Besluit van 2 april 2021 tot wijziging van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO in verband met de tweede sluitingsperiode

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 maart 2021, nr. 2021-0000044962, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op artikel 89, eerste lid, van de Grondwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 maart 2021, nr. W12.21.0066/III);

Gezien het nader rapport van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 april 2021, nr. 2021-0000058390, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën,

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

De Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO wordt als volgt gewijzigd:

A

Voor artikel 1 wordt een paragraafaanduiding ingevoegd, luidende:

§ 1. Begripsbepalingen.

B

In artikel 1 wordt in de begripsomschrijving van tegemoetkoming «als bedoeld in artikel 3» vervangen door «als bedoeld in artikel 3 of artikel 5b».

C

Na artikel 1 wordt een paragraafaanduiding ingevoegd, luidende:

§ 2. Eerste sluitingsperiode.

D

In de artikelen 2 en 3, eerste lid, wordt «dit besluit» telkens vervangen door «deze paragraaf».

E

Na artikel 5 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3. Tweede sluitingsperiode

Artikel 5a. Doel

Het doel van deze paragraaf is het voorzien in een wettelijke grondslag voor het verstrekken van een tegemoetkoming aan kinderopvangtoeslag ontvangende ouders vanwege de door hen betaalde eigen bijdrage in de kosten voor de kinderopvang over de periode van 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021.

Artikel 5b. Recht op tegemoetkoming

Recht op een tegemoetkoming op grond van deze paragraaf heeft de ouder die over de periode van 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen en de eigen bijdrage in de kosten voor de kinderopvang aan de houder, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, heeft betaald.

Artikel 5c. Hoogte tegemoetkoming
  • 1. De hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald overeenkomstig de volgende formule:

    A = (B * C * (100% – D))

    waarna:

    A * (Xa+Xb+Xc) = YKS

    Hierbij staat:

    A voor de eigen bijdrage per maand per soort kinderopvang per kind;

    B voor het aantal toegekende uren opvang per maand per soort kinderopvang per kind, met een maximum van 230 uur per maand voor alle soorten van kinderopvang, bedoeld in artikel 8a, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag, waarbij de uren voor de opvangsoort met de hoogste maximum uurprijs (zie C) als eerste worden beschouwd;

    C voor de maximum uurprijs per soort kinderopvang, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag, waarbij de maximum uurprijs voor december wordt bepaald op basis van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat luidde op 31 december 2020 en voor januari en februari op basis van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat luidde op 1 januari 2021;

    D voor het percentage kinderopvangtoeslag gerekend naar eerste kind of volgend kind, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kinderopvangtoeslag in samenhang met artikel 3 van het Besluit kinderopvangtoeslag, waarbij het percentage voor december wordt bepaald op basis van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat luidde op 31 december 2020 en voor januari en februari op basis van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat luidde op 1 januari 2021;

    X voor het deel van de maand waarop A van toepassing is: aantal dagen in december (maximaal 16/31 (Xa)) + aantal dagen in januari (maximaal 31/31 (Xb)) + aantal dagen in februari (maximaal 7/28 (Xc));

    YKS voor de hoogte van de tegemoetkoming per soort kinderopvang per kind per deelperiode.

    De totale hoogte van de tegemoetkoming is de som van alle bedragen per soort kinderopvang per kind per deelperiode.

  • 2. De hoogte van de tegemoetkoming wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

Artikel 5d. Peildatum
  • 1. De gegevens die bepalend zijn voor de hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5c, eerste lid, zijn de gegevens zoals verwerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen op 21 februari 2021.

  • 2. Voor de ouder aan wie na 21 februari 2021 over de periode van 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021 voor het eerst of voor een of meer volgende kinderen kinderopvangtoeslag is toegekend, zijn in afwijking van het eerste lid de gegevens zoals verwerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen op een bij ministeriële regeling vastgestelde datum bepalend voor de hoogte van de tegemoetkoming.

F

Na artikel 5d wordt een paragraafaanduiding ingevoegd, luidende:

§ 4. Overige bepalingen.

G

Artikel 7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt «artikel 4, eerste lid» vervangen door «artikel 4, eerste lid, of artikel 5c, eerste lid».

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het krachtens artikel 1.8, tweede lid, van de Wet kinderopvang geldende toetsingsinkomen.

H

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1» geplaatst.

2. In het eerste lid wordt «bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4» vervangen door «bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 respectievelijk 5a tot en met 5c» en wordt «artikel 5» vervangen door «artikel 5 respectievelijk artikel 5d».

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij het verlengen van de periode en het stellen van nadere regels kan onderscheid worden gemaakt naar soort kinderopvang.

I

In artikel 9, tweede lid, wordt «1 juni 2022» vervangen door «10 april 2023» en wordt «31 mei 2022» vervangen door «9 april 2023».

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 2 april 2021

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

De Staatssecretaris van Financiën, A.C. van Huffelen

Uitgegeven de twaalfde april 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

I Algemeen deel

1. Inleiding

Nederland is door de uitbraak van het coronavirus COVID-19 en de daarmee verband houdende overheidsmaatregelen geconfronteerd met buitengewone omstandigheden die een enorme impact hebben op het maatschappelijk leven en de arbeidsmarkt. Op last van de overheid zijn in het belang van de volksgezondheid maatregelen betreffende de openbare orde genomen en zijn bedrijven en instellingen in een aantal sectoren gesloten. Omdat het essentieel is voor een succesvolle aanpak van de crisis dat ouders thuisblijven, is de kinderopvang op 16 december 2020 voor een tweede maal gesloten.

Door deze maatregelen is zeer zichtbaar geworden welke belangrijke rol de kinderopvang speelt in het dagelijks leven van vele ouders en kinderen. Kinderopvang is ook een belangrijke randvoorwaarde voor het draaiende houden van de economie. Ook voor de ontwikkeling van kinderen is de stabiliteit van de kinderopvangsector voor de toekomst van groot belang. Toen in het voorjaar van 2020 de scholen en kinderopvanglocaties noodgedwongen de deuren moesten sluiten vanwege COVID-19, heeft de kinderopvang in korte tijd noodopvang weten te organiseren, zodat ouders in cruciale beroepen hun belangrijke werk konden blijven doen en voor kwetsbare kinderen. Dat ging de afgelopen maanden zeker niet zonder slag of stoot. De COVID-19 crisis heeft veel flexibiliteit en improvisatievermogen gevraagd van de sector.

Omdat de financiering van de sector voor een groot deel gebeurt met overheidsgeld dat via ouders (kinderopvangtoeslag) loopt, heeft het kabinet ouders in december 2020, net als in het voorjaar, opnieuw gevraagd de rekening van de kinderopvang te blijven betalen, ook als ouders op dat moment niet van kinderopvang gebruik kunnen maken. Het door laten lopen van de reguliere betaling door ouders heeft verschillende voordelen. Ouders behouden op deze manier de plek voor hun kinderen op de kinderopvang voor wanneer de kinderopvang weer regulier opengaat. Een belangrijk voordeel is verder dat de kinderopvang op deze manier gefinancierd blijft en bovendien in staat is goede noodopvang te verzorgen. De sector blijft op deze manier zo stabiel mogelijk waardoor de terugkeer naar de reguliere situatie straks gemakkelijker zal zijn.

Om bovenstaande redenen zullen ouders, net als in het voorjaar 2020, een tegemoetkoming in de eigen bijdrage ontvangen voor de kosten kinderopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang. Dat geldt voor ouders met kinderopvangtoeslag, voor ouders met gemeentelijke regelingen en ouders die de kosten van kinderopvang zelf dragen. Dit besluit ziet op de eerste categorie, ouders die kinderopvangtoeslag krijgen. Voor deze ouders is in juni 2020 de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO tot stand gebracht. Dit besluit breidt die tegemoetkomingsregeling uit voor de periode van 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021. Voor de buitenschoolse opvang wordt de einddatum van de sluitingsperiode (en tegemoetkoming) bij ministeriële regeling vastgelegd, omdat die datum op dit moment nog niet bekend is. De tegemoetkoming, voor zowel dagopvang, gastouderopvang als buitenschoolse opvang, zal in één keer worden uitbetaald aan alle ouders met kinderopvangtoeslag. Dat gebeurt dus nadat bekend is wanneer de buitenschoolse opvang opent. Nadat duidelijk is wanneer dat is, zullen Belastingdienst/Toeslagen en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de uitvoering opstarten om de tegemoetkoming uit te keren.

2. Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang

Aanleiding

Bij de sluiting van kinderopvangorganisaties en gastouderopvang, op 16 december 2020, heeft het kabinet aangekondigd ouders tegemoet te komen in de eigen bijdrage voor kosten voor de kinderopvang. Dit om ouders te stimuleren de eigen bijdrage aan de kinderopvangorganisaties ook daadwerkelijk door te blijven betalen. Dit geldt voor formele kinderdagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang waarvoor recht bestaat op kinderopvangtoeslag. Ook ouders die kinderopvangtoeslag ontvangen en die tijdens de sluitingsperiode gebruik maken of hebben gemaakt van de noodopvang ontvangen een tegemoetkoming.

Hoofdlijnen besluit

Ouders die kinderopvangtoeslag hebben ontvangen en de kinderopvangrekeningen hebben doorbetaald gedurende de sluitingsperiode, krijgen een tegemoetkoming in de eigen bijdrage. Dit betreft voor dagopvang de periode van 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021. Voor buitenschoolse opvang is de sluitingsperiode langer, waardoor ook de tegemoetkoming op een langere periode zal zien dan 7 februari 2021. Voor de buitenschoolse opvang wordt de einddatum van de sluitingsperiode (en tegemoetkoming) bij ministeriële regeling vastgelegd, omdat die datum op dit moment nog niet bekend is. Het totale bedrag aan tegemoetkoming (inclusief voor buitenschoolse opvang) zal in één keer worden uitbetaald aan alle ouders waarop dit besluit van toepassing is. Zodra bekend is wanneer de buitenschoolse opvang opent, zullen Belastingdienst/Toeslagen en de SVB de uitvoering opstarten om de tegemoetkoming uit te keren. Om de tegemoetkoming snel uit te kunnen betalen, wordt gebruik gemaakt van gegevens waarover de Belastingdienst/Toeslagen reeds beschikt in het kader van de kinderopvangtoeslag, zonder dat deze interfereert met de toeslagensystematiek. Bijkomend voordeel hiervan is dat dit wijzigingsbesluit in korte tijd tot stand kan komen. Dit maakt het mogelijk ouders binnen enkele maanden tegemoet te komen in de eigen bijdrage. De ouder hoeft op deze wijze geen aanvraag in te dienen om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming.

De Minister van Financiën stelt aan de hand van de gegevens van ouders die op de peildatum van 21 februari 2021 verwerkt zijn, het bedrag voor de tegemoetkoming ambtshalve vast. Voor een ouder aan wie na 21 februari 2021 voor het eerst of voor één of meer volgende kinderen kinderopvangtoeslag is toegekend over de sluitingsperiode zal in een tweede uitbetaalmoment een tegemoetkoming ontvangen. Dit wordt ook wel de herziening genoemd. De peildatum die voor de herzieningsperiode wordt gehanteerd zal bij ministeriële regeling worden vastgesteld.

In de praktijk stelt de Staatssecretaris van Financiën vanwege haar portefeuille Douane en Toeslagen de toekenningen vast. De SVB keert het bedrag rechtstreeks uit aan de ouders en stuurt hen een beschikking, inclusief een (algemene) uitleg over de wijze van berekening. Het gaat om een eenmalige uitbetaling over de genoemde periode. Zoals hiervoor aangegeven zullen Belastingdienst/Toeslagen en de SVB de uitvoering van dit besluit opstarten zodra bekend is wanneer de buitenschoolse opvang opent, om de tegemoetkoming zo spoedig mogelijk uit te keren.

Doelgroep

Veruit de meeste ouders betalen de kinderopvang met behulp van de kinderopvangtoeslag. Het gaat om zo’n circa 570.000 ouders. Bij doorbetaling van de facturen ontvangen zij achteraf ambtshalve een tegemoetkoming in de eigen bijdrage.

Ouders die deelnemen aan kinderopvang via een gemeentelijke regeling en personen die de kosten van kinderopvang zelf dragen vallen, net als bij de tegemoetkoming voor de sluitingsperiode van 16 maart tot en met 7 juni 2020 op basis van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO, buiten de reikwijdte van dit besluit. Deze doelgroepen ontvangen via een andere manier een tegemoetkoming. Ouders die op basis van een gemeentelijke regeling gebruik maken van de kinderopvang, ontvangen een tegemoetkoming van de gemeente. Voor personen die de facturen hebben doorbetaald en geen overheidsvergoeding krijgen voor de kosten van kinderopvang is er een aparte tegemoetkomingsregeling. Zij zullen een tegemoetkoming ontvangen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De reden voor dit verschil is dat aan ouders met kinderopvangtoeslag ambtshalve een tegemoetkoming kan worden verleend op basis van gegevens die al bekend zijn bij de Belastingdienst/Toeslagen. Zodoende kan tot snelle uitkering gekomen worden en worden de administratieve lasten voor deze ouders zoveel mogelijk beperkt. De Belastingdienst/Toeslagen beschikt alleen over gegevens van ouders die kinderopvangtoeslag ontvangen. Voor andere doelgroepen kan deze werkwijze daarom niet worden toegepast.

Instrumentkeuze

Toen de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO in het voorjaar van 2020 werd voorbereid, zijn verschillende varianten overwogen. Voor een toelichting op die varianten wordt verwezen naar paragraaf 2 van de nota van toelichting bij de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO, onder het kopje «motivering instrumentkeuze». De toen gemaakte overwegingen zijn nog steeds actueel.

De Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO is een zelfstandige algemene maatregel van bestuur (amvb), gebaseerd op artikel 89, eerste lid, van de Grondwet. Dat bepaalt dat een amvb bij koninklijk besluit dient te worden vastgesteld. In het algemeen hebben amvb’s een wettelijke grondslag. De wetgever kan ook zogenoemde zelfstandige amvb’s in het leven roepen, maar daarbij is terughoudendheid geboden. Aangenomen wordt dat die mogelijkheid alleen bestaat in uitzonderlijke situaties en bij wijze van tijdelijke voorziening. Verder dienen de aard en het maatschappelijk belang van de materie het regelen bij zelfstandige amvb toe te laten en dient de maatregel niet in strijd te komen met hogere rechtsregels. In dit geval gaat het om een uitzonderlijke situatie waarin niet gewacht kan worden op het tot stand brengen van een wet en het besluit heeft een tijdelijk karakter.

De bestaande wettelijke kaders – de Wet kinderopvang, het Besluit kinderopvangtoeslag en de Kaderwet SZW-subsidies – voorzien niet in een passende wettelijke grondslag voor de voorziene tegemoetkoming. Nu de maatregel nodig is om de ouders spoedig tegemoet te komen in hun kosten en de kinderopvangorganisaties daarmee te steunen vanwege de gedwongen sluiting als een van de door de overheid getroffen maatregelen vanwege het coronavirus, is deze tijdelijke voorziening vormgegeven via een wijziging van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO. De tegemoetkoming wordt op een vergelijkbare manier als in het voorjaar van 2020 ingericht.

Onderhavig besluit betreft een financiële aanspraak en heeft dus een begunstigend karakter. Dit besluit, dat verder niet stuit op onverenigbaarheid met hoger recht, wordt ingezet als noodmaatregel. De tijdelijkheid van het besluit blijkt uit de korte periode waarop de aanspraak betrekking heeft en komt tot uitdrukking in de vervaldatum.

Het kabinet is daarom van mening dat deze uitbreiding van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO voor de tweede sluitingsperiode kan worden vormgegeven via een wijziging van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO. De Tweede Kamer is op 11 februari 2021 geïnformeerd over de invulling van de tegemoetkomingsregeling.1

Voorwaarden voor tegemoetkoming

Om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen, moet een ouder over de periode van 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021 kinderopvangtoeslag hebben ontvangen en de eigen bijdrage in de kosten voor de kinderopvang aan de houder, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, hebben betaald.

De tegemoetkoming ziet alleen op de eigen bijdrage in de kosten van de kinderopvang over de sluitingsperiode waarover de ouder kinderopvangtoeslag heeft ontvangen en tot de maximum uurprijs per soort kinderopvang2. Andere kosten, kosten boven de maximum uurprijs en kinderopvanguren boven 230 uur per maand per kind vallen buiten de tegemoetkoming. Dit is vergelijkbaar met de systematiek van de kinderopvangtoeslag.

Hoogte tegemoetkoming

De Belastingdienst/Toeslagen berekent de hoogte van de tegemoetkoming aan de hand van de gegevens die op de peildatum 21 februari 2021 verwerkt zijn. De Minister van Financiën stelt het bedrag ambtshalve vast. De datum van 21 februari 2021 sluit voor de Belastingdienst/Toeslagen aan op een vast beschikkingenmoment. De hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend op basis van het aantal kinderen per ouder dat gebruik maakt van kinderopvang, het aantal kinderopvanguren dat is doorgegeven, de hoogte van het verzamelinkomen en de maximum uurprijs die geldt voor de betreffende soort opvang.

Het bedrag aan tegemoetkoming wordt per kind, opvangsoort en maximum uurprijs apart berekend. Het bedrag dat de ouder ontvangt is het totaal dat uit de optelsom van deze berekening(en) komt. Aan de hand van een fictief voorbeeld wordt de formule hierna doorlopen.

Eigen bijdrage per maand = [aantal toegekende uren kinderopvang x* max. uurtarief x* (100% – percentage kinderopvangtoeslag)]

Totale hoogte tegemoetkoming per kind = eigen bijdrage per maand x* [(aantal dagen opvang in december/31) + (aantal dagen opvang in januari/31) + (aantal dagen opvang in februari/28).

Voorbeeld 1. Kind naar meerdere opvangvormen.

 

Een gezin maakt voor hun kind gebruik van zowel dagopvang als gastouderopvang. In totaal nemen zij per maand 200 uur dagopvang af tegen een uurprijs van € 9 en 50 uur gastouderopvang per maand voor € 6 per uur.

Deze uren zijn toegekend voor december 2020 tot en met februari 2021. Op de peildatum is een toetsingsinkomen bekend van € 60.000.

Uit de kinderopvangtoeslagtabel van het Besluit kinderopvangtoeslag volgt er een kinderopvangtoeslagpercentage van 79% voor de maand december 2020, januari 2021 en februari 2021. Met deze gegevens kan de formule worden ingevuld.

 

Daqopvanq

Eigen bijdrage december tot maximum uurtarief: 200 uur x € 8,17* x (100% – 79%) = € 343,14

Eigen bijdrage januari tot maximum uurtarief: 200 uur x € 8,46* x (100% – 79%) = € 355,32

Eigen bijdrage februari tot maximum uurtarief: 200 uur x € 8,46* x (100% – 79%) = € 355,32

 

Tegemoetkoming voor de gehele periode: (€ 343,14 x (16/31) + € 355,32 x (31/31) + € 355,32 x (7/28)) = € 621,25

 

Hier wordt dus gerekend met de maximum uurprijs die geldt voor de dagopvang en niet de uurprijs die de ouders betalen. De maximum uurprijs is de maximale uurprijs waarover de ouders kinderopvangtoeslag ontvangen.

 

Gastouderopvanq

Eigen bijdrage december tot maximum uurtarief: 30 uur x € 6,27 x (100% – 79%) = € 39,50

Eigen bijdrage januari tot maximum uurtarief: 30 uur x € 6,49 x (100% – 79%) = € 40,89

Eigen bijdrage februari tot maximum uurtarief: 30 uur x € 6,49 x (100% – 79%) = € 40,89

 

Tegemoetkoming voor de gehele periode: (€ 39,50 x (16/31) + € 40,89 x (31/31) + € 40,89 x (7/28)) = € 71,50

 

De ouders krijgen in dit geval nog voor 30 uur per maand tegemoetkoming en niet 50, omdat het aantal uren per maand wordt gemaximeerd op 230. Dit geldt ook voor de berekening van de kinderopvangtoeslag. In dit geval wordt de tegemoetkoming berekend met een uurprijs van € 6,27 in 2020 en € 6,49 in 2021; niet de € 6 die de ouders betalen. De berekening gaat namelijk uit van de maximum uurprijs voor de betreffende opvangsoort.

 

Het totale bedrag aan tegemoetkoming voor dit gezin bedraagt € 692,75, hetgeen rekenkundig wordt afgerond op € 693.

Vaststelling tegemoetkoming

De Minister van Financiën stelt aan de hand van de gegevens van ouders die op de peildatum 21 februari 2021 voor de eerste uitbetaling of de nog vast te stellen peildatum voor de herziening verwerkt zijn, het bedrag voor de tegemoetkoming per ouder ambtshalve vast. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) stuurt de ouders een beschikking met daarin het bedrag van de tegemoetkoming en een (algemene) uitleg over de wijze van berekening. Binnen een periode van vier weken keert de SVB de tegemoetkoming rechtstreeks uit aan de ouders. Voor de buitenschoolse opvang is nog niet bekend wanneer deze weer opent. Hiervoor zal de eenmalige uitkering betrekking hebben op deze, in een ministeriële regeling vast te leggen, langere periode en de vaststelling op een later moment plaats kunnen vinden. Beoogd wordt om voor de eerste uitbetaling spoedig nadat bekend is wanneer de buitenschoolse opvang opent te beschikken, om daarna tot uitbetaling over te gaan.

Afwijking tegemoetkoming eigen bijdrage

De tegemoetkoming zal wegens de snelheid en het beperken van de uitvoeringslast uitgaan van een definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op basis van de peildatum. Voor de meeste ouders zal de peildatum ertoe leiden dat de tegemoetkoming grosso modo overeenkomt met de eigen bijdrage tot de maximum uurprijs. Toch kan het voor sommige ouders voorkomen dat de gegevens bij de Belastingdienst/Toeslagen op de gehanteerde peildatum van 21 februari 2021 niet altijd volledig zullen aansluiten bij de actuele kinderopvangtoeslagengegevens van de ouders en de facturen van de kinderopvangorganisaties voor de sluitingsperiode. Dit ondanks dat de Belastingdienst/Toeslagen en overheid ouders hebben gewezen op het belang om de gegevens actueel te houden. Bij het opstellen van dit besluit zijn keuzes gemaakt. Een van de keuzes betreft de peildatum. Er is gekeken naar een peildatum die ziet op de actuele situatie van ouders in de sluitingsperiode. Dit om de tegemoetkoming te baseren op de gegevens van ouders die zien op de sluitingsperiode. Verder krijgen ouders zodoende de mogelijkheid om hun gegevens te actualiseren. Ouders worden via de toeslagbrede communicatiecampagne die na zomer 2020 is gestart en via de algemene oproep van de Rijksoverheid bij de sluiting gestimuleerd om hun gegevens actueel te houden.

Nog niet doorgegeven en/of doorgevoerde wijzigingen na 21 februari 2021 in bijvoorbeeld het inkomen kunnen niet worden verwerkt in de kinderopvangtoeslag. Dit kan effect hebben op de hoogte van het bedrag. De reguliere systematiek van herberekening, die wel geldt voor de kinderopvangtoeslag, wordt niet meegenomen in de tegemoetkoming eigen bijdrage.

Indien een ouder na de peildatum van 21 februari 2021 met terugwerkende kracht voor de sluitingsperiode kinderopvangtoeslag krijgt toegekend, zal deze ouder ambtshalve ook in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. Dit geldt ook indien voor één of meer kinderen na 21 februari 2021 en tot 3 maanden na 1 januari kinderopvangtoeslag krijgen toegekend; dan krijgt men middels de herziening ook recht op de tegemoetkoming met terugwerkende kracht over de sluitingsperiode. In deze situaties zal de tegemoetkoming verstrekt worden, op basis van de gegevens die op de bij ministeriële regeling vast te stellen peildatum bekend zijn.

Bezwaar en beroep

Een ouder kan binnen de gebruikelijke termijn van zes weken na bekendmaking van de beschikking bezwaar aantekenen bij de Belastingdienst/Toeslagen.

3. Uitvoering

Dit besluit zal door de SVB en Belastingdienst/Toeslagen gezamenlijk maar ieder voor eigen onderdelen worden uitgevoerd. Hierbij zal de Belastingdienst/Toeslagen de hoogte van de tegemoetkoming per ouder berekenen, op basis van de beschikbare gegevens over het aantal uren, het maximum uurtarief en de reeds ontvangen kinderopvangtoeslag die op de peildatum verwerkt zijn. De Belastingdienst/Toeslagen geeft onder meer de hoogte van de tegemoetkoming en betaalgegevens door aan de SVB. De SVB stelt op basis van vastgestelde gegevens door de Belastingdienst/Toeslagen, de tegemoetkoming vast en verstuurt de beschikking aan de ouder, en zal de betaling en het eerstelijns klantcontact verzorgen.

De ongewijzigde voortzetting van de regeling die via dit wijzigingsbesluit voor ligt is minder belastend en zorgt dat de reeds hoge uitvoeringslasten voor de Belastingdienst/Toeslagen en SVB beperkt blijven.

Gegevensdeling

Voor een zorgvuldige uitvoering van het proces zoals hierboven beschreven zal de Belastingdienst/Toeslagen gegevens leveren aan de SVB. In eerste instantie gaat het om gegevens die de SVB nodig heeft voor de beschikking en om de tegemoetkoming uit te betalen aan de ouder. Dit is het BSN van de ouder om een koppeling te kunnen maken tussen de verschillende bestanden, het IBAN van de ouder voor de uitbetaling van het bedrag en het bedrag aan tegemoetkoming dat de Belastingdienst/Toeslagen heeft berekend. De SVB beschikt reeds over de adresgegevens uit de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP), waardoor deze niet opgenomen worden in de gegevensuitwisseling.

Ouders kunnen voor vragen over de hoogte van de tegemoetkoming bij de SVB terecht. Hiervoor is het belangrijk dat de SVB de waarden heeft waarmee de tegemoetkoming is berekend. Dan gaat het om: de periode en het aantal uren kinderopvang waarvoor een tegemoetkoming is verstrekt, de BSN’s van de kinderen waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, het toetsingsinkomen en het toeslagpercentage waaruit de eigen bijdrage wordt afgeleid. Deze gegevens zal de Belastingdienst/Toeslagen daarom ook opnemen in de gegevenslevering aan de SVB.

Het betreft een noodzakelijke en proportionele gegevensuitwisseling omdat deze zich beperkt tot de grondslagen van de tegemoetkoming. De SVB krijgt geen informatie over de status van de ouder (arbeidspositie en samenstelling van het huishouden). De gegevens worden enkel gebruikt voor het (nader) toelichten van de berekening van de tegemoetkoming. Nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, zal de SVB de gegevens binnen de daarvoor geldende termijn vernietigen.

De SVB levert de gegevens aan de Belastingdienst/Toeslagen voor zijn taak in bezwaar- en beroepsprocedure. De gegevens zijn noodzakelijk voor de Belastingdienst/Toeslagen om te kunnen beslissen op bezwaar, in rechte op te treden in beroep of in hoger beroep, of van hoger beroep af te kunnen zien.

4. Uitvoerbaarheid

Belastingdienst/Toeslagen

De Belastingdienst/Toeslagen acht de regeling, voor de taken die betrekking hebben op de dienst, uitvoerbaar. De Belastingdienst/Toeslagen zal aan de hand van de kinderopvangtoeslaggegevens van ouders, die op de peildatum verwerkt zijn, het bedrag aan tegemoetkoming per ouder ambtshalve vaststellen en aan de SVB ter beschikking stellen. Ten behoeve van de uitbetaling van de tegemoetkoming, zal Belastingdienst/Toeslagen ook een set aan gegevens aanleveren aan de SVB. Naar aanleiding van ervaringen uit de uitvoering van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO over de periode 16 maart – 7 juni 2020, zal er ook een lijn tussen SVB en Belastingdienst/Toeslagen worden ingericht om complexe vragen van burgers aan de SVB waarvoor inzicht in toeslaggegevens noodzakelijk is, te kunnen beantwoorden. Ook het eventuele bezwaar en beroep door ouders zal door Belastingdienst/Toeslagen afgehandeld worden. De werkzaamheden die hieruit voortvloeien zullen extern ingehuurd worden teneinde de dienst niet onnodig te belasten.

In de weging op de hand wijst de Belastingdienst/Toeslagen op het belang van een goede juridische verankering en inbedding van de regeling. Ook geeft Belastingdienst/Toeslagen aan dat kinderopvangorganisaties meer-uren noodopvang kunnen factureren aan ouders, ondanks dat dit niet de bedoeling is. Wanneer ouders de meer-uren doorgeven als wijziging, ontvangen zij hiervoor kinderopvangtoeslag en daarmee ook een tegemoetkoming in de eigen bijdrage op het moment dat de wijziging voor de peildatum wordt doorgegeven. Tot slot wijst zij erop dat geborgd moet worden dat belanghebbenden ook na het afronden van de tegemoetkoming vragen kunnen hebben over de regeling en dat zij hier bij respectievelijk bij SVB (voor beschikking en vaststelling) en Belastingdienst/Toeslagen (bezwaar en beroep) terecht kunnen.

De totale uitvoeringskosten worden geraamd op € 4,2 mln.

SVB

Ook de SVB acht de regeling, voor de taken die aan de SVB zijn toebedeeld, uitvoerbaar en handhaafbaar. De SVB zal namens de Minister van Financiën de beschikking vaststellen en versturen, de betaling verrichten en eerstelijns klantvragen beantwoorden. Naar aanleiding van ervaringen in de uitvoering van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO over de periode van 16 maart – 7 juni 2020 heeft de SVB besloten tot een aantal wijzigingen in de uitvoering. Zo zal de SVB ditmaal geen extern callcenter inzetten voor het beantwoorden van klantvragen. Daarnaast geeft de SVB aan dat zij de tegemoetkoming voor alle ouders in één keer kunnen beschikken, in plaats van in drie tranches. Dit versnelt het ontvangstmoment van de tegemoetkoming voor ouders en reduceert het aantal klantvragen.

Verder doet zij het advies om de peildatum, nu de sluitingsperiode langer aanhoudt, naar achteren te plaatsen om de gegevens die worden gebruikt bij de berekenen zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de actuele situatie van ouders. Dit voorkomt dat veel burgers in bezwaar gaan tegen de tegemoetkoming. Ook geeft de SVB mee dat overwogen kan worden om de herzieningsmogelijkheid te verruimen zodat ook gewijzigde uren meegenomen kan worden in de herberekening van de tegemoetkoming.

Rondom de uitbetaling van de tegemoetkoming geeft de SVB aan dat zij, na bekendmaking van de definitieve sluitingsperiode en levering van de gegevens door Belastingdienst/Toeslagen, vier weken nodig heeft om te betalen en beschikken. Indien de sluitingsperiode op 7 februari 2021 eindigt, kan de SVB de betalingen eind maart 2021 laten plaatsvinden. Hierbij tekent SVB aan dat deze planning alleen realiseerbaar is indien de uitvoering van dit wijzigingsbesluit prioriteit krijgt boven de uitvoering van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling kinderopvang zonder overheidsvergoeding (voor degene die de kosten van kinderopvang geheel zelf draagt). De regering heeft de volgorde van uitbetaling van de verschillende tegemoetkomingen overwogen. Er is gekozen om eerst de circa 570.000 ouders met kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming te geven over de tweede sluitingsperiode. Met het bieden van een tegemoetkoming aan deze grote groep ouders met kinderopvangtoeslag wordt de continuïteit van kinderopvangsector en de mogelijkheid voor hen om noodopvang te bieden het meest gewaarborgd.

De totale uitvoeringskosten worden geraamd op € 852.000.

Controle

Dit besluit is zo opgebouwd dat gebruik wordt gemaakt van bij de Belastingdienst/Toeslagen verwerkte gegevens, waardoor ouders geen aanvraag hoeven in te dienen. De SVB gaat na het beschikken direct over tot betaling waarbij geen controle kan plaatsvinden of de betaling van de ouder van de eigen bijdrage in de kosten van de kinderopvang daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Overigens is door te kiezen voor de peildatum van 21 februari 2021 de kans op strategisch gedrag van ouders, alleen om een zo hoog mogelijke tegemoetkoming te ontvangen, geminimaliseerd.

De systematiek van dit besluit is noodgedwongen eenvoudig gehouden, wat bijvoorbeeld betekent dat er ouders zijn die meer aan tegemoetkoming ontvangen dan zij op basis van hun door de Belastingdienst/Toeslagen vastgestelde gegevens in 2021 aan eigen bijdrage moeten betalen. Maar er zijn ook ouders die minder ontvangen. Het kabinet accepteert deze uitkomsten en vraagt aan ouders begrip voor verschillen in uitkomsten.

5. Financiële gevolgen

De financiële gevolgen voor de tegemoetkomingsregeling voor ouders met kinderopvangtoeslag bedragen circa € 204 miljoen voor de periode van 16 december tot en met 7 februari. Dit betreffen de kosten voor de programmamiddelen en de uitvoeringskosten. In de 1e Incidentele Begroting SZW 2021 is hiervoor een eenmalige reservering opgenomen uit de algemene middelen. Daarbij is aangegeven dat de financiële gevolgen toenemen, indien de periode voor de tegemoetkoming eigen bijdrage verder verlengd wordt.

6. Regeldruk

De tegemoetkoming wordt ambtshalve gedaan, op basis van de al verwerkte gegevens van ouders bij de Belastingdienst/Toeslagen. Ouders ontvangen de tegemoetkoming, maar hoeven daar geen administratieve handelingen uit te voeren. De regeldruk is voor ouders daarom nihil.

7. Ontvangen adviezen

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) is gevraagd advies uit te brengen op het conceptwijzigingsbesluit. Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat er geen gevolgen voor de regeldruk zijn.

8. Internationale aspecten

In het systeem van de kinderopvangtoeslag wordt de toeslag geëxporteerd naar ouders die gebruik maken van kinderopvang buiten Nederland, binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: EER) of Zwitserland. Dit gebeurt op grond van de Europese sociale zekerheidsverordening (Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (hierna: Coördinatieverordening)). Gezinsbijslagen worden in artikel 1(z) van de Coördinatieverordening gedefinieerd als «alle verstrekkingen en uitkeringen ter tegemoetkoming van de gezinslasten (...)». De toeslag die ouders ontvangen als tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang voldoet aan de kenmerken van een gezinsbijslag op grond van de Coördinatieverordening.

Net zoals de kinderopvangtoeslag is bij onderhavige tegemoetkoming sprake van een verstrekking ter tegemoetkoming in de gezinslasten. Door dit besluit wordt tegemoetgekomen aan de financiële last van de eigen bijdrage die bij een gezin komt te liggen nu de verblijven voor kinderopvang zijn gesloten. De tegemoetkoming kwalificeert daarmee ook als een gezinsbijslag in de zin van de Coördinatieverordening.

De kwalificatie als gezinsbijslag betekent in de eerste plaats dat de uitkering moet worden geëxporteerd. De Coördinatieverordening waarborgt dat een persoon recht heeft op gezinsbijslagen, ook voor gezinsleden die in een andere lidstaat wonen. Voor de tegemoetkoming eigen bijdrage betekent dit dat deze ook wordt uitgekeerd aan een gerechtigde die niet in Nederland woont of wiens kind niet in Nederland woont.

In de tweede plaats heeft de kwalificatie als gezinsbijslag tot gevolg dat de bijzondere anticumulatieregels uit het hoofdstuk gezinsbijslagen van de Coördinatieverordening van toepassing zijn. In het hoofdstuk gezinsbijslagen van de Coördinatieverordening zijn anticumulatieregels opgenomen die moeten worden toegepast. Deze regels voorkomen samenloop van gezinsbijslagen uit verschillende lidstaten: als er voor een kind, voor dezelfde periode, naast recht op een Nederlandse tegemoetkoming ook recht op een vergelijkbare tegemoetkoming uit een andere lidstaat bestaat, moet worden vastgesteld welke lidstaat bij voorrang de tegemoetkoming moet betalen. Het werkland heeft bijvoorbeeld voorrang boven het woonland. Als twee ouders in verschillende lidstaten werken, heeft het woonland van de kinderen voorrang. De lidstaat die met voorrang bevoegd is, betaalt het volledige bedrag van de gezinsbijslag. Als de andere lidstaat, die niet bij voorrang bevoegd is, een hoger bedrag aan gezinsbijslag heeft, betaalt die lidstaat een aanvulling. Gelet op het karakter van de tegemoetkoming en het lage aantal gerechtigden in de categorie waarbij Nederland niet bij voorrang bevoegd is, wordt dezelfde keuze gemaakt als bij de tegemoetkomingregeling in het voorjaar. Het bedrag van de tegemoetkoming zal in alle gevallen volledig uit betaald worden.

9. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum waarop het in het Staatsblad is gepubliceerd. Daarmee wordt afweken van het kabinetsbeleid over vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn voor regelgeving, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. De reden daarvoor is het spoedeisende karakter van dit besluit, dat is toegelicht in paragraaf 2 van deze nota van toelichting.

II Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdelen A tot en met D, F, G en H

Deze wijzigingen hangen samen met de uitbreiding van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO met de tegemoetkoming voor de periode van 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021, waarin de kinderopvang opnieuw gesloten is. De Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO is met deze onderdelen opgedeeld in vier paragrafen. Paragraaf 1 betreft de begripsbepalingen, paragraaf 2 gaat over de eerste sluitingsperiode, paragraaf 3 over de tweede sluitingsperiode en paragraaf 4 bevat ten slotte de overige bepalingen, die voor beide sluitingsperiodes gelden.

Onderdeel G voegt verder de inhoud van artikel 3 van de Regeling nadere regels Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO toe aan artikel 7 van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO. Daarmee staan alle voorschriften over gegevensuitwisseling in het laatstgenoemde artikel.

Onderdeel H voegt een tweede lid toe aan artikel 8. Het nieuwe tweede lid regelt dat bij het verlengen van de periode waarin de kinderopvang is gesloten en het stellen van nadere regels onderscheid kan worden gemaakt naar soort kinderopvang. Daarmee wordt het mogelijk om specifieke regels voor de buitenschoolse opvang te maken, die langer gesloten is dan andere vormen van kinderopvang.

Artikel I, onderdeel E

Onderdeel E ziet op de artikelen die specifiek betrekking hebben op de tweede sluitingsperiode. Deze artikelen, die zoveel mogelijk aansluiten bij de artikelen 2 tot en met 5 van het besluit, worden hieronder toegelicht.

Artikel 5a beschrijft het doel van paragraaf 3. Dat doel is de ouder financieel tegemoet te komen in de betaalde eigen bijdrage over de periode 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021.

Artikel 5b regelt welke ouders recht hebben op een tegemoetkoming. Dat is ingevolge het eerste lid de ouder die die de eigen bijdrage voor de kinderopvang aan de houder heeft doorbetaald over de periode 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021. De mogelijkheid om de kring van rechthebbenden bij ministeriële regeling uit te breiden, waarin artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO voorziet, is niet in artikel 5b opgenomen. De uitbreiding die in de Regeling nadere regels Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO heeft plaatsgevonden is namelijk meegenomen in artikel 5d van dit besluit. Verdere uitbreiding van de kring van rechthebbenden is niet voorzien.

Artikel 5c regelt hoe de tegemoetkoming wordt berekend. Dat gebeurt met behulp van een formule. De eigen bijdrage (A) wordt berekend door het aantal toegekende uren kinderopvang per maand (B), de maximum uurprijs per soort kinderopvang (C) en het verschil tussen 100% en het percentage kinderopvangtoeslag (D) met elkaar te vermenigvuldigen. De maximum uurprijs per soort kinderopvang (C) is geregeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag. In 2020 bedraagt de maximum uurprijs voor dagopvang 8,17 euro, voor buitenschoolse opvang is het 7,02 euro en voor gastoudervang is het 6,27 euro. In 2021 bedraagt de maximum uurprijs voor dagopvang 8,46 euro, voor buitenschoolse opvang is het 7,27 euro en voor gastoudervang is het 6,49 euro. Er geldt een maximum van 230 uur per maand per kind voor alle soorten kinderopvang tezamen, geregeld in artikel 8a, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag. Als het maximum is bereikt wordt er afgebroken volgens: eerst dagopvang, dan buitenschoolse opvang en als laatst gastouderopvang. Dit is gunstig voor de ouder want de duurste opvangsoort wordt eerst tegemoetgekomen. Het percentage kinderopvangtoeslag (D) hangt af van het toetsingsinkomen en of de toeslag voor het eerste of volgend kind is. De tabel is te vinden in bijlage I bij het Besluit kinderopvangtoeslag. Voor de periode die ziet op 2020, gelden de percentages behorende bij het Besluit kinderopvangtoeslag zoals die golden in 2020. Voor de periode die ziet op 2021, gelden de percentages behorende bij het Besluit kinderopvangtoeslag dat geldt in 2021.

Voor het deel van de maand waarop A van toepassing is (X) geldt een maximum van 54 dagen (16 dagen in december 2020 (Xa), 31 dagen in januari 2021 (Xb) en 7 dagen in februari 2021 (Xc)) waarover tegemoetkoming kan worden berekend. Dit kunnen ook minder dagen zijn. Het gaat om minder dagen als een contract later aanving dan 16 december 2020 of eerder eindigde dan 7 februari 2021.

De eigen bijdrage (A) vermenigvuldigd met de periode (Xa + Xb + Xc) vormt de hoogte van de tegemoetkoming per kind per soort kinderopvang (YKs). Per kind kan er maximaal sprake zijn van drie soorten kinderopvang in de lopende periode (X). Als er meerdere kinderen zijn worden de tegemoetkoming per kind bij elkaar opgeteld. Dit betreft dan de totale tegemoetkoming. Het bedrag dat de ouder krijgt als tegemoetkoming betreft een nettobedrag. De tegemoetkoming blijft buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen. De tegemoetkoming die op grond van dit besluit wordt uitbetaald vormt tevens geen inkomen uit werk en woning (box 1) in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001. Er is namelijk geen sprake van een inkomen vervangende uitkering of van een zelfstandige bron van inkomen. Voor een rekenvoorbeeld wordt verwezen naar de paragraaf over vaststelling hoogte tegemoetkoming eigen bijdrage in het algemeen deel van de nota van toelichting.

Artikel 5d bevat de peildatum voor de berekening van de tegemoetkoming. De Belastingdienst/Toeslagen gebruikt daarvoor de gegevens die zijn verwerkt op 21 februari 2021. Nieuwe aanvragen en wijzigingsaanvragen voor kinderopvangtoeslag kennen een vaste verwerkingstijd. Aanvragen die kort voor 21 februari 2021 zijn gedaan kunnen daardoor niet worden meegenomen.

Niet alle ouders die in de periode 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021 recht hebben op kinderopvangtoeslag hebben die toeslag op 21 februari 2021 al aangevraagd. Voor ouders aan wie na 21 februari 2021 voor het eerst of voor een of meer volgende kinderen kinderopvangtoeslag is toegekend, wordt de peildatum bij ministeriële regeling vastgesteld. Dat regelt artikel 5d, tweede lid. Daarmee is het niet nodig om te voorzien in een grondslag om de kring van rechthebbenden uit te breiden, zoals in artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO; die uitbreiding gebeurt met artikel 5d, tweede lid.

Artikel I, onderdeel I

Artikel I, onderdeel I, voorziet in een nieuwe vervaldatum voor de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO. Deze is, net als de oorspronkelijke vervaldatum, gesteld op twee jaar na de verwachte inwerkingtredingsdatum van de regels, 10 april 2023.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 425.

X Noot
2

Zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag.

Naar boven