale netto inhoud van 1.500 liter voor:

      • a. het koelen van producten in de temperatuurklasse M1 (+5°C / -1°C) met een Energy Efficiency Index (EEI) kleiner dan 35, gemeten conform Verordening (EU) 2015/1095 van de Commissie van 5 mei 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor professionele koelbewaarkasten, snelkoelers/-vriezers, condensoreenheden en proces-chillers betreft, in klimaatklasse 4 (30°C, 55% RV), en bestaande uit: koelkast of gekoelde werkbank, werkend op een halogeenvrij koudemiddel, voorzien van geforceerde ventilatie in de kast en een afzonderlijk geplaatste, niet in de wanden ingebouwde verdamper; of

      • b. het vriezen van producten in de temperatuurklasse L1 (-15°C / -18°C) met een Energy Efficiency Index (EEI) kleiner dan 50, gemeten conform Verordening (EU) 2015/1095 van de Commissie van 5 mei 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor professionele koelbewaarkasten, snelkoelers/-vriezers, condensoreenheden en proces-chillers betreft in klimaatklasse 4 (30°C, 55% RV), en bestaande uit: vrieskast, werkend op een halogeenvrij koudemiddel, voorzien van een afzonderlijk geplaatste, niet in de wanden ingebouwde verdamper.

    • 1.2.L.

      • 1. Energiezuinige koel- of vriescondensoreenheid voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 16°C, en bestaande uit:

        • a. condensoreenheid voor koeltoepassingen met:

          • een koelvermogen groter dan 5 kW en kleiner of gelijk aan 50 kW;

          • een SEPR van tenminste 2,90;

          • een natuurlijk koudemiddel;

          • verdamper, exclusief koel- en/of vriescellen; en

          • (eventueel) de aangesloten koelmeubelen, of

        • b. condensoreenheid voor vriestoepassingen met:

          • een koelvermogen groter dan 2 kW en kleiner of gelijk aan 20 kW;

          • een SEPR van tenminste 1,80;

          • een natuurlijk koudemiddel;

          • verdamper, exclusief koel- en/of vriescellen; en

          • (eventueel) de aangesloten vriesmeubelen.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • het maximum investeringsbedrag voor de aangesloten koel- en/of vriesmeubelen, dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, € 1.000 per geïnstalleerde kW van het koelvermogen van de condensoreenheid bedraagt;

        • condensoreenheden bestemd voor koel- en vriestoepassingen, moeten voldoen aan de eisen gesteld bij koeltoepassingen; en

        • de bepaling van het koelvermogen en de SEPR (seizoensenergieprestatieverhouding) voor condensoreenheden is vastgelegd in Richtlijn 2009/125/EG van het Europese parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten en in Verordening (EU) 2015/1095 van de Commissie van 5 mei 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor professionele koelbewaarkasten, snelkoelers/-vriezers, condensoreenheden en proces-chillers betreft.

    • 1.2.M.

      • 1. Warmtekrachtinstallatie voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch vermogen tot 300 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 67% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • een warmtekrachtinstallatie met een nieuw opgesteld nominaal elektrisch vermogen groter dan of gelijk aan 300 MWe niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek;

        • onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan: de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit;

        • voor het bepalen van het nieuw opgesteld nominaal elektrisch vermogen van een warmtekrachtinstallatie het samenstel van nieuwe voorzieningen dient te worden genomen waarbij onder een samenstel van nieuwe voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige nieuwe middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie van elektriciteit opgewekt door middel van een warmtekrachtinstallatie;

        • onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan: de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en twee derde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof; en

        • onder een zuigermotor wordt verstaan: een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking;

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 600 per kW elektrisch vermogen bedraagt;

        • het elektrisch vermogen bepaald is bij het nominaal motorvermogen; en

        • een warmtekrachtinstallatie op basis van een zuigermotor niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek.

    • 1.2.N. Brandstofcel voor het gelijktijdig opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande uit: brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.

    • 1.2.O. Toerengeregelde vacuümpomp voor de vacuüm voorziening van een melkwinningsinstallatie, en bestaande uit: vacuümpomp met toerenregeling.

    • 1.2.P.

      • 1. Hoogfrequent hoogrendementslader voor het laden van lood-zuur tractiebatterijen, en bestaande uit: hoogfrequent hoogrendement laadunit die de tractiebatterijen laadt met een efficiency totaalscore groter dan 24 gemeten conform het meetprotocol KEMA 74100151-CES/NET 12-3187.

      • 2. Hierbij geldt dat de tractiebatterijen niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.

    • 1.2.Q. Energie-efficiënte melkkoeling voor het koelen van melk en terugwinnen van warmte uit melk waarbij de onttrokken warmte wordt benut, en bestaande uit warmtewisselaar die is gemonteerd in de leiding tussen de melkmachine en de melkkoeltank (melkvoorkoeler), warmtewisselaar tussen de compressor en condensor van de koelmachine, (eventueel) frequentieregelaar op de melkpomp, (eventueel) buffervat, (eventueel) elektrische boiler die gevoed wordt met het voorverwarmde water.

    • 1.2.R.

      • 1. Transkritische koel- en/of vriesinstallatie voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 16°C met CO2 als koudemiddel, en bestaande uit:

        • ten minste één frequentiegeregelde of elektronisch toerengeregelde compressor;

        • een lucht- of watergekoelde gaskoeler, ontworpen op maximaal 2 K temperatuurverschil tussen gaskoeleruittredetemperatuur en omgevingstemperatuur bij een persdruk van 84 bar(a), met een specifiek opgenomen vermogen van de gaskoeler van maximaal 14 W per kW gaskoelervermogen;

        • een weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot +13°C buitenluchttemperatuur;

        • een elektronische expansieregeling;

        • verdamper;

        • (eventueel) de aangesloten koel- en/of vriesmeubelen; en

        • (eventueel) adiabatische voorkoelblokken (pads) bij een luchtgekoelde gaskoeler.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • koel- en of vriestunnels en koel- en/of vriescellen niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen;

        • de omgevingstemperatuur bij de luchtgekoelde gaskoeler een drogeboltemperatuur van +32°C is, en bij de watergekoelde gaskoeler de wateraanvoertemperatuur is;

        • het specifiek opgenomen vermogen van de gaskoeler de som van het totaal opgenomen vermogen van de ventilatoren en/of pompen, gedeeld door het gaskoelervermogen bij een temperatuurverschil van 2 K tussen gaskoeleruittredetemperatuur en omgevingstemperatuur, is;

        • het maximum investeringsbedrag, dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, € 2.500 per geïnstalleerde kW van het koelvermogen van de koelcompressoren bij de in deze omschrijving genoemde condities bedraagt; en

        • installatiedelen, die het koudemiddel CO2 niet bevatten, niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.

    • 1.2.S.

      • 1. Energiezuinige rackkoeling voor het koelen van in racks opgestelde ICT-apparatuur, en bestaande uit: rackkoeling door middel van een geïntegreerd direct expansiesysteem (DX systeem). Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt € 15.000 per bouwkundige ruimte.

      • 2. Hierbij geldt dat toepassingen in datacenters niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.

    • 1.2.T.

      • 1. Rack- of rijkoeling in serverruimten met een vloeroppervlakte tot en met 100 m2 met gescheiden warme en koude luchtstromen, en bestaande uit:

        • a. watergekoeld airconditioning systeem met vrije koeling, (eventueel) adiabatische koeling; of

        • b. centrale koudwatermachine (chiller) met (externe) droge koeler voor vrije koeling, warmtewisselaar voor de serverruimte, (eventueel) adiabatische koeling.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • onder een serverruimte wordt verstaan: een ruimte met als primaire functie het huisvesten en kunnen laten functioneren van ICT apparatuur, in een gebouw of verdieping met een andere primaire functie; en

        • het maximumbedrag dat voor energie-Investeringsaftrek in aanmerking komt, € 750 per m2 vloeroppervlak van de serverruimte is.

    • 1.2.U. Energiezuinige krattendroger voor het drogen van gewassen kunststof kratten voor voedingsmiddelen, en bestaande uit: krattendroogmachine waarin het vocht wordt verwijderd middels centrifugaal kracht. Het restvochtgehalte dient na droging minder dan 5 gram per krat te zijn.

    • 1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

  • 2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

    • 2.1.A. Thermische isolering.

    • 2.1.B. Energieschermen voor:

      • a. het verminderen van het warmteverlies in tuinbouwkassen, door het aanbrengen van horizontaal beweegbare energieschermen aan de binnenzijde van de lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor tenminste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2 en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 10%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen (eventueel) scherm(kier)regeling, (eventueel) meetbox boven het energiescherm, (eventueel) nokcompartimentering. Voor energie-investeringsaftrek komt in aanmerking het tweede energiescherm van de boven elkaar gelegen, horizontaal, door een luchtspouw gescheiden, beweegbare schermen;

      • b. het verminderen van het warmteverlies in tuinbouwkassen door het aanbrengen van beweegbare gevelschermen aan de binnenzijde van de lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor ten minste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2 en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 10%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen; of

      • c. het weren van een teveel aan zoninstraling en het verminderen van het warmteverlies uit tuinbouwkassen door het aanbrengen van beweegbare schermen aan de buitenzijde, boven de lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor ten minste 50% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 10 mm2en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 15%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) afdichtingsvoorzieningen.

    • 2.1.C. Isolatie van gevels van bestaande tuinbouwkassen, en bestaande uit: isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R = Σ(Rm) = Σ(d/λ) toeneemt met ten minste 2,00 m2K/W ten opzichte van de oude situatie. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 20 per m2 te isoleren oppervlak.

    • 2.1.D. Faseovergangsmateriaal voor het verminderen van het energiegebruik voor het koelen of verwarmen van ruimten of processen, en bestaande uit: faseovergangsmateriaal met een gedefinieerd overgangstraject en een capaciteit in het overgangstraject van minimaal 100 kJ/kg. Het maximale investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 10 per kg faseovergangsmateriaal.

  • 3. Warmtehergebruik door:

    • 3.1.A. Warmteterugwinning.

    • 3.1.B. Systeem voor het koelen en verwarmen van (semi-)gesloten kassen door het afwisselend onttrekken en toevoeren van warmte, waarbij de overtollige warmte tijdelijk wordt opgeslagen om op momenten van warmtebehoefte weer ingezet te worden, en bestaande uit: warmtewisselaar(s) met geïntegreerde ventilator, pomp, (eventueel) dagbuffer, (eventueel) verdeler, (eventueel) warmtepomp als bedoeld in onderdeel B, onder 1.2.D, (eventueel) aquifer als bedoeld in onderdeel D, onder 4.1.B.

    • 3.1.C. Energiezuinige (vaat)spoel- of (vaat)wasmachine voor spoelen of wassen, en bestaande uit: (vaat)spoel- of (vaat)wasmachine met geïntegreerde warmteterugwinning. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 5.000 per wastank.

    • 3.1.D. Energiebesparing in repeterende batchprocessen door het tijdelijk opslaan van warmte of koude die gewonnen wordt bij respectievelijk het afkoelen en opwarmen van repeterende batchprocessen, waarbij niet meer dan 7.000 batches per jaar worden geproduceerd, en bestaande uit: buffervat voor opslag van warmte of koude met leidingwerk en pompen, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) regelsysteem.

    • 3.2.A.

      • 1. Systeem voor benutting van afvalwarmte voor het verwarmen van processen, en bestaande uit: afvalwarmtetransportleiding, (eventueel) warmtewisselaar bij de afvalwarmtebron, (eventueel) warmtedistributienet, (eventueel) warmtewisselaar tussen warmtedistributienet en verwarmingsnet.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • verwarmingsnetten niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen;

        • het systeem voor benutting van afvalwarmte voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik dient te maken van afvalwarmte of voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik te maken van afvalwarmte gecombineerd met duurzame warmte;

        • onder een warmtetransportleiding wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers;

        • onder een warmtedistributienet wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de eindgebruikers;

        • hier onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte voor het proces;

        • onder afvalwarmte wordt verstaan: warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend; en

        • hier onder duurzame warmte wordt verstaan: warmte afkomstig van investeringen als bedoeld in onderdeel D.

  • 4. Efficiënte verlichting door:

    • 4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

    • 4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

    • 4.2.B.

      • 1. Belichtingssysteem voor het belichten van tuinbouwgewassen in tuinbouwkassen of daglichtdichte ruimten, en bestaande uit:

        • a. Belichtingsarmatuur inclusief lichtbron met een specifieke lichtstroom van ten minste 2,20 micromol fotonen per seconde per Watt; of

        • b. LED-lichtbron met E27 fitting als alternatief voor gloeilampen, met een specifieke lichtstroom van ten minste 1,80 micromol fotonen per seconde per Watt.

      • 2. 2.Hierbij geldt dat:

        • de specifieke lichtstroom gemeten dient te zijn conform LM-79-08 of gelijkwaardige protocollen;

        • hier onder de specifieke lichtstroom wordt verstaan: de verhouding tussen de lichtstroom van het belichtingssysteem (in micromol fotonen per seconde) en het daartoe opgenomen elektrische vermogen (in Watt); en

        • metingen op grond van LM-79-08 of gelijkwaardige protocollen verricht dienen te worden door geaccrediteerde instellingen, waarbij elektrische- en fotometrische metingen specifiek in de accreditatie-scope van de betreffende instelling dient te zijn opgenomen.

    • 4.2.C. UV-A LED-drooginstallatie voor het drogen van UV-drogende lakken, coatings en vulmiddelen, en bestaande uit: frame met UV-A LED-lichtbronnen, LED-driver.

    • 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

C. Investeringen in of aan transportmiddelen ten behoeve van energiebesparing

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of aan transportmiddelen. Onder transportmiddelen wordt verstaan: voertuigen voor het vervoer over de weg, voertuigen voor intern transport, vaartuigen en railgebonden voertuigen. Deze voorzieningen moeten er toe leiden dat het transportmiddel zelf energie-efficiënter wordt. Technische voorzieningen die het transportmiddel zelf niet energie-efficiënter maken, maar indirect energie besparen zijn uitgesloten voor energie-investeringsaftrek.

De energiebesparing moet gebaseerd zijn op dezelfde rij- of vaarroute, waarbij wordt uitgegaan van dezelfde goederen en van een maximale belading.

Op een transportmiddel geplaatste bedrijfsmiddelen, die worden ingezet voor productiewerkzaamheden, moeten voldoen aan de vereisten genoemd in artikel 1, onderdeel B, voor investeringen ten behoeve van processen.

  • 1. Verbetering van de energie-efficiëntie door:

    • 1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

    • 1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

    • 1.2.B. Energiezuinige scheepsmotor voor:

      • a. de hoofdvoortstuwing van een bestaand vaartuig voor de binnenvaart, met een nominaal motorvermogen van tenminste 250 kW, en bestaande uit: scheepsdieselmotor, waarvan het brandstofverbruik minder bedraagt dan 195 g/kWh, gemeten conform norm NEN-ISO 3046-1:2002, waarbij gerekend wordt met de in deze norm omschreven maximaal toegestane tolerantie van 5%.

        Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt is € 125/kW nominaal vermogen;

      • b. de voortstuwing van een bestaand vaartuig voor de binnenvaart, met een nominaal motorvermogen van tenminste 250 kW, waarbij meerdere scheepsdieselmotoren op één schroefas zijn gekoppeld en waarbij afhankelijk van het gevraagde vermogen één of meer scheepsdieselmotoren uitgeschakeld kunnen worden, en bestaande uit:

        scheepsdieselmotoren waarvan het brandstofverbruik per scheepsdieselmotor minder bedraagt dan 195 g/kWh, gemeten conform norm NEN-ISO 3046-1:2002, waarbij gerekend wordt met de in deze norm omschreven maximaal toegestane tolerantie van 5%, koppeling waarbij de kracht van meerdere scheepsdieselmotoren op één schroefas wordt overgebracht. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt is € 175/kW nominaal vermogen; of

      • c. de voortstuwing van een vaartuig, waarbij de motoren in dieselelektrische opstelling als aandrijving worden gebruikt, en bestaande uit: scheepsdieselmotoren waarvan het brandstofverbruik per scheepsdieselmotor minder bedraagt dan 195 g/kWh, gemeten conform NEN-ISO 3046-1:2002, waarbij gerekend wordt met de in deze norm maximaal toegestane tolerantie van 5%, elektromotor op de hoofdas.

    • 1.2.C. Lichtgewicht composieten kipperbak voor het vervoer van bulkgoederen over de weg, en bestaande uit: composieten kipperbak, (eventueel) schaarcilinder, (eventueel) kipframe.

    • 1.2.D. Cryogene transportkoeling voor het koelen van goederen tijdens transport, en bestaande uit:

      • a. cryogene koelinstallatie met CO2 als koelmiddel, opslagtank voor vloeibare CO2; of

      • b. koelsysteem dat gebruik maakt van koude afkomstig van de expansie van LNG.

    • 1.2.E. Hoogrendementmotor

      • a. ontworpen voor rechtstreeks aansluiten op het elektriciteitsnet, bestaande uit: elektromotor die voldoet aan de IE4 efficiency-klasse conform NEN-EN-IEC 60034-30-1:2014; of

      • b. ontworpen voor variabel toerental en niet rechtstreeks aansluiten op het elektriciteitsnet, bestaande uit: elektromotor, die voldoet aan de IE4 efficiency klasse conform IEC/TS 60034-30-2:2016, elektronische toerenregeling, (eventueel) geïntegreerde reductor (niet zijnde wormwielreductor).

    • 1.2.F. Lange en zware vrachtwagen voor transport van goederen over de weg, en bestaande uit:

      • a. dolly; of

      • b. tussenoplegger met koppelschotel.

    • 1.2.G. Brandstofcel in een transportmiddel voor het opwekken van elektriciteit, en bestaande uit: brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.

    • 1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

    • 1.3.B. Hydrodynamische ankerkluizen en ankers voor het verlagen van de vaarweerstand van een vaartuig voor de binnenvaart, en bestaande uit: anker, ankerkluis. Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt € 20.000 per combinatie van ankerkluis en anker. Het betreft een anker dat in ingetrokken toestand het kluisgat volledig afdicht en één geheel vormt met de huid van het schip.

    • 1.3.C.

      • 1. Meesturende en intrekbare achteras voor trekkende voertuigen van een trekker-oplegger combinatie, en bestaande uit: samenstel van achterassen waarvan tenminste één achteras actief meestuurt en één achteras ingetrokken kan worden.

      • 2. Hierbij geldt dat meesturende achterassen en intrekbare achterassen of separaat aangebrachte assen onder vrachtwagens, aanhangers en opleggers niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.

    • 1.3.D.

      • 1. Spudpaal voor het stabiel houden van een bestaand werkschip gedurende de uitvoering van werkzaamheden, en bestaande uit: spudpaal.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 20.000 per spudpaal bedraagt; en

        • spudpalen voor binnenvaartschepen, sleep- en duwboten zijn uitgesloten van energie-investeringsaftrek.

  • 2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

    • 2.1.A. Thermische isolering.

    • 2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverlies.

  • 3. Warmtehergebruik door:

    • 3.1.A. Warmteterugwinning.

  • 4. Efficiënte verlichting door:

    • 4.1.A. Toepassing van automatische meet en regelapparatuur.

    • 4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

    • 4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

D. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie

Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van:

  • 1. Zonne-energie door:

    • 1.1.A. Conversie naar elektriciteit of warmte (met uitzondering van het gebruik van passieve zonne-energie).

    • 1.1.B.

      • 1. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk piekvermogen van meer dan 15 kW, die zijn aangesloten op het elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van 3*80 A of minder, aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) actief zonvolgsysteem, (eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel) accu.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • voor het bepalen van het gezamenlijke piekvermogen van de panelen met fotovoltaïsche zonnecellen het samenstel van voorzieningen dient te worden genomen waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie van elektriciteit opgewekt door middel van panelen met fotovoltaïsche zonnecellen;

        • fotovoltaïsche zonnecellen op landbouwgrond of in natuurgebieden niet in aanmerking komen; en

        • onder landbouwgrond wordt verstaan: landbouwareaal dat valt onder artikel 4, lid 1, onder e, van Verordening 1307/2013. Onder natuurgebied wordt in deze regeling verstaan: gebied dat is aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn, artikel 1.1. van de natuurbeschermingswet; gebied vallend onder de Regeling aanwijzing nationale parken en gebied aangewezen in het Natuurnetwerk Nederland.

    • 1.1.C.

      • 1. Zonnecollectorsysteem voor het verwarmen van water of lucht, en bestaande uit:

        • a. zonnecollector met een totale apertuuroppervlakte van minder dan 200 m2, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) in het vat geïntegreerde naverwarmer, (eventueel) in luchtverwarmer geïntegreerde fotovoltaïsche zonnecellen, (eventueel) ab- of adsorptiekoelmachine die hoofdzakelijk werkt op zonne-energie; of

        • b. onafgedekte zonnecollector met een totale apertuuroppervlakte van ten minste 100 m2, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) in het vat geïntegreerde naverwarmer, (eventueel) ab- of adsorptiekoelmachine die hoofdzakelijk werkt op zonne-energie.

      • 2. Hierbij geldt dat voor het bepalen van de totale apertuuroppervlakte van een zonnecollector het samenstel van nieuwe voorzieningen dient te worden genomen waarbij onder een samenstel van nieuwe voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige nieuwe middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie van warmte opgewekt door middel van een zonnecollector.

    • 1.1.D.

      • 1. Dak- of gevelpanelen met geïntegreerde zonnecollector voor:

        • a. het koelen of verwarmen van water, en bestaande uit: geïsoleerde prefab dak- of gevelpanelen met geïntegreerde zonnecollector, (eventueel) warmteopslagvat;

        • b. het gebruik als warmtebron voor een warmtepomp, en bestaande uit: geïsoleerde prefab dak- of gevelpanelen met geïntegreerde zonnecollector, (eventueel) warmteopslagvat; of

        • c. het laden, regenereren of balanceren van warmte- of koudeopslag in de bodem, en bestaande uit: geïsoleerde prefab dak- of gevelpanelen met geïntegreerde zonnecollector, (eventueel) warmteopslagvat.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • voor de dak- of gevelpanelen met geïntegreerde zonnecollector de warmteweerstandswaarde van de isolatielagen R= ∑(Rm) = ∑ (d/גּ) minimaal 4,50 m2K/W dient te bedragen; en

        • dak- of gevelpanelen met geïntegreerde onafgedekte zonnecollector die op woonhuizen worden aangebracht niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.

    • 1.1.E. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem op transportmiddelen voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen op transportmiddelen, en bestaande uit: panelen of folie met fotovoltaïsche zonnecellen, (eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel) accu.

    • 1.1.F. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen, die niet zijn aangesloten op het elektriciteitsnet, accu, (eventueel) actief zonvolgsysteem, (eventueel) stroom/spanningsomvormer.

    • 1.1.G

      • 1. Netaansluiting voor het leveren van elektriciteit door panelen met fotovoltaïsche zonnecellen, niet zijnde gebouwgebonden panelen, en bestaande uit: aansluiting op het midden- of hoogspanningsnet.

      • 2. Hierbij geldt dat de eenmalige aansluitvergoeding die door de netbeheerder in rekening wordt gebracht niet voorenergie-investeringsaftrek in aanmerking komt.

    • 1.1.H.

      • 1. Accu voor opslag van duurzaam opgewekte elektriciteit, en bestaande uit: accu, (eventueel) stroom/spanningomvormer.

      • 2. Hierbij geldt dat accu's van (interne) transportmiddelen niet in aanmerking komen.

  • 2. Windenergie door:

    • 2.1.A. Windwatermolen voor het op windkracht direct verpompen van water, en bestaande uit: wieken, mast, waterpomp.

  • 3. Energie uit waterkracht door:

    • 3.1.A. Conversie naar elektrische of mechanische energie,

  • 4. Benutten of opslaan van omgevingswarmte door:

    • 4.1.A.

      • 1. Grondwarmtewisselaar voor:

        • a. het koelen of verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen, collectieve systemen voor woningen of processen, met behulp van een warmtewisselaar, die zich in het grondwater bevindt, en bestaande uit: ondergrondse warmtewisselaar, pomp, (eventueel) water-lucht warmtewisselaar in stallen die de warmte of koude rechtstreeks uit de bodem afgeeft, (eventueel) restwarmteopslagvat;

        • b. het verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen, collectieve systemen voor woningen of processen met behulp van een in de wegverharding liggende warmtewisselaar, en bestaande uit: pomp(en), ondergrondse warmtewisselaar of warmtevoerende buizen in de wegverharding, (eventueel) restwarmteopslagvat. De wegverharding komt niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking;

        • c. het voorkoelen of voorverwarmen van buitenlucht voor het gebruik in gebouwen met behulp van ondergrondse buizen als warmtewisselaar, en bestaande uit: luchtgrondbuizen met een diameter van maximaal 40 cm, (eventueel) luchtplenum, (eventueel) automatisch geregelde centrale bypass; of

        • d. het koelen van elektronische inrichtingen en bestaande uit: ondergrondse warmtewisselaar, (eventueel) pomp, water-lucht warmtewisselaar die de koude uit de bodem rechtstreeks afgeeft, (eventueel) ventilator.

      • 2. Hierbij geldt dat indien een grondwarmtewisselaar wordt gebruikt voor het koelen of verwarmen van één woning er geen sprake is van een collectief systeem en komt deze niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

    • 4.1.B.

      • 1. Warmte- of koudeopslag in de bodem (aquifer) voor het opslaan van warmte of koude in de bodem met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve van het koelen of verwarmen van bedrijfsgebouwen of processen of het collectief koelen of verwarmen van woningen, en bestaande uit: gesloten systeem met grondwaterbronnen die voor onttrekking en injectie worden gebruikt, grondwaterpompen, (eventueel) warmtewisselaar die direct is gekoppeld aan de grondwaterbron, (eventueel) warmtewisselaar die de grondwaterbron regenereert met koude of warmte uit buitenlucht of oppervlaktewater, (eventueel) warmtetransportleiding.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • onder een warmtetransportleiding wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers; en

        • indien een aquifer wordt gebruikt voor het koelen of verwarmen van één woning er geen sprake is van een collectief systeem en komt deze niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

  • 5. Benutten van warmte of kracht uit biomassa door:

    • 5.1.A.

      • 1. Ketel of kachel gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor het verwarmen van gebouwen of processen onder de voorwaarde dat het warmterendement ten minste 80% bedraagt, en bestaande uit:

        • a. ketel met een vermogen van minder dan 500 kW, (eventueel) biogasontvochtigingsinstallatie, (eventueel) separate biogasontzwavelingsinstallatie, (eventueel) biogascompressor, (eventueel) rookgascondensor, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) rookgasreiniger, (eventueel) warmtetransportleiding. Warmtedistributienetten en verwarmingsnetten komen niet in aanmerking; of

        • b. kachel, (eventueel) rookgasreiniger.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • onder een warmtetransportleiding wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers;

        • onder een warmtedistributienet wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de eindgebruikers;

        • onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker;

        • onder het warmterendement wordt verstaan: het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof;

        • onder biomassa wordt verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen:

          • houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;

          • stro, bermmaaisel, riet, mest en overige agrarische residuen;

          • residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;

          • oud papier en karton;

          • steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;

          • specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen daarvan;

          • organische residuen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie; en

        • voor het bepalen van het vermogen van een ketel het samenstel van nieuwe voorzieningen dient te worden genomen waarbij onder een samenstel van nieuwe voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige nieuwe middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie van warmte opgewekt door middel van een ketel gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen vloeibare energiedragers.

    • 5.1.B.

      • 1. Conversie naar vloeibare, gasvormige of vaste energiedragers uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa, waarbij de energiedrager wordt gebruikt voor het opwekken van warmte en/of kracht en/of als transportbrandstof door: pyrolyse, vergassing, torrefactie, thermische ontleding, chemische ontleding of enzymatische ontleding, en bestaande uit: reactor waarin één van de hiervoor genoemde processen plaatsvindt, (eventueel) fermentatiereactor voor fermentatie van C5 en C6 suikers, (eventueel) apparatuur voor het scheiden en vloeibaar maken van biogas tot bioLNG, (eventueel) opslagvoorzieningen.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • nabehandelingsapparatuur voor het verder verwerken van de reactorproducten anders dan bioLNG en de hiervoor benodigde op- en overslagvoorzieningen niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt; en

        • onder biomassa wordt verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen:

          • houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;

          • stro, bermmaaisel, riet, mest en overige agrarische residuen;

          • residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;

          • oud papier en karton;

          • steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;

          • specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen daarvan;

          • organische residuen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie.

    • 5.1.C. Swill vergister voor het verwerken van keukenafval en etensresten (swill) door middel van vergisten, en bestaande uit: vergistingsinstallatie, (eventueel) nabehandeling van biogas.

  • 6. Conversie van duurzame warmte naar elektriciteit door:

    • 6.1.A.

      • 1. Organic Rankine Cycle of Kalinacyclus voor het omzetten van warmte naar mechanische of elektrische energie waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzame warmte, en bestaande uit: condensor, verdamper, pomp, turbine, (eventueel) separator, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) generator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.

      • 2. Hierbij geldt dat hier onder duurzame warmte wordt verstaan: warmte afkomstig van investeringen als bedoeld in onderdeel D.

E. Investeringen ten behoeve van balanceren van energie in de energie infrastructuur

Technische voorzieningen die er toe strekken energie te besparen door balanceren van energie in de energie infrastructuur, door:

  • 1. Opslag van elektrische energie door:

    • 1.1.A.

      • 1. Stationaire opslag van overtollige elektrische energie door het automatisch in- of uitschakelen afhankelijk van een elektrische deelmarkt, en bestaande uit:

        • a. Lithium accu, inverter, regelelektronica, optimalisatiesoftware;

        • b. NaS accu, inverter, regelelektronica, optimalisatiesoftware; of

        • c. redox flow batterij, inverter, regelelektronica, optimalisatiesoftware.

      • 2. Hierbij geldt dat onder optimalisatiesoftware wordt verstaan: de benodigde software om een koppeling met één of meer elektrische deelmarkten tot stand te brengen. Deze software regelt het benutten van overtollige duurzame energie waardoor er een lagere inzet van fossiele brandstoffen (primaire energie) nodig is door het automatisch in of uitschakelen van het bedrijfsmiddel.

    • 1.1.B.

      • 1. Mobiele elektriciteitsvoorziening voor het bufferen en afgeven van elektrische energie, en bestaande uit: verplaatsbare container met daarin lithiumaccu's met een capaciteit van tenminste 50 kVA, inverter, regelelektronica, (eventueel) ingebouwd klimaatsysteem, (eventueel) zonnepanelen of -folie, (eventueel) actief zonvolgsysteem.

      • 2. Hierbij geldt dat aggregaten met ingebouwde verbrandingsmotoren (hybride systemen) niet in aanmerking komen.

  • 2. Power to gas door:

    • 2.1.A.

      • 1. Conversie van overtollige elektriciteit naar waterstof, niet ten behoeve van productiefaciliteit van grondstoffen, en bestaande uit: electrolyser, optimalisatiesoftware, (eventueel) compressor, (eventueel) buffer voor opslag van waterstof, (eventueel) aansluiting op het aardgasnet.

      • 2. Hierbij geldt dat onder optimalisatiesoftware wordt verstaan: de benodigde software om een koppeling met één of meer elektrische deelmarkten tot stand te brengen. Deze software regelt het benutten van overtollige duurzame energie waardoor er een lagere inzet van fossiele brandstoffen (primaire energie) nodig is door het automatisch in of uitschakelen van het bedrijfsmiddel.

  • 3. Power to heat door:

    • 3.1.A.

      • 1. Conversie van overtollige elektriciteit naar warmte, en bestaande uit: elektrische boiler met een elektrisch vermogen groter of gelijk aan 100 kWe, optimalisatiesoftware, (eventueel) warmteopslagvat.

      • 2. Hierbij geldt dat onder optimalisatiesoftware wordt verstaan: de benodigde software om een koppeling met één of meer elektrische deelmarkten tot stand te brengen. Deze software regelt het benutten van overtollige duurzame energie waardoor er een lagere inzet van fossiele brandstoffen (primaire energie) nodig is door het automatisch in of uitschakelen van het bedrijfsmiddel.

    • 3.1.B.

      • 1. Langdurige opslag van warmte met een temperatuur van ten minste 40°C die geproduceerd is uit hernieuwbare of duurzame bronnen, en bestaande uit: geïsoleerd buffervat met een opslagcapaciteit van ten minste 1.000 m3, optimalisatiesoftware, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) regelsysteem.

      • 2. Hierbij geldt dat onder optimalisatiesoftware wordt verstaan: de benodigde software om een koppeling met één of meer elektrische deelmarkten tot stand te brengen. Deze software regelt het benutten van overtollige duurzame energie waardoor er een lagere inzet van fossiele brandstoffen (primaire energie) nodig is door het automatisch in of uitschakelen van het bedrijfsmiddel.

  • 4. Intelligent lokaal energienetwerk (smart grid) door:

    • 4.1.A.

      • 1. Het faciliteren van een intelligent lokaal energienetwerk waarmee vraag en aanbod van diverse energiegebruikers en energiebronnen op elkaar kan worden afgestemd, en bestaande uit: meet- en regelsysteem in combinatie met software voor de real-time koppeling tussen producenten en gebruikers binnen het energienetwerk.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • het energienetwerk zelf niet in aanmerking komt; en

        • het energienetwerk moet toegepast worden om opwekking en gebruik van duurzame energie te faciliteren.

    • 4.1.B.

      • 1. Het automatisch sturen van productieinstallaties op basis van de elektriciteitsmarkt ten behoeve van netbalancering, en bestaande uit: optimalisatiesoftware, (eventueel) regeleenheid.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • onder optimalisatiesoftware wordt verstaan: de benodigde software om een koppeling met één of meer elektrische deelmarkten tot stand te brengen. Deze software regelt het benutten van overtollige duurzame energie waardoor er een lagere inzet van fossiele brandstoffen (primaire energie) nodig is door het automatisch in of uitschakelen van het bedrijfsmiddel; en

        • de productieinstallatie zelf niet in aanmerking komt.

  • 5. Bufferen van overtollig groen gas door:

    • 5.1.A.

      • 1. Groen gas booster voor het comprimeren en transporteren van gas uit een netwerk met relatief lage druk naar een regionaal of landelijk netwerk op een hoger drukniveau (het zogenoemde regionale transportleidingsysteem (RTL) of hoofdtransportleidingsysteem (HTL)) met als doel het vormen van buffercapaciteit waardoor geen invoerbeperking ontstaat op een lagedruk gasnetwerk (netwerk van een regionale netbeheerder (RNB)) tijdens het produceren van groen gas, en bestaande uit: compressorinstallatie, aansluiting op regionaal distributienet, aansluiting op regionaal- of landelijk transportleidingnet.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • de boosterinstallatie uitsluitend gebruikt dient te worden wanneer er sprake is van overtollig groen gas. Met overtollig groen gas wordt bedoeld gas dat op een bepaald moment niet kan worden afgegeven aan het lagedruk gasnetwerk (netwerk van een regionale beheerder (RNB)) omdat de opnamecapaciteit in dit netwerk, zonder inzet van de boosterinstallatie, ontoereikend is.

F. Investeringen ten behoeve van energietransitie en CO2-emissiereductie

Technische voorzieningen die bijdragen aan een toekomstbestendige energievoorziening of CO2-emissiereductie, door:

  • 1. Elektrificatie door:

    • 1.1.A. Elektrische ovens voor het vervangen van gasgestookte ovens, en bestaande uit: elektrische oven, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de elektriciteitsaansluiting.

    • 1.1.B. Stoomrecompressie voor het opwaarderen van stoom naar hogere temperatuur en druk, en bestaande uit: mechanische dampcompressor of thermische dampcompressor, aansluiting op het stoomnetwerk, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting, (eventueel) regelsysteem.

    • 1.1.C. Infraroodpanelen voor het verwarmen van werkplekken in ruimtes met een gemiddelde hoogte van meer dan 4 meter, en bestaande uit: elektrische infraroodpanelen, (eventueel) aanwezigheidssensor.

    • 1.1.D. Elektrische toestellen voor het vervangen van gasgestookte toestellen die stoom of thermische olie produceren, en bestaande uit:

      • a. elektrisch toestel dat stoom of thermische olie produceert, (eventueel) noodzakelijke aanpassingen van de elektriciteitsaansluiting; of

      • b. hybride toestel dat stoom produceert middels elektriciteit en gas, (eventueel) noodzakelijke aanpassingen van de elektriciteitsaansluiting.

  • 2. Het verminderen van het gebruik van aardgas door:

    • 2.1.A. Waterstofbijmenging door het aanpassen van bestaande installaties ten behoeve van het bijmengen van waterstof in aardgas, en bestaande uit: noodzakelijke aanpassingen voor het bijmengen van waterstof, (eventueel) lokale waterstofproductie door middel van elektrolyse, (eventueel) meet- en regelapparatuur.

    • 2.1.B.

      • 1. Warmtenet voor het uitkoppelen bij de bron en het transporteren van warmte voor het verwarmen van gebouwen en/of processen, en bestaande uit: warmtetransportleiding, (eventueel) warmtewisselaar bij de warmtebron, (eventueel) warmtedistributienet, (eventueel) warmtewisselaar tussen warmtedistributienet en verwarmingsnet.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • onder warmtenet wordt verstaan: geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van warmte, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een gebouw of werk van een gebruiker of van een producent en strekken tot toe- of afvoer van warmte ten behoeve van dat gebouw of werk;

        • de aansluiting op het verwarmingsnet en het verwarmingsnet zelf niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen;

        • het systeem voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik dient te maken van warmte uit een van de volgende bronnen: warmte-kracht-koppeling (WKK) gevoed door biomassa of groengas, afvalverbrandingsinstallaties, hernieuwbare energiebronnen, restwarmte uit processen, power to heat;

        • onder een warmtetransportleiding wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers;

        • onder een warmtedistributienet wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de eindgebruikers;

        • onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker;

        • onder biomassa wordt verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. De volgende materiaalstromen worden bijvoorbeeld aangemerkt als biomassa:

          • houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;

          • stro, bermmaaisel, riet, mest en overige agrarische residuen;

          • residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;

          • oud papier en karton;

          • steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;

          • specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen daarvan;

          • organische residuen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie.

        • onder hernieuwbare energiebronnen wordt verstaan: windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas;

        • onder restwarmte wordt verstaan: onvermijdelijke warmte of koude die als bijproduct in industriële of elektriciteitsopwekkingsinstallaties wordt opgewekt, die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of -koelingssysteem; en

        • onder power to heat wordt verstaan: conversie van overtollige elektriciteit naar warmte met een elektrisch vermogen.

    • 2.1.C.

      • 1. Koudenet voor het uitkoppelen bij de bron en het transporteren van koude voor het koelen van gebouwen en/of processen, en bestaande uit: koudetransportleiding, (eventueel) warmte/koudewisselaar bij de koudebron, (eventueel) koudedistributienet, (eventueel) warmte/koudewisselaar tussen koudedistributienet en koudeafgiftsysteem, (eventueel) absorptiekoelmachine.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • onder koudenet wordt verstaan: geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van koude, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een gebouw of werk van een gebruiker of van een producent en strekken tot toe- of afvoer van koude ten behoeve van dat gebouw of werk;

        • koudeafgiftenetten niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen;

        • het systeem voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik dient te maken van koude uit een van de volgende bronnen: hernieuwbare energiebronnen, restwarmte uit processen, oppervlakte water, warmte- koudeopslag (WKO);

        • onder een koudetransportleiding wordt verstaan: leiding tussen koudebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers;

        • onder een koudedistributienet wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de eindgebruikers;

        • onder een koudeafgiftenet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van koudeafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker;

        • onder hernieuwbare energiebronnen wordt verstaan: windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas;

        • onder restwarmte wordt verstaan: onvermijdelijke warmte of koude die als bijproduct in industriële of elektriciteitsopwekkingsinstallaties wordt opgewekt, die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of -koelingssysteem.

    • 2.1.D. Warmtekrachtinstallatie voor het gelijktijdig opwekken van warmte en mechanische of elektrische energie door verbranding van uitsluitend waterstof, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) rookgascondensor, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.

  • 3. Afvang en opslag van CO2 door:

    • 3.1.A. CO2 afvang voor permanente opslag door het afscheiden, terugwinnen, transporteren en opslaan van CO2 uit rookgassen of andere gasstromen, en bestaande uit: CO2-reinigingsapparatuur, CO2-compressor, transportleiding naar de opslaglocatie, (eventueel) wasser, (eventueel) droger, (eventueel) koeling, (eventueel) CO2-buffer voor tijdelijke opslag, (eventueel) kosten voor gereedmaking van de aquifer of reservoir.

  • 4. De reductie van CO2-emissie door:

    • 4.1.A.

      • 1. Technische voorzieningen voor het reduceren van CO2-emissie van bestaande bedrijfsinrichtingen, en bestaande uit: technische voorziening die is opgenomen in een emissiereductieplan.

      • 2. Hierbij geldt dat:

        • de technische voorziening individueel is benoemd in een emissiereductieplan;

        • de gezamenlijk emissiereductie van alle in het emissiereductieplan opgenomen technische voorzieningen ten minste 20% bedraagt van de huidige totale scope 1 emissie van de bedrijfsinrichting;

        • de emissiereductie van iedere afzonderlijke technische voorziening ten minste 1% bedraagt van de huidige emissie van de bedrijfsinrichting;

        • het emissiereductieplan voldoet aan de voorwaarden genoemd in onderdeel G onder 2.;

        • alleen investeringen die leiden tot scope 1 en/of scope 2 CO2-emissiereductie in aanmerking komen;

        • de bijdrage aan de emissiereductie van investeringen in de opwekking van duurzame energie wel mag worden meegenomen, maar dat deze investeringen niet onder deze code in aanmerking komen;

        • het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt € 150 /ton gereduceerde CO2-emissie per jaar bedraagt.

G. Energie-advies of een maatwerkadvies zoals dit is vastgelegd in ISSO 75.2 of CO2-emissiereductieplan
  • 1. Een energie-advies ter verbetering van de energie-efficiency van objecten door middel van een verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen, en bestaande uit:

    • a. een rapportage waarin de mogelijkheden om maatregelen te treffen ter verbetering van de energie-efficiency zijn vastgelegd. Deze rapportage bevat in ieder geval:

      • 1°. beschrijving van het object;

      • 2°. een overzicht van de totale energiehuishouding van het bestaande totale object;

      • 3°. een energiebalans van de relevante onderdelen van het bestaande totale object;

      • 4°. een overzicht van de mogelijkheden en de kwantificering tot energiebesparing;

      • 5°. een overzicht van de noodzakelijke organisatorische en administratieve aanpassingen;

      • 6°. een raming van de te verwachten investeringskosten en de te verwachten baten, voor afnemers met een energiegebruik van meer dan 25.000 m3 aardgas (of aardgasequivalent) of 50.000 kWh elektriciteit per jaar gelden de volgende aanvullende eisen:

      • 7°. inzicht in alle maatregelen met een terugverdientijd tot en met vijf jaar;

      • 8°. van de energiebalans dient 90% van het totale energiegebruik te worden gespecificeerd, tenzij daar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en

      • 9°. helder en eenvoudig plan voor het uitvoeren van de energiebesparende maatregelen,

        of

    • b. het maatwerkadvies zoals dat neergelegd is in ISSO 75.2 methode 2014, versie 2018 is afgestemd op de BRL9500 deel 4 methode 2011, versie 2015 EPA-maatwerkadvies voor bestaande utiliteitsgebouwen. Dit EPA-maatwerkadviesrapport bevat ten minste de volgende gegevens:

      • 1°. projectgegevens;

      • 2°. huidige situatie, inclusief bruto vloeroppervlakte (BVO);

      • 3°. uitgangspunten en overwegingen;

      • 4°. lijst van enkelvoudige maatregelen met hun standaardterugverdientijd;

      • 5°. maatregelpakketten met hun terugverdientijd en een indicatie van hun gevolgen voor de kwaliteit van de binnenlucht, het thermisch comfort en de kans op condensatie op en in de constructie;

      • 6°. huidige energiegebruik;

      • 7°. verwacht energiegebruik; en

      • 8°. de terugverdientijd van de voorgestelde maatregelpakketten.

  • 2. Het CO2-emissiereductieplan (hierna: plan) bestaat uit een verkenning van de mogelijkheden om de CO2-emissie van de bestaande bedrijfsinrichting te reduceren.

Het gaat hier dus uitdrukkelijk niet om nieuwe bedrijfsprocessen en nieuwe bedrijfsinrichtingen. Het plan bevat een pakket van technische voorzieningen waarmee uiterlijk in 2030 de totale scope 1 en/of scope 2 CO2-emissie van de bedrijfsinrichting met tenminste 20% wordt gereduceerd ten opzichte van de scope 1 en/of scope 2 emissie ten tijde van de totstandkoming van dit plan. Dit plan bevat ten minste de volgende gegevens:

  • 1°. Beschrijving van de bedrijfsprocessen;

  • 2°. Een overzicht van de huidige totale scope 1 en scope 2 CO2-emissie als gevolg van de bedrijfsprocessen;

  • 3°. Een CO2-emissie onderverdeling naar de relevante onderdelen van het bestaande bedrijfsproces, die voor minimaal 90% dekkend is;

  • 4°. Toelichting op de rekenmethodiek(en) waarmee de CO2-emissie is bepaald;

  • 5°. Een overzicht van de mogelijkheden tot en de kwantificering van CO2-reductie;

  • 6°. Een raming van de te verwachten investeringskosten per technische voorziening;

  • 7°. Plan van aanpak voor de planning en uitvoering van de in het plan benoemde technische voorzieningen.

Verder moet het plan aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • De eerste opdracht voor in het plan benoemde technische voorzieningen vindt plaats binnen 24 maanden na de totstandkoming van het plan;

  • Het plan is opgesteld door een onafhankelijke derde;

  • De kosten van het plan kunnen slechts eenmaal worden gemeld.

Artikel 2

  • 1. Bij de investeringen voor de technische voorzieningen als omschreven in artikel 1 dient de terugverdientijd voor de investeringen in:

    • a. onderdeel A, onder 1.1.A, 1.2.A, 1.3.A, 2.2.A, 3.1.A, 4.1.A, 4.2.A en 4.3.A ten minste 5 jaar te bedragen, maar niet meer dan 25 jaar en dient de energiebesparing aantoonbaar het directe gevolg te zijn van het gebruik van het bedrijfsmiddel waarin is geïnvesteerd;

    • b. onderdeel B, onder 1.1.A, 1.2.A, 1.3.A, 2.1.A, 3.1.A, 4.1.A, 4.2.A en 4.3.A ten minste 5 jaar te bedragen, maar niet meer dan 15 jaar en dient de energiebesparing aantoonbaar het directe gevolg te zijn van het gebruik van het bedrijfsmiddel waarin is geïnvesteerd;

    • c. onderdeel C, onder 1.1.A, 1.2.A, 1.3.A, 2.1.A, 2.2.A, 3.1.A, 4.1.A, 4.2.A en 4.3.A ten minste 5 jaar te bedragen, maar niet meer dan 15 jaar en dient de energiebesparing aantoonbaar het directe gevolg te zijn van het gebruik van het bedrijfsmiddel waarin is geïnvesteerd;

  • 2. De in het eerste lid gestelde terugverdientijd is ook van toepassing indien een besparing plaatsvindt op de fossiele brandstoffen, aardgas, aardolie of steenkool die als grondstof worden ingezet. De in het eerste lid gestelde terugverdientijd is ook van toepassing indien een besparing op fossiele brandstoffen plaatsvindt door waterstof dat als grondstof of hulpstof wordt ingezet. De in het eerste lid gestelde terugverdientijd is ook van toepassing indien een besparing op fossiele brandstoffen plaatsvindt door vloeibare- of gasvormige zuurstof of vloeibare- of gasvormige stikstof of vloeibare CO2 die als hulpstof worden ingezet.

  • 3. Subsidies of andere bijdragen van derden worden niet in mindering gebracht op het investeringsbedrag waarmee de terugverdientijd als bedoeld in het eerste lid wordt berekend. Bij het berekenen van de terugverdientijd voor technische voorzieningen dient geen rekening te worden gehouden met verkregen subsidies of andere bijdragen van derden.

  • 4. Als referentie voor de berekening van de terugverdientijd dient bij aanpassingen aan bestaande bedrijfsgebouwen, aanpassingen aan of vervanging van bestaande processen en aanpassingen aan of vervanging van bestaande transportmiddelen het historisch energiegebruik. Bij nieuwe processen, nieuwe bedrijfsgebouwen en nieuwe transportmiddelen dient het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij soortgelijke nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie.

    Indien er sprake is van uitbreiding van een bestaand proces, wordt het uitbreidingsgedeelte gezien als een nieuw proces waarvoor als referentie voor de berekening van de terugverdientijd het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij soortgelijke nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen dient te worden genomen.

    Onder het historisch energiegebruik wordt verstaan het totale energiegebruik gemeten over een representatieve periode, voorafgaand aan het moment van investeren, waarin het bedrijfsmiddel onder ontwerpomstandigheden is gebruikt, en gebaseerd op de oorspronkelijke specificaties van het bedrijfsmiddel.

  • 5. Bij de berekening van de terugverdientijd wordt de besparing door verlaging van het energiegebruik per eenheid product door toepassing van groeibevorderende stoffen en groeibevorderende voorzieningen voor levende organismen en de besparing door een gewijzigde product- of grondstofspecificatie buiten beschouwing gelaten.

  • 6. Wanneer de energiebesparing bij een aanpassing aan een bestaand proces het rechtstreekse gevolg is van een significant gewijzigde product- of grondstofspecificatie dan dient niet het historische energiegebruik, maar het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij soortgelijke nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie te worden genomen.

  • 7. Onder bedrijfsgebouwen als bedoeld in artikel 1, onderdeel A, wordt verstaan gebouwen die gebruikt worden voor bedrijfsdoeleinden, met uitzondering van (recreatie)woningen, tuinbouwkassen, datacenters en serverruimten. Investeringen in of voor tuinbouwkassen, in of voor datacenters en in of voor serverruimten moeten voldoen aan de vereisten genoemd in artikel 1, onderdeel B, voor investeringen ten behoeve van processen.

  • 8. Ten aanzien van de investeringen omschreven in artikel 1,onderdeel D, moeten deze voorzieningen er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door voor ten minste 70% van de energie-inhoud gebruik te maken van duurzame energie. Onder duurzame energie valt: zonne-energie, windenergie, waterkracht, het benutten of opslaan van omgevingswarmte en biomassa.

  • 9. Voor investeringen, die naar aard, toepassing en gebruik overeenkomen met een nader omschreven investering, zijn de eisen die worden gesteld aan die nader omschreven investering van toepassing. Dit geldt voor:

    • a. artikel 1, onderdeel A, onder 1.1.B., 1.2.B. tot en met 1.2.Q., 2.1.A. tot en met 2.1.D., 2.2.B., 3.1.B. tot en met 3.1.E., 3.2.A., 4.2.B. tot en met 4.2.D.,

    • b. artikel 1, onderdeel B, onder 1.1.B., 1.2.B. tot en met 1.2.U., 2.1.B. tot en met 2.1.D., 3.1.B. tot en met 3.1.D., 3.2.A., 4.2.B. en 4.2.C;

    • c. artikel 1, onderdeel C, onder 1.2.B. tot en met 1.2.G. en 1.3.B. tot en met 1.3.D.;

    • d. artikel 1, onderdeel D, onder 1.1.B tot en met 1.1.H., 2.1.A., 4.1.A., 4.1.B., 5.1.A. tot en met 5.1.C. en 6.1.A.;

    • e. artikel 1, onderdeel E, onder 1.1.A., 1.1.B., 2.1.A., 3.1.A., 3.1.B., 4.1.A., 4.1.B. en 5.1.A.;

    • f. artikel 1, onderdeel F, onder 1.1.A tot en met 1.1.D., 2.1.A. tot en met 2.1.D., 3.1.A. en 4.1.A..

  • 10. Indien bij de in het negende lid genoemde nader omschreven investeringen de omschrijving zich beperkt tot de bestaande situatie, zijn investeringen die geen betrekking hebben op de bestaande situatie, uitgesloten van energie-investeringsaftrek.

  • 11. Een warmtebuffer of (rest)warmteopslagvat die niet hoofdzakelijk bestemd is voor het opslaan van (rest)warmte vrijkomend bij bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 1, onderdeel A, onder 1.2.B., 1.2.C., 1.2.D., 1.2.E. en 1.2.J, onderdeel B, onder 1.2.D., 1.2.R en 3.1.B., onderdeel D, onder 1.1.C., 1.1.D., 4.1.A. en 5.1.A., onderdeel E, onder 3.1.A. en onderdeel F, 2.1.D. is uitgesloten van energie-investeringsaftrek, met uitzondering van warmtebuffers als bedoeld in artikel 1, onderdeel B, onder 3.1.D. en artikel 1, onderdeel E, onder 3.1.B.

  • 12. Maximuminvesteringsbedragen genoemd in artikel 1, onderdeel A, onder 1.1.B., 1.2.B., 1.2.C., 1.2.F., 1.2.J., 1.2.K., 1.2.P., 2.1.A., 2.1.B., 2.1.C., 3.1.B., 3.1.C., 4.2.B., 4.2.C. en 5.1., onderdeel B, onder 1.2.F., 1.2.J., 1.2.L., 1.2.M., 1.2.R., 1.2.S., 1.2.T., 2.1.C., 2.1.D. en 3.1.C., onderdeel C, onder 1.2.B.,1.3.B. en 1.3.D., onderdeel F, onder 4.1.A., die voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen, zien op de totale investering in het betreffende (onderdeel van een) bedrijfsmiddel.

  • 13. Een spudpaal die niet wordt toegepast op een bestaand werkschip als bedoeld in artikel 1, onderdeel C, onder 1.3.D. is uitgesloten van energie-investeringsaftrek.

Artikel 3

Voor het bereken van de terugverdientijd geldt de volgende formule:

Onder de investering vallen alle kosten die noodzakelijk zijn om het bedrijfsmiddel in gebruik te nemen, met uitzondering van financieringskosten.

De energieprijs dient te worden vastgesteld door gebruikmaking van onderstaande gegevens voor aardgas, elektriciteit en diesel. Indien wordt bespaard op een andere energiedrager, dan dient de door de onderneming betaalde energieprijs te worden gebruikt.

Aardgas:
 

Inkoopomvang van de bedrijfsinrichting

[Nm3 per jaar]

Prijs per Nm3

1

Niet hoger dan 170.000 Nm3

€ 0,58

2

Hoger dan 170.000, niet hoger dan 1.000.000 Nm3

€ 0,30

3

Hoger dan 1 miljoen, niet hoger dan 10 miljoen Nm3

€ 0,24

4

Hoger dan 10 miljoen Nm3

€ 0,23

Elektriciteit:
 

Inkoopomvang van de bedrijfsinrichting

[kWh per jaar]

Prijs per kWh

1

Niet hoger dan 10.000 kWh

€ 0,20

2

Hoger dan 10.000, niet hoger dan 50.000 kWh

€ 0,16

3

Hoger dan 50.000, niet hoger dan 10 miljoen kWh

€ 0,10

4

Hoger dan 10 miljoen kWh

€ 0,05

Diesel:

Voor scheepvaart: € 0,64 per liter

Voor wegtransport: € 1,16 per liter

Artikel 4

  • 1. De voorwaarden als bedoeld in artikel 3.42, vijfde lid, van de wet, waaronder de kosten van een daar bedoeld advies inzake energiebesparende maatregelen kunnen worden begrepen onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een energie-investering, zijn:

    • a. de energie-investering vindt plaats binnen 24 maanden na het tijdstip waarop de opdracht tot het advies is verstrekt;

    • b. de energie-investering is aanbevolen in het advies;

    • c. de kosten van het advies worden niet tevens toegerekend aan andere energie-investeringen; en

    • d. artikel 3.46, eerste lid, onderdelen a, b, en d, van de wet en artikel 8, zevende lid, onderdelen b en c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Bij een gecombineerd energie-milieuadvies wordt 50% van de totale advieskosten toegerekend aan het energie-advies.

  • 3. Bij de berekening van de terugverdientijd voor investeringen als bedoeld in artikel 2, blijven bij het geïnvesteerde bedrag de kosten van het energie-advies buiten beschouwing.

  • 4. Een object is een bestaand totaal bedrijfsgebouw of een bestaand totaal proces dat apart bemeterd is voor energiedragers.

Artikel 5

Voor investeringen bedoeld in artikel 1, onderdeel A, onder 5, van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op het moment van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen, waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd in artikel 1, onderdeel A, onder 5, moeten zijn aangegaan.

TOELICHTING

I Algemeen

Aanleiding

De energie-investeringsaftrek (EIA) biedt ondernemers die investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen, of onderdelen daarvan, een fiscaal voordeel. De EIA richt zich op:

  • 1. het stimuleren van investeringen in technisch bewezen bedrijfsmiddelen die energie besparen ten opzichte van het energieverbruik van de in de markt gangbare bedrijfsmiddelen;

  • 2. het stimuleren van investeringen in de vervanging van bestaande bedrijfsmiddelen door energie-efficiëntere bedrijfsmiddelen.

Jaarlijks vindt aanpassing van de regeling aan de stand van de techniek plaats. Dat geschiedt door actualisatie van de bijlage bij de regeling waarin de subsidiabele investeringen zijn opgenomen. Deze bijlage wordt ook wel aangeduid als ‘Energielijst’.

Notificatie

De ontwerpregeling is op 30 november 2020 onder notificatienummer 2020/0736/NL voorgelegd aan de Europese Commissie ingevolge Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG 1998, L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 juli 1998 (PbEG 1998, L 217). De Europese Commissie heeft medegedeeld dat de kennisgeving betrekking heeft op technische specificaties of andere eisen die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, tweede alinea, punt iii, van Richtlijn (EU) 2015/1535. Voor deze kennisgeving geldt geen status-quoperiode (artikel 7, lid 4, van Richtlijn (EU) 2015/1535).

Caribisch Nederland

Voor de goede orde zij erop gewezen dat het van toepassing verklaren van de energie-investeringsaftrekregeling voor zowel Aruba, Curaçao, Sint Maarten als Bonaire, Sint Eustatius en Saba in een afzonderlijke ministeriële regeling is opgenomen. In artikel 3 van die regeling is bepaald dat als energie-investeringen worden aangewezen de investeringen in bedrijfsmiddelen of onderdelen daarvan die zijn opgenomen in bijlage I bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2011. De vastgestelde energielijst voor 2021 is daarmee onverkort van toepassing in Caribisch Nederland.

Regeldruk

Met deze regeling worden de bedrijfsmiddelen aangewezen die in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek. De aanmeldingsprocedure zelf blijft ongewijzigd. Het aantal aanmeldingen voor EIA ligt rond 18.000 per jaar. Voor komend jaar wordt eenzelfde aantal aanmeldingen verwacht. RVO maakt de Energielijst jaarlijks kenbaar in een brochure voor ondernemers zodat de kennisnamekosten voor ondernemers zo laag mogelijk worden gehouden. Uit deze regeling volgt daarom geen wijziging in de regeldruk voor bedrijven en de regeling leidt niet tot extra uitvoeringslasten bij de uitvoerende overheidsdienst (RVO).

Vast verandermoment

Bij het bepalen van het tijdstip van inwerkingtreding van 1 januari 2021 is aangesloten bij het systeem van de fiscale wetgeving waarbij in beginsel wordt uitgegaan van kalenderjaren. Er wordt afgeweken van de minimuminvoeringstermijn van twee maanden omdat de doelgroepen gebaat zijn bij een spoedige inwerkingtreding. Het systeem van de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn staat die uitzondering toe.

II Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Artikel I, onderdeel A, bevat enige technische wijzigingen. De citeertitels van de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 genoemde regelingen zijn geactualiseerd. Het Besluit subsidies duurzame energieopwekking wordt thans aangeduid als Besluit subsidies duurzame energieopwekking en klimaattransitie. De Regeling nationale EZ-subsidies heeft tegenwoordig als titel Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat het bepaalde in genoemd artikel onverminderd van toepassing blijft op subsidies die onder de bedoelde regelingen met hun voorheen geldende titel zijn verleend.

Artikel I, onderdeel B

Artikel I, onderdeel B, vervangt de bijlage bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001. In de bijlage behorende bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 worden de investeringen opgenomen die vanaf 1 januari 2021 in aanmerking komen voor EIA. Hierna worden de wijzigingen ten opzichte van de Energielijst 2020 toegelicht. De nadruk ligt daarbij – naast veelal technische wijzigingen in de Energielijst – vooral op nieuwe maatregelen die de klimaat- en energietransitie verder bevorderen.

Voor de hoofdstukken A (gebouwde omgeving), B (processen) en C (transportmiddelen) van de Energielijst is de eis aan investeringen om onder de generieke codes in aanmerking te komen gewijzigd. Voortaan wordt gekeken naar de terugverdientijd van de investering in plaats van naar de energiebesparing per geïnvesteerde euro. Hiermee wordt beter aangesloten bij andere regelingen.

Gebouwde omgeving

Omdat het vernieuwde maatwerkadvies, op basis van de NTA8800, op 1 januari 2021 niet beschikbaar is, dienen de aanvragen voor energieprestatieverbetering van bestaande bedrijfsgebouwen volgens de bestaande systematiek (ISSO 75.2 methode 2014 versie 2018) gemeld te worden. Het maximum investeringsbedrag wordt nu bepaald op basis van gebruiksoppervlakte (GO) in plaats van brutovloeroppervlakte (BVO).

Om beter aan te sluiten bij EU regelgeving is voor lucht/lucht warmtepompen een differentiatie aangebracht op basis van het nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp. In het verlengde hiervan is ook een differentiatie aangebracht in de SCOP waarde.

Voor verschillende codes zijn de verwijzingen naar de NEN normeringen geactualiseerd en zijn de omschrijvingen vereenvoudigd.

Voor LED verlichting zijn de eisen aangescherpt: De eis voor lumen/Watt verhouding is komen te vervallen. In plaats daarvan moet LED verlichting voor nieuwe- en bestaande bedrijven voldoen aan levensduurcriteria L90B50 om voor EIA in aanmerking te komen. LED buizen (retrofit) komen niet meer voor EIA in aanmerking vanwege een korte terugverdientijd.

Energiebesparende lichtbesturingscomponenten voorzien van (draadloze) communicatie met de LED driver kunnen nu gemeld worden voor besparing bij verlichtingssystemen.

Energiezuinige legionella bestrijding in warmtapwatervoorzieningen met circulatie is toegevoegd aan de energielijst.

Daarnaast zijn er een aantal technieken die niet langer in de Energielijst opgenomen worden:

  • Alle ab- of adsorptiewarmtepompen waarbij de regenerator wordt aangedreven door afvalwarmte of duurzame warmte, omdat voor dit type warmtepompen nauwelijks investeringen worden gemeld;

  • Het direct gasgestookt condenserend warmwaterdoorstroomtoestel, in het kader van de energietransitie en omdat deze nauwelijks werd gemeld;

  • De direct gasgestookte condenserende boiler, in het kader van de energietransitie en omdat deze nauwelijks werd gemeld.

Processen

De ontwerpcondities die staan vermeld in de omschrijving voor de transkritische koel- en/of vriesinstallatie zijn aangepast. Voor de transkritische koel- en/of vriesinstallatie en de energiezuinige koel- en/of vriesinstallatie is een maximum investeringsbedrag voor de gehele installatie opgenomen.

Er is een nieuwe omschrijving opgenomen voor een decentraal koelsysteem (hydroloop), met een maximum investeringsbedrag opgenomen voor de gehele installatie.

Daarnaast zijn er een aantal technieken die niet langer in de Energielijst opgenomen worden:

  • De direct gasgestookte condenserende boiler is verwijderd in het kader van de energietransitie en omdat deze nauwelijks werd gemeld;

  • Condensatoren zijn verwijderd vanwege een korte terugverdientijd;

  • Het hydrowingsysteem voor garnalenvisserij is verwijderd vanwege een korte terugverdientijd;

Bij de gasgestookte hogedrukreiniger is de NEN-normering verwijderd. Het omschreven rendement volstaat.

Duurzame energie

De netaansluiting voor SDE projecten voor zonnevelden wordt niet langer opgenomen in de Energielijst omdat deze kosten vanaf 2021 worden meegenomen in het SDE basisbedrag voor deze categorie.

Transportmiddelen

De omschrijving van de scheepsdieselmotoren is aangepast omdat ook in de zeevaart motoren in dieselelektrische opstelling als aandrijving gebruikt worden. Daarnaast wordt de indirecte aandrijving van een koelaggregaat door een vrachtwagenmotor niet langer in de Energielijst opgenomen vanwege een korte terugverdientijd.

Energiebalancering

Om fluctuaties in vraag en aanbod van groengas op het gasnet beter op elkaar af te stemmen is een omschrijving opgenomen voor een groengas boosterinstallatie. Hiermee wordt voorkomen dat (lokaal) geproduceerd groengas niet kan worden geleverd aan het gasnet vanwege gebrek aan buffercapaciteit.

Energietransitie en CO2-emissiereductie

De omschrijving voor CO2-afvang voor permanente opslag (CCS) is uitgebreid waardoor permanente opslag in lege aardgasvelden ook in aanmerking komt voor EIA.

Daarnaast is de waterstof gestookte warmtekrachtinstallatie toegevoegd aan de Energielijst. De omschrijving voor het reduceren van CO2-emissie bij bestaande bedrijven is uitgebreid met de reductie van scope 2 emissies en er is ter verduidelijking toegevoegd dat deze omschrijving betrekking heeft op de gehele bedrijfsinrichting.

Artikel II

De regeling treedt ingevolge artikel II in werking met ingang van 1 januari 2021. Op grond van artikel 3.51 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is zij van toepassing op verplichtingen die zijn aangegaan of voortbrengingskosten die zijn gemaakt op of na 1 januari 2021.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

Naar boven