Besluit van 30 september 2015, houdende vaststelling van nieuwe regels voor bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 517/2014 van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en een aantal daarmee verband houdende verordeningen en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van 16 september 2009 betreffende ozonlaagafbrekende stoffen (Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 25 maart 2015, nr. IenM/BSK-2015/40181, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Economische Zaken;

Gelet op Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PbEU L 150), Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende ozonlaag afbrekende stoffen (herschikking) (PbEU L 286), Verordening (EG) nr. 1494/2007 van de Europese Commissie van 17 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van de vorm van etiketten en aanvullende etiketteringseisen betreffende producten en apparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 332), Verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Europese Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 333), Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Europese Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (PbEU L 335), Verordening (EG) nr. 303/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot instelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (PbEU L 92), Verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 92), Verordening (EG) nr. 305/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars (PbEU L 92), Verordening (EG) nr. 306/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur (PbEU L 92), Verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen (PbEU L 92);

Gelet op de artikelen 8.40, eerste lid, 9.2.2.1, eerste lid, en 11a.2, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer en de artikelen 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 juni 2015, nr. W14.15.0088/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 18 september 2015, nr. IenM/BSK-2015/133386, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. erkenning:

beschikking van Onze Minister waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor het afgeven van een certificaat voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende voorwaarden;

b. F-gassenverordening:

Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PbEU L 150);

c. Onze Minister:

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

d. Verordening ozonlaagafbrekende stoffen:

Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende ozonlaagafbrekende stoffen (herschikking) (PbEU L 286).

Artikel 2

Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op handelingen verricht binnen de exclusieve economische zone.

§ 2. Gefluoreerde broeikasgassen

Artikel 3

  • 1. Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 6, 11 en 15 van de F-gassenverordening.

  • 2. Onze Minister is de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 17 en 19 van de F-gassenverordening.

Artikel 4

  • 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3 van de F-gassenverordening.

  • 2. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, eerste alinea, in verbinding met artikel 4, tweede, derde en vierde lid, van de F-gassenverordening. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 4, eerste lid, tweede en derde alinea en artikel 4, tweede lid, derde alinea van de F-gassenverordening.

  • 3. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 5 van de F-gassenverordening.

  • 4. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 6, eerste lid, in verbinding met artikel 6, tweede lid, eerste alinea, van de F-gassenverordening.

  • 5. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 6, derde lid, eerste en tweede alinea, in verbinding met artikel 11, vierde lid, van de F-gassenverordening.

  • 6. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 7 van de F-gassenverordening.

  • 7. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 8, eerste en tweede lid, van de F-gassenverordening.

  • 8. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 10, elfde lid, van de F-gassenverordening.

  • 9. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 11, eerste lid, in verbinding met bijlage III, van de F-gassenverordening. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 11, tweede of derde lid, van de F-gassenverordening.

  • 10. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 11, vierde en vijfde lid, van de F-gassenverordening.

  • 11. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 12, eerste lid, in verbinding met artikel 12, derde en vierde lid, van de F-gassenverordening.

  • 12. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 12, tweede lid, in verbinding met artikel 11, derde lid, van de F-gassenverordening.

  • 13. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 12, vijfde tot en met dertiende lid, van de F-gassenverordening.

  • 14. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, eerste alinea, van de F-gassenverordening. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in het geval en onder de voorwaarde, genoemd in artikel 13, eerste lid, tweede alinea, van de F-gassenverordening.

  • 15. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 13, tweede lid, van de F-gassenverordening.

  • 16. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 13, derde lid, eerste alinea, van de F-gassenverordening. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 13, derde lid, tweede tot en met vierde alinea, van de F-gassenverordening.

  • 17. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 14, eerste en tweede lid, van de F-gassenverordening.

  • 18. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 15, eerste lid, tweede alinea, in verbinding met de artikelen 16, vijfde lid, en 18 van de F-gassenverordening. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 15, tweede of vierde lid, van de F-gassenverordening.

  • 19. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 15, derde lid, in verbinding met artikel 15, eerste lid, tweede alinea, en de artikelen 16, vijfde lid, en 18 van de F-gassenverordening. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 15, tweede of vierde lid, van de F-gassenverordening.

Artikel 5

  • 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste tot en met derde lid, 3 en 4, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1494/2007 van de Europese Commissie van 17 december 2007 (PbEU L 332).

  • 2. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2 tot en met 7 van verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Europese Commissie van 18 december 2007 (PbEU L 333).

  • 3. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2 tot en met 4, 5, eerste en derde lid, 6, 7, eerste en tweede lid, in verbinding met artikel 7, derde lid, en 8 tot en met 10 van verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Europese Commissie van 19 december 2007 (PbEU L 335).

  • 4. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste lid, en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 303/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 (PbEU L 92).

  • 5. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste lid, en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 304/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 (PbEU L 92).

  • 6. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 305/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 (PbEU L 92).

  • 7. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 306/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 (PbEU L 92).

  • 8. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 (PbEU L 92).

Artikel 6

  • 1. Voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen, bedoeld in de artikelen 8, derde lid, en 10, tweede lid, van de F-gassenverordening, en de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de F-gassenverordening, beschikt een natuurlijk persoon over een certificaat dat is verleend door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning.

  • 2. Voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 10, zesde lid, van de F-gassenverordening, beschikt een onderneming over een certificaat dat is verleend door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

    • a. de eisen aan een natuurlijk persoon en een onderneming voor het verkrijgen, respectievelijk het verkrijgen en behouden, van een certificaat als bedoeld in het eerste en tweede lid;

    • b. de gegevens die de certificaten vermelden;

    • c. de verlening, schorsing en intrekking van certificaten, alsmede de registratie en openbaarmaking daarvan;

    • d. de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van de krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van de artikelen 4, derde lid, en 5, van de F-gassenverordening nadere regels gesteld over de controle op de goede werking van een lekkagedetectiesysteem.

§ 3. Ozonlaagafbrekende stoffen

Artikel 7

Onze Minister is de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 10 tot en met 15, 17, 18, 23, 27 en 28 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

Artikel 8

  • 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, 5, eerste en tweede lid, in verbinding met het derde lid, en 6 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 5, derde lid, of de artikelen 7 tot en met 14 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

  • 2. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 15, eerste lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 15, tweede en derde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

  • 3. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 16, 18, tweede tot en met vierde lid, 22, eerste, tweede en vierde lid, 23, eerste tot en met derde lid, vijfde en zesde lid, en 27, eerste tot en met zevende en negende lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

  • 4. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 17, eerste lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 17, tweede tot en met vierde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

  • 5. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 20, eerste en vierde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 20, tweede en derde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

  • 6. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 24, eerste lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen, tenzij vrijstelling als bedoeld in het tweede lid van dat artikel is verleend.

  • 7. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een vergunning als bedoeld in de artikelen 10, zesde lid, 15, derde lid, en 17, vierde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

  • 8. Het is verboden te handelen in strijd met de toestemming verleend krachtens de artikelen 13, eerste lid, tweede volzin, en 14, tweede tot en met vierde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen of met de goedkeuring verleend krachtens artikel 12, eerste lid, tweede volzin, van die verordening.

  • 9. Het is verboden om chloorfluorkoolstoffen- of chloorfluorkoolwaterstoffenhoudende koel- en vriesapparatuur voor handelsdoeleinden voorhanden te hebben die afkomstig is van particuliere huishoudens of van anderen dan particuliere huishoudens voor zover deze apparatuur naar aard en hoeveelheid vergelijkbaar is met die van particuliere huishoudens.

Artikel 9

  • 1. Voor de terugwinning van gereguleerde stoffen, bedoeld in artikel 22, eerste en vijfde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen en de controle op lekkage, bedoeld in 23, tweede lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen, beschikt een natuurlijk persoon over een certificaat dat is verleend door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning.

  • 2. Voor installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling van apparatuur of systemen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen, die gereguleerde stoffen bevat, beschikt zowel de natuurlijk persoon die deze werkzaamheden verricht als de onderneming die deze werkzaamheden voor een derde verricht over een certificaat dat is verleend door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

    • a. de eisen aan een natuurlijk persoon en een onderneming voor het verkrijgen, respectievelijk het verkrijgen en behouden, van een certificaat als bedoeld in het eerste en tweede lid;

    • b. de gegevens die de certificaten vermelden;

    • c. de verlening, schorsing en intrekking van certificaten, alsmede de registratie en openbaarmaking daarvan;

    • d. de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van de krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van de artikelen 22, vijfde lid, eerste volzin, en 23, eerste en derde lid, van de EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen nadere regels gesteld. Deze regels kunnen inhouden dat bepalingen van de F-gassenverordening van overeenkomstige toepassing zijn op werkzaamheden als bedoeld in het eerste of tweede lid of andere handelingen als bedoeld in artikel 1 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

§ 4. Erkenning van instellingen die natuurlijke personen en ondernemingen certificeren

Artikel 10

  • 1. Onze Minister kan op aanvraag een erkenning verlenen aan een instelling voor het verstrekken van certificaten als bedoeld in de artikelen 6 en 9 aan natuurlijke personen of ondernemingen.

  • 2. De erkenning vermeldt ten minste de naam en het adres van de instelling en de werkzaamheden en taken als bedoeld in de artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, waarvoor de instelling certificaten kan afgeven.

  • 3. De erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend en is niet overdraagbaar.

Artikel 11

  • 1. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

    • a. de naam en het adres van de aanvrager;

    • b. aanduiding van de werkzaamheden en taken als bedoeld in de artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, waarvoor de aanvrager voornemens is certificaten te verstrekken.

  • 2. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van indiening van de aanvraag en de bij de aanvraag te verstrekken gegevens.

Artikel 12

  • 1. Onze Minister verleent de erkenning geheel of gedeeltelijk, indien de desbetreffende instelling:

    • a. heeft voldaan aan de bij of krachtens artikel 11 gestelde vereisten;

    • b. niet in staat van faillissement verkeert of geen surseance van betaling heeft verkregen;

    • c. geacht kan worden onafhankelijk en onpartijdig te zijn bij de uitvoering van haar werkzaamheden;

    • d. de natuurlijke personen en ondernemingen registreert die zij heeft gecertificeerd;

    • e. beschikt over personeel dat voor het uitvoeren van de beoordelingen van natuurlijke personen of ondernemingen voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen;

    • f. op een geaggregeerd niveau de gegevens zal bijhouden van de registraties die ingevolge artikel 6 van de F-gassenverordening plaatsvinden, tenzij de aanvraag alleen betrekking heeft op het certificeren van personen;

    • g. voldoet aan bij ministeriële regeling aan instellingen te stellen kwaliteitseisen.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het gestelde in het eerste lid, onder c, d en f.

Artikel 13

  • 1. Op verzoek van de erkende instelling kan de erkenning worden gewijzigd.

  • 2. Op het verzoek zijn de artikelen 11 en 12 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

  • 1. Een instelling verstrekt geen certificaten als bedoeld in de artikelen 6 en 9 aan natuurlijke personen of ondernemingen zonder daartoe verleende erkenning.

  • 2. Een erkende instelling voldoet aan de bij of krachtens artikel 12, eerste lid, onder c tot en met g, gestelde vereisten.

  • 3. Een erkende instelling certificeert geen natuurlijke personen of ondernemingen, waarmee de instelling organisatorisch, financieel of juridisch verbonden is, tenzij deze verbondenheid alleen voortvloeit uit een tussen partijen ten behoeve van de certificering gesloten overeenkomst van opdracht.

  • 4. Een erkende instelling schorst een door haar verstrekt certificaat of trekt deze in als Onze Minister een daartoe strekkende aanwijzing heeft gegeven omdat de houder van het certificaat in strijd heeft gehandeld met verplichtingen, gesteld bij of krachtens dit besluit, de F-gassenverordening of de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de verplichtingen waaraan erkende instellingen moeten voldoen. Deze regels kunnen betrekking hebben op de tarieven die de erkende instellingen voor het verstrekken van certificaten in rekening brengen.

Artikel 15

  • 1. Onze Minister kan de erkenning van een instelling schorsen, indien de instelling een bij of krachtens dit besluit gestelde verplichting niet nakomt of niet is nagekomen.

  • 2. In geval van schorsing geeft Onze Minister de instelling gedurende een door hem te bepalen periode de gelegenheid de tekortkoming op te heffen.

  • 3. Indien de tekortkoming door de instelling binnen de door Onze Minister gestelde termijn naar het oordeel van Onze Minister is opgeheven, wordt de schorsing van de erkenning opgeheven.

  • 4. Het besluit tot schorsing vermeldt de termijn gedurende welke de schorsing van kracht is. Deze termijn is ten hoogste twee jaar.

Artikel 16

  • 1. Onze Minister kan de erkenning van een instelling intrekken indien:

    • a. de instelling hierom verzoekt;

    • b. de instelling naar het oordeel van Onze Minister ernstig tekort is geschoten bij de naleving van een bij of krachtens dit besluit gestelde verplichting;

    • c. de erkenning ingevolge artikel 15, eerste lid, is geschorst en de tekortkoming niet binnen de in artikel 15, tweede lid, bedoelde termijn is opgeheven, of

    • d. aan de instelling surseance van betaling is verleend of de instelling in staat van faillissement verkeert.

  • 2. De instelling stelt de ondernemingen die zij heeft gecertificeerd onmiddellijk op de hoogte van het besluit van Onze Minister tot intrekking van de erkenning.

  • 3. Na intrekking van de erkenning blijven de door de instelling aan ondernemingen afgegeven certificaten gedurende ten hoogste een jaar geldig.

§ 5. Wederzijdse erkenning

Artikel 17

Met een erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 18

  • 1. In aanvulling op de artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, blijft het bepaalde bij en krachtens artikel 4, eerste tot en met het vierde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, zoals deze bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit, gedurende zes maanden na inwerkingtreding van dit besluit van kracht.

  • 2. Een krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, zoals deze bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit, verleend diploma wordt gelijkgesteld met een certificaat voor een natuurlijk persoon als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid.

  • 3. Een krachtens artikel 4, tweede lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, zoals deze bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit, verleend bedrijfscertificaat wordt gedurende ten hoogste twee jaren na inwerkingtreding van dit besluit gelijk gesteld met een certificaat voor een onderneming als bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, en 9, tweede lid.

  • 4. Een aanwijzing die is verleend krachtens artikel 4, derde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer dan wel artikel 5, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, zoals die artikelleden luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van het onderhavige besluit, wordt gedurende twee jaren na inwerkingtreding van dit besluit gelijk gesteld met een erkenning.

Artikel 19

Bijlage II van het Besluit OM-afdoening wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van «Nummer BM 510 – BM 512» wordt «Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties» vervangen door: Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen.

2. De nummers BM 510 – BM 512 worden vervangen door onderstaande nummers:

BM 510

laten verrichten van installatie, onderhoud of service, reparatie, buitendienststelling, lekkagecontrole of terugwinning van of aan apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat door een natuurlijk persoon die daarvoor niet is gecertificeerd

3 lid 3, 4 lid 1 en 2 en 8 Verordening (EU) nr. 517/2014 jo. 4 lid 1 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen, respectievelijk 23 lid 2 en 4 Verordening (EG) nr. 1005/2009 jo. 7 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen

 

laten verrichten van installatie, onderhoud of service, reparatie of buitendienststelling van of aan apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat door een onderneming die daarvoor niet is gecertificeerd

3 lid 4, 4 lid 2 en 8 Verordening (EU) nr. 517/2014, 4 lid 1 en 7 lid 1 Verordening (EG) nr. 303/2008, 4 lid 1 en 7 lid 1 Verordening (EG) nr. 304/2008, 3 lid 1 Verordening (EG) nr. 305/2008, 2 lid 1 Verordening (EG) nr. 306/2008, 2 lid 1 Verordening (EG) nr. 307/2008 jo. 4 lid 1 en 2 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen, respectievelijk 23 lid 2 en 4 Verordening (EG) 1005/2009 jo. 7 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen

BM 511a

t/m 20 werknemers

 

BM 511b

meer dan 20 werknemers

 

BM 512

het met betrekking tot apparatuur die broeikasgassen bevat niet voorhanden hebben van een register waarin de in artikel 6 lid 1 van Verordening (EU) 517/2014 genoemde informatie is opgenomen

6 lid 1 Verordening (EU) 517/2014 jo. 4 lid 1 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen

Artikel 20

Artikel 3.16c, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer komt te luiden:

  • 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder «natuurlijk koudemiddel»: koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gefluoreerd broeikasgas als bedoeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 dan wel een gereguleerde stof als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009, voor zover toegepast als koudemiddel;

Artikel 21

In artikel 56, eerste lid, van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw wordt «Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen» vervangen door: Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen.

Artikel 22

De volgende besluiten worden ingetrokken:

  • a. Besluit broeikasgassen in apparatuur op schepen milieubeheer;

  • b. Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer;

  • c. Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

Artikel 23

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 24

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 30 september 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

Uitgegeven de vijftiende oktober 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

I Algemeen

1. Inleiding

Het onderhavige besluit strekt tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (hierna: F-gassenverordening) en Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende ozonlaagafbrekende stoffen (hierna: Verordening ozonlaagafbrekende stoffen).

De F-gassenverordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2015 en heeft tot doel het milieu te beschermen door de uitstoot van gefluoreerde broeikasgassen te verminderen. Hierop wordt in het volgende hoofdstuk nader ingegaan.

De Verordening ozonlaagafbrekende stoffen is van toepassing met ingang van 1 januari 2010. Voor een toelichting op deze verordening wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen.1 Omdat beide verordeningen veel raakvlakken vertonen, is er voor gekozen om de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot deze verordeningen te concentreren in één algemene maatregel van bestuur. Het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen komt derhalve met het onderhavige besluit te vervallen.

EG- en EU-verordeningen zijn verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten. Om een volledige en effectieve toepassing van de genoemde verordeningen in de Nederlandse rechtsorde te verwezenlijken, is een aantal uitvoeringsbepalingen in de nationale regelgeving noodzakelijk. Hierbij gaat het onder meer om de aanwijzing van de bevoegde instantie en de bevoegde autoriteit en om het sanctioneren van handelingen in strijd met een aantal voorschriften en verboden van beide verordeningen. Hierop wordt in hoofdstuk 3 van deze toelichting verder ingegaan.

Naast de invoering van het onderhavige besluit zullen tevens de ministeriële regelingen worden gewijzigd die thans zijn gebaseerd op het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Het gaat om de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties, de Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen en de Regeling gefluoreerde broeikasgassen hoogspanningsschakelaars. Deze ministeriële regelingen zullen worden samengevoegd in één uitvoeringsregeling die tegelijkertijd met het onderhavige besluit in werking zal treden. In deze regeling, waarvoor het onderhavige besluit de wettelijke grondslag bevat, zullen nadere bepalingen worden opgenomen ter uitvoering van de F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

Tot slot strekt onderhavig besluit tevens tot uitvoering van een aantal verordeningen van de Europese Commissie waarin elementen van de F-gassenverordening nader zijn uitgewerkt. Deze uitvoeringsverordeningen hebben betrekking op:

  • a. de vorm van etiketten en aanvullende etiketteringseisen betreffende producten en apparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (Verordening (EG) nr. 1494/2007);

  • b. basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (Verordening (EG) nr. 1497/2007);

  • c. basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (Verordening (EG) nr. 1516/2007);

  • d. minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (Verordening (EG) nr. 303/2008;

  • e. minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (Verordening (EG) nr. 304/2008);

  • f. minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars (Verordening (EG) nr. 305/2008);

  • g. minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur (Verordening (EG) nr. 306/2008);

  • h. minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen (Verordening (EG) nr. 307/2008).

2. Hoofdlijnen van de F-gassenverordening

De Europese klimaatdoelstelling is erop gericht in 2050 een emissiereductie van broeikasgassen van 80% tot 95% te bewerkstelligen ten opzichte van 1990. Deze reductie op EU-niveau is nodig om bij te dragen aan de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging tot twee graden Celsius te beperken en aldus ongewenste klimaateffecten te voorkomen.

Met de F-gassenverordening moet een extra reductie van emissies van gefluoreerde broeikasgassen worden gehaald van 60% ten opzichte van 2005. Hiervoor worden aanvullende maatregelen ingezet die zijn gericht op het reguleren van de markt voor fluorkoolwaterstoffen – de belangrijkste groep gefluoreerde broeikasgassen – door het voor een groot deel uitfaseren van fluorkoolwaterstoffen en het toepassen van alternatieve technologieën.

De maatregelen komen bovenop de voorschriften van de verordening betreffende gefluoreerde broeikasgassen (Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen) die met de F-gassenverordening wordt ingetrokken. Deze voorschriften zijn gericht op het voorkomen van emissies van gefluoreerde broeikasgassen uit installaties. Deze voorschriften, die met de F-gassenverordening in beperkte mate zijn aangepast, zijn gericht op het inzetten van opgeleid en gecertificeerd personeel en gecertificeerde bedrijven voor installatie, onderhoud en terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.

Kort samengevat bevat de F-gassenverordening:

  • voorschriften betreffende de insluiting, het gebruik, de terugwinning en de vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen en hiermee verband houdende begeleidende maatregelen;

  • voorwaarden betreffende het op de markt brengen van specifieke producten en apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevatten of nodig hebben voor de werking ervan;

  • voorwaarden voor specifieke wijzen van gebruik van gefluoreerde broeikasgassen en kwantitatieve limieten voor het op de markt brengen van fluorkoolwaterstoffen.

De F-gassenverordening behoeft ten aanzien van een aantal onderwerpen nadere uitvoering in de nationale regelgeving. Deze onderwerpen zijn:

  • de aanwijzing van een bevoegde autoriteit en bevoegde instantie;

  • de vaststelling van certificerings- en opleidingsprogramma’s;

  • de erkenning van instellingen die zijn belast met de certificering;

  • de vaststelling van sancties.

3. Inhoud van het besluit

3.1. Algemeen

Zoals reeds opgemerkt, vervangt dit besluit het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Inhoudelijk is er weinig veranderd ten opzichte van de genoemde besluiten. Een verschil is dat in tegenstelling tot het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer termen die voorkomen in de F-gassenverordening niet meer apart zijn gedefinieerd. Dit om onduidelijkheden en interpretatieverschillen tegen te gaan. Daarnaast is het niet meer logisch om op het niveau van algemene maatregel van bestuur twee verschillende besluiten te hebben (zoals daar waren het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen), terwijl op het niveau van ministeriële regeling de materie voor gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen al wel was geïntegreerd (de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties). Ook beleidsmatig gezien is het niet wenselijk om voor gefluoreerde broeikasgassen een andere nationale regeling te hebben als voor ozonlaagafbrekende stoffen. Derhalve is er voor gekozen beide besluiten te integreren.

Daarnaast wordt een aantal knelpunten opgelost dat naar voren is gekomen in een evaluatie van de voorschriften met betrekking tot gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen. In overleg met de belangrijkste marktpartijen, verenigd in de Werkgroep Koude, en het bevoegd gezag zijn voorstellen geformuleerd ter verbetering van de uitvoering en handhaving. De definitieve voorstellen zijn voorgelegd aan een klankbordgroep waarin een deel van de Werkgroep Koude zitting heeft. Met de wijzigingen die met het onderhavige besluit worden doorgevoerd, wordt mede beoogd deze verbetervoorstellen te implementeren.

Op basis van opgedane ervaringen in de uitvoering en de handhaving worden voorts het Besluit broeikasgassen op schepen milieubeheer en de daarop gebaseerde ministeriële regeling ingetrokken. Dit besluit blijkt niet effectief te zijn en is bovendien niet goed uitvoerbaar en handhaafbaar. In plaats van een wettelijke regeling is er voor gekozen om in overleg met de scheepvaartsector te komen tot afspraken op vrijwillige basis om lekkages van gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen uit koelinstallaties op schepen zoveel mogelijk te voorkomen en om zoveel mogelijk over te schakelen op klimaatvriendelijke alternatieven. Deze afspraken zullen gaan gelden in aanvulling op de verplichtingen die thans op grond van de F-gassenverordening gelden voor deze sector, te weten de voorschriften met betrekking tot preventie van emissies en terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.

3.2. Aanwijzing van de bevoegde instantie en de bevoegde autoriteit

De F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen sommen een aantal taken en bevoegdheden op voor de bevoegde instantie of de bevoegde autoriteit. Het gaat dan onder andere om:

  • a. het opzetten van een databank waarin gegevens worden geregistreerd over hoeveelheden toegepaste gefluoreerde broeikasgassen (artikel 6 van de F-gassenverordening);

  • b. het hebben van toegang tot het elektronisch quotaregister (artikel 17 van de F-gassenverordening);

  • c. het verlenen van toestemming voor het produceren van gereguleerde stoffen (artikel 10 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen) en

  • d. het indienen van een verzoek bij de Commissie voor het uitvoeren van producten die HCFK’s bevatten (artikel 17 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen).

In de artikelen 3 en 7 van dit besluit wordt de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen als de bevoegde autoriteit en de bevoegde instantie.

3.3. Certificering en erkenning van instellingen

Het besluit voorziet in de certificering van natuurlijke personen en ondernemingen. Daarnaast zijn in het besluit bepalingen opgenomen met betrekking tot de erkenning van instellingen die deze certificering uitvoeren. Om deze reden is het besluit tevens gebaseerd op artikel 11a.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Voor het verrichten van een aantal werkzaamheden vereist de F-gassenverordening een certificaat. De natuurlijke personen die zorgdragen voor het installeren, verrichten van service, onderhoud en reparatie, buitendienststelling en controle op lekkage van de in artikel 4, tweede lid, onder a tot en met f, van de F-gassenverordening opgesomde apparatuur en installaties waarin gefluoreerde broeikasgassen zijn toegepast, moeten daartoe zijn gecertificeerd. Hetzelfde geldt voor de personen die deze gassen terugwinnen. Voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur en producten die niet in artikel 8, eerste lid van de F-gassenverordening zijn opgenomen, stelt artikel 8, derde lid van de F-gassenverordening alleen dat dit moet worden uitgevoerd door natuurlijke personen die over passende kwalificaties beschikken. Om ervoor te zorgen dat voor terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit alle apparatuur en producten dezelfde eisen gelden, is in artikel 6, eerste lid, van het besluit de eis opgenomen dat hiervoor over een certificaat moet worden beschikt.

Een certificaat wordt afgegeven aan de natuurlijke personen die met goed gevolg een examen hebben afgelegd. Op grond van de regelgeving zoals die tot op heden gold, werd een dergelijk certificaat aangeduid als diploma. Om beter aan te sluiten op het begrippenkader van de F-gassenverordening is er in het onderhavige besluit voor gekozen om hiervoor ook het begrip certificaat te hanteren. Daarbij zij opgemerkt dat hierbij geen sprake is van persoonscertificering in de zin van ISO 17024 aangezien er geen sprake is van periodieke toetsing of nog steeds aan de eisen wordt voldaan.

Ondernemingen die de apparatuur en de installaties genoemd in artikel 4, tweede lid, onder a tot en met d, van de F-gassenverordening installeren of daaraan service, onderhoud en reparatie verrichten of de apparatuur en installaties buiten dienst stellen, moeten ook zijn gecertificeerd. Er geldt geen certificatieverplichting voor ondernemingen die lekkagecontroles uitvoeren of gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen.

In hoofdlijnen wijken de regels niet noemenswaardig af van de regels die al golden op basis van Verordening (EG) nr. 842/2006 en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Wat wel is gewijzigd zijn de regels ten aanzien van de vaststelling van de certificatie-eisen op basis waarvan personen en ondernemingen worden gecertificeerd en de erkenning van instellingen die deze certificaten verstrekken.

In de oude systematiek waren de certificatie-eisen opgenomen in de ministeriële regelingen zelf. Uit de hiervoor aangehaalde evaluatie is gebleken dat uit deze systematiek diverse knelpunten voortvloeien, zoals het statische karakter van de certificatie-eisen en de geringe betrokkenheid van de marktpartijen, onder andere de eigenaren van de installaties en de installateurs, bij de ontwikkeling daarvan. Om deze knelpunten het hoofd te bieden zullen de certificatie-eisen door marktpartijen zelf worden ontwikkeld. De minister neemt vervolgens een verwijzing naar de op dat moment geldende certificatie-eisen op in de op dit besluit te baseren ministeriële regeling. Daarmee krijgen de certificatie-eisen een bindend karakter en wordt voldaan aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie waaruit blijkt dat regelgeving ter uitvoering van een Europese verordening via algemeen verbindende voorschriften moet plaatsvinden.2

Alvorens een verwijzing naar de door marktpartijen ontwikkelde certificatie-eisen in de ministeriële regeling op te nemen, toetst de minister of de certificatie-eisen voldoen aan de minimumvoorschriften voor certificeringsprogramma’s als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de F-gassenverordening en of de certificatie-eisen niet strijdig zijn met bijvoorbeeld mededingingsregels. Op grond van artikel 10, twaalfde lid, van de F-gassenverordening kan de Commissie nadere uitvoeringshandelingen vaststellen. Indien deze uitvoeringshandelingen daartoe aanleiding geven, zal de minister de hiervoor genoemde marktpartijen verzoeken de certificatie-eisen zo nodig aan te passen, waarna in de ministeriële regeling een verwijzing zal worden opgenomen naar de aangepaste certificatie-eisen.

De op enig moment geldende certificatie-eisen zelf zullen voor een ieder toegankelijk zijn via een internetadres dat ook in de ministeriële regeling zal worden aangegeven. Hiermee is verzekerd dat de certificatie-eisen voor eenieder voldoende kenbaar zijn.

Met deze wijzigingen wordt beter aangesloten bij bestaande certificatiestelsels die een relatie hebben met wetgeving en het kabinetsstandpunt over het gebruik van certificatie en accreditatie in het kader van overheidsbeleid.3

Voorheen werden de instellingen die personen certificeren (exameninstellingen) aangewezen in de ministeriële regelingen zelf. Door deze systematiek is toetreding van andere instellingen tot de markt zeer lastig te realiseren. Voor iedere toe- en uittreding is een wijziging van een ministeriële regeling vereist. Dat maakt het stelsel star en werpt het barrières op voor instellingen om tot de markt toe te treden. Concurrentie tussen instellingen wordt bovendien onmogelijk gemaakt of bemoeilijkt waardoor het risico bestaat dat de prijzen voor certificering (examinering) hoger zijn dan nodig. Op basis van het onderhavige besluit kan iedere instelling die aan de voorwaarden voldoet in aanmerking komen voor een erkenning. Een dergelijke erkenning is vereist om personen en ondernemingen te kunnen certificeren. De erkenningen worden verstrekt door de minister.

De F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen geven de lidstaten de ruimte om binnen een aantal randvoorwaarden een eigen invulling te geven aan de vereiste kwalificaties van personen en bedrijven die handelingen verrichten aan installaties waarin F-gassen of ozonlaagafbrekende stoffen zijn toegepast. Hiervoor is al ingegaan op de invulling die in het besluit is gegeven aan het begrip passende kwalificaties in artikel 8, derde lid van de F-gassenverordening. In het besluit is ook nader ingevuld wat wordt verstaan onder de minimumeisen voor de kwalificatie van het betrokken personeel zoals vermeld in de artikelen 22, vijfde lid en 23, vierde lid van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. In artikel 9, eerste en tweede lid van het besluit is duidelijk gemaakt dat voor de in die artikelleden genoemde werkzaamheden een certificaat verplicht is voor de natuurlijke personen die deze verrichten. Daarnaast is in artikel 9, tweede lid een certificeringsverplichting opgenomen voor ondernemingen. Daarmee geldt de certificeringsverplichting voor ondernemingen zowel met betrekking tot gefluoreerde broeikasgassen als gereguleerde stoffen.

De ruimte om een eigen invulling te geven geldt ook voor de erkenning van instellingen die de certificering uitvoeren. De in hoofdstuk 1 opgesomde onderliggende verordeningen bevatten de minimumeisen waaraan de te certificeren personen en bedrijven moeten voldoen. De certificatie-eisen die op basis van het onderhavige besluit worden vastgesteld door de minister, zullen aan deze minimumeisen moeten beantwoorden.

Om er voor te zorgen dat de concurrentiepositie van Nederlandse dienstverrichters niet verslechtert ten opzichte van dienstverrichters in andere EU-lidstaten zullen de regels die op basis van het onderhavige besluit worden gesteld niet verder gaan dan nodig om een correcte uitvoering te geven aan voornoemde verordeningen.

4. Verhouding tot bestaande regelgeving

Voor eigenaren van installaties waarin F-gassen of ozonlaagafbrekende stoffen zijn toegepast en voor degenen die werkzaamheden aan dergelijke installaties verrichten kunnen, naast de eisen van de F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen, andere eisen gelden. Deze eisen vloeien onder andere voort uit:

  • richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen, de «Energy Performance of Buildings Directive» (PbEU L153, hierna: EPBD);

  • richtlijn 97/23/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving van haar lidstaten betreffende drukapparatuur, «Pressure Equipment Directive» (PbEG L 23, hierna: PED).

EPBD

Deze richtlijn beoogt de verbetering van de energieprestatie van gebouwen te stimuleren en is in Nederland uitgewerkt in het Besluit energieprestatie gebouwen. Op grond van dit besluit zijn de eigenaren van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW verplicht om deze ten minste eenmaal per vijf jaar te laten keuren. De keuring omvat een beoordeling van de prestaties van de koudeopwekker, van de capaciteit, de distributie en afgifte van het airconditioningsysteem. Daarbij wordt bij de keuring gekeken of er mogelijkheden zijn voor verbetering van de energieprestatie van het airconditioningsysteem. Naar aanleiding van de keuring wordt een keuringsverslag opgemaakt waarin tevens de aanbevelingen zijn opgenomen voor mogelijke verbeteringen van de energieprestatie van het gekeurde airconditioningsysteem. Deze keuring moet op onafhankelijke wijze uitgevoerd worden door gekwalificeerde of erkende deskundigen. In de Regeling energieprestatie gebouwen is bepaald voor welke airconditioningsystemen het diploma EPBD A-airconditioningsystemen of het diploma EPBD B-airconditioningsystemen is vereist.

PED

Deze richtlijn is van toepassing op installaties waarin F-gassen of ozonlaagafbrekende stoffen zijn toegepast en waarin de overdruk meer dan 0,5 bar is. Doel van de richtlijn is het harmoniseren van nationale wetgevingen met betrekking tot drukapparatuur zodat deze geen belemmering vormen voor vrij handelsverkeer. De richtlijn is in Nederland omgezet in het Warenwetbesluit drukapparatuur dat veiligheidseisen bevat waaraan drukapparatuur moet voldoen. Drukapparatuur moet zodanig worden ontworpen, vervaardigd, gecontroleerd en indien van toepassing uitgerust en geïnstalleerd, dat de veiligheid ervan gewaarborgd is. Hierbij dient de apparatuur overeenkomstig de instructies van de fabrikant/installateur of onder redelijkerwijs te verwachten omstandigheden in bedrijf te worden gesteld.

5. Uitvoering en handhaving

Het onderhavige besluit wijzigt de uitvoerings- en handhavingsbevoegdheden ten aanzien van gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen niet. Het besluit is, net als de besluiten die het vervangt, mede gebaseerd op de artikelen 8.40, eerste lid, en 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De normadressaat is in de eerste plaats degene die een inrichting drijft. Voor hem geldt bijvoorbeeld de verplichting om apparatuur waarin gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen zijn toegepast op lekkage te laten controleren en zo nodig te laten herstellen door gecertificeerde personen.

Met betrekking tot inrichtingen heeft het bevoegd gezag (meestal burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten) op grond van artikel 18.1b van de Wet milieubeheer juncto artikel 5.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verplichtingen die gelden voor degene die de inrichting drijft. Zoals hiervoor aangegeven geldt dat ook voor de verplichtingen van de F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen wordt uitgeoefend door de daartoe door het bevoegd gezag aangewezen toezichthouders (artikel 18.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

Naast het bevoegd gezag voor de inrichting is ook de Minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd voor de bestuursrechtelijke handhaving van de F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Daarnaast draagt hij zorg voor de handhaving van de bij of krachtens de artikelen 6 en 9 tot en met 16 van het onderhavige besluit gestelde verplichtingen. Deze handhavingsbevoegdheid vloeit voort uit de artikelen 18.2a, derde lid, en 18.2b, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 5.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wijst de Minister van Infrastructuur en Milieu de ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht. Deze ambtenaren zijn de toezichthouders van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).

Ten aanzien van de verplichtingen die voor inrichtingen gelden op basis van voornoemde verordeningen, het onderhavige besluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling hebben derhalve zowel het bevoegd gezag voor de inrichting als de Minister van Infrastructuur en Milieu (ILT) handhavende en toezichthoudende bevoegdheden. Om dubbel toezicht zoveel mogelijk te voorkomen, zullen de handhavende en toezichthoudende organisaties hierover afspraken maken. In het verleden is dat al gebeurd met de Handreiking LCCM project van de Landelijke Coördinatiecommissie Milieuwetgeving van 2001. In de praktijk wordt deze handreiking nog steeds gehanteerd.

De voorschriften van de verordeningen, het onderhavige besluit en de ministeriële regeling die daarop wordt gebaseerd, gelden ook voor bedrijven en personen die niet zijn aan te merken als een inrichting, zoals (onderhouds)bedrijven, personeel en certificatie-instellingen. Ten aanzien van die bedrijven, personen en instellingen is de minister bevoegd tot bestuursrechtelijke handhaving op grond van de artikelen 18.2a, derde lid, en 18.2b, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Op de naleving van deze verplichtingen, die niet van toepassing zijn op inrichtingen, zien de door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren van de ILT toe.

Overtreding van een in de artikelen 4, 5 en 8 van het onderhavige besluit genoemd voorschrift is tevens een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten. Dat vloeit voort uit artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten waarin overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 8.40, eerste lid, en 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zijn aangewezen als economische delicten.

Ter bevordering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid worden met de ministeriële regeling die op het onderhavige besluit wordt gebaseerd verbeteringen doorgevoerd die nodig zijn om de in de praktijk ondervonden knelpunten het hoofd te bieden. Deze knelpunten zijn naar voren gekomen tijdens de in paragraaf 3.1 genoemde evaluatie. Ter verbetering van de handhaving zullen toezichthouders bijvoorbeeld worden voorzien van handreikingen, controlelijsten en dergelijke. Tevens zijn en worden de nodige voorlichtingsdagen georganiseerd om de toezichthouders bekend te maken met de wetgeving. Ter verbetering van de uitvoering zullen certificaten voor natuurlijke personen (in het huidige stelsel diploma’s genoemd) niet meer worden afgegeven door de Minister van Infrastructuur en Milieu, maar door de certificatie-instellingen zelf. Tevens zullen de certificatie-eisen door marktpartijen worden opgesteld en op hun advies worden vastgesteld door de minister. Tot slot zal meer eenduidigheid worden gebracht in de certificatie-eisen die de basis vormen voor de bedrijfscertificering.

Het ontwerp van het onderhavige besluit is voor een toets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid voorgelegd aan de ILT. Op basis van de resultaten van deze toets zijn verduidelijkingen doorgevoerd in de beschrijving van de handhavings- en toezichtsbevoegdheden in deze nota van toelichting. Verder is in het besluit een grondslag opgenomen voor het bij ministeriële regeling stellen van regels voor de verlening, schorsing en intrekking van certificaten.

6. Gevolgen van het besluit

De gevolgen die voortvloeien uit de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen zijn weergegeven in de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Met het onderhavige besluit worden ten aanzien van deze materie geen wijzigingen doorgevoerd. Het besluit heeft daarvoor dan ook geen andere gevolgen.

De overige gevolgen voor bedrijven, waaronder administratieve lasten, overheid en milieu die uit het onderhavige besluit voortvloeien volgen direct uit de F-gassenverordening en de in de inleiding opgesomde onderliggende verordeningen. Omdat dit besluit strekt tot uitvoering van de F-gassenverordening die rechtstreeks werkend is, zijn de daaruit voortvloeiende gevolgen niet in kaart gebracht. Ook zijn geen alternatieven onderzocht.

Aan het stelsel van certificering zijn weliswaar administratieve lasten verbonden, maar met het onderhavige besluit wordt slechts de grondslag gecreëerd om dat stelsel nader in te vullen. Die nadere invulling vindt plaats bij ministeriële regeling. Bij de uitwerking van die regeling zullen de administratieve lasten en bedrijfseffecten worden geconcretiseerd voor zover deze niet direct voortvloeien uit de verordeningen. De grondslag voor het bij ministeriële regeling stellen van regels met betrekking tot de certificering bestond overigens al in het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen (in deze besluiten aangeduid als voorschriften inzake opleiding, examinering, diplomering en certificering). De introductie van regels met betrekking tot de erkenning van instellingen levert geen vermeerdering of vermindering op van de administratieve lasten aangezien vergelijkbare eisen al golden in de voorheen geldende regelgeving. In plaats van erkenning van instellingen werd in die regelgeving echter gesproken van aanwijzing van instellingen. De facto gaat het om hetzelfde. Ook ten aanzien van de verplichtingen van instellingen zullen geen wijzigingen worden doorgevoerd.

Het besluit heeft geen financiële gevolgen voor de Rijksbegroting.

7. Inwerkingtreding en overgangsrecht

De F-gassenverordening is van toepassing vanaf 1 januari 2015. Omdat de vaststelling van onderhavig besluit na deze datum plaats vindt, treedt onderhavig besluit zo spoedig mogelijk daarna in werking, te weten met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

De F-gassenverordening voorziet in overgangsrecht voor bestaande certificaten en opleidingsattesten die zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 842/2006. Volgens artikel 10, zevende lid, van de F-gassenverordening blijven deze geldig, in overeenstemming met de voorwaarden waaronder zij oorspronkelijk zijn afgegeven. Voor de overige verplichtingen bevat deze verordening geen overgangsrecht maar noemt voor verschillende verplichtingen wel een datum waarop deze van toepassing worden.

Om een soepele overgang naar het nieuwe examenstelsel te bewerkstelligen voorziet artikel 18 in overgangsrecht. Het eerste lid regelt dat het oude examenstelsel op grond van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen nog gedurende zes maanden na inwerkingtreding van onderhavig besluit van kracht blijft. Omdat de bepalingen met betrekking tot het nieuwe stelsel in het onderhavige besluit onmiddellijk in werking treden, kunnen de erkende instellingen gedurende deze periode op een door hen gewenst moment overgaan naar het nieuwe stelsel en is derhalve een vloeiende overgang naar dat nieuwe stelsel mogelijk.

Op grond van het tweede en derde lid van artikel 18 worden diploma’s en bedrijfscertificaten die zijn verleend aan natuurlijke personen en ondernemingen op grond van het oude recht gelijkgesteld met certificaten als bedoeld in het onderhavige besluit.

In verband met de eis dat een instelling geen certificaten mag verstrekken zonder daartoe verleende erkenning, die geen onderdeel was van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, is in artikel 18, vierde lid ook een overgangsbepaling opgenomen voor instellingen. Aangezien de instellingen tijd nodig hebben om te voldoen aan de nieuwe eisen kan er nog tot uiterlijk twee jaren na inwerkingtreding van het besluit geëxamineerd en gecertificeerd worden conform de oude regels.

8. Inspraak

Het ontwerpbesluit is ingevolge artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer in de Staatscourant bekend gemaakt.4 De ontvangen reacties hadden met name betrekking op de nog bij ministeriële regeling te stellen regels omtrent de certificering van natuurlijke personen en ondernemingen en hebben niet geleid tot een wijziging van het ontwerpbesluit.

9. Transponeringstabellen

Met onderstaande transponeringstabel is aangegeven op welke wijze uitvoering is gegeven aan de F-gassenverordening na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.

Artikel F-gassenverordening

Uitvoering: artikel Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen

1

behoeft geen uitvoering

2

behoeft geen uitvoering

3

4, eerste lid

4, eerste tot en met vierde lid

4, tweede lid en 6

4, vijfde lid

behoeft geen uitvoering

5

4, derde lid

6, eerste en tweede lid

4, vierde lid

6, derde lid

4, vijfde lid

6, vierde lid

behoeft geen uitvoering

7

4, zesde lid

8, eerste en tweede lid

4, zevende lid

8, derde lid

6

9

behoeft geen uitvoering

10, eerste tot en met tiende lid en twaalfde tot en met vijftiende lid

behoeft geen uitvoering

10, elfde lid

4, achtste lid en 6

11, eerste tot en met derde lid

4, negende lid

11, vierde en vijfde lid

4, tiende lid

11, zesde lid

behoeft geen uitvoering

12, eerste, derde en vierde lid

4, elfde lid

12, tweede lid

4, twaalfde lid

12, vijfde tot en met dertiende lid

4, dertiende lid

13, eerste lid

4, veertiende lid

13, tweede lid

4, vijftiende lid

13, derde lid

4, zestiende lid

14

4, zeventiende lid

15, eerste, tweede en vierde lid

4, achttiende lid

15, derde en vierde lid

4, negentiende lid

16

behoeft geen uitvoering

17

behoeft geen uitvoering

18

behoeft geen uitvoering

19

behoeft geen uitvoering

20

behoeft geen uitvoering

21

behoeft geen uitvoering

22

behoeft geen uitvoering

23

behoeft geen uitvoering

24

behoeft geen uitvoering

25

behoeft geen uitvoering

26

behoeft geen uitvoering

27

behoeft geen uitvoering

Met de onderstaande transponeringstabel is aangegeven op welke wijze uitvoering is gegeven aan de in de inleiding opgesomde onderliggende verordeningen na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit. De artikelen van deze verordeningen die niet zijn vermeld behoeven geen uitvoering.

Artikel verordeningen

Uitvoering: artikel Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen

2, eerste tot en met derde lid, 3 en 4 van verordening (EG) nr. 1494/2007

5, eerste lid

2 tot en met 7 van verordening (EG) nr. 1497/2007

5, tweede lid

2 tot en met 4, 5, eerste en derde lid, 6, 7, eerste tot en met derde lid, en 8 tot en met 10 van verordening (EG) nr. 1516/2007

5, derde lid

4, eerste lid, en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 303/2008

5, vierde lid

4, eerste lid, en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 304/2008

5, vijfde lid

3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 305/2008

4

2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 306/2008

4

2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 307/2008

4

Met de onderstaande transponeringstabel is aangegeven op welke wijze uitvoering is gegeven aan de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.

Artikelen Verordening ozonlaagafbrekende stoffen

Uitvoering: artikel Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen

1

behoeft geen uitvoering

2

behoeft geen uitvoering

3

behoeft geen uitvoering

4

8, eerste lid

5

8, eerste lid

6

8, eerste lid

7

8, eerste lid

8

8, eerste lid

9

8, eerste lid

10

8, eerste en zevende lid

11

8, eerste lid

12

8, eerste en achtste lid

13

8, eerste en achtste lid

14

8, eerste en achtste lid

15

8, tweede en zevende lid

16

8, derde lid

17

8, vierde en zevende lid

18, eerste lid

behoeft geen uitvoering

18, tweede tot en met vierde lid

8, derde lid

19

behoeft geen uitvoering

20

8, vijfde lid

21

behoeft geen uitvoering

22, eerste, tweede en vierde lid

8, derde lid

22, derde lid

behoeft geen uitvoering

22, vijfde lid

9

23, eerste tot en met derde lid, vijfde en zesde lid

8, derde lid

23, vierde lid

9

23, zevende lid

behoeft geen uitvoering

24, eerste en tweede lid

8, zesde lid

24, derde lid

behoeft geen uitvoering

25

behoeft geen uitvoering

26

behoeft geen uitvoering

27, eerste tot en met zevende en negende lid

8, derde lid

27, achtste en tiende lid

behoeft geen uitvoering

28

behoeft geen uitvoering

29

behoeft geen uitvoering

30

behoeft geen uitvoering

31

behoeft geen uitvoering

II Artikelsgewijs

Artikel 1, onder a en b

Een erkenning is een beschikking van de Minister van Infrastructuur en Milieu die volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht tot stand komt en waartegen dan ook bezwaar en beroep openstaat.

Artikel 2

Dit artikel was reeds opgenomen in het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen (ingevoegd met het Besluit gedeeltelijke uitbreiding toepassingsgebied hoofdstuk 9 Wet milieubeheer tot de EEZ5).

Artikelen 3 en 7

Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikelen 4, 5 en 8

In deze artikelen is voor een groot aantal voorschriften van de F-gassenverordening en een aantal onderliggende verordeningen, alsmede de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen, bepaald dat handelen in strijd daarmee verboden is. Deze artikelen zijn opgenomen in verband met de handhaving van voornoemde verordeningen. Daarmee is duidelijk gemaakt dat overtredingen van de verordeningen zijn te beschouwen als economische delicten in de zin van de Wet op de economische delicten. Zie verder hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Het verbod dat is opgenomen in artikel 8, negende lid, is aanvullend op het verbod van artikel 6, eerste lid van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Dit verbod was reeds opgenomen in artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Voor een toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het besluit van 19 juni 2014, houdende intrekking van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur en wijziging van enkele andere besluiten.6

Artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid

Op grond van de artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, geldt een verplichting voor natuurlijke personen en ondernemingen om te beschikken over een certificaat voor het uitvoeren van de daarbij aangegeven taken en werkzaamheden. Voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen die zowel onder als buiten Richtlijn 2006/40/EG vallen en andere mobiele apparatuur, geldt deze certificeringsverplichting aanvullend op de verplichtingen van de F-gassenverordening (zie verder het algemeen deel van deze nota van toelichting). Daarmee is een nadere invulling gegeven aan de term passende kwalificaties voor natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en andere mobiele apparatuur (artikel 8, derde lid van de F-gassenverordening). Met een certificaat tonen de natuurlijke personen aan dat ze beschikken over passende kwalificaties.

Voor de werkzaamheden met betrekking tot gereguleerde stoffen betreft de certificeringsverplichting een nadere invulling aan de term minimumeisen voor de kwalificatie van het personeel als bedoeld in de artikelen 22, vijfde lid en 23, vierde lid van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Laatstgenoemde verordening stelt geen certificaat verplicht maar bevat wel de verplichting voor de lidstaten om de minimumeisen vast te stellen voor de kwalificatie van de personen die bepaalde werkzaamheden met apparatuur verrichten die gereguleerde stoffen bevatten. Deze minimumeisen zijn derhalve gesteld in de vorm van een verplicht certificaat. Om ervoor te zorgen dat met betrekking tot gereguleerde stoffen dezelfde eisen gelden als voor gefluoreerde broeikasgassen, is in artikel 9 ook een certificeringsverplichting opgenomen voor ondernemingen.

Artikelen 6, derde lid, en 9, derde lid

De artikelen 6 en 9 bevatten verder een grondslag voor het stellen van nadere regels ten aanzien van de certificering van natuurlijke personen en ondernemingen die taken of werkzaamheden verrichten waarvoor de F-gassenverordening, een aantal onderliggende verordeningen en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen een certificaat verplicht stellen of minimumeisen voor de kwalificatie van het personeel verlangen.

Op de eerste plaats betreffen deze nadere regels de eisen waaraan voldaan moet worden om een certificaat te verkrijgen en voor ondernemingen ook om te behouden.

Op de tweede plaats zal worden geregeld welke gegevens de certificaten moeten vermelden. Dat is vooral bedoeld voor de eindgebruikers (eigenaren van de apparaten waarin gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen zijn toegepast) en de handhavers zodat zij op basis van het certificaat kunnen vaststellen of een bepaalde natuurlijk persoon of onderneming bevoegd is tot het verrichten van de desbetreffende taak of werkzaamheid.

Op de derde plaats zullen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen, schorsen en intrekken van certificaten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de verplichting voor een instelling om in bepaalde aangegeven gevallen een door haar afgegeven certificaat in te trekken of te schorsen.

Op de vierde plaats zullen nadere regels worden gesteld over de registratie en openbaarmaking van verleende, geschorste en ingetrokken certificaten. Het doel van deze registratie en openbaarmaking is om eigenaren van apparatuur waarin gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen zijn toegepast een helder overzicht te bieden van personen en ondernemingen die zijn gecertificeerd. Op basis van deze registratie kunnen zij bepalen welke gecertificeerde personen en ondernemingen zij kunnen inschakelen voor het uitvoeren van taken en werkzaamheden aan hun apparatuur. Daarnaast kunnen toezichthouders het register raadplegen in het kader van de uitvoering van controles.

Het register zal worden bijgehouden door Onze Minister en zal, naast een overzicht van de gecertificeerde personen en ondernemingen, tevens informatie bevatten over de gegevens die de certificaten vermelden, waaronder met name de afgiftedatum en de taken en werkzaamheden waarvoor de certificaten zijn afgegeven. Eventuele schorsingen en intrekkingen van certificaten zullen ook in het register worden opgenomen. De nadere regels zullen tevens betrekking hebben op de wijze van openbaarmaking van voornoemde gegevens. Gedacht wordt aan (actieve) openbaarmaking via een website die voor iedereen toegankelijk is. Zowel bij het opstellen van de nadere regels als het beheer van het register zal de Wet bescherming persoonsgegevens in acht worden genomen.

Tot slot bieden de artikelen 6 en 9 een grondslag voor het stellen van nadere regels over niet-publiekrechtelijke regelingen waarnaar wordt verwezen in de op dit besluit te baseren ministeriële regeling. In de regeling zal worden verwezen naar de op dat moment geldende certificatie-eisen. Deze eisen zijn ontwikkeld door marktpartijen en zijn derhalve niet-publiekrechtelijk van aard (zie paragraaf 3.3 van het algemene deel van deze toelichting).

Artikelen 6, vierde lid, en 9, vierde lid

Artikel 6, vierde lid, bevat een grondslag voor het bij ministeriële regeling geven van voorschriften met betrekking tot de controle op de goede werking van lekkagedetectiesystemen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de artikelen 4, derde lid, en 5, van de F-gassenverordening.

Artikel 9, vierde lid, bevat een grondslag voor het bij ministeriële regeling geven van voorschriften inzake te nemen maatregelen om de terugwinning, recycling, regeneratie en vernietiging van gereguleerde stoffen te bevorderen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 22, vijfde lid, eerste volzin, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen, waarin is bepaald dat de lidstaten maatregelen nemen om de terugwinning, recycling en vernietiging van gereguleerde stoffen te bevorderen. Een dergelijke grondslag bestond al in artikel 4, eerste lid, van het ingetrokken Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen.

Artikel 9, vierde lid, biedt tevens een grondslag voor het stellen van nadere regels om lekkage en emissies van gereguleerde stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen en wordt aangesloten op artikel 4, tweede lid, van het ingetrokken Uitvoeringsbesluit ozonlaagafbrekende stoffen. Volgens artikel 23, eerste lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen treffen ondernemingen alle uitvoerbare voorzorgsmaatregelen om lekkage en emissies van gereguleerde stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken. In de nadere regels die krachtens artikel 9, vierde lid, worden vastgesteld wordt nader geconcretiseerd welke voorzorgsmaatregelen ten minste door ondernemingen moeten worden getroffen.

Tot slot geeft artikel 9, vierde lid, een grondslag voor het stellen van nadere regels met betrekking tot de registratie van gereguleerde stoffen en andere relevante informatie, in de praktijk beter bekend als het logboek dat bij de apparatuur hoort en moet worden bijgehouden.

Op grond van de tweede volzin van artikel 9, vierde lid, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat bepalingen van de F-gassenverordening van overeenkomstige toepassing zijn op werkzaamheden en andere handelingen met betrekking tot apparatuur waarin gereguleerde stoffen zijn toegepast. Dit is bedoeld om verschillen tussen voorschriften die tot doel hebben om emissies en lekkages te voorkomen zoveel mogelijk gelijkluidend te laten zijn en niet afhankelijk te maken van het gas of de stof die in de apparatuur is toegepast. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de verplichting om gegevens uit het logboek te bewaren. In de F-gassenverordening is bepaald dat deze gegevens ten minste vijf jaar bewaard moeten worden. In de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen is wel opgenomen dat het logboek moet worden bewaard maar is daarvoor geen termijn opgenomen. Omdat het wenselijk is, ook uit oogpunt van handhaafbaarheid, om gelijkluidende verplichtingen te hebben, kan op basis van artikel 9, vierde lid, bij ministeriële regeling worden bepaald dat de bewaartermijn van vijf jaar ook geldt voor exploitanten van apparatuur waarin gereguleerde stoffen zijn toegepast.

Artikelen 10 tot en met 16

Deze artikelen zijn gebaseerd op artikel 11a.2, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van deze bepaling kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld, inhoudende een verbod een aangewezen werkzaamheid uit te voeren zonder dat voor die werkzaamheid wordt beschikt over een erkenning. Een aangewezen werkzaamheid is onder andere het afgeven, wijzigen, schorsen, intrekken of weigeren van certificaten (zie artikel 11a.2, tweede lid, onder h, van de Wet milieubeheer).

Een instelling kan een erkenning aanvragen bij de Minister van Infrastructuur en Milieu. Zonder erkenning is het op grond van artikel 14, eerste lid, niet toegestaan om certificaten te verstrekken die op grond van de F-gassenverordening of krachtens het onderhavige besluit verplicht zijn gesteld. De erkenning wordt verleend indien de instelling een volledige aanvraag heeft ingediend en voldoet aan de voorwaarden die in artikel 12 zijn opgesomd. Deze voorwaarden wijken niet noemenswaardig af van de voorwaarden die golden op grond van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties, de Regeling gefluoreerde broeikasgassen hoogspanningsschakelaars en de Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen. Deze regelingen worden vervangen door een nieuwe ministeriële regeling die op het onderhavige besluit wordt gebaseerd. Op grond van artikel 14, tweede lid, moeten instellingen bij voortduring voldoen aan voornoemde voorwaarden.

Reeds verleende erkenningen kunnen ingevolge artikel 13 op verzoek van de desbetreffende instelling worden gewijzigd.

Met de verplichting van artikel 14, derde lid, wordt gewaarborgd dat instellingen onafhankelijk zijn ten opzichte van de personen en ondernemingen die zij certificeren. Het is een instelling dus bijvoorbeeld niet toegestaan dat ze haar eigen personeel certificeert. Uiteraard geldt de eis dat er geen sprake mag zijn van juridische verbondenheid niet ten aanzien van de overeenkomst die is gesloten tussen de instelling en haar opdrachtgever die gecertificeerd wil worden. Dat is duidelijk gemaakt met de laatste zinsnede van artikel 14, derde lid.

Op grond van artikel 14, vierde lid, kan Onze Minister een erkende instelling door middel van een aanwijzing de verplichting opleggen om een door deze instelling verstrekt certificaat in te trekken of te schorsen. De minister kan een dergelijke aanwijzing geven als is gebleken dat een gecertificeerde natuurlijk persoon of onderneming in strijd handelt met verplichtingen bij of krachtens dit besluit, de F-gassenverordening of de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Onze Minister kan zich daarbij baseren op informatie verkregen uit het toezicht dat wordt uitgevoerd namens het bevoegd gezag of door de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Artikel 14, vijfde lid, biedt een grondslag voor het stellen van verplichtingen waaraan erkende instellingen moeten voldoen. Daarbij kan worden gedacht aan de verplichting om bepaalde gegevens te registreren en te bewaren. Daarnaast biedt het vijfde lid de mogelijkheid om regels te stellen met betrekking tot de tarieven die in rekening kunnen worden gebracht door de instellingen aan natuurlijke personen en ondernemingen die een certificaat hebben aangevraagd. Deze regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de maximale hoogte van die tarieven.

Indien een erkende instelling niet (meer) voldoet aan een in het besluit gestelde voorwaarde of verplichting kan de Minister de erkenning intrekken of schorsen. Het besluit tot schorsing of intrekking van een erkenning zal tot stand komen met toepassing van hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat, voordat het besluit wordt vastgesteld, de erkende instelling in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. Verder zal aan het besluit een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag moeten worden gelegd en zal het niet verder mogen gaan dan voor het doel noodzakelijk is. Een toetsing derhalve aan het evenredigheidsprincipe.

In het geval dat de tekortkoming binnen de schorsingstermijn is opgeheven, kan de instelling de Minister verzoeken om de schorsing op te heffen (artikel 15, derde lid).

Artikel 16, derde lid, dient ertoe om de certificaathouders voldoende tijd te geven om de certificatie bij een andere instelling onder te brengen. Van een intrekking van een erkenning ondervindt namelijk niet alleen de desbetreffende instelling de gevolgen maar ook alle houders van de certificaten die door deze instelling zijn afgegeven. Door de intrekking verliezen de afgegeven certificaten namelijk hun waarde. Aangezien certificaten voor personen eenmalig worden verstrekt en geen audits en geen hercertificering plaatsvinden, geldt dit artikellid alleen ten aanzien van certificaten die zijn verleend aan ondernemingen. Om die reden geldt de verplichting van artikel 16, tweede lid, om de certificaathouders op de hoogte te stellen van de intrekking van de erkenning, ook alleen met betrekking tot gecertificeerde ondernemingen.

Artikel 17

Ter voldoening aan het beginsel van de vrijheid van dienstverrichting bevat dit artikel een bepaling inzake wederzijdse erkenning. Volgens dit artikel wordt een erkenning afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, gelijkgesteld met een Nederlandse erkenning. Een voorwaarde voor gelijkstelling is dat de buitenlandse erkenning is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd. De buitenlandse erkenningen zullen derhalve aan dezelfde of ten minste gelijkwaardige eisen moeten voldoen.

Artikel 18

Op grond van het eerste lid blijven de bepalingen met betrekking tot de examinering, diplomering en bedrijfscertificering die zijn gebaseerd op artikel 4 van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen nog gedurende zes maanden na inwerkingtreding van het besluit van kracht. Deze periode is bedoeld om de instellingen voldoende tijd te geven om de nodige aanpassingen door te voeren die nodig zijn vanwege dit besluit. Gedurende deze overgangsperiode zijn zowel de bepalingen bij en krachtens het onderhavige besluit van toepassing als de hiervoor genoemde bepalingen van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Gevolg hiervan is dat het instellingen is toegestaan om tijdens de overgangsperiode nog bedrijfscertificaten en diploma’s af te geven op grond van de oude regeling. Uiteraard kunnen deze instellingen ook al certificaten verlenen op grond van het onderhavige besluit.

Op grond van het tweede lid wordt een diploma dat is afgegeven op basis van de oude regelingen gelijkgesteld met een certificaat voor een natuurlijk persoon. De verplichting om een certificaat te hebben geldt op basis van dit lid niet voor de natuurlijke personen die voor de desbetreffende taak of werkzaamheid zijn gediplomeerd overeenkomstig de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties, de Regeling gefluoreerde broeikasgassen hoogspanningsschakelaars of de Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen. Gelet op het eerste lid is wel een voorwaarde dat het diploma moet zijn afgegeven uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van dit besluit.

Het derde lid bevat een overgangsregeling voor ondernemingen die beschikken over een bedrijfscertificaat dat is afgegeven op grond van de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties of de Regeling gefluoreerde broeikasgassen brandbeveiligingssystemen. Als dit bedrijfscertificaat uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit is afgegeven (zie de toelichting bij het eerste lid) dan wordt het gedurende twee jaren gelijk gesteld met een certificaat verleend krachtens dit besluit. Deze termijn van twee jaar sluit aan op de termijnen van tussentijdse beoordelingen en herkeuringen zoals deze golden op grond van voornoemde regelingen. Een voorwaarde voor deze gelijkstelling is wel dat de op grond van de hiervoor genoemde regelingen gestelde verplichtingen tot tussentijdse beoordelingen en herkeuringen worden nageleefd. Dit wordt bewerkstelligd door een daartoe strekkende overgangsbepaling op te nemen in de op dit besluit rustende ministeriële regeling.

Artikel 14, eerste lid, van het besluit bepaalt dat een exameninstelling geen certificaten verstrekt aan natuurlijke personen of ondernemingen zonder een daartoe verleende erkenning. De erkenning is een nieuw instrument ten opzichte van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen. Het kost echter enige tijd voordat dergelijke erkenningen daadwerkelijk kunnen worden verleend. Het is wenselijk dat de instellingen gedurende deze overgangsperiode toch al certificaten kunnen verstrekken. Artikel 18, vierde lid, strekt er toe dit mogelijk te maken, namelijk door te bepalen dat de aanwijzing van exameninstellingen op basis van de thans ingetrokken uitvoeringsbesluiten gedurende twee jaren na inwerkingtreding van dit besluit gelijk wordt gesteld met een erkenning. Deze overgangsperiode van twee jaren is toereikend om erkenningen te kunnen verlenen aan de bestaande exameninstellingen. Daartoe zal na inwerkingtreding van dit besluit door de instellingen wel een aanvraag moeten worden ingediend.

Artikelen 19 en 21

Dit betreft technische aanpassingen van andere besluiten.

Artikel 20

De omschrijving van «natuurlijk koudemiddel» in artikel 3.16c, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is enigszins aangepast en geactualiseerd naar aanleiding van de vaststelling van de F-gassenverordening. Het is de bedoeling dit artikel opnieuw aan te passen met de eerstvolgende wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer: de begripsomschrijving van «natuurlijk koudemiddel» verhuist dan naar artikel 1.1, eerste lid.7

Artikel 23

In dit artikel is bepaald dat het besluit in werking treedt met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Gelet op het feit dat de F-gassenverordening van toepassing is met ingang van 1 januari 2015 en dat onderhavig besluit deze verordening deels implementeert is gekozen voor een datum van inwerkingtreding die afwijkt van de vaste verandermomenten die in de regel worden gehanteerd voor nieuwe wet- en regelgeving.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Stb. 2011, 281.

X Noot
2

Zie bijvoorbeeld HvJEG, 5 mei 2015, C-146/13/Koninkrijk Spanje tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2015:298.

X Noot
3

Kabinetsstandpunt over het gebruik van certificatie en accreditatie in het kader van overheidsbeleid (Kamerstukken II 2003/04, 29 304, nr. 1).

X Noot
5

Stb. 2014, 109.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven