Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 juni 2020, 2020-0000061136, tot vaststelling van een tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies en artikel 32d, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

aangiftetijdvak:

het tijdvak van een kalendermaand of vier aaneengesloten weken als bedoeld in artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994;

loon:

het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en met uitzondering van loondervingsuitkeringen;

loondervingsuitkering:

een uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Algemene nabestaandenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer en de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;

de Minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

pensioengerechtigde leeftijd:

de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

UWV:

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen;

werkgever:

een werkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

werknemer:

een werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

Artikel 2. Het recht op een tegemoetkoming

Recht op een tegemoetkoming heeft degene die:

  • a. als werknemer in februari 2020 ten minste € 400 aan loon heeft genoten;

  • b. als werknemer in maart 2020 ten minste € 1 aan loon heeft genoten;

  • c. op 1 april 2020 achttien jaar of ouder was, maar de pensioengerechtigde leeftijd nog niet had bereikt;

  • d. in april 2020 ten minste 50% minder loon heeft genoten in vergelijking met het genoten loon in februari 2020, met dien verstande dat het percentage naar boven wordt afgerond op hele procenten;

  • e. in april 2020 ten hoogste € 550 aan loon heeft genoten;

  • f. schriftelijk verklaart als gevolg van geleden inkomensverlies de tegemoetkoming nodig te hebben als bijdrage in de gebruikelijke kosten van het levensonderhoud; en

  • g. schriftelijk verklaart over de periode april 2020 geen loondervingsuitkering of een uitkering op grond van hoofdstuk 3 of artikel 78f van de Participatiewet toegekend te hebben gekregen, dan wel een naar aard en strekking vergelijkbare uitkering toegekend te hebben gekregen op grond van een buitenlandse wettelijke regeling.

Artikel 3. Vaststelling genoten loon

  • 1. Voor de vaststelling van het loon, bedoeld in artikel 2, onderdelen a, b, d en e, wordt de werknemer geacht het loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt het loon over een aangiftetijdvak van vier weken geacht te zijn genoten in de kalendermaand waarin het aangiftetijdvak van vier weken eindigt.

Artikel 4. Uitsluitingsgronden

  • 1. Geen recht op een tegemoetkoming heeft degene die:

    • a. in april 2020 op grond van hoofdstuk 3 of artikel 78f van de Participatiewet een uitkering over die periode heeft ontvangen of toegekend heeft gekregen;

    • b. in april 2020 een loondervingsuitkering heeft ontvangen;

    • c. over april 2020 op grond van een buitenlandse wettelijke regeling een uitkering toegekend heeft gekregen die naar aard en strekking vergelijkbaar is met een loondervingsuitkering of een uitkering als bedoeld in onderdeel a;

    • d. in april 2020 rechtens zijn vrijheid is ontnomen, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Ziektewet; of

    • e. zich in april 2020 heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

  • 2. Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op het eerste lid, onderdelen a en b.

Artikel 5. De tegemoetkoming

  • 1. De tegemoetkoming wordt toegekend over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

  • 2. De tegemoetkoming bedraagt per kalendermaand bruto € 550.

Artikel 6. Weigeringsgronden

De tegemoetkoming wordt geweigerd indien:

  • a. de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen;

  • b. de aanvraag niet binnen de in artikel 7, tweede lid, gestelde termijn is ontvangen;

  • c. de aanvrager reeds op grond van deze regeling een toekenning van de tegemoetkoming heeft ontvangen; of

  • d. het loon, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en b, niet kan worden vastgesteld.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op de tegemoetkoming bestaat.

  • 2. Een aanvraag wordt door middel van een door het UWV beschikbaar gesteld formulier ingediend vanaf 22 juni 2020 tot en met 12 juli 2020.

  • 3. In de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens van de aanvrager vermeld:

    • a. het burgerservicenummer;

    • b. de geboortedatum;

    • c. het telefoonnummer; en

    • d. het bankrekeningnummer waarop de tegemoetkoming kan worden uitbetaald, met dien verstande dat indien sprake is van een buitenlands bankrekeningnummer tevens de volgende gegevens worden vermeld: het BIC-nummer, de bankcode, de naam en de vestigingsplaats van de bank.

  • 4. In de aanvraag worden tevens de verklaringen opgenomen, bedoeld artikel 2, onderdelen f en g.

Artikel 8. Informatieverplichtingen

  • 1. De aanvrager verleent aan het UWV desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze regeling en verstrekt aan het UWV op verzoek de inlichtingen, gegevens en bescheiden die van belang zijn voor het nemen van een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming.

  • 2. Degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend verleent tot vijf jaar na de datum van toekenning van de tegemoetkoming aan het UWV desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze regeling en verstrekt aan het UWV op verzoek de inlichtingen, gegevens en bescheiden die van belang zijn voor de vaststelling van de rechtmatigheid van de toekenning.

  • 3. Degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend werkt tot vijf jaar na de datum van toekenning van de tegemoetkoming, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de Minister.

Artikel 9. Betaling

De tegemoetkoming wordt door het UWV binnen acht weken na de datum van toekenning van de tegemoetkoming uitbetaald aan de rechthebbende.

Artikel 10. Besluit intrekken en terugvordering

  • 1. Het UWV kan een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming intrekken indien:

    • a. blijkt dat de tegemoetkoming is toegekend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens en inachtneming van de juiste en volledige gegevens tot een afwijzend besluit zou hebben geleid; of

    • b. niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 8, tweede lid.

  • 2. De tegemoetkoming die als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte is toegekend kan worden teruggevorderd van degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend.

Artikel 11. Taak UWV

Het UWV is belast met de uitvoering van deze regeling.

Artikel 12. Financiering

  • 1. Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling.

  • 2. Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In verband met het middelenbeheer wordt de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, beschouwd als middelen die deel uitmaken van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Artikel 13. Opgave lasten en betaling van de rijksbijdrage

  • 1. De Minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, van de Regeling Wfsv, na overleg met het UWV een voorschot op de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de door het UWV geraamde tegemoetkomingen en uitvoeringskosten.

  • 2. De Minister kan, na overleg met het UWV, van het in het eerste lid bedoelde bedrag afwijken.

Artikel 14. Verslag UWV en afrekening

  • 1. Het UWV brengt aan de minister inhoudelijk en financieel verslag uit over de uitvoering van deze regeling overeenkomstig artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

  • 2. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, worden de baten en lasten, alsmede het ontvangen voorschot, bedoeld in artikel 13, eerste lid, uitgesplitst naar tegemoetkomingen en uitvoeringkosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.

  • 3. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister de baten en lasten, alsmede het ontvangen voorschot op grond van artikel 13, eerste lid, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Artikel 15. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 september 2020.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op de dag voorafgaand aan 1 september 2020, van toepassing op de afwikkeling van de op grond van deze regeling ingediende aanvragen en op de toegekende tegemoetkomingen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen, bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid, gedurende de in die leden genoemde periode gelden voor degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 8 juni 2020

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

TOELICHTING

Het coronavirus heeft de wereld en ook Nederland in zijn greep. De virusuitbraak heeft enorm ingrijpende gevolgen, voor de gezondheid van mensen, voor de gezondheidszorg, voor het maatschappelijk leven, en ook voor de economie. Het kabinet heeft het van groot belang geacht om in deze situatie banen te behouden en ondersteuning te bieden bij acute problemen die werknemers, zzp’ers en bedrijven ondervinden. Het kabinet heeft daarom in een brief van 17 maart 2020 aan de Tweede Kamer een noodpakket voor banen en economie aangekondigd.1 Op 28 mei 2020 is aangekondigd dat dit noodpakket in gewijzigde vorm wordt verlengd tot 1 oktober 2020.2

Voor werknemers richt het noodpakket zich op het behouden van banen. Met de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) helpt het kabinet werkgevers om hun werknemers in dienst te houden. De regeling biedt werkgevers een tegemoetkoming in de loonkosten ter hoogte van maximaal 90% van de loonkosten, naar rato van het geleden omzetverlies. Deze maatregel is expliciet bedoeld voor alle werknemers, en daarmee ook voor werknemers met een flexibel contract. Ook hun loonkosten kunnen met behulp van de NOW worden doorbetaald. Voor zelfstandig ondernemers is er de Tijdelijke Overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO), die het inkomen van zelfstandigen aanvult tot het sociaal minimum.

De crisis waarin wij verkeren is echter zo ernstig, dat de genomen crisismaatregelen niet voor iedereen toereikend zijn. Een fors aantal mensen heeft ondanks alle maatregelen toch hun baan verloren, waardoor er in april 160.000 minder mensen betaald werk hadden dan in maart en het aantal WW-uitkeringen fors is opgelopen.3 Met name werknemers met een flexibel contract zijn op de huidige arbeidsmarkt extra kwetsbaar. Nederland kent voor het grootste deel van de werknemers een goed sociaal vangnet. Verreweg de meeste werknemers kunnen bij inkomensverlies door werkloosheid aanspraak maken op de Werkloosheidswet (WW). Als er andere redenen dan werkloosheid zijn voor het inkomensverlies, zijn er nog andere regelingen, bijvoorbeeld de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) bij ziekte of arbeidsongeschiktheid. Niet iedereen komt echter in aanmerking voor deze regelingen. Voor de WW geldt bijvoorbeeld de zogenaamde referte-eis: de eis dat een werknemer 26 van de laatste 36 weken gewerkt moet hebben. Wie niet in aanmerking komt voor de WW, ZW, de WIA of een andere socialezekerheidsregeling, kan aanspraak maken op de algemene bijstand indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Of recht op algemene bijstand bestaat, hangt onder andere af van iemands vermogen en het inkomen van zijn of haar partner.

Door bijvoorbeeld de referte-eis in de WW, de entreevoorwaarden in de ZW en de vermogens- en partnertoets in de bijstand is er een groep werknemers van wie weliswaar de inkomsten wegvallen, maar die geen recht heeft op een uitkering. Het gaat daarbij vooral om flexwerkers – met name oproepkrachten en uitzendkrachten – die, door hun flexibele arbeidscontract, minder beschermd zijn dan werknemers met een vast contract. De Tweede Kamer heeft op 16 april jl. de motie-Gijs van Dijk c.s.4 aangenomen die oproept te verkennen of voor deze groep een tijdelijk, aanvullend vangnet te organiseren is. Die verkenning heeft geleid tot de onderhavige regeling: de Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA). Vervolgens heeft de Tweede Kamer op 2 juni jl. de motie-Asscher/Van Weyenberg5 aangenomen, die oproept de groep die in aanmerking komt voor de TOFA te vergroten en een daarbij passend tegemoetkomingsbedrag te hanteren.

De TOFA is bedoeld als vangnet voor flexwerkers die door de coronacrisis substantieel inkomensverlies hebben geleden, maar geen aanspraak kunnen maken op een socialezekerheidsuitkering of op bijstand, en onvoldoende middelen van bestaan hebben om rond te komen. De TOFA biedt daarom een tegemoetkoming als bijdrage in de kosten voor het levensonderhoud. De tegemoetkoming bedraagt € 550 bruto per maand en wordt door het UWV verstrekt over de maanden maart, april en mei 2020.

Net als veel van de eerdere crisismaatregelen die het kabinet heeft getroffen, staan bij deze regeling eenvoud en robuustheid centraal. Het gebruikelijke proces van beleidsvoorbereiding, uitvoeringstoetsen en implementatie – dat normaliter vele maanden duurt, vaak langer dan een jaar – is nu in slechts enkele weken doorlopen. UWV kan in de huidige omstandigheden en op deze termijn alleen snel geld uitbetalen als de regeling eenvoudig en robuust uitvoerbaar is. In de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 20 mei jl. is ingegaan op de onderzochte varianten en de afwegingen die het kabinet heeft gemaakt in de zoektocht naar manieren om flexwerkers tegemoet te komen.6 In die brief is beschreven dat de afbakening van de doelgroep slechts uitvoerbaar is als deze op basis van een zeer beperkt aantal eenvoudige criteria plaatsvindt. Daarbij is geen ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Dat zorgt voor een ruwe afbakening met als gevolg dat bepaalde groepen geen recht hebben op een tegemoetkoming, terwijl zij in de geest van de regeling wel tot de doelgroep zouden behoren, en – vice versa – dat bepaalde groepen wel recht hebben op een tegemoetkoming, terwijl zij in de geest van de regeling niet tot de doelgroep zouden behoren. Ook wat betreft de hoogte van de tegemoetkoming waren de mogelijkheden beperkt: alleen één vast bedrag voor elke ontvanger bleek uitvoerbaar. Ondanks deze nadelen heeft het belang van een snelle tegemoetkoming geprevaleerd en heeft het kabinet na het aannemen van de motie-Asscher/Van Weyenberg besloten tot invoering van de TOFA.

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. In het algemene deel wordt ten eerste toegelicht welke mensen voor de TOFA in aanmerking komen en hoe deze groep is samengesteld. Daarna wordt achtereenvolgens ingegaan op de hoogte van de tegemoetkoming en het proces van aanvraag, toekenning en uitbetaling door het UWV. Tot slot wordt ingegaan op de uitvoering en kosten. Het tweede deel van de toelichting bestaat uit een artikelsgewijze toelichting.

Voorwaarden

De TOFA is bedoeld als vangnet voor mensen die vanwege de coronacrisis een forse terugval hebben in hun inkomen, geen aanspraak kunnen maken op WW, bijstand, of een andere socialezekerheidsregeling, en een tegemoetkoming nodig hebben als bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud.

Om te bepalen wie in aanmerking komt voor de tegemoetkoming zijn voor UWV heldere criteria nodig. Recht op een tegemoetkoming heeft degene die:

  • 1. als werknemer in februari 2020 ten minste € 400 aan loon heeft genoten;

  • 2. als werknemer in maart 2020 ten minste € 1 aan loon heeft genoten;

  • 3. op 1 april 2020 achttien jaar of ouder was en de AOW-leeftijd nog niet had bereikt;

  • 4. substantieel inkomensverlies heeft geleden ten opzichte van februari;

  • 5. daardoor in april geen substantieel inkomen meer uit loon had;

  • 6. verklaart de TOFA nodig te hebben als bijdrage in de gebruikelijke kosten van hun levensonderhoud; en

  • 7. ten behoeve van dat levensonderhoud geen andere uitkering of inkomensvoorziening ontvangt.

Criterium 1, de inkomensdrempel, houdt in dat het genoten loon in februari 2020 minstens € 400 bruto moet zijn geweest. Naar aanleiding van de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Asscher/Van Weyenberg is de inkomensdrempel vastgesteld op € 400. Daardoor komen, ten opzichte van het kabinetsvoorstel voor een drempel van € 500, naar verwachting meer jongeren en studenten met een bijbaan in aanmerking voor de TOFA. De inkomensdrempel correspondeert met ongeveer 10 uur per week werken op het niveau van het wettelijk minimumloon.

Criterium 2 houdt in dat iemand in maart 2020 loon moet hebben genoten als werknemer. Voor deze maand is gekozen omdat de coronacrisis half maart in volle hevigheid uitbrak. Daarmee is de kans groter dat het inkomensverlies verband houdt met het coronavirus, want iemand die in de hele maand maart geen loon heeft gehad, is zeer waarschijnlijk om andere redenen werkloos geworden (tot half maart was er immers nog geen sprake van contactbeperkende maatregelen). Wat in deze regeling onder werknemer wordt verstaan, wordt verderop toegelicht.

Criterium 3 houdt in dat jongeren jonger dan 18 jaar en ouderen vanaf de AOW-leeftijd niet in aanmerking komen. Zij zijn voor hun levensonderhoud aangewezen op andere middelen, bijvoorbeeld hun ouders of de AOW.

Criterium 4, het inkomensverlies, houdt in dat het loon in april 2020 minstens 50% lager moet zijn dan in februari 2020. De keuze voor februari is gestoeld op dezelfde reden als bij criterium 1. Er is voor april gekozen omdat dit de eerste volledige kalendermaand in de coronacrisis is. Veel flexkrachten zullen niet eerder dan medio maart door de coronacrisis inkomensverlies hebben gehad. Een inkomensverlies na april leidt niet tot recht op TOFA. Voor het percentage van 50% is gekozen vanuit de gedachte dat iemand een lager inkomensverlies zelf zal moeten opvangen (bijvoorbeeld uit zijn vermogen of inkomen van de partner). Recht op TOFA kan ontstaan door verschillende omstandigheden. Het inkomensverlies hoeft dus niet door werkloosheid te komen. Een oproepkracht die niet kan werken door verkoudheidsklachten, maar geen recht heeft op een Ziektewetuitkering (ZW), kan bijvoorbeeld een beroep doen op de TOFA. Als er voor iemand geen inkomensgegevens over april in de polisadministratie aanwezig zijn, wordt uitgegaan van 100% inkomensverlies.

Criterium 5, het inkomensplafond, houdt in dat de ontvanger in april 2020 maximaal € 550 aan loon mag hebben verdiend. Het inkomensplafond is hetzelfde als de hoogte van de tegemoetkoming. Er bestaat geen recht op een TOFA-tegemoetkoming als het loon in april 2020 gelijk is aan of hoger is dan de tegemoetkoming zelf.

Criterium 6 drukt uit dat de TOFA alleen bedoeld is voor mensen die de tegemoetkoming daadwerkelijk nodig hebben als bijdrage in de gebruikelijke kosten van hun levensonderhoud. In normale tijden, met een veel langere voorbereidings- en implementatietijd, zouden de voorwaarden om de TOFA-tegemoetkoming te krijgen dat nauwkeurig tot uitdrukking brengen. Omdat die tijd er niet is – en de andere criteria op zichzelf niet garanderen dat alle mensen die formeel in aanmerking komen voor de tegemoetkoming, ook daadwerkelijk tot de beoogde doelgroep behoren – is in deze regeling gekozen voor een verklaring van de aanvrager. Deze verklaring is subjectief: er is geen beoordelingskader voor de vraag wanneer iemand de tegemoetkoming wel of niet voor het beschreven doel nodig heeft. Dat is ter beoordeling door de aanvrager zelf. Op grond van deze verklaring zal daarom niet worden teruggevorderd.

Criterium 7 bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste mag er in april 2020 geen andere uitkering of inkomensvoorziening zijn ontvangen. Als iemand in die maand een bijstandsuitkering, een door UWV betaalde uitkering, of een vergelijkbare buitenlandse uitkering ontving, maakt die persoon al aanspraak op de sociale zekerheid en is de TOFA, gelet op het vangnetkarakter van de regeling, niet voor hem of haar bedoeld. Het principe dat een andere uitkering voorgaat geldt ongeacht de hoogte van die uitkering, dus ook als de ontvangen uitkering of inkomensvoorziening lager is dan de TOFA. Ten tweede dient de aanvrager te verklaren dat over april aan hem of haar geen uitkering is toegekend, noch door UWV, noch door de gemeente (bijstand, Bbz of Tozo), noch door een buitenlandse instantie.

Voor het bepalen van het loon wordt aangesloten bij het loon dat iemand als werknemer heeft genoten. Daarbij wordt uitgegaan van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en aangesloten bij het werknemersbegrip van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Dit begrip omvat alle werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben en alle werkenden die op grond van een fictieve dienstbetrekking verzekerd zijn voor de WW, ZW en/of WIA. Ook stagiairs, die niet verzekerd zijn voor de WW of WIA maar wel voor de ZW, vallen onder dat begrip. Mensen die een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen ontvangen, vallen ook onder dit werknemersbegrip, maar aangezien een uitkering doorgaans niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt gekwalificeerd, komen zij niet in aanmerking voor de tegemoetkoming. Werkenden voor wie wel loonbelasting wordt afgedragen maar die niet verzekerd zijn voor de WW, ZW en WIA, vallen niet binnen de doelgroep. Zij vallen immers niet onder het begrip werknemer: ze hebben geen reguliere arbeidsovereenkomst en ook geen fictieve dienstbetrekking voor de werknemersverzekeringen. Het grootste deel van deze groep betreft directeuren-grootaandeelhouders (DGA’s). Zij kunnen, als zij aan de voorwaarden voldoen, een beroep doen op de TOZO. Huishoudelijke hulpen, die doorgaans op minder dan vier dagen in de week werkzaam zijn in het huishouden van een natuurlijk persoon, zijn niet verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen en hun loon wordt niet in de polisadministratie geregistreerd. Zij komen daarom niet in aanmerking voor de TOFA.

Voor alle bovenstaande criteria wordt strikt aangesloten bij de inkomensgegevens die het UWV kan afleiden uit de polisadministratie. Het is voor het UWV – in het kader van deze regeling – niet uitvoerbaar om andere vormen van inkomen, bijvoorbeeld inkomen genoten als zelfstandige of in het buitenland, mee te nemen in het toetsen van de criteria. In sommige gevallen kan dat nadelig uitpakken voor de aanvrager, bijvoorbeeld als diegene in februari € 300 in loondienst verdiende en € 300 als zelfstandige. Deze persoon heeft dan onvoldoende loon genoten om aan criterium 1 te voldoen. Het is helaas niet mogelijk om in deze noodregeling rekening te houden met uiteenlopende bijzondere situaties.

Een nadere omschrijving van de doelgroep – waaronder de omvang en de kenmerken van de mensen die eronder vallen – is opgenomen in de brief van de minister van SZW aan de Tweede Kamer van 20 mei jl.7

Hoogte van de tegemoetkoming

De tegemoetkoming bedraagt bruto € 550 per maand over de maanden maart, april en mei 2020. Dit bedrag is gebaseerd op CBS-cijfers over de gemiddelde verdiensten van oproepkrachten, te weten bruto € 825 per maand. Uitgaande van een tegemoetkoming van 70% van dat gemiddelde bedrag, zou de hoogte van de TOFA dan € 577,50 bruto per maand zijn. Naar aanleiding van de hierboven genoemde motie-Asscher/Van Weyenberg is echter gekozen voor een tegemoetkomingshoogte die redelijkerwijs aansluit bij het verlaagde drempelbedrag van € 400. De tegemoetkoming bedraagt daarom € 550 bruto per maand.

Fiscale behandeling

De tegemoetkoming geldt als belastbaar loon voor de inkomstenbelasting. Het kwalificeert daarbij als loon uit vroegere dienstbetrekking. Aangezien de TOFA voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van het levensonderhoud na geleden inkomensverlies, wordt de TOFA-tegemoetkoming gekwalificeerd als vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in artikel 3.82 van de Wet inkomstenbelasting 2001. UWV houdt in beginsel loonbelasting en premie volksverzekeringen in over de tegemoetkoming en zal een nettobedrag storten op de rekening van de ontvanger. De tegemoetkoming telt mee voor de hoogte van de inkomensafhankelijke toeslagen zoals de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en de huurtoeslag. De loonheffing is een voorheffing van de inkomstenbelasting. Daarom kan de tegemoetkoming ook leiden tot een additionele heffing bij de aanslag inkomstenbelasting 2020. Dit is afhankelijk van de individuele situatie van de ontvanger van de tegemoetkoming.

Het UWV maakt bij de uitvoering van deze regeling gebruik van een standaard set van fiscale parameters die bepalend zijn voor het al dan niet toepassen van de loonheffingskorting. Het gevolg hiervan is dat bij de uitbetaling van de tegemoetkoming de loonheffingskorting standaard wordt toegepast, tenzij de ontvanger een bestaande inkomstenverhouding heeft met het UWV waarbij de loonheffingskorting niet wordt toegepast. Dat betekent dat artikel 23, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, buiten toepassing wordt gelaten bij de uitvoering van de TOFA. In de huidige uitzonderlijke omstandigheden wordt dit aanvaardbaar geacht, omdat dit noodzakelijk is voor een snelle uitbetaling van de tegemoetkoming. Afhankelijk van de individuele situatie van de ontvanger kan standaard toepassing van de loonheffingskorting leiden tot een additionele heffing bij de aanslag inkomstenbelasting 2020. Het is van belang dat ontvangers van de tegemoetkoming hier rekening mee houden.

Voor de fiscale behandeling van de TOFA en de standaard toepassing van de loonheffingskorting is een wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 nodig. Vanwege het spoedeisende karakter van deze regeling kan de benodigde wetswijziging niet worden afgewacht. Daarom wordt het UWV gevraagd om bij de uitvoering van deze regeling te anticiperen op de reparatiewet die nog tot stand wordt gebracht. Aan de wetswijziging wordt terugwerkende kracht verleend tot en met de datum van inwerkingtreding van deze regeling. Daarbij wordt benadrukt dat de reikwijdte van de wetswijziging strikt beperkt blijft tot deze uitzonderlijke situatie.

De TOFA-tegemoetkoming is geen SV-loon. De tegemoetkoming leidt daardoor niet tot recht op een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen en telt ook niet mee bij de bepaling van het dagloon voor eventuele uitkeringen.

Proces van aanvraag, toekenning en uitbetaling

Het UWV streeft ernaar aanvragen voor TOFA vanaf 22 juni in behandeling te nemen. Vanwege de korte tijd waarin de regeling is opgezet is de datum echter niet volledig zeker. Als in de voorafgaande week blijkt dat de systemen nog niet voldoende gereed zijn, wordt de regeling later opengesteld. De regeling zal daar dan op worden aangepast.

Ten behoeve van een efficiënte aanvraag- en toekenningsprocedure, wordt het aanvraagproces digitaal ingericht. Het UWV stelt een digitaal aanvraagformulier beschikbaar via de website www.uwv.nl. De aanvrager doorloopt eerst een voorportaal met enkele vragen die bedoeld zijn om een indicatie te geven of de (potentiële) aanvrager recht heeft op een tegemoetkoming. Nadat het voorportaal is doorlopen, kan het digitale aanvraagformulier worden ingevuld. De aanvrager kan het aanvraagformulier invullen door in te loggen met zijn of haar DigiD. Voor het indienen van de aanvraag geldt een termijn van drie weken vanaf de datum waarop het aanvraagportaal is opengesteld. Een aanvraag kan vanaf 22 juni 2020 tot en met uiterlijk 12 juli 2020 worden ingediend. Daarna sluit het digitale aanvraagportaal.

Het is ook mogelijk om een papieren aanvraagformulier op te vragen bij het UWV. Het is dus niet verplicht om de aanvraag via het digitale aanvraagportaal in te dienen. Het is echter wel verplicht om het door het UWV beschikbaar gestelde aanvraagformulier te gebruiken. Het papieren aanvraagformulier kan telefonisch bij het UWV worden opgevraagd. Dit wordt vervolgens per post toegestuurd. Het UWV kan bij het papieren aanvraagformulier nadere bewijsstukken opvragen om de identiteit en het rekeningnummer van de aanvrager vast te stellen.

Nadat de aanvraag is ingediend, controleert het UWV op grond van het aanvraagformulier en de polisadministratie of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden. Als dat zo is, maakt het UWV de tegemoetkoming zo snel mogelijk over aan de ontvanger.

Aan het ontvangen van een TOFA-tegemoetkoming zijn verder geen formele voorwaarden verbonden. Er geldt bijvoorbeeld geen sollicitatieplicht of plicht om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. Er is ook geen toets op reden of de verwijtbaarheid van het inkomensverlies. Het zou, gegeven de beschikbare tijd en capaciteit, namelijk niet haalbaar zijn om op zulke voorwaarden te controleren.

Internationale aspecten

De Europese Verordening (EG) nr. 883/2004 coördineert de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten. Deze Verordening wijst bijvoorbeeld de lidstaat aan die uitkeringen moet betalen bij grensoverschrijdende werkzaamheden en regelt de export van uitkeringen. Om onder de werkingssfeer van Verordening 883/2004 te vallen moet een regeling aan twee voorwaarden voldoen. Er moet sprake zijn van een wettelijk afdwingbaar recht. Daarnaast moet de regeling verband houden met één van de in de Verordening genoemde sociale zekerheidsrisico’s (bijvoorbeeld werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid).8 Sociale bijstandsuitkeringen zijn van de werkingssfeer van deze Verordening uitgesloten. Volgens het Hof van Justitie vallen uitkeringen die op algemene wijze een bestaansminimum waarborgen en niet kunnen worden ingedeeld in een van de takken van sociale zekerheid waarop de Verordening van toepassing is niet onder de Verordening.9

De TOFA valt niet onder de werkingssfeer van Verordening 883/2004. De regeling dekt namelijk niet een van de in de Verordening genoemde sociale zekerheidsrisico’s. Het is daarentegen een tijdelijke vangnetregeling met een algemeen karakter: de TOFA geeft een tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud aan werknemers die inkomensverlies hebben geleden als gevolg van de Corona-crisis, geen uitkering ontvangen en onvoldoende bestaansmiddelen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien. Bij de classificatie van de regeling zijn, naast de hierboven genoemde doelstelling, nog de volgende kenmerken relevant. In de eerste plaats, dient de aanvrager te verklaren de tegemoetkoming nodig te hebben als bijdrage in de gebruikelijke kosten van levensonderhoud. Het maakt voor het recht op de tegemoetkoming niet uit wat de oorzaak is van het inkomensverlies.10 Daarnaast is het recht op TOFA onafhankelijk van premiebetaling. Ook staan de hoogte en duur van de tegemoetkoming los van de verdiende inkomsten en gewerkte perioden. Alle gerechtigden ontvangen hetzelfde bedrag over dezelfde periode. De tegemoetkoming wordt niet per maand betaald, maar achteraf in de vorm van een bedrag ineens. Andere factoren (zoals de vraag of iemand ingeval van werkloosheid vrijwillig of onvrijwillig werkloos is geworden en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt of inspanningen verricht om weer een inkomen te genereren) spelen geen rol. Het algemene karakter van de regeling blijkt tot slot uit het feit dat deze wordt gefinancierd uit de algemene middelen.

De TOFA is wel een sociaal voordeel in de zin van Verordening 492/2011 en moet op grond van die Verordening ook worden toegekend aan werknemers die in februari en maart in Nederland in loondienst werkten en in een andere lidstaat wonen.11 Grensarbeiders of arbeidsmigranten die in februari en maart 2020 in Nederland in loondienst werkten en aan de overige voorwaarden voldoen, kunnen dus aanspraak maken op de tegemoetkoming.

De TOFA bevat geen exportbeperking. Dit betekent dat de tegemoetkoming in voorkomende gevallen ook kan worden geëxporteerd naar landen buiten de EU. Het opnemen van een beperking van export naar landen buiten de EU zou betekenen dat UWV bij de uitvoering met een extra criterium te maken krijgt (woonplaats). Gelet op de schaarse capaciteit om de regeling uit te voeren bij UWV, het naar verwachting geringe aantal gevallen waarin export naar landen buiten de EU aan de orde zou zijn en de tijdelijkheid van de regeling is hier niet voor gekozen.

Uitvoering en kosten

Deze regeling is tot stand gekomen onder unieke omstandigheden. UWV heeft geen reguliere uitvoeringstoets kunnen uitvoeren en de regeling kent minder waarborgen dan gebruikelijk om onwenselijk gebruik, oneigenlijk gebruik en misbruik tegen te gaan. De risico’s die met deze regeling gepaard gaan, zijn daarmee groter dan gebruikelijk. Dat geldt nadrukkelijk ook voor het risico op onvoorziene procesverstoringen bij UWV. De Tweede Kamer is vóór inwerkingtreding van deze regeling vertrouwelijk geïnformeerd over de belangrijkste risico’s.

De budgettaire effecten van deze regeling worden geraamd op circa € 0,2 miljard (inclusief uitvoeringskosten). Dit betreft een grove inschatting, omdat er geen goede empirische gegevens beschikbaar zijn over de omvang van de groep die in aanmerking komt.

De regeldruk wordt geraamd op maximaal € 2,7 miljoen. Daarbij is uitgegaan van vijf minuten voor alle flexwerkers om kennis te nemen van de regeling en vijf minuten voor het indienen van een aanvraag.

Artikelsgewijs

De wettelijke grondslag voor deze tegemoetkomingsregeling is de Kaderwet SZW-subsidies. Artikel 9 van die wet geeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid om regels te stellen met betrekking tot spoedeisende, tijdelijke verstrekkingen van aanspraken op financiële middelen. Het gaat hier uitdrukkelijk niet om subsidies. Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook niet van toepassing op deze regeling.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In het eerste artikel van deze regeling zijn een aantal begrippen omschreven. Een aantal begripsbepalingen wordt hier nader toegelicht.

Aangiftetijdvak

Werkgevers doen bij de Belastingdienst aangifte over het loon dat zij aan hun werknemers hebben betaald. Afhankelijk van hun wijze van verloning doen zij dat per aangiftetijdvak van een maand of van vier weken. De loongegevens in de polisadministratie bij het UWV worden per aangiftetijdvak geregistreerd.

Loon

Voor de definitie van loon wordt aangesloten bij het loon voor de sociale verzekeringen op grond van artikel 16 van de Wfsv (hierna: SV-loon), en wel alleen voor zover het gaat om loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Het SV-loon is behoudens enkele uitzonderingen gelijk aan het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964. Doordat loon uit vroegere dienstbetrekking is uitgesloten, vallen betalingen zoals transitievergoedingen, ontslagvergoedingen en de meeste tegemoetkomingen na afloop van de dienstbetrekking niet onder deze definitie. Loondervingsuitkeringen worden uitgezonderd van het loonbegrip, waardoor dit begrip alleen betrekking heeft op loon voor zover dat uit privaatrechtelijke, publiekrechtelijke en fictieve dienstbetrekkingen is genoten.

Loondervingsuitkering

Het begrip loondervingsuitkering is relevant in het kader van de uitsluitingsgronden die zijn opgenomen in deze regeling.

Werknemer

Voor het werknemersbegrip wordt aangesloten bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wfsv. Deze definitie omvat alle werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben en alle werkenden die op grond van een fictieve dienstbetrekking verzekerd zijn voor de WW, ZW en/of WIA.

Werkgever

Ook voor het werkgeversbegrip wordt aangesloten bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wfsv. De werkgever is de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hierbij wordt opgemerkt dat de overheidswerkgever in de zin van voornoemde wetten ook onder het begrip werkgever valt.

Artikel 2. Het recht op een tegemoetkoming

In dit artikel wordt bepaald aan welke voorwaarden voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming. De beleidsmatige overwegingen bij deze voorwaarden worden toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 3. Vaststelling van het loon

Eerste en tweede lid

Loongegevens van werknemers worden door de werkgever aangegeven bij de Belastingdienst en komen zo uiteindelijk bij UWV in de polisadministratie terecht. Het eerste en tweede lid regelen dat voor de bepaling van het loon van de werknemer, de loonaangifte door de werkgever als basis wordt genomen. Hiermee wordt aangesloten bij de werkwijze van de socialezekerheidswetten, zoals bepaald in artikel 4:1, derde en negende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.

Voor de werknemers van wie de werkgever loonaangifte doet per maand, regelt het eerste lid dat voor de bepaling van het loon in een bepaalde maand, het loon wordt genomen zoals de werkgever dat over dat aangiftetijdvak heeft aangegeven. Voor februari 2020 wordt bijvoorbeeld het loon zoals aangegeven over het aangiftetijdvak februari 2020 in aanmerking genomen, ook als dat loon betrekking heeft op arbeid die is verricht in januari 2020.

Het tweede lid regelt hetzelfde voor werknemers van wie de werkgever loonaangifte doet per tijdvak van vier weken, met dien verstande dat het loon wordt toegerekend aan de maand waarin de laatste dag van het vierwekentijdvak valt. Voor februari 2020 wordt bijvoorbeeld het loon zoals aangegeven over het tweede vierwekentijdvak van 2020 (27 januari tot en met 23 februari) in aanmerking genomen.

Artikel 4. Uitsluitingsgronden

Eerste lid

De tegemoetkoming is niet bedoeld voor mensen die in of over de maand april 2020 aanspraak hebben gemaakt op een uitkering. Daarom geldt een aantal uitsluitingsgronden voor het recht op de tegemoetkoming. Het gaat hierbij om ontvangen uitkeringen in de maand april 2020 of toegekende uitkeringen over de maand april 2020. Dit wordt hieronder per onderdeel nader toegelicht.

Onderdeel a

Dit onderdeel heeft betrekking op uitkeringen op grond van de Participatiewet. Het gaat om reguliere algemene bijstand op grond van hoofdstuk 3 van de Participatiewet en om bijstandverlening aan zelfstandig ondernemers op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers. Degene die in april 2020 een bijstandsuitkering heeft ontvangen of over april 2020 een bijstandsuitkering toegekend heeft gekregen, is uitgesloten van het recht op een tegemoetkoming. Het UWV maakt bij de boordeling van een aanvraag gebruik van de gegevens in de polisadministratie. Het is mogelijk dat een toegekende bijstandsuitkering nog niet is uitbetaald in de maand april 2020. Daarom dient de aanvrager hierover te verklaren in de aanvraag (artikel 2, onderdeel g).

Onderdeel b

Degene die in april 2020 een loondervingsuitkering heeft ontvangen, is uitgesloten van het recht op een tegemoetkoming. Ook dit wordt beoordeeld op basis van de gegevens in de polisadministratie.

Onderdeel c

Degene die over de maand april 2020 een buitenlandse uitkering toegekend heeft gekregen, is ook uitgesloten van het recht op een tegemoetkoming. Het gaat om een uitkering die op grond van een buitenlandse wettelijke regeling is toegekend en die naar aard en strekking vergelijkbaar is met een loondervingsuitkering of een bijstandsuitkering. De aanvrager verklaart hierover in het aanvraagformulier (artikelen 2, onderdeel g, en 7, vierde lid).

Onderdelen d en e

Iemand die in april 2020 in detentie zat, dan wel zich heeft onttrokken aan een gevangenisstraf of andere vrijheidsbenemende maatregel, heeft geen recht op een tegemoetkoming.

Tweede lid

Bij de vaststelling of sprake is van een ontvangen bijstandsuitkering of loondervingsuitkering in de maand april 2020 wordt uitgegaan van de uitkeringen zoals die zijn aangegeven in de polisadministratie. Hierbij wordt dezelfde systematiek toegepast als bij de vaststelling van genoten loon. Daarom wordt artikel 3 van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat betekent dat de loonaangifte van de uitkerende instantie als basis wordt genomen. Een uitkering die is aangegeven in het aangiftetijdvak april 2020 wordt toegerekend aan de maand april 2020. Voor uitkeringen die worden aangegeven per vierwekentijdvak geldt dat deze worden toegerekend aan de maand waarin de laatste dag van het vierwekentijdvak valt. Voor toegekende uitkeringen die nog niet zijn aangegeven in de polisadministratie gaat het UWV uit van de verklaring in het aanvraagformulier (artikel 2, onderdeel g).

Artikel 5. De tegemoetkoming

Voor een nadere toelichting op de periode waarover de tegemoetkoming wordt toegekend en het bedrag van de tegemoetkoming wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 6. Weigeringsgronden

Voor aanvragen op grond van deze regeling geldt een aantal weigeringsgronden.

Onderdeel a

De tegemoetkoming wordt geweigerd als de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen. Het gaat hierbij om de gegevens die op grond van artikel 7, derde lid, in de aanvraag moeten worden vermeld. Het gaat daarbij ook om de vereiste schriftelijke verklaringen (artikelen 2, onderdelen f en g, en 7, vierde lid). Als de aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om deze binnen de door het UWV gestelde hersteltermijn aan te vullen. Dit is nader toegelicht onder artikel 7.

Onderdeel b

De tegemoetkoming wordt geweigerd als de aanvraag niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. De aanvraagtermijn is geregeld in artikel 7, tweede lid.

Onderdeel c

Een tegemoetkoming op grond van deze regeling kan per aanvrager eenmalig worden toegekend. Dat betekent dat de aanvraag wordt afgewezen als de aanvrager reeds een toekenning op grond van deze regeling heeft ontvangen. Het is dus niet mogelijk om een tegemoetkoming voor een tweede keer toe te kennen aan dezelfde aanvrager.

Onderdeel d

Voor de vaststelling van het loon maakt het UWV gebruik van gegevens in de polisadministratie. Het is mogelijk dat er geen loongegevens in de polisadministratie aanwezig zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de werknemer geen loon heeft genoten in die betreffende maand. Indien dat het geval is voor de maanden februari of maart, wordt niet voldaan aan artikel 2, onderdeel a of b, en wordt de tegemoetkoming geweigerd.

Artikel 7. Aanvraag

Dit artikel bevat enkele bepalingen betreffende de aanvraagprocedure. De vormgeving van de procedure is nader toegelicht in het algemeen deel van de toelichting. Daarin zijn ook de uiterste aanvraagtermijn en de mogelijkheid van een papieren aanvraag toegelicht.

Eerste en tweede lid

Het UWV neemt alleen volledig ingevulde aanvragen in behandeling. Het UWV kan op grond van artikel 4:5 van de Awb besluiten om een onvolledige aanvraag niet in behandeling te nemen, mits de aanvrager in de gelegenheid is gesteld om de onvolledige aanvraag aan te vullen. Een aanvraag is volledig als het aanvraagformulier alle gegevens bevat die genoemd zijn in artikel 7, derde lid, en de verklaringen, bedoeld in artikel 7, vierde lid, bevat. Als er sprake is van een onvolledige aanvraag, stelt UWV een termijn waarbinnen de aanvrager de gelegenheid heeft om het aanvraagformulier aan te vullen. De aanvraag wordt vervolgens in behandeling genomen als deze binnen de hersteltermijn volledig is aangevuld. Als de aanvraag niet binnen de door het UWV gestelde hersteltermijn is aangevuld, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Op grond van artikel 4:5, vierde lid, Awb meldt het UWV binnen vier weken na het verstrijken van de hersteltermijn dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

In deze regeling is geen beslistermijn geregeld. In de Kaderwet SZW-subsidies is ook geen beslistermijn geregeld. Dat betekent dat de reguliere beslistermijn uit artikel 4:13 Awb van de toepassing is. De beschikking wordt dus gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Deze regeling wordt grotendeels geautomatiseerd uitgevoerd. Dat maakt het mogelijk om de beschikkingen binnen korte termijn te geven. Op grond van artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, geldt een uiterste beslistermijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Als deze beslistermijn niet kan worden gehaald, deelt het UWV dit aan de aanvrager mede op de in artikel 4:14 van de Awb voorgeschreven wijze.

Derde lid

Voor de uitvoering van deze regeling zijn een aantal gegevens van de aanvrager nodig. In het derde lid is opgenomen welke gegevens door de aanvrager worden verstrekt in het aanvraagformulier. Hierna wordt kort toegelicht waarom deze gegevens nodig zijn. Het burgerservicenummer en de geboortedatum zijn nodig om de identiteit van de aanvrager vast te stellen en om de benodigde gegevens in de polisadministratie te raadplegen. Verder is ook het telefoonnummer van de aanvrager nodig, zodat er indien nodig contact kan worden opgenomen met de aanvrager. Ten slotte is het bankrekeningnummer van de aanvrager nodig, zodat een toegekende tegemoetkoming kan worden uitbetaald. Voor een betaling aan een buitenlands bankrekeningnummer zijn aanvullende gegevens nodig. Het gaat om het BIC-nummer, de bankcode, de naam en de vestigingsplaats van de bank. Als deze gegevens niet worden verstrekt, is de aanvraag onvolledig en kan het UWV besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvrager wordt wel in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen een hersteltermijn aan te vullen.

Vierde lid

Voor het recht op een tegemoetkoming zijn in artikel 2, onderdelen f en g, een tweetal aanvullende voorwaarden opgenomen. Het gaat om schriftelijke verklaringen. In het aanvraagformulier kunnen de bedoelde verklaringen worden aangevinkt. Als deze onderdelen van het aanvraagformulier niet zijn ingevuld, is sprake van een onvolledige aanvraag. Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt. De verklaringen, die een verplicht onderdeel zijn van het aanvraagformulier, dienen naar waarheid te worden ingevuld.

Artikel 8. Informatieverplichtingen

Dit artikel regelt de verplichtingen waaraan de aanvrager c.q. ontvanger van de tegemoetkoming tijdens en na het aanvraag- en toekenningsproces moeten voldoen.

Eerste lid

In het eerste lid is een informatieplicht voor de aanvrager opgenomen. Het UWV kan bij de beoordeling van een aanvraag nadere informatie en bewijsstukken opvragen bij de aanvrager als dat nodig is om een besluit te nemen tot toekenning of afwijzing van een aanvraag. De aanvrager is verplicht om hieraan mee te werken. Omdat de regeling zo is vormgegeven dat UWV een aanvraag kan beoordelen op grond van het aanvraagformulier en de polisadministratie, wordt niet voorzien dat dit in veel gevallen noodzakelijk zal zijn. Desondanks is een informatieplicht opgenomen voor die – vooralsnog niet voorziene – gevallen waarin nader onderzoek aangewezen blijkt.

Tweede lid

In het tweede lid is een informatieplicht opgenomen voor degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend. Nadat de tegemoetkoming is toegekend, kan het UWV indien nodig nadere informatie en bewijsstukken opvragen. Het doel hiervan is om de rechtmatigheid van de toekenning vast te stellen. Degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend, is verplicht om hieraan mee te werken. Deze verplichting geldt tot vijf jaar na de datum van toekenning van de tegemoetkoming. Dergelijk nader onderzoek zou bijvoorbeeld kunnen worden gedaan naar aanleiding van vermoedens dat de informatie in de polisadministratie niet klopte ten tijde van toekenning van de tegemoetkoming. Als men niet meewerkt aan deze informatieplicht, kan de tegemoetkoming op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, worden ingetrokken en vervolgens worden teruggevorderd (artikel 10, tweede lid).

Derde lid

Aanvragers dienen tot vijf jaar na datum van toekenning van de tegemoetkoming mee te werken aan onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling. Dit onderzoek zou kunnen worden ingesteld als evaluatie van de regeling en/of als voorbereiding op eventueel nieuw beleid.

Artikel 9. Betaling

Zodra het recht op de tegemoetkoming op aanvraag is vastgesteld, wordt de tegemoetkoming zo spoedig mogelijk uitbetaald aan de rechthebbende. Voor de uitbetaling van de tegemoetkoming geldt een uiterste termijn van acht weken na de datum van toekenning van de tegemoetkoming.

Artikel 10. Besluit intrekken en terugvordering

De tegemoetkoming wordt eenmalig toegekend op basis van de informatie zoals die op dat moment bij het UWV bekend is. Achteraf kan blijken dat deze informatie niet juist is geweest, bijvoorbeeld doordat het loon niet correct in de polisadministratie geregistreerd was of als de ontvanger van de tegemoetkoming onterecht heeft verklaard over de periode april 2020 geen uitkering toegekend te hebben gekregen. Voor de gevallen waarin blijkt dat inachtneming van de juiste en volledige gegevens zou hebben geleid tot een afwijzing van de aanvraag, geeft artikel 10 de bevoegdheid om het toekenningsbesluit in te trekken (eerste lid) en de tegemoetkoming terug te vorderen (tweede lid).

Artikel 11. Taak UWV

Op grond van artikel 32d, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de uitvoering van deze regeling opgedragen aan het UWV.

Artikelen 12, 13 en 14. Financiering en verslaglegging

In de artikelen 12, 13 en 14 worden regels gesteld met betrekking tot de financiering van de regeling ten laste van de rijksbegroting. Als uitvoerder van de regeling draagt het UWV zorg voor het beheer en de administratie van de financiële middelen.

Artikel 12 regelt dat het Rijk voorziet in de tegemoetkomingslasten en uitvoeringskosten van de regeling. De kosten van deze regeling worden gefinancierd uit de algemene middelen. De financiering loopt via het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Artikel 13 regelt de bevoorschotting. Het bedrag van de door het UWV geraamde lasten, wordt gestort op de rekening-courant die het UWV op grond van artikel 5.16, onderdeel b, van de Regeling Wfsv, aanhoudt bij het Rijk. Op grond van het tweede lid kan de minister na overleg met het UWV afwijken van de geraamde lasten.

Artikel 14 regelt dat afrekening op basis van de gerealiseerde baten en lasten plaatsvindt via de jaarrekening.

Artikel 15. Inwerkingtreding en vervaldatum

De regeling treedt zo spoedig mogelijk in werking. Er wordt afgeweken van de vaste inwerkingtredingsmomenten en de minimuminvoeringstermijn vanwege de spoedeisende aard van deze regeling. De regeling vervalt met ingang van 1 september 2020, maar blijft van toepassing op de afhandeling van ingediende aanvragen, toegekende tegemoetkomingen en eventuele bezwaar- en beroepsschriftprocedures. Ook de informatieverplichtingen, bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid, blijven gelden voor degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstukken II 2019/20, 35 420 nr. 2.

X Noot
2

Kamerstukken II 2019/20, 35 420 nr. 42.

X Noot
3

CBS, 20 mei 2020. 160 duizend minder mensen met werk in april. Beschikbaar via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/21/160-duizend-minder-mensen-met-werk-in-april.

X Noot
4

Kamerstukken II 2019/20, 35 430 nr. 15.

X Noot
5

Kamerstukken II 2019/20, 35 420 nr. 51.

X Noot
6

Kamerstukken II 2019/20, 35 420 nr. 40.

X Noot
7

Kamerstukken II 2019/20, 35 420 nr. 40.

X Noot
8

Arrest Hof van Justitie Meints (C-57/96).

X Noot
9

Arrest Hof van Justitie Hoeckx (C-249/83).

X Noot
10

Dit kan bijvoorbeeld komen door werkloosheid, door verkoudheid (zonder dat er recht is op een uitkering op grond van de Ziektewet), door verplichte quarantaine als gevolg van ziekte van een huisgenoot of door quarantainemaatregelen in het woonland.

X Noot
11

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU moeten onder sociale voordelen worden verstaan alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan ingezetenen van de lidstaat worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn. Verordening 492/2011 beoogt in het kader van het bevorderen van het vrij verkeer van werknemers te regelen dat werknemers die in een bepaalde lidstaat werken gelijk worden behandeld. In het tweede lid van artikel 7 is meer specifiek bepaald dat een werknemer die onderdaan is van een andere lidstaat dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers. Nu de TOFA voorziet in een vangnetregeling voor werknemers die als gevolg van de Coronacrisis inkomensverlies hebben geleden en niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, betekent dit dat – om de gelijke behandeling te garanderen – ook grensarbeiders en arbeidsmigranten die in februari op de Nederlandse arbeidsmarkt actief waren aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming, als zij aan de voorwaarden voldoen. Dat zij hun woonplaats in een andere lidstaat hebben is immers voor de TOFA als regeling voor werknemers geen relevante omstandigheid.

Naar boven