Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel

23 december 1996

nr. 96003502

Directie Juridische Zaken/Afdeling Wet- en Regelgeving

De Minister van Defensie,

Gelet op artikel 3a, eerste en vierde lid, van de Wet wapens en munitie;

Besluit:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt begrepen onder:

personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de krijgsmacht:

a. Nederlandse en niet-Nederlandse militairen in werkelijke dienst;

b. burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie, belast met de uitoefening van de beveiligings- of bewakingstaak;

c. burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie, werkzaam bij een materieelbeproevings- of onderhoudsafdeling danwel werkzaam bij een schietinrichting of vervoersdienst van wapens en munitie;

d. civiele contractspartijen, voor zover deze door Onze Minister van Defensie zijn belast met het vervoer van wapens of munitie.

Artikel 2

1. De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder a, is gerechtigd tot het vervoeren, voorhanden hebben, transformeren, herstellen, beproeven, doen binnenkomen of uitgaan van wapens of munitie van de categorieën II en III en het dragen van wapens van de categorieën II, III en IV voor zover het uitoefenen van de dienst zulks vereist of, voor zover het het dragen van een wapen van categorie III betreft, dat is voorgeschreven bij een tenue. Daarnaast is de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder a, gerechtigd tot het dragen, vervoeren en voorhanden hebben van een geluidsdemper voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist.

2. Ten aanzien van niet-Nederlandse militairen in werkelijke dienst deel uitmakend van een krijgsmacht van een land dat niet is aangesloten bij de Noord-Atlantische verdragsorganisatie geldt het eerste lid slechts indien de desbetreffende krijgsmacht beschikt over een schriftelijke uitnodiging van Onze Minister van Defensie en is voldaan aan de door Onze Minister van Defensie bij de uitnodiging gestelde voorwaarden. 3. De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder b, is gerechtigd tot het vervoeren of voorhanden hebben van wapens of munitie van de categorieën II en III en het dragen van wapens van de categorieën II, III en IV voor zover zij in bezit zijn van een door Onze Minister van Defensie afgegeven vergunning.

4. De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder c, is gerechtigd tot het vervoeren, voorhanden hebben, transformeren, beproeven en herstellen van wapens of munitie van de categorieën II en III voor zover zij in bezit zijn van een door Onze Minister van Defensie afgegeven vergunning.

5. De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder d, is uitsluitend gerechtigd tot het vervoeren, voorhanden hebben, doen binnenkomen of uitgaan van wapens of munitie van de categorieën II en III voor zover de opdracht daartoe door Onze Minister van Defensie blijkt uit door hen mee te voeren documenten.

Artikel 3

1. Aan de vergunning bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid, kunnen voorschriften worden verbonden met betrekking tot:

a. het eventuele gebruik; en

b. de opslag en het eventuele vervoer van het wapen of de munitie.

2. Namens Onze Minister van Defensie zijn bevoegd de vergunning, bedoeld in artikel 2, derde lid, te verstrekken:

a. de commandanten regionaal militair commando ten aanzien van het binnen hun regio werkzame personeel van de Koninklijke landmacht, behorende tot de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder b;

b. de commandant der zeemacht in Nederland en de directeur materieel Koninklijke marine ten aanzien van het personeel van de Koninklijke marine, behorende tot de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder b;

c. de directeur operatiën van de Koninklijke marechaussee ten aanzien van het personeel van de Koninklijke marechaussee, behorende de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder b;

d. de directeuren materieel ten aanzien van het onder hun krijgsmachtdeel ressorterende personeel behorende tot de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder c;

e. de directeur van het sensor, wapen- en commandosystemen-bedrijf ten aanzien van het binnen dat bedrijf werkzame personeel van de Koninklijke marine, behorende tot de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder c.

Artikel 4

Met ingang van inwerkingtreding van deze regeling berusten vergunningen, afgegeven op grond van de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel van 19 september 1994 (Stcrt. 185), voor de duur van hun geldigheid of op artikel 2, derde lid, of op artikel 2, vierde lid, van deze regeling.

Artikel 5

De Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel van 19 september 1994 (Stcrt. 185) wordt ingetrokken.

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 1996 treedt zij in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 1997.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.


’s-Gravenhage, 23 december 1996. De Minister van Defensie,
J.J.C. Voorhoeve.

Toelichting

De onderhavige Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 vervangt de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel van 19 september 1994 (Stcrt. 185). De vervanging houdt verband met de herziening van de Wet wapens en munitie (Stb. 1995, 580). De uitzonderingsbepalingen in de Wet wapens en munitie en de Regeling wapens en munitie, die de grondslag vormden voor de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel zijn in de herziene Wet wapens en munitie in artikel 3a, eerste en vierde lid, ondergebracht. De thans in dit artikel voor de Minister van Defensie opgenomen bevoegdheid te bepalen in hoeverre de verboden van de Wet wapens en munitie van toepassing zijn op personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de krijgsmacht, is op een aantal punten verruimd.

Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de herziene Wet wapens en munitie zijn ook de verboden, genoemd in artikel 9, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van deze wet niet van toepassing op personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de krijgsmacht voor zover de Minister van Defensie dit bij regeling heeft bepaald. Artikel 9, eerste lid, verbiedt het vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen. In artikel 2, eerste lid, en artikel 2, vierde lid, van de onderhavige Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 is nu bepaald voor de militair in werkelijke dienst respectievelijk de burgerambtenaar in dienst van de Minister van Defensie, werkzaam op een materieelbeproevings- of onderhoudsafdeling, dat deze onder de daarbij omschreven voorwaarden gerechtigd zijn tot het transformeren, beproeven en herstellen van wapens en munitie van de categorieën II en III.

Artikel 13, eerste lid, verbiedt het vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen en te doen uitgaan van een wapen van de categorie I. Van de in artikel 3a, eerste lid, geboden ruimte te bepalen dat dit verbod niet van toepassing is op personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de krijgsmacht is geen gebruik gemaakt met uitzondering van de in categorie I, onderdeel 3° genoemde geluidsdemper. In artikel 2, eerste lid, van de onderhavige regeling is bepaald dat voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist de militair in werkelijke dienst gerechtigd is tot het dragen, vervoeren en voorhanden hebben van dit wapen.

In de herziene Wet wapens en munitie is thans uitdrukkelijk in artikel 3a, vierde lid, geregeld dat de Minister van Defensie bij regeling dient te bepalen of de daarin opgesomde verboden van toepassing zijn op personen, die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de krijgsmacht van een niet-Nederlandse krijgsmacht. Aangezien er in Nederland internationale militaire oefeningen worden gehouden en er buitenlandse troepen in Nederland zijn gestationeerd, is het noodzakelijk het wapenbezit van niet-Nederlandse militairen in werkelijke dienst onder bepaalde voorwaarden toe te staan. In verband hiermee is deze categorie personen uitdrukkelijk in artikel 1, onder a, van de onderhavige regeling opgenomen.

’s-Gravenhage, 23 december 1996.

De Minister van Defensie,

J.J.C. Voorhoeve.

Naar boven