Besluit van 2 december 2021, houdende wijziging van het Besluit basisregistratie ondergrond en het Invoeringsbesluit Omgevingswet met betrekking tot het aanwijzen van registratieobjecten en een technische wijziging (vierde tranche)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 juli 2021, nr. 2021-001417;

Gelet op de artikelen 9, eerste lid, en 23, eerste lid, van de Wet basisregistratie ondergrond;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 september 2021, No. W04.21.0206/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van (datum, nr. );

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit basisregistratie ondergrond wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 2.1.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.1.9

Met betrekking tot het registratieobject booronderzoek binnen de categorie verkenningen wordt als brondocument aangewezen een document over een geologische boormonsteranalyse die bij een veld- en laboratoriumonderzoek is opgemaakt over de waarnemingen inzake het grondmonster dat is genomen tijdens de geologische boring.

B

Na artikel 2.3.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.3.5

Met betrekking tot het registratieobject formatieweerstandonderzoek binnen de categorie constructies wordt als brondocument aangewezen een document met periodieke waarnemingen van de totale weerstand van de ondergrond binnen het bereik van het gebruikte meetinstrument, die in of aan een monitoringbuis van een grondwatermonitoringput gemeten zijn. De periodieke waarnemingen worden gedaan voor een of meer monitoringdoelen en de geregistreerde resultaten zijn voorzien van een beoordelingsresultaat.

C

Paragraaf 4 van hoofdstuk 2 komt te luiden:

§ 4. Grondwatergebruik

Artikel 2.4.1

Als brondocument met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde registratieobjecten wordt uitsluitend aangewezen een document met gegevens die in het kader van vergunningplichtige of meldingplichtige vormen van grondwatergebruik aan bestuursorganen worden verstrekt:

  • a. voor zover het wateronttrekkingsactiviteiten betreft als bedoeld in artikel 6.37, eerste lid, of 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving,

  • b. voor zover het een milieubelastende activiteit betreft als bedoeld in artikel 3.19 of 4.1136 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of

  • c. voor zover het een wateronttrekkingsactiviteit betreft op grond van een omgevingsverordening of waterschapsverordening, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening.

Artikel 2.4.2

Met betrekking tot het registratieobject grondwatergebruiksysteem binnen de categorie constructies wordt als brondocument aangewezen een document met het geheel aan gegevens dat betrekking heeft op een grondwatergebruiksysteem dat op een bepaalde locatie is ingericht om grondwater direct te gebruiken door grondwateronttrekking, infiltratie of retournering, of indirect te gebruiken voor warmte- en koudecapaciteit.

Artikel 2.4.3

Met betrekking tot het registratieobject grondwaterproductiedossier binnen de categorie constructies wordt als brondocument aangewezen een document met periodieke waarnemingen van onttrokken, geïnfiltreerde of geretourneerde hoeveelheden grondwater, gemeten in een installatie of put van een grondwatergebruiksysteem, die aan het bevoegd gezag zijn gerapporteerd.

D

In artikel 2.5.1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma een onderdeel c toegevoegd, luidende:

  • c. een beschikking als bedoeld in artikel 146 van het Mijnbouwbesluit voor een vergunning voor het winnen van kalksteen.

E

Na artikel 2.5.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.5.2

  • 1. Met betrekking tot het registratieobject mijnbouwconstructie binnen de categorie constructies wordt als brondocument aangewezen een document waarin is vastgelegd:

    • a. de locatie op het aardoppervlak van boorgaten voor de opsporing, winning of opslag van delfstoffen, behalve steenkool en kalksteen, en aardwarmte, alsmede de locatie van de daarbij behorende boortrajecten in de ondergrond, of

    • b. de locatie op het aardoppervlak van de geometrische begrenzing van mijnstelsels met de specificaties van de daarbij behorende gedetailleerde mijnkaarten, of

    • c. de locatie op het aardoppervlak van de geometrische begrenzing van groeven als bedoeld in artikel 145 van het Mijnbouwbesluit, van de toegang tot groeven, en de geometrische begrenzing van winplaatsen in de ondergrond binnen groeven, of

    • d. de locatie op het aardoppervlak van de geometrische begrenzing van zoutcavernes, van boorgaten en ondergrondse boortrajecten ten behoeve van zoutwinning.

  • 2. Bij het aanleveren van een brondocument inzake een mijnbouwconstructie voegt de bronhouder een verwijzing toe naar gedetailleerdere gegevens inzake die constructie. Die verwijzing is een niet-authentiek gegeven.

F

Na artikel 2.6.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.6.6

Met betrekking tot het registratieobject model grondwaterspiegeldieptemodel binnen de categorie authentieke modellen wordt als brondocument aangewezen een document met een model dat grondwaterspiegeldiepte in Nederland karakteriseert, en dat gegevens bevat over:

  • a. de gemiddeld hoogste grondwaterstand,

  • b. de gemiddeld laagste grondwaterstand,

  • c. de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand, en

  • d. de grondwatertrap.

ARTIKEL II

In artikel 5.4, onderdeel A, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt «artikel 2.3.1» vervangen door «artikel 2.3.0».

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, met uitzondering van de onderdelen C tot en met E, die in werking treden met ingang van 1 juli 2022.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 2 december 2021

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

Uitgegeven de zestiende december 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

De Wet basisregistratie ondergrond (hierna: Wet Bro) is op 1 januari 2018 in werking getreden. Deze wet regelt de basisregistratie ondergrond (hierna: BRO). In deze basisregistratie worden gegevens opgenomen over de geologische en bodemkundige opbouw van de ondergrond die voortvloeien uit verkenningen, over ondergrondse constructies, over gebruiksrechten en over authentieke modellen in relatie tot de ondergrond van Nederland met inbegrip van het continentaal plat.1 De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister van BZK) is verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer en ziet toe op het gebruik van de BRO. De Nederlandse Organisatie voor toegepast- natuurwetenschappelijk onderzoek (hierna: TNO) verricht in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de minister van BZK de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot de inrichting en het beheer van de BRO.2

De Wet Bro bepaalt dat gegevens in de BRO worden opgenomen door de verplichte levering van zogenoemde brondocumenten door bestuursorganen aan de minister van BZK. De brondocumenten worden volgens de Wet Bro aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. Het Besluit basisregistratie ondergrond (hierna: Besluit Bro) voorziet in de aanwijzing van deze brondocumenten en regelt daarmee de feitelijke gegevensinhoud van de BRO. De aanwijzing van brondocumenten vindt plaats in verschillende tranches. Per 1 januari 2018 is de eerste tranche van de BRO in werking getreden voor drie registratieobjecten (Stb. 2017, 504). Per 1 januari 2020 is de tweede tranche van de BRO ingevoerd, voor acht registratieobjecten (Stb. 2019, 292). En de derde tranche, met zes nieuwe registratieobjecten, is deels op 1 januari 2021, deels op 1 juli 2021, in werking getreden (Stb. 2020, 365).

Met deze vierde tranche wordt het implementatieprogramma BRO afgesloten. Het voornemen is om parallel aan de totstandkoming van deze tranche een rapport te laten opstellen over het totale implementatieprogramma, waarin de aanvankelijk geplande inhoud en de verwachte kosten/baten worden vergeleken met de gerealiseerde inhoud en kosten/baten. Ook zal dat rapport ingaan op de onderwerpen die voor beheer en doorontwikkeling relevant kunnen zijn. Dit rapport maakt onderdeel uit van de evaluatie waarvoor de verplichting in artikel 42 van de Wet Bro is opgenomen en die aan beide Kamers zal worden aangeboden.

Om het aanleverproces te faciliteren is in samenwerking met bestuursorganen, die in dit verband ook wel bronhouders worden genoemd, een zogeheten bronhouderportaal ontwikkeld. De in het bronhouderportaal ontvangen gegevens worden vervolgens verwerkt in een digitale registratie, de Landelijke Voorziening BRO (hierna: LV BRO).

De BRO en de Omgevingswet

Het stelsel van basisregistraties is in het afgelopen decennium ontwikkeld als een basisinformatievoorziening voor de hele overheid. Basisregistraties bevatten gegevens die op kwaliteit zijn gecontroleerd en zonder nader onderzoek door overheden kunnen worden gebruikt. Het gebruik van authentieke gegevens uit de basisregistraties is daarom voor overheden verplicht gesteld, indien deze gegevens nodig zijn bij de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak. Voor BRO-gegevens is deze verplichting vastgelegd in artikel 27 van de Wet Bro.

De BRO wordt geïmplementeerd ten behoeve van alle maatschappelijke vraagstukken en opgaven die in bodem en ondergrond spelen. De BRO is daarmee een belangrijk instrument in relatie tot de Omgevingswet en het daarbij behorende Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Omdat het stelsel van basisregistraties meer omvat dan alleen de fysieke leefomgeving, is opname van dit stelsel in de Omgevingswet en daarmee van de Wet basisregistratie ondergrond in de Omgevingswet niet aan de orde.

In de huidige opzet bevat de BRO informatie over de opbouw (samenstelling en gelaagdheid) van bodem en ondergrond op basis van boringen en karteringen en daarop gebaseerde modellen van bodem en ondergrond, grondwatergegevens en gegevens over mijnbouwlocaties. Deze informatie is zodanig generiek dat die ook voor de inrichting van de leefomgeving kan worden gebruikt. Ook in het kader van het versterken van de informatiepositie van burgers en bedrijven is het de wens een integraal beeld te geven van de fysieke leefomgeving. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) wordt dan ook gekoppeld aan het stelsel van basisregistraties, waardoor gebruikers in het DSO gegevens uit de BRO kunnen oproepen wanneer dat nodig is.

De huidige BRO, zoals die tot en met 2022 wordt vormgegeven, omvat nog geen gegevens over bodemkwaliteit. De Tweede Kamer heeft bij motie uitgesproken dat dit wel gewenst is (motie Ronnes-van Gerwen, Kamerstukken II 2018/19, 34 864, nr. 19). De minister voor Milieu en Wonen heeft in januari 2020 in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat de gevraagde toevoeging mogelijk is (Kamerstukken II 2019/20, 33 136, nr. 23), maar dat nader onderzoek nodig is naar de scope en de financiering van deze uitbreiding. Dit onderzoek is eind 2020 afgerond. De aanbevelingen en conclusies moeten nog worden afgestemd op de doorontwikkeling van het stelsel van basisregistraties, en voorts in relatie worden gebracht met de realisatie van het vervolg op het Tweede Bodemconvenant. De minister van BZK zal de Tweede Kamer in de loop van 2021 nader informeren.

2. Inhoud van dit besluit

Dit besluit regelt de vierde tranche door het aanwijzen van zes nieuwe registratieobjecten die bestuursorganen in de vorm van brondocumenten aan de BRO moeten aanleveren. Het betreft de volgende objecten:

Registratieobject

Registratie-domein

Categorie

Geologische boormonsteranalyse

Bodem- en grondonderzoek

Verkenningen

Formatieweerstandonderzoek

Grondwater

Constructies

Grondwatergebruiksysteem

Grondwatergebruik

Constructies

Grondwaterproductiedossier

Grondwatergebruik

Constructies

Mijnbouwconstructie

Mijnbouw

Constructies

Model Grondwaterspiegeldiepte

Grondwater

Authentieke modellen

De inhoud van deze tranche is tot stand gekomen op basis van advies van de Programmastuurgroep BRO, die bestaat uit een representatieve vertegenwoordiging van partijen uit het werkveld en op bestuurlijk niveau de minister van BZK adviseert over de realisatie van de BRO.

Voorts is de scope van het registratieobject mijnbouwwetvergunning als volgt gewijzigd.

Mijnbouwwetvergunning

Mijnbouw

Gebruiksrechten

Het registratieobject mijnbouwwetvergunning was door de eerste tranche van de BRO toegevoegd aan het Besluit Bro in artikel 2.5.1.3 Het registratieobject was tot inwerkingtreding van dit besluit niet inwerking getreden, vanwege twijfel bij stakeholders over de vraag of de BRO de aangewezen plaats is voor het gespecialiseerde en complexe domein mijnbouw. Na overleg is overeenstemming bereikt over een beperktere invulling van het domein mijnbouw in het verband van de BRO; daardoor kan dit registratieobject in deze tranche in werking treden. Tevens is artikel 2.5.1 aangepast, hetgeen in de inhoudelijke toelichting hieronder wordt toegelicht.

2.1 Inhoudelijke toelichting op het registratieobject geologische boormonsteranalyse in de categorie verkenningen

In artikel 2.1.9 van het Besluit Bro, zoals ingevoegd door onderhavig besluit is het registratieobject geologische boormonsteranalyse (BHR-G) opgenomen. Een boormonsterbeschrijving betreft de zintuigelijke beoordeling (kijken, voelen, ruiken) van een boormonster op een onderzoekslocatie. Als er behoefte is aan verdergaand onderzoek, worden monsters doorgestuurd naar een laboratorium om een analyse uit te voeren. De informatie van het geheel aan analyseresultaten van een boring resulteert in een boormonsteranalyse. Als de boormonsteranalyse vanuit een geologisch perspectief wordt gedaan, wordt deze aangeduid als geologische boormonsteranalyse (BHR-G-BMA). Deze zijn onder meer van belang voor zogeheten 1D-modellen (een bepaling op één plek), voor lokale (hydro)geologische modellen (voor het verkrijgen van méér gegevens in een afgebakend gebied), voor detailinformatie ten behoeve van authentieke modellen (DGM, REGIS, GeoTOP) en voor ad hoc wetenschappelijk onderzoek.

2.2 Inhoudelijke toelichting op de registratieobjecten in de categorie constructies

In de categorie constructies zijn in deze tranche drie registratieobjecten aangewezen die het domein grondwatergebruik betreffen (par. 2.2.1 t/m 2.2.3) en één uit het domein mijnbouw (par. 2.2.4).

2.2.1 Algemene bepaling grondwatergebruik

Artikel 2.4.1 van het Besluit Bro zoals ingevoegd met onderhavig besluit beperkt de in de BRO in te schrijven registratieobjecten grondwatergebruiksysteem en grondwaterproductiedossier, die in de paragrafen 2.2.3 en 2.2.4 zullen worden toegelicht. Dat betekent dat de artikelen in deze paragraaf niet van toepassing zijn op grondwatergerelateerde systemen betreffende de winning van aardwarmte en de opslag en onttrekking van warmte door bodemenergiesystemen op een diepte van meer dan 500 meter. Deze vallen namelijk onder de Mijnbouwwet. De Mijnbouwwet stelt afwijkende regels voor het vergunningtraject en bijbehorende registratie van productiecijfers. Daarom is dit type grondwatergerelateerde systemen niet in de BRO opgenomen.

Het wettelijk kader ten aanzien van vergunningplichtige en meldingplichtige lozingen en wateronttrekkingsactiviteiten was tot inwerkingtreding van de Omgevingswet geregeld in de Waterwet en het Waterbesluit.

De artikelen 6.4 en 6.5 van de Waterwet, waarin vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten worden aangewezen, vervallen door de Invoeringswet Omgevingswet. De omgevingsvergunning voor waterontrekkingsactiviteiten zijn daarom bij inwerkingtreding van de Omgevingswet aangewezen in de artikelen 6.37 en 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze verwijzing is opgenomen in onderdeel a van artikel 2.4.1 van het Besluit Bro, zoals ingevoegd met onderhavig besluit.

Het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem is aangewezen als vergunningplichtige milieubelastende activiteit in artikel 3.19 van het Bal, een gesloten bodemenergiesysteem is aangewezen als meldingplichtige milieubelastende activiteit in artikel 4.1136 van het Bal. Beide verwijzingen zijn opgenomen in onderdeel b.

Tot inwerkingtreding van de Omgevingswet waren meldingplichtige wateronttrekkingsactiviteiten aangewezen in artikel 6.11 van het Waterbesluit. Op decentraal niveau komen wateronttrekkingsactiviteiten, anders dan op Rijksniveau of voor industriële toepassingen, na inwerkingtreding van de Omgevingswet in de vorm van een vergunningplicht of meldingsplicht terug in de ter plaatse geldende omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Onderdeel c verwijst naar deze omgevingsverordening of waterschapsverordening.

2.2.2 Formatieweerstandonderzoek

Een formatieweerstandonderzoek (FRD), opgenomen in artikel 2.3.5 van het Besluit Bro, is een monitoringsactiviteit waarbij gedurende de levensduur van een meetsysteem en/of put met een zekere frequentie herhaaldelijk de schijnbare formatieweerstand met behulp van een meetinstrument, in of aan de grondwatermonitoringput, wordt gemeten. De schijnbare weerstand is de totale elektrische weerstand die gemeten wordt in het meetbereik van de meetsensor. Het doel is het vaststellen van (de verandering) van het saliniteitsgehalte van het grondwater in de ondergrond rondom de locatie van het meetinstrument. De meting komt voort uit een of meerdere monitoringsdoelen. Het punt waarin wordt gemeten is onderdeel van een of meerdere grondwatermonitoringnetten. Naast het eenvoudig vaststellen van eventuele veranderingen in het saliniteitsgehalte is ook een nadere interpretatie van deze basisdata in samenhang met de lithologie mogelijk waardoor preciezere waarden van het elektrisch geleidend vermogen van het grondwater en de ligging van het zoet-zout-grensvlak. Deze nadere interpretaties vallen buiten de reikwijdte van dit registratieobject.

Een formatieweerstandonderzoek wordt niet eenmalig gedaan: een belangrijk kenmerk van dit registratieobject is dat het gedurende een zekere periode (de monitoringsperiode) regelmatig wordt aangevuld met nieuwe observaties.

2.2.3 Grondwatergebruiksysteem

Een grondwatergebruiksysteem (GUF) is een systeem voor direct of indirect gebruik van het grondwater en is als registratieobject aangewezen in artikel 2.4.2 van het Besluit Bro zoals ingevoegd met voorliggend besluit. Onder direct gebruik wordt verstaan het onttrekken van grondwater en het in de ondergrond brengen van water. De term «in de ondergrond brengen» omvat zowel infiltreren (waarbij hergebruik van dat water wordt beoogd) als retourneren van bemalingswater (dat in de ondergrond blijft). Onder indirect gebruik valt het benutten van de warmtecapaciteit van het grondwater; een voor dat doel ingericht systeem heet een gesloten bodemenergiesysteem. Een grondwatergebruiksysteem is een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Bal en is in artikel 16.4 aangewezen als vergunningplichtige activiteit. Er zijn twee soorten bodemenergiesystemen, open bodemenergiesystemen en gesloten bodemenergiesystemen. Bodemenergiesystemen zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in artikel 3.18 van het Bal. Open bodemenergiesystemen zijn vergunningplichtig op grond van artikel 3.19 van het Bal, of meldingsplichtig als deze niet meer als vergunningplichtig is aangewezen in de van toepassing zijnde omgevingsverordening. Een gesloten bodemenergiesysteem is op grond van artikel 4.1136 van het Bal meldingsplichtig. Voor deze systemen dient op grond van wettelijke verplichtingen door een systeemeigenaar (de vergunningnemer/meldingsplichtige) bij de vergunningsaanvraag of melding een aantal systeembeschrijvende gegevens te worden aangeleverd. Dit betreft zowel ontwerpgegevens als ook gegevens van gerealiseerde systemen. Deze dienen aan de BRO te worden geleverd. In de praktijk is er een grote variatie aan verschijningsvormen van systemen, van simpel tot complex; de uitdrukking «geheel aan gegevens» in het artikel is bewust onbepaald gehouden om alle mogelijke voorkomende elementen binnen die variatie te omvatten. In de catalogus in de Regeling Bro worden die elementen nader gespecificeerd.

Grondwatergebruiksystemen worden ingericht door of ten behoeve van:

  • drinkwaterbedrijven;

  • industrie (grondstof en proceswater) en landbouwbedrijven (beregening van velden);

  • veiligheidsregio's (i.v.m. bluswatergebruik);

  • (ondiepe) bodemenergie-exploitanten (bedrijven, ziekenhuizen, overige instellingen, particuliere woningen) (in kader van de energietransitie);

  • aannemers (grondwaterbemaling bij uitvoering van werken).

De registratie van grondwatergebruikssystemen in de BRO biedt integraal inzicht en overzicht van de plaatsen waar grondwater wordt gebruikt en (indirect) in de vergunde ordegrootte van het grondwatergebruik (en daarmee inzicht in de invloedsfeer ervan). Daarmee kan worden bepaald waar nog ruimte voor nieuwe systemen is; en er kan worden voorkomen dat nieuw aan te leggen systemen interfereren met reeds in gebruik zijnde systemen. Voorts kan er bij ruimtelijke inrichting met de aanwezige grondwatergebruikssystemen rekening worden gehouden.

2.2.4 Grondwaterproductiedossier

Het registratieobject grondwaterproductiedossier (GPD) is opgenomen in artikel 2.4.3 van het Besluit Bro zoals ingevoegd met voorliggend besluit en bevat productiecijfers van een grondwatergebruiksysteem die aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd op grond van de registratieplicht voor open- en gesloten bodemenergiesystemen. Die registratieplicht is voor gesloten bodemenergiesystemen thans opgenomen in de artikelen 3.16n van het Activiteitenbesluit milieubeheer (voor bedrijven) en 3a.8, eerste lid, van datzelfde besluit voor particulieren. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is die registratieplicht opgenomen in artikel 4.1138 van het Bal. Open bodemenergiesystemen zijn registratieplichtig op grond van artikel 6.11d van het Waterbesluit en bij inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.1150 van het Bal.

Een grondwaterproductiedossier wordt opgebouwd door het registreren van productiegegevens gedurende een zekere periode. Het wordt dus steeds aangevuld met nieuwe gegevens. Het grondwaterproductiedossier is gekoppeld aan een grondwatergebruiksysteem en daarmee ligt vast op welk systeem de productie betrekking heeft.

De belanghebbenden en de gebruikstoepassingen van het grondwaterproductiedossier zijn dezelfde als bij het grondwatergebruiksysteem; daarvoor wordt verwezen naar par. 2.2.3.

De registratie van grondwatergebruikssystemen in de BRO biedt integraal inzicht en overzicht in de daadwerkelijke onttrokken en in de ondergrond ingebrachte hoeveelheden water en biedt daarmee inzicht in de invloedsfeer ervan.

2.2.5 Mijnbouwconstructie

Een mijnbouwconstructie (EPC) is een werk voor het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, of een werk voor het opslaan van stoffen, onder het regime van de Mijnbouwwet. Mijnbouwwerken hebben een locatie. De locatiegegevens van mijnbouwwerken in de ondergrond zijn van belang in het kader van ruimtelijke ordening en beheer. Deze locatiegegevens worden in de basisregistratie ondergrond geregistreerd in het registratieobject mijnbouwconstructie. In het kader van de BRO vallen onder deze categorie vier typen constructies voor opsporing, winning of opslag van:

  • delfstoffen (niet zijnde steenkool, zout of kalksteen); de constructie omvat boorgaten (een geboord gat in de grond) en boortrajecten (pad in de ondergrond dat door de boring is afgelegd); onder deze categorie vallen ook boorgaten en boortrajecten die ten behoeve van de winning van aardwarmte zijn gemaakt;

  • steenkool; de constructie bestaat uit het samenhangende geheel van ondergrondse structuren van een mijn, te weten toegangen, transportzones en ontginningszones; in het werkveld wordt voor zo’n samenhangend geheel de term mijnstelsel gebruikt;

  • kalksteen, omvattende de ondergrondse groeven en de toegang vanaf het aardoppervlak;

  • zout, omvattende de zoutcavernes (holtes onder het aardoppervlak die zijn ontstaan door zoutwinning), de boorgaten en boortrajecten die voor de winning zijn gemaakt.

De essentie van de registratie van mijnbouwconstructies in de BRO is het realiseren van een signaalfunctie bij ruimtelijke inrichting en beheer, met name onder de Omgevingswet. De BRO-registratie geeft als het ware waarschuwingen af over de aanwezigheid van mijnbouwconstructies waar bestuursorganen bij hun activiteiten mee te maken kunnen krijgen, en verwijst dóór naar de beheerder van gedetailleerdere informatie. Bijvoorbeeld door een verwijzing naar het systeem van het Nederlandse Olie- en Gasportaal (NLOG), naar de relevante gemeente, of naar het Gegevenshuis in Limburg. Gegevens, zeker die over buiten gebruik gestelde mijnbouwwerken, kennen namelijk vaak een beperkte betrouwbaarheid en zijn veelal niet volledig. Het vereist kennis van zaken om dergelijke historische en veelal analoge data te interpreteren en toe te passen, reden om deze gegevens niet als open data in de BRO beschikbaar te stellen. Door verwijzing naar een systeem of een beheerder waar diepgaander kennis beschikbaar is over de gegevens, kan een aanvrager aldaar deskundig worden geadviseerd en geassisteerd. Dit impliceert overigens geen toegangsbeperking; de desbetreffende gegevens zijn zonder voorwaarden openbaar toegankelijk. In het tweede lid van artikel 2.5.2 is daarom opgenomen dat bij het aanleveren van het brondocument een verwijzing naar gedetailleerdere gegevens moet worden gegeven, die in de registratie wordt opgenomen. Die verwijzing is geen eigenschap van het desbetreffende registratieobject, maar een procesgegeven ten behoeve van een gebruiker van de basisregistratie. Hiermee kan degene die de gegevens over het registratieobject opvraagt, eenvoudig de meer gedetailleerde gegevens opvragen, hetgeen nodig is met het oog op een goede uitvoering van de registratie ondergrond als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Wet basisregistratie ondergrond. Daarom is bepaald dat het als niet-authentiek gegeven als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de Wet basisregistratie ondergrond aan de registratie ondergrond is toegevoegd.

Mede naar aanleiding van een consultatiereactie is de signaalfunctie beperkter ingevuld door uitsluitend de geometrische begrenzing van mijnstelsels op het aardoppervlak vast te leggen, zonder de details binnen die begrenzing te registreren. De «geometrische begrenzing» wordt bepaald door lijnen te trekken tussen de uiterste punten van een mijnstelsel zodat alle onderdelen van dat mijnstelsel binnen het aldus gevormde vlak vallen. Een gebruiker van de BRO die op locatie gegevens opvraagt, zal dan het signaal krijgen dat er een mijnstelsel onder die locatie ligt dat mogelijk relevant is voor de geplande activiteit.

De toegang tot steenkolenmijnen bestaat uit verticale schachten in de grond. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de zogeheten historische mijnschachten (aangelegd tot einde 19e eeuw) en de industriële mijnschachten (van latere datum). De gegevens van de eerste groep zijn onvolledig en vaak onbetrouwbaar; van de industriële mijnschachten zijn betere en consistentere gegevens beschikbaar.4 Vanuit het werkveld is de suggestie gedaan om van deze laatste groep gedetailleerdere gegevens in de BRO te registreren. Besloten is om die suggestie niet over te nemen. Functioneel gezien zijn alle mijnbouwschachten historisch, omdat de mijnen immers alle gesloten zijn. Vanuit het perspectief van de signaalfunctie van de BRO voor wat betreft mijnbouwconstructies biedt het registreren van afzonderlijke schachten (van welk type dan ook) geen meerwaarde. Zij maken immers deel uit van een mijnstelsel waarvan de geometrische begrenzing wel is geregistreerd. In de gedetailleerdere informatie over dit stelsel, die via de bij het registratieobject vastgelegde verwijzing te benaderen is, zullen ook de gegevens over schachten kunnen worden gevonden.

In het geval van de steenkolenmijnen in Zuid-Limburg zijn er detailkaarten van de ondergrondse gangenstelsels beschikbaar, maar die worden om de hierboven vermelde redenen niet via de BRO openbaar gemaakt. Daarom wordt de gebruiker bij het raadplegen van de BRO geïnformeerd over de beschikbare kaartbladen, zodat hier gericht naar gevraagd kan worden.

Alleen in het geval van de (kalksteen)groeven worden méér ondergrondse data geregistreerd omdat de bronhouder (in casu de provincie Limburg) hiervoor betrouwbare gegevens beschikbaar heeft.

Ook wanneer een mijnbouwconstructie niet meer actief in gebruik is voor het oorspronkelijke doel, maar nog wel geheel of gedeeltelijk aanwezig is, kan dat van invloed zijn op de inrichting van de bovengrond. Ter versterking van de eerder vermelde signaalfunctie is het zeer wenselijk dat actuele gegevens over vervallen mijnbouwconstructies ook worden geregistreerd, zodat een gebruiker van de BRO hier op attent wordt gemaakt. Op grond van artikel 40 van de Wet Bro kunnen dergelijke historische gegevens aan de BRO worden geleverd; hiervoor is geen additionele bepaling nodig.

In de catalogus voor het registratieobject mijnbouwconstructie, die bij ministeriële regeling zal worden vastgesteld, wordt deze scope nader vormgegeven. Dit gebeurt in overleg met de betrokken bronhouders van de gegevens.

2.3 Inhoudelijke toelichting op de registratieobjecten in de categorie authentieke modellen
2.3.1 Model grondwaterspiegeldiepte

Het grondwater bevindt zich in Nederland meestal tot op geringe diepte, en de grondwaterspiegeldiepte kan daarom veel invloed hebben op een groot aantal processen op en in (de bovenste laag van) het aardoppervlak, onder meer voor gewasgroei, ecosystemen, uitspoeling van nutriënten, funderingen, berijdbaarheid, maaivelddaling en verdroging. Informatie over de grondwaterspiegeldiepte wordt voorts onder meer gebruikt bij het berekenen van schade-uitkeringen aan agrariërs in waterwingebieden, bij het schatten van de nitraatuitspoeling naar het grondwater voor onderbouwing van het mestbeleid en bij de voorbereiding van civieltechnische werken. Voor al deze toepassingen zijn uniforme en actuele gegevens nodig over grondwaterkarakteristieken die de diepte, waarop de grondwaterstand jaarlijks fluctueert, beschrijven. Deze beschrijving wordt vormgegeven door een model grondwaterspiegeldiepte (WDM) omdat het gebiedsdekkende voorspellingen (interpolaties) betreft, die met statistische methoden zijn berekend uit waargenomen grondwaterspiegeldieptes

Het model geeft de karakteristieken van de diepte van de grondwaterspiegel ten opzichte van het maaiveld weer. De belangrijkste dynamische karakteristieken zijn de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand (GHG en GLG) die weer worden gebruikt voor een classificatie in Grondwatertrappen (Gt’s) zoals we die in Nederland kennen. Voorts wordt in het model de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) geregistreerd. De nauwkeurigheid van de grondwaterspiegeldieptekarakteristieken is eveneens onderdeel van het model.

2.4 Inhoudelijke toelichting op de registratieobjecten in de categorie gebruiksrechten
2.4.1 Wijziging registratieobject mijnbouwwetvergunning

Een mijnbouwwetvergunning (EPL) is een officiële noodzakelijke toestemming van de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) om een bepaalde mijnbouwactiviteit uit te mogen voeren in een bepaald gebied.

In de mijnbouwwetvergunning is vastgelegd aan welke partij de minister van EZK het recht heeft gegeven een bepaalde mijnbouwactiviteit (opsporing, winning of opslag) uit te voeren in een bepaald deel van het gebied dat Nederland en zijn Exclusieve Economische Zone omvat.

Artikel 2.5.1 was al vastgesteld in de eerste versie van het Besluit Bro in 2017.5 In de aanloop naar de beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2018 van de eerste tranche van het Besluit Bro is in overleg met het verantwoordelijke ministerie van EZK vastgesteld dat het domein mijnbouw, zoals oorspronkelijk was voorzien in de BRO, veel te uitgebreid zou worden. De relevante artikelen in de Wet Bro (art. 20) en het Besluit Bro (art. 2.5.1) zijn daarom indertijd niet in werking getreden, in afwachting van een herziene reikwijdte voor dit domein. Inmiddels is overeenstemming met het ministerie van EZK bereikt over een beperktere reikwijdte van het registratieobject mijnbouwwetvergunning voor de BRO, en kan het artikel nu wel in werking treden. Omdat het hier gaat om een beperking van de scope van dit registratieobject, heeft dit op zichzelf alleen gevolgen voor de desbetreffende catalogus in de Regeling Bro.

Ten opzichte van de artikeltekst van 2017 is de reikwijdte van het registratieobject als gevolg van dit wijzigingsbesluit verbreed met gegevens over vergunningen voor kalksteenwinning als bedoeld in artikel 146 van het Mijnbouwbesluit. Dit hangt samen met het feit dat door artikel 2.5.2 gegevens over de kalksteengroeven en bijbehorende ondergrondse gangen onder de reikwijdte van de BRO zijn gekomen. De registratie van de daaraan ten grondslag liggende vergunningen dient om die reden in de BRO te worden vastgelegd.

3. Gevolgen

3.1 Gevolgen voor overheid (bronhouders)

Bronhouders hebben de keuze om het aanleveren van gegevens aan de beheerder van de LV BRO zelf te doen of dit namens hen te laten doen door een bedrijf dat het feitelijke onderzoek voor hen uitvoert. Bedrijven kunnen in dit verband zowel particuliere bureaus of ondernemingen zijn, maar ook waterleidingbedrijven, omgevingsdiensten e.d. die namens een bronhouder gegevens aanleveren. Bronhouders worden daarin ondersteund door het bronhouderportaal. Hierdoor hoeft de bronhouder zelf geen specifieke IT-voorzieningen te treffen. Wel dient de bronhouder in deze situatie een proces inrichten om te zorgen dat in het bronhouderportaal de juiste gegevens staan zodat de bedrijven daar namens hen kunnen aanleveren. Het overgrote deel van de bronhouders heeft dit proces reeds ingericht ten behoeve van de eerste drie tranches. Bij de uitbreiding met de vierde tranche zullen met name nieuwe afspraken nodig zijn in het grondwaterdomein, omdat dit tot nog toe slechts beperkt in de BRO was opgenomen. Daarover zullen tijdig afspraken worden gemaakt met betrokken partijen. Voor de registratieobjecten in het domein bodem en ondergrond is de vierde tranche een beperkte toevoeging die naar verwachting geen bijzondere inspanning zal vereisen.

3.2 Gevolgen voor bedrijven

De verwachting is bij deze tranche dat bedrijven, net zoals bij de eerste drie tranches, via een opdracht van een bestuursorgaan te maken krijgen met de BRO, zowel voor de aanlevering namens bronhouders als voor het gebruik van de gegevens. Verreweg de meeste bestuursorganen besteden de taken die geraakt worden door de BRO (bodem- en grondonderzoek, maar bijvoorbeeld ook planuitwerking) uit aan bedrijven. Bestuursorganen moeten de naleving van de BRO borgen in de uitbesteding, derhalve moeten bedrijven dus (weliswaar indirect) voldoen aan de eisen van de BRO. Verwacht wordt voorts dat bedrijven hiervoor moeten investeren in ICT en dat ze hun huidige productie- en bedrijfsprocessen moeten aanpassen. In deze paragraaf is aangegeven welke categorieën bedrijven naar verwachting de gevolgen ondervinden van welke registratieobjecten van deze tranche.

De effecten van dit besluit op het bedrijfsleven zijn door onderzoeksbureau Ecorys in kaart gebracht op basis van het Handboek Meting Regeldrukkosten. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport Regeldrukonderzoek Basisregistratie Ondergrond (BRO) Tranche 4 (Eindrapportage) van 2 april 2021 dat gepubliceerd is op de website www.basisregistratieondergrond.nl.

Tijdens de uitvoering van het regeldrukonderzoek is gebleken dat de volgende nieuwe registratieobjecten niet tot extra lastendruk bij bedrijven leiden:

  • geologische boormonsteranalyse: de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) verzamelt alle gegevens voor de BRO, alle lastendruk ligt dus bij TNO en niet bij de boorbranche;

  • model grondwaterspiegeldiepte: alle benodigde gegevens worden reeds verzameld door en via Wageningen Environmental Research (WENR), waardoor er voor het aanleveren aan de BRO geen extra inzet door het bedrijfsleven wordt voorzien;

  • mijnbouwconstructie: deze gegevens worden overgenomen uit de bestaande registratie in het Nederlandse Olie- en Gasportaal (NLOG) bij TNO en vanuit die bron bijgehouden;

  • (aanpassing) mijnbouwwetvergunning: idem.

Deze objecten worden in de navolgende beschouwing daarom niet meegenomen.

De oorspronkelijke scope van tranche 4 van de BRO omvatte nog een zevende nieuw registratieobject, te weten het Toegepast Geologisch Booronderzoek (BHR-AG). Dit object is ook in de voorbereidingen meegenomen. Mede naar aanleiding van de interviews in het lastendrukonderzoek is gebleken dat opneming van het BHR-AG te prematuur was. De stakeholders verschillen nogal van mening over de scope van dit registratieobject. En de bijbehorende standaarden (NEN14688-1 en NEN6693) zijn, voor dit onderdeel, nog niet stabiel, met de verwachting dat de definitieve versies niet eerder dan 2022 beschikbaar zullen komen. Invoering van het BHR-AG nú zou betekenen dat er in de komende jaren met voorlopige versies van standaarden moet worden gewerkt, met werkafspraken en een complex versiebeheer als gevolgen. Een globale schatting is dat het invoeren van BHR-AG nú op een lastendruk van meer dan 2,5 miljoen euro uit komt, terwijl het resultaat niet toekomstbestendig is. Daarom heeft het programma BRO besloten om het registratieobject BHR-AG uit de scope van tranche 4 te halen, en het op de backlog te zetten voor toekomstige uitbreidingen van de BRO.

Het regeldrukonderzoek heeft zich derhalve gericht op:

  • 1 – grondwatergebruiksysteem (GUF);

  • 2 – grondwaterproductiedossier (GPD);

  • 3 – formatieweerstandonderzoek (FRD).

Binnen de BRO zijn er vier primaire processen die verplicht zijn voor bronhouders: het leveren van gegevens (leverplicht), het melden van twijfel over de juistheid van gegevens (meldplicht), het onderzoeken naar aanleiding van meldingen (onderzoeksplicht) en het gebruiken van gegevens (gebruiksplicht).

Deze verplichtingen gelden voor bronhouders, maar evenals bij de eerste drie tranches is het de verwachting dat bronhouders ten minste een aantal van deze verplichtingen zullen uitbesteden, zodat ze uiteindelijk bij het bedrijfsleven (als dataleverancier of afnemer) voor de uitvoering terechtkomen. De keuze of en wat er wordt uitbesteed, is aan de bronhouder.

De gevolgen voor de vier primaire processen zijn in de onderstaande tabellen weergegeven. De bedragen voor de regeldruk zijn onderscheiden naar eenmalige lasten, aangeduid met (i), en structurele jaarlijkse lasten, aangeduid met (s).

Primair proces: Aanleveren

Stakeholders

Registr. objecten

Activiteiten

Aantal partijen

Bedrag regeldruk

Doorbelastbaarheid

 

WKO-gecertificeerde bedrijven (beheer & monitoren)

GUF

Aanpassen software onttrekkingsgegevens WKO

4

20.000 (i)

100%

Drinkwaterbedrijven

GUF

Aanpassen software onttrekkingsgegevens WKO

10

10.000 (i)

100%

Controleren van grondwateronttrekkings-installaties en meetsensoren

10

32.000 (i)

100%

WKO-gecertificeerde bedrijven (beheer & monitoren)

GPD

Aanpassen software onttrekkingsgegevens WKO

4

20.000 (i)

100%

Drinkwaterbedrijven

GPD

Aanpassen software onttrekkingsgegevens WKO

10

10.000 (i)

100%

Controleren van grondwateronttrekkings-installaties en meetsensoren

10

32.000 (i)

100%

Drinkwaterbedrijven

FRD

Aanpassen software om data zoutwachters aan te leveren

1

1.920 (i)

100%

WKO-gecertificeerde bedrijven (beheer & monitoren)

GPD

Aanleveren onttrekkingsgegevens

4

40.000 (s)

100%

Drinkwaterbedrijven

GPD

Aanleveren onttrekkingsgegevens

10

100.000 (s)

100%

WKO-gecertificeerde bedrijven (beheer & monitoren

GUF

Aanleveren gegevens over WKO-eigenschappen

4

19.600 (s)

100%

Ten aanzien van de overige activiteiten met betrekking tot het aanleveren blijkt geen lastenverzwaring. Dit betreft:

  • de inhoudelijke validatie van gegevens;

  • de technische validatie van aangeleverde bestanden;

  • het sturen van gegevens naar de LV BRO (automatisch na akkoord bronhouder).

Gebruiken

De verplichting tot het gebruiken en afnemen van de BRO-gegevens geldt alleen voor bronhouders. Voor andere partijen zal het afnemen van gegevens niet verschillen van het afnemen van andere, vergelijkbare bronnen, zoals DINO en BIS (voorlopers van de BRO). Uit de inventarisatie blijkt dat de bedrijven geen lastendrukverzwaring verwachten in verband met gebruik van de nieuwe registratieobjecten.

Melden

Op grond van de artikelen 30, 31 en 32 van de Wet Bro zijn bestuursorganen verplicht om bij gerede twijfel over de juistheid van authentieke gegevens uit de BRO een melding in te dienen. Andere partijen hebben het recht om dat te doen, maar zijn daartoe niet verplicht. De vrijwillige terugmelding is niet een last die volgt uit onderhavig besluit en is derhalve niet meegenomen in de lastendrukberekening. Bedrijven kunnen echter wel in het kader van een uitbesteding ook de opdracht krijgen van bestuursorganen om namens hen meldingen in te dienen. De structurele lasten daarvoor zijn te vinden in het tijdsgebruik voor het invoeren van meldingen.

Primair proces: Melden

Stakeholders

Registr. objecten

Activiteiten

Aantal partijen

Bedrag regeldruk

Doorbelastbaarheid

WKO-gecertificeerde bedrijven (beheer & monitoren)

GPD

Terugmelden foutieve gegevens in BRO

4

400 (s)

100%

Drinkwaterbedrijven

GPD

Terugmelden foutieve gegevens in BRO

10

1000 (s)

100%

Onderzoeken

Voor een terugmelding op gegevens geldt dat de aanleverende bronhouder een onderzoeksplicht heeft. In de praktijk zal die plicht, via contractuele afspraken, zijn belegd bij de leverancier van de gegevens waarvoor de melding geldt. Dat leidt in een dergelijk geval tot extra werkzaamheden voor de leverancier.

Primair proces: Onderzoeken

Stakeholders

Registr. objecten

Activiteiten

Aantal partijen

Bedrag regeldruk

Doorbelastbaarheid

           

WKO-gecertificeerde bedrijven (beheer & monitoren)

GPD

Onderzoeken en aanpassen terugmeldingen

4

16.000 (2)

100%

Drinkwaterbedrijven

GPD

Onderzoeken en aanpassen terugmeldingen

10

40.000 (s)

100%

Totale regeldruk en doorbelastbaarheid

Het totaal aan regeldrukeffecten is als volgt:

Regeldrukeffecten

 

Eenmalig

Structureel

Aanleveren

€ 125.920

€ 140.000

Gebruiken

€ 0

€ 0

Melden

€ 0

€ 1.400

Onderzoeken

€ 0

€ 56.000

Totaal

€ 125.920

€ 217.000

Over de doorbelastbaarheid kan worden vermeld dat uit de gesprekken met de stakeholders is gebleken dat de geraamde lastendrukverhoging naar verwachting in alle gevallen volledig kan worden doorbelast. Mede daardoor kan worden vastgesteld dat er binnen de branche breed draagvlak is voor de invoering van dit onderdeel van de BRO. De vierde tranche van de BRO zal een bijdrage leveren aan het efficiënt – gedigitaliseerd – beheren en standaardiseren van ondergrondse gegevens. Door het standaardiseren van de gegevens zal de kwaliteit en de toegankelijkheid toenemen. Alleen al de boorbranche verwacht besparingen van enkele miljoenen euro’s bij een goed gevulde en functionerende basisregistratie ondergrond. Dit aspect zal in het in paragraaf 1 aankondigde rapport over het totale implementatie programma BRO worden meegenomen.

3.3 Gevolgen voor burgers

Dit besluit heeft geen gevolgen voor burgers. Burgers kunnen onbeperkt en zonder onkosten gebruikmaken van de gegevens in de BRO. Het vereist wel enige kennis met betrekking tot de ondergrond om de gegevens goed te kunnen gebruiken. Maar ook als burgers iets willen of moeten weten over de ondergrond en daarvoor gespecialiseerde diensten of bedrijven inschakelen, kunnen die bedrijven de BRO gratis gebruiken. Burgers zijn niet verplicht tot het leveren van gegevens; gegevenslevering vindt op basis van de Wet Bro immers alleen plaats door bestuursorganen. Evenmin zijn burgers verplicht tot het gebruik van de gegevens uit de BRO; deze verplichting uit de Wet Bro is uitsluitend bedoeld voor bestuursorganen. Het aanwijzen van zes nieuwe registratieobjecten heeft daarom geen gevolgen voor burgers.

4. Inwerkingtreding

Drie van de zes registratieobjecten zullen pas in het eerste kwartaal van 2022 technisch geïmplementeerd zijn in de Landelijke Voorziening BRO. Daarom is gekozen voor gedifferentieerde inwerkingtreding. De datum van inwerkingtreding van de registratieobjecten geologische boormonsteranalyse, model grondwaterspiegeldiepte, en formatieweerstandonderzoek is 1 januari 2022. De vertraagde registratieobjecten grondwatergebruiksysteem, grondwaterproductiesysteem, en mijnbouwconstructie, alsmede het gewijzigde registratieobject mijnbouwwetvergunning, treden in werking op 1 juli 2022. In een brief aan de Tweede Kamer is toegezegd dat uiterlijk 2022 alle tranches geoperationaliseerd zullen zijn (Kamerstukken II 2018/19, 33 136, nr. 18). Artikel I, onderdeel D treedt in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt.

5. Advies en consultatie

Het ontwerpbesluit is vanaf 19 april tot en met 17 mei 2021 gepubliceerd geweest voor internetconsultatie. Hierop zijn twee zienswijzen ingediend. Eén van de gemeente Amsterdam, die instemt met het ontwerpbesluit, maar erop wijst dat voor het koppelen en aansluiten van hun eigen databronnen op de BRO te zijner tijd wel om aanvullende inspanningen kan vragen. Dit is een aandachtspunt dat in de relevante overleggremia met de stakeholders aan de orde zal komen.

De tweede zienswijze is afkomstig van TNO Geologische Dienst Nederland. Deze organisatie wijst erop dat de mijnkaarten, met gegevens over gangen en schachten, grote vragen oproepen over kwaliteit en actualiteit. Men pleit ervoor om deze geheel buiten de BRO te laten. De kwaliteit en actualiteit van de mijnkaarten is inderdaad lang niet altijd goed of inzichtelijk omdat het in de regel oude, niet bijgehouden, gegevens betreft. Wanneer die kaarten dan zonder meer aan derden beschikbaar zouden worden gesteld, is er grote kans op ondeskundige interpretatie en gebruik. Ik ga wel mee in het voorstel om de kaarten als zodanig buiten de BRO te houden, en in de BRO als het ware een «informatie-hulpconstructie» toe te voegen. Daartoe is de scope van het voorgestelde artikel 2.5.2 aangepast. In alle gevallen dient nu de geometrische begrenzing (de buitengrens van de mijnbouwconstructie, geprojecteerd op het aardoppervlak) te worden geregistreerd, opdat een gebruiker van ondergrondgegevens gewaarschuwd wordt dat er relevante ondergrondse fenomenen kunnen zijn. Daarbij dient een verwijzing te worden opgenomen naar de beheerder die meer informatie kan verschaffen (zie ook paragraaf 2.2.5 in het algemene deel van deze nota van toelichting). Mutatis mutandis geldt dit voor de kalkzandsteengroeven en zoutcavernes, die naar de mening van TNO niet in de BRO zouden moeten worden opgenomen. Ook hier dient de BRO in ieder geval de buitenbelijning van deze objecten te bevatten, als signaal richting gebruiker dat er mogelijk relevante objecten onder de grond liggen. Ten aanzien van het pleidooi van TNO om de mijnkaarten (al dan niet digitaal) te ontsluiten via het Nationaal Archief of het Historisch Centrum Limburg, merk ik op dat de Archiefwet voorschrijft dat alle blijvend te bewaren overheidsinformatie in beginsel na twintig jaar naar een archiefdienst moet worden overgebracht. Bij de overbrenging van historische mijnkaarten kunnen met de archivaris afspraken worden gemaakt om ondeskundige interpretatie en gebruik te voorkomen. De systematiek die in de BRO-registratie wordt beschreven, komt uitdrukkelijk niet in de plaats van de bepalingen in de Archiefwet. In de praktijk zal een belangstellende voor mijnkaarten zich zowel kunnen vervoegen bij de in de BRO genoemde beheerder, als bij de archiefdienst waar kaarten zijn gedeponeerd.

De koepels van decentrale bestuursorganen, de VNG, IPO en UvW, zijn op 19 april individueel uitgenodigd om hun zienswijze op het ontwerpbesluit kenbaar te maken. Bij de afsluiting van de reactietermijn (31 mei) zijn vanuit deze zijde geen zienswijzen ingebracht.

Overeenkomstig het kabinetsbeleid is geprobeerd om in het kader van de MKB-toets een panel te organiseren om met uit dit segment de haalbaarheid en regeldruk voor het MKB in de praktijk te bespreken. Hiervoor is contact gelegd met de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland (MKB NL) en Ondernemend Nederland (ONL), maar er zijn geen belangstellende MKB’ers gevonden. Daarom kon de beoogde MKB-toets niet uitgevoerd worden. Ook een expliciete uitnodiging aan MKB-NL en ONL om deel te nemen aan de internetconsultatie heeft geen reactie opgeleverd. In het lastendrukonderzoek is wel gesproken met twee kleinere bedrijven. Deze hadden in het kader van de vierde tranche geen bijzondere aandachtspunten. De impact van deze tranche wordt als beperkt ingeschat: de lastendruktoename vormt geen risico voor de bedrijfsvoering, laat staan voor het voortbestaan van kleinere bedrijven. Ook is vastgesteld dat de grootste impact op het bedrijfsleven al heeft plaatsvonden onder de derde tranche; de vierde tranche vereist geen ingrijpende wijzingen meer in de werkprocessen.

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft op 27 mei 2021 haar dictum uitgebracht. De ATR formuleert drie adviezen. Het eerste gaat over de betrokkenheid van het MKB in dit traject. In de vorige alinea is aangegeven hoe daar rond dit ontwerpbesluit mee om is gegaan. Een tweede advies wees op onheldere communicatie rond de ingangsdata van de verschillende registratieobjecten. Dit is inmiddels, waar dat relevant is, aangepast. Een derde advies vraagt om expliciet aandacht te besteden aan de regeldrukeffecten en duidelijk te maken hoe die zich verhouden tot initieel becijferde regeldrukeffecten. De vraag van de ATR zal nadrukkelijk worden meegenomen in het rapport over het totale implementatieprogramma, dat in paragraaf 1 van het algemene deel van deze nota van toelichting heb aangekondigd.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Dit onderdeel voegt de geologische boormonsteranalyse als registratieobject in de categorie verkenningen toe aan de paragraaf over bodem- en grondonderzoek. Voor een inhoudelijke beschrijving van dit registratieobject wordt verwezen naar paragraaf 2.1.1 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Onderdeel B

In onderdeel B is aan de paragraaf over grondwatermonitoring een artikel toegevoegd. Hierin is voor het registratieobject formatieweerstandonderzoek aangegeven welke documenten kwalificeren als brondocument in de zin van de Wet Bro. Het registratieobject valt binnen de categorie constructies. Voor een inhoudelijke beschrijving van deze registratieobjecten wordt verwezen naar de paragraaf 2.2.2 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Onderdeel C

Deze artikelen in onderdeel C voegen inhoud toe aan de paragraaf grondwatergebruik, dat voor inwerkingtreding van dit besluit was gereserveerd. Artikel 2.4.1 van onderdeel C beperkt de categorie van brondocumenten die worden aangewezen met betrekking tot registratieobjecten die in de navolgende artikelen (2.4.2 en 2.4.3) over grondwatergebruik worden aangewezen. In artikel 2.4.1 is verduidelijkt dat dit brondocumenten betreft die aan een bestuursorgaan worden verstrekt in het kader van meldingplichtige of vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.37, eerste lid, onderdelen a en b en 16.4 van het Bal. Ook brondocumenten die worden verstrekt in verband met meldingplichtige of vergunningplichtige bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 3.19 van het Bal zijn inbegrepen in deze paragraaf.

De derde categorie betreft brondocumenten die aan bestuursorganen worden verstrekt in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning of melding in verband met een wateronttrekkingsactiviteit, indien de activiteit als vergunningplichtig of meldingplichtig is aangewezen in de ter plaatse geldende omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Overigens moet artikel 2.4.1 niet worden gelezen als dat er zou kunnen worden volstaan met alleen het ingevulde aanvraagformulier zoals dat door een initiatiefnemer via het Omgevingsloket bij een bestuursorgaan wordt ingediend. In het kader van de verwerking van de vergunningsaanvraag worden regelmatig nog wijzigingen in de aanvraag aangebracht, en de Bro dient niet zozeer de beoogde situatie, als wel de definitieve (vergunde) situatie te bevatten. Ook bij meldingen geldt dat de enkele melding in de regel gevolgd wordt door een validatie («klopt dit wel en kan dit wel») door het bestuursorgaan; die gevalideerde melding moet dan in de Bro komen. Het brondocument in de zin van artikel 2.4.1 betreft daarom de afgegeven beschikking of de gevalideerde melding.

Voorts zijn in de artikelen 2.4.2 en 2.4.3 van onderdeel C de registratieobjecten grondwatergebruiksysteem en grondwaterproductiedossier toegevoegd als registratieobject aan de BRO. Voor een inhoudelijke beschrijving van deze registratieobjecten wordt verwezen naar de paragraaf 2.2.3, 2.2.4 en 2.2.5 van het algemeen deel van deze nota van toelichting. Omdat de registratieobjecten in dit onderdeel in werking zullen treden met ingang van 1 juli 2022, tegelijkertijd met de Omgevingswet, zijn in de artikelen alleen verwijzingen naar de regelgeving onder de Omgevingswet opgenomen.

Onderdeel D

Dit onderdeel voorziet in een wijziging van het eerder vastgestelde artikel 2.5.1 inzake het registratieobject mijnbouwwetvergunning, dat tot deze tranche nog niet inwerking was getreden (Staatsblad 2017, 421). De wijziging houdt in dat de winningsvergunning voor kalksteen als bedoeld in artikel 146 van het Mijnbouwbesluit is toegevoegd. Voor een inhoudelijke beschrijving van deze wijziging wordt verwezen naar paragraaf 2.2.6 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Onderdeel E

Met onderdeel E is aan paragraaf 5. Mijnbouwwet een artikel toegevoegd. Hierin is voor het registratieobject mijnbouwconstructie aangegeven welke documenten kwalificeren als brondocument in de zin van de Wet Bro. Dat betreffen alternatieve criteria, aangezien het niet mogelijk is dat verschillende typen documenten binnen één brondocument zijn opgenomen. Het registratieobject valt binnen de categorie constructies. In het tweede lid van artikel 2.5.2 is opgenomen dat de registratie van de verwijzing naar gedetailleerdere gegevens opgenomen wordt bij het aanleveren van het brondocument. Hiermee kan degene die de gegevens over het registratieobject opvraagt, eenvoudig de meer gedetailleerde gegevens opvragen, hetgeen nodig is met het oog op een goede uitvoering van de registratie ondergrond als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Wet basisregistratie ondergrond. Daarom is bepaald dat het als niet-authentiek gegeven als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de Wet basisregistratie ondergrond aan de registratie ondergrond is toegevoegd. Voor een verdere inhoudelijke beschrijving van dit registratieobject wordt verwezen naar paragraaf 2.3.1 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Onderdeel F

Dit onderdeel regelt de toevoeging van een artikel over het registratieobject grondwaterspiegeldiepte aan paragraaf 6. Modellen. Voor een inhoudelijke beschrijving van dit registratieobject wordt verwezen naar paragraaf 2.4.1 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel II

Dit artikel wijzigt een abusievelijke foutieve verwijzing in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Die omissie wordt met dit wijzigingsbesluit hersteld.

Artikel III

Dit artikel regelt de inwerkingtredingsdatum voor dit besluit. Het besluit treedt gedeeltelijk in werking op 1 januari 2022, en de overige onderdelen treden in werking op 1 juli 2022. Deze vierde tranche dient namelijk gedifferentieerd in werking te treden. De registratieobjecten geologische boormonsteranalyse, model grondwaterspiegeldiepte, en formatieweerstandonderzoek treden in werking met ingang van 1 januari 2022. De registratieobjecten grondwatergebruiksysteem, grondwaterproductiesysteem, mijnbouwconstructie, alsmede het gewijzigde registratieobject mijnbouwwetvergunning, treden in verband met vertraging in werking met ingang van 1 juli 2022. Hierbij is rekening gehouden met de vaste verandermomenten voor een algemene maatregel van bestuur. De minimale publicatietermijn van drie maanden voor inwerkingtreding is met betrekking tot de wijzigingen die op 1 januari 2022 in werking treden niet gehaald, hetgeen gerechtvaardigd wordt doordat betrokken partijen zijn meegenomen in het proces van totstandkoming van het besluit.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Voor een definitie van deze begrippen wordt verwezen naar art. 1 van de Wet Bro.

X Noot
2

Zoals bedoeld in artikel 1a van de Regeling basisregistratie ondergrond.

X Noot
3

Besluit van 25 oktober 2017, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (eerste tranche) (Besluit basisregistratie ondergrond), Stb. 2017, 421.

X Noot
4

Zie de brief van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer van 15 december 2016 inzake Onderzoeksresultaten en maatregelenpakket inzake na-ijlende effecten van de steenkolenwinning in Limburg, Kamerstukken II 2016/17, 32 849, nr. 97.

X Noot
5

Besluit van 25 oktober 2017, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (eerste tranche) (Besluit basisregistratie ondergrond), Stb. 2017, 421.

Naar boven