Besluit van 31 augustus 2026 tot wijziging van het Besluit diergezondheid in verband met de tarieven van de diergezondheidsheffing voor 2027 [KetenID WGK028954]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 6 juli 2026, nr. WJZ / 107183329;

Gelet op artikel 9.25, eerste lid, van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2026, nr. W11.26.00216/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 24 augustus 2026, nr. WJZ / 107563602;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

A

Artikel 5.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «€ 0,754455» vervangen door «€ 1,724374».

b. In onderdeel b wordt «€ 0,067361» vervangen door «€ 0,159972».

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «€ 0,203214» vervangen door «€ 0,482598».

b. In onderdeel b wordt «€ 0,986291» vervangen door «€ 2,254138».

3. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «€ 0,018404» vervangen door «€ 0,043710».

b. In onderdeel b wordt «€ 0,007947» vervangen door «€ 0,018871».

B

Artikel 5.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «€ 1,030925» vervangen door «€ 2,356293».

b. In onderdeel b wordt «€ 0,112193» vervangen door «€ 0,263950».

c. In onderdeel c wordt «€ 0,034027» vervangen door «€ 0,080802».

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «€ 1,430447» vervangen door «€ 3,269254».

b. In onderdeel b wordt «€ 0,194406» vervangen door «€ 0,492907».

3. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «€ 0,561462» vervangen door «€ 1,333378».

b. In onderdeel b wordt «€ 0,291961» vervangen door «€ 0,693356».

c. In onderdeel c wordt «€ 0,182475» vervangen door «€ 0,433348».

d. In onderdeel d wordt «€ 0,118802» vervangen door «€ 0,282137».

4. In het vijfde lid wordt «€ 0,023217» vervangen door «€ 0,055135».

C

Artikel 5.8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «€ 0,073748» vervangen door «€ 0,175137».

2. In onderdeel b wordt «€ 0,136832» vervangen door «€ 0,324956».

D

In artikel 5.9, eerste lid, wordt «€ 0,020061» vervangen door «€ 0,047642».

E

Artikel 5.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «€ 5,075» vervangen door «€ 5,051».

2. In het tweede lid wordt «€ 0,607» vervangen door «€ 0,666».

F

Artikel 5.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «€ 1,231» vervangen door «€ 1,475».

2. In het tweede lid wordt «€ 1,918» vervangen door «€ 1,883».

G

Artikel 5.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «€ 0,221» vervangen door «€ 0,218».

b. In onderdeel b wordt «€ 0,111» vervangen door «€ 0,109».

c. In onderdeel c wordt «€ 0,077» vervangen door «€ 0,076».

2. Het tweede wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «€ 0,221» vervangen door «€ 0,218».

b. In onderdelen b en c wordt «€ 0,111» vervangen door «€ 0,109».

c. In onderdeel d wordt «€ 0,077» vervangen door «€ 0,076».

3. In het derde en vierde lid wordt «€ 0,111» vervangen door «€ 0,109».

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2027.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 31 augustus 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

Uitgegeven de tiende september 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

Dit besluit wijzigt het Besluit diergezondheid. Het Besluit diergezondheid bevat voorschriften over onder meer de diergezondheidsheffing. Via de diergezondheidsheffing dragen houders van productiedieren en andere ondernemers in de dierlijke productieketen bij aan de kosten van preventie en bestrijding van dierziekten, die uit het Diergezondheidsfonds worden betaald. De heffing voor het houden van dieren wordt geheven over het aantal dieren van een diersoort of diercategorie dat in een kalenderjaar wordt gehouden of uit de stal is afgevoerd. Uitzondering hierop is pluimvee, waar voor de meeste categorieën wordt geheven per koppel dat in een stal wordt binnengebracht.

In dit besluit worden voor het jaar 2027 de tarieven van de diergezondheidsheffing vastgesteld. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 9.25, tweede lid, van de Wet dieren, dat bepaalt dat de tarieven voor de diergezondheidsheffing per kalenderjaar worden vastgesteld.

2. Tarieven diergezondheidsheffing

2.1 Achtergrond

Op grond van de in hoofdstuk 9, paragraaf 4, van de Wet dieren opgenomen regels over heffingen wordt een diergezondheidsheffing geheven bij degenen die in de uitoefening van hun bedrijf kippen, kalkoenen, eenden, schapen, geiten, varkens of runderen houden, of broedeieren of vaccinbroedeieren inleggen. Tevens wordt een diergezondheidsheffing geheven bij niet-bedrijfsmatige houders van schapen en geiten indien zij 25 of meer schapen of geiten hebben. Deze heffingen komen ten goede aan het Diergezondheidsfonds. Uit het fonds worden de kosten van de preventie en bestrijding van dierziekten betaald. Via de diergezondheidsheffing dragen de betrokken houders dus bij aan de kosten van preventie en bestrijding van dierziekten.

Het Rijk en de betrokken sectoren hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de preventie en bestrijding van dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers in de periode van 2025 tot en met 2029 in het Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2025–2029 (hierna «het convenant»). Overeenkomstig artikel 9.25, zesde lid, van de Wet dieren zijn de vertegenwoordigers van de sectoren met wie het convenant is gesloten betrokken bij de totstandkoming van de tarieven voor het jaar 2027. Voor pluimvee heeft stichting AVINED, net als voorgaande jaren, in afstemming met Wageningen University and Research (WUR), op basis van onder meer de aantallen dieren en de waarde van de verschillende pluimveesoorten, een voorstel gedaan voor een verdeling tussen de verschillende typen pluimveehouderijen. Dit voorstel wordt in dit besluit overgenomen.

2.2. Begroting fonds

De begroting voor het fonds voor het jaar 2027 is gebaseerd op de uitgaven vanuit het Diergezondheidsfonds in 2025, lopende contracten en verwachte veranderingen in deze kosten (inclusief indexatie). Bij het bepalen van de hoogte van de diergezondheidsheffing wordt, naast de begroting, tevens gekeken naar het saldo van elke sector in het Diergezondheidsfonds, ofwel de eventueel opgebouwde tekorten of overschotten. Voor pluimvee, geiten, schapen en varkens beheert het Diergezondheidsfonds ook de crisisreserve. Deze sectoren dienen een saldo in het Diergezondheidsfonds te hebben conform de reserves, genoemd in artikel 5.5 van het Besluit diergezondheid.

De totale ontwerpbegroting van het Diergezondheidsfonds voor 2027 bedraagt € 43,1 miljoen, waarvan € 22,9 miljoen voor de basismonitoring en specifieke monitoringsprogramma’s, € 7,0 miljoen voor crisisparaatheid, waaronder waakvlamcontracten en vaccinbanken, € 10,8 miljoen voor verdenkingen en bestrijding en € 2,3 miljoen voor overige kosten, waaronder de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit, monitoring paard en operationele kosten van het Diergezondheidsfonds. Dit is een stijging ten opzichte van 2026. Toen bedroeg de begroting € 38,1 miljoen. De stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door een hogere begroting voor verdenkingen en bestrijding van vogelgriep. Deze is verhoogd van € 2,6 miljoen naar € 8,5 miljoen. Gezien de sterke fluctuaties van de aantallen uitbraken in de afgelopen jaren, is in de begroting voor het aantal uitbraken uitgegaan van een rapport van WUR. In dat rapport is een schatting voor de introductiekansen voor de belangrijkste bestrijdingsplichtige dierziekten opgenomen. Voor hoogpathogene aviaire influenza (ofwel vogelgriep) zijn jaarlijks veertien uitbraken geschat.1 In de ontwerpbegroting zijn geen uitgaven aan bestrijding van andere (grote) dierziektecrises opgenomen. Deze zijn te onvoorspelbaar en kunnen in eerste instantie gefinancierd worden uit de crisisreserve van elke sector.

De verdeling van de kosten tussen het Rijk en de sectoren vindt plaats conform de afspraken in het convenant. Van de begrote uitgaven van het Diergezondheidsfonds wordt € 13,6 miljoen gedekt door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en € 29,5 miljoen via de heffingen. Dit is zonder de Rijksbijdrage aan de high containment unit (HCU) van Wageningen Bioveterinary Research, die rechtstreeks via de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wordt gefinancierd.

2.3. Bijdragen en tarieven per sector en diercategorie

In tabel 1 tot en met 4b staat een overzicht van de opbouw van de tarieven voor 2027. In de tabellen is inzichtelijk gemaakt welk aandeel van de begroting van het Diergezondheidsfonds voor 2027 op basis van de afspraken over kostenverdeling in het convenant bij een sector horen. Voor twee sectoren (runderen, pluimvee) worden ook kosten in het tarief verwerkt die voortkomen uit ontstane saldotekorten in het verleden.

Voor de rundveesector is het saldotekort deels ontstaan in 2019 waardoor de heffing van runderen structureel een jaar achterloopt op de uitgaven. In 2025 is gestart met het inlopen hiervan in drie jaar tijd. Tevens waren ten gevolge van blauwtongdiagnostiek de uitgaven in 2024 hoger dan begroot. In 2026 is gestart met het inlopen hiervan in twee jaar tijd.

Eind 2025 resulteerde voor de pluimveesector een saldotekort van € 3,3 miljoen en een lege crisisreserve. Voor pluimvee is dit het gevolg van de grote aantallen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza. De voorkeur van AVINED is om eventuele kosten zo min mogelijk vooruit te schuiven en om daarom zowel het saldotekort van eind 2025 als het aanvullen van de beoogde crisisreserve (tot € 7,4 miljoen) volledig mee te nemen in de tarieven voor 2027. Temeer omdat het aantal uitbraken in 2026 ook hoger is dan was begroot in de begroting 2026.

Voor varkens, schapen en geiten is het saldo in het Diergezondheidsfonds op peil.

De tarieven per diersoort zijn bepaald door de begroting per sector plus het in 2027 aan te vullen saldotekort, te delen door het totaal aantal dieren per sector of deelsector. Voor rund, varken, schaap en geit is hierbij uitgegaan van het aantal registraties in I&R in 2025. Voor pluimvee heeft AVINED de berekening van het dieraantal gemaakt. In de berekeningen van de tarieven kunnen afrondingsverschillen zitten, die kunnen leiden tot een klein verschil tussen begrote inkomsten en begrote uitgaven.

Ten opzichte van 2026 dalen de tarieven voor rund ≥ 1 jaar, geit en varken met 0,5%, 1,8% en 1,3%. Ten opzichte van 2026 stijgen de tarieven voor rund < 1 jaar, schaap en pluimvee met 9,7%, 19,8% en 237%. Reden van de stijging bij rund < 1 jaar en schaap is een daling in de dieraantallen. Reden van de grote stijging van de tarieven voor pluimvee zijn de hogere begroting voor de bestrijding van vogelgriep en de grote aantallen vogelgriep uitbraken vanaf eind 2025.

Tabel 1: Rundvee

Rundvee

 

Bedragen in €

   

Runderen ≥ 1 jaar

Runderen < 1 jaar

Begroting 2027

Verdenking en bestrijding

120.448

13.383

 

Monitoring, crisisparaatheid en overige kosten

7.179.921

638.679

Aanvullen of inzetten saldo sector in DGF

Inlopen saldotekort in 3 jaar. Derde jaar

2.393.238

213.762

 

Aanvullen saldotekort 2024 in 2 jaar. Tweede jaar

1.158.300

128.700

Overige inkomsten

 

0

0

Totaal

 

10.851.906

994.524

Aantal dieren

 

2.148.585

1.492.175

Heffing per dier (in €)

 

5,051

0,666

Tabel 2: Schapen en geiten

Schapen en geiten

 

Bedragen in €

   

Schapen

Geiten

Begroting 2027

Verdenking en bestrijding

14.870

14.870

 

Monitoring, crisisparaatheid en overige kosten

1.114.243

1.146.174

Aanvullen of inzetten saldo sector in DGF

 

0

0

Overig

10% aftrek.

Uitgezonderd hiervan zijn de basismonitoring, HCU en uitvoeringskosten

–54.037

–68.030

Totaal

 

1.075.075

1.093.014

Aantal dieren

 

728.962

580.329

Heffing per dier

 

1,475

1,883

Tabel 3a: Varkens begroting

Varkens

 

Bedragen in €

Begroting 2027

Verdenking en bestrijding

111.526

 

Monitoring, crisisparaatheid en overige kosten

3.672.206

     

Aanvullen of inzetten saldo sector in DGF

Verwacht tekort eind 2024

     

Overige inkomsten

 

     

Totaal

 

3.783.731

Tabel 3b: Varkens dieraantallen en tarief per categorie

Varkens categorieën

Aantal dieren

Totaal per categorie in €

Heffing per dier in €

Vleesvarken van A- of B-bedrijf, afgevoerd voor slacht of export

2.944.757

641.957

0,218

Zeug, beer, of gelt, afgevoerd van A- of B- bedrijf

783.392

85.390

0,109

Big, afgevoerd van A- of B-bedrijf naar A-, B-, C- of D-bedrijf of voor slacht of export

13.677.002

1.490.793

0,109

Big van A- of B-bedrijf, afgevoerd naar E- of F-bedrijf

3.251.995

247.152

0,076

Varken, afgevoerd van C- of D-bedrijf

11.116.401

1.211.688

0,109

Varken, afgevoerd van E- of F-bedrijf

3.170.159

104.615

0,033

Totaal*

34.943.706

3.781.595

 
Tabel 4a: Pluimvee begroting

Pluimvee

 

Bedragen in €

Begroting 2027

Verdenking en bestrijding

10.099.630

Monitoring, crisisparaatheid en overige kosten

5.482.811

     

Aanvullen of inzetten saldo sector in DGF

Saldo-tekort en aanvullen crisisreserve

10.727.000

     

Overige inkomsten

Bijdrage Fonds Pluimveebelangen (veldproef salmonella)

227.171

     

Totaal

 

26.082.270

Tabel 4b: Pluimvee dieraantallen en tarief per categorie

Pluimvee categorieën

Totaal per categorie (in €)

Aantal dieren geplaatst

Heffing per dier (in €)

Kip die bestemd is om te worden opgefokt tot grootouderdier (vlees)

431.094

250.000

1,724374

Kip die bestemd is om te worden opgefokt tot ouderdier (vlees)

931.037

5.820.000

0,159972

Grootouderdier (vlees)

349.391

155.000

2,254138

Ouderdier (vlees)

2.147.561

4.450.000

0,482598

Vleeskuiken (niet-traaggroeiend)

2.803.476

148.560.000

0,018871

Vleeskuiken (traaggroeiend)

5.187.503

118.680.000

0,043710

Vrouwelijke vleeskalkoen

113.839

650.000

0,175137

Mannelijke vleeskalkoen

159.228

490.000

0,324956

Eend

161.983

3.400.000

0,047642

Kip die bestemd is om te worden opgefokt tot grootouderdier (leg)

377.007

160.000

2,356293

Kip die bestemd is om te worden opgefokt tot ouderdier (leg)

300.903

1.140.000

0,263950

Kip die bestemd is om te worden opgefokt tot legkip

2.049.947

25.370.000

0,080802

Grootouderdier (leg)

392.310

120.000

3,269254

Ouderdier (leg)

468.262

950.000

0,492907

Legkip die wordt gehouden voor de productie van eieren uit aangepaste kooien

696.878

2.470.000

0,282137

Legkip die wordt gehouden voor de productie van scharreleieren of vaccinbroedeieren

5.087.506

11.740.000

0,433348

Legkip die wordt gehouden voor de productie van eieren van hennen met vrije uitloop

2.433.680

3.510.000

0,693356

Legkip die wordt gehouden voor de productie van biologische eieren

1.986.733

1.490.000

1,333378

Leghanen

3.859

70.000

0,055135

3. Advies en consultatie

Het ontwerpbesluit is van 29 april 2026 tot en met 27 mei 2026 geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl. Op de internetconsultatie zijn vier reacties gekomen.

In een van de reacties wordt opgemerkt dat het oneerlijk is dat het tarief voor biologische kippen hoger is dan het tarief voor scharrelkippen of vrije uitloopkippen. In de reactie wordt aangegeven dat bedrijven met gelijke diersoorten gelijkwaardig behandeld worden. De reden voor het hogere tarief voor legkippen die worden gehouden voor de productie van biologische eieren is dat deze kippen een hogere marktwaarde hebben. Dit betekent ook dat, in geval van het moeten ruimen, de houder van deze kippen een hogere tegemoetkoming in de schade ontvangt.

Een andere reactie gaat over de verdeling van de tarieven over de deelsectoren binnen pluimvee. Aangegeven wordt dat de aantallen dieren die ten grondslag liggen aan deze verdeling niet meer kloppen, en dat de tarieven voor biologisch gehouden dieren naar beneden bijgesteld zouden moeten worden. Stichting AVINED heeft in afstemming met WUR, op basis van onder meer de aantallen dieren en de waarde van de verschillende pluimveesoorten, een voorstel gedaan voor een verdeling van kosten tussen de verschillende typen pluimveehouderijen. In dit voorstel wordt meegenomen: het aantal dieren dat gemiddeld gehouden kan worden per volwaardige arbeidskracht, uitgesplitst per diersoort en houderijsysteem. De aantallen worden periodiek door WUR vastgesteld. De laatste keer was voor de begroting voor het jaar 2025. Sindsdien zijn de aantallen voor legkippen die worden gehouden voor de productie van biologische eieren niet gewijzigd. Deze verdeling van de kosten past binnen de afspraken die de sector zelf hierover heeft gemaakt. Aan stichting AVINED zal ter overweging worden meegegeven om bij het doen van een voorstel voor een verdeling van kosten voor volgend jaar, voor de tarieven voor het jaar 2028, een mogelijke herijking van de cijfers door WUR te vragen.

In een van de reacties is verzocht om een meer gedetailleerd begrotings- en kostenoverzicht voor pluimvee. Deze is gedeeld. Verder wordt in deze reactie gevraagd om het luchtruim en de grenzen te sluiten voor met vogelgriep besmette vogels ter bescherming van de pluimveehouders of, indien dit niet kan, de kosten van de bestrijding van vogelgriep voor rekening van de overheid te laten zijn. Het risico op dierziekten is onlosmakelijk verbonden met het houden van dieren. De houder van dieren blijft primair verantwoordelijk voor het welzijn en de gezondheid van zijn dieren, inclusief de kosten die daarbij komen kijken, ook wanneer de bestrijding door de overheid wordt uitgevoerd. Dat is ook in lijn met de afspraken die zijn gemaakt met de sectoren in het convenant. Dit betekent ook dat de met die vele vogelgriepuitbraken gepaard gaande uitgaven worden meegewogen in de berekening van de tarieven, conform artikel 9.23 van de Wet dieren.

De reacties hebben niet geleid tot een aanpassing van het besluit.

4. Regeldruk

Een ontwerp van dit besluit is niet aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) voorgelegd. Dit besluit heeft geen aanmerkelijke gevolgen voor de regeldruk. Regelgeving betreffende vaststelling of wijziging van tarieven behoeft geen voorafgaande toetsing door de ATR.

5. Notificatie

Dit besluit behoeft geen notificatie bij de Europese Commissie in het kader van richtlijn 2015/15352 of van de Dienstenrichtlijn3, nu het geen technische voorschriften of andere notificeerbare voorschriften bevat.

6. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2027. Dit volgt uit artikel 9.25, tweede en derde lid, van de Wet dieren.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens


X Noot
1

Bijlage bij Kamerstukken II 2023/24, 36 410-XIV, nr. 13.

X Noot
2

Richtlijn 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241).

X Noot
3

Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376).

Naar boven