Besluit van 24 juni 2015 tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO, het Bekostigingsbesluit WVO en het Formatiebesluit WVO en de intrekking van het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget in verband met de integratie van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs in het systeem van passend onderwijs

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 8 april 2015, nr. 751487 (10367), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op artikel 10g, vijfde lid, artikel 17a, elfde en zeventiende lid, artikel 17a1, vierde lid, artikel 85b1, vijfde lid, 89a1, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2015, nr. W05.15.0107/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 juni 2015, nr. 772371 (10367), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. INTREKKING BESLUIT RVC’S EN REGIONAAL ZORGBUDGET

Het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget wordt ingetrokken.

ARTIKEL II. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT WVO

Het Inrichtingsbesluit WVO wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de begripsbepaling «havo» wordt ingevoegd:

intelligentiequotiënt:

quotiënt dat de cognitieve capaciteiten van een leerling uitdrukt, vastgesteld op basis van scores op verbaal en op niet-verbaal gebied;.

2. Na de begripsbepaling «kaderberoepsgerichte leerweg» wordt ingevoegd:

leerachterstand:

achterstand van een leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpend lezen en inzichtelijk rekenen, gemeten op basis van didactische leeftijdseenheden (DLE) in relatie tot de didactische leeftijd (DL) op het moment van toetsing;

leerwegondersteunend onderwijs:

onderwijs als bedoeld in artikel 10e van de wet;

3. Na de begripsbepaling «Onze Minister» wordt ingevoegd:

ouders:

ouders, voogden of verzorgers;.

4. Na de begripsbepaling «regionaal opleidingscentrum» wordt ingevoegd:

samenwerkingsverband:

samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet;.

5. Na de begripsbepaling «school» wordt ingevoegd:

sociaal-emotionele problematiek:

problematiek als gevolg van het sociaal-emotioneel functioneren van een leerling waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd;.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 3. Toelating eerste leerjaar vwo, havo, mavo, vbo en praktijkonderwijs

2. In de aanhef van het eerste lid wordt «een school, behalve voor zover het betreft een school voor praktijkonderwijs,» vervangen door: een school.

C

Artikel 7 vervalt.

D

Artikel 15a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien het samenwerkingsverband besluit of een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs kan de tweede deskundige, bedoeld in het eerste lid, ook een deskundige op het terrein van vbo, mavo, vmbo en praktijkonderwijs zijn.

E

Na artikel 15c wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk IIa. Toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs

Artikel 15d. Beoordelingscriteria samenwerkingsverband
  • 1. Een samenwerkingsverband baseert de beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 10e, vierde lid, en 10g, tweede lid, van de wet, uitsluitend op:

    • a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering die gebaseerd is op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 43 van de Wet op de expertisecentra,

    • b. de leerachterstand van de leerling,

    • c. het intelligentiequotiënt van de leerling, en

    • d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken met betrekking tot prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van de sociaal-emotionele problematiek van de leerling in relatie tot de leerprestaties, en

    • e. indien het een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs betreft: de zienswijze van de ouders.

  • 2. Bij de beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, de jaarlijks voor 1 oktober bij ministeriële regeling vastgestelde screenings- of testinstrumenten, heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog.

  • 3. De leerachterstand van de leerling is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin:

    • a. DLE de afkorting is van didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt, en

    • b. DL de afkorting is van didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra.

  • 4. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe, indien de leerling:

    • a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80, en

    • b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand gelijk is aan of groter is dan 0,5.

  • 5. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe, indien de leerling:

    • a.

      • een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90, en

      • een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, of

    • b.

      • een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120, en

      • een leerachterstand heeft op tenminste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, en

      • een sociaal-emotionele problematiek heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

  • 6. Voor een leerling die wat intelligentiequotiënt of leerachterstand betreft, voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die wat de overige vereisten betreft voldoet aan de vereisten om aangewezen te zijn op het leerwegondersteunend onderwijs, kan een leerling toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 15e. Aanvragen en beschikkingen voor bijzondere groepen van leerlingen
  • 1. Op grond van artikel 10g, vijfde lid, van de wet kan het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs tevens een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs bij een samenwerkingsverband indienen voor een leerling voor wie het zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs naar het oordeel van dat bevoegd gezag het beste aansluit bij de behoeften van deze leerling en die:

    • a. het voorbereidend beroepsonderwijs of het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs bezoekt en op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen:

      • met scores op de criteria, bedoeld in artikel 15d, in het grensvlak van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs,

      • naar het oordeel van het bevoegd gezag een toegenomen problematiek heeft nadat de beslissing is genomen dat de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen, of

      • naar het oordeel van het bevoegd gezag een stapeling van andersoortige problematiek heeft dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs, dan wel

    • b. beschikt over een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van een samenwerkingsverband dan wel een ontwikkelingsperspectief en die:

      • voldoet aan het intelligentiequotiëntcriterium of leerachterstandscriterium voor toelating tot het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 15d, vierde lid, blijkens gegevens die gebaseerd zijn op screenings- of testinstrumenten als bedoeld in artikel 15d, tweede lid, of

      • naar het oordeel van het bevoegd gezag, ongeacht een dergelijk intelligentiequotiënt of een dergelijke leerachterstand, een zodanige problematiek heeft dat toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs geboden is.

  • 2. Het samenwerkingsverband baseert de beschikking over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs uitsluitend op de volgende, bij de aanvraag gevoegde, gegevens:

    • a. een kopie van de beslissing dat de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, of een kopie van de toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, danwel een kopie van het ontwikkelingsperspectief,

    • b. de op schrift gestelde zienswijze en instemming van de ouders,

    • c. een motivering waaruit blijkt dat de leerling voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, en

    • d. een leerling-dossier dat in elk geval bevat:

      • het ontwikkelingsperspectief of het onderwijskundig rapport over de leerling, bedoeld in artikel 42 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 43 van de Wet op de expertisecentra,

      • een beschrijving van de activiteiten van het verwijzende bevoegd gezag in het kader van de begeleiding van de leerling, en van de resultaten van die activiteiten,

      • een document dat aangeeft welke externe deskundigen voor advies of hulp zijn ingeschakeld bij de begeleiding van de leerling,

      • een beschrijving van de risico’s die zich naar verwachting zullen voordoen indien de leerling voorbereidend beroepsonderwijs, middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs blijft volgen, en

      • mogelijk relevante test- en toetsgegevens.

Artikel 15f. Optionele mogelijkheid afwijken van landelijke criteria, procedure, duur en licenties
  • 1. Indien een samenwerkingsverband gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 17a1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, heeft de beslissing over het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs bedoeld in artikel 10e, vierde lid, van de wet, betrekking op een periode van één of meer schooljaren. Indien de beslissing bedoeld in de eerste volzin wordt gegeven in de loop van een schooljaar, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode.

  • 2. Onze Minister kan nadere regels stellen over de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 17a1, eerste en tweede lid, van de wet.

F

In artikel 37, zevende lid, wordt «geïndiceerd voor» vervangen door: aangewezen op.

ARTIKEL III. WIJZIGING BEKOSTIGINGSBESLUIT WVO

Het Bekostigingsbesluit WVO wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt na de begripsbepaling «ouders» ingevoegd:

samenwerkingsverband:

samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet;.

B

Artikel 7a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «artikel 69» ingevoegd: en artikel 17a1, tweede lid,.

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «de regionale verwijzingscommissie» vervangen door «het samenwerkingsverband» en vervalt het zinsdeel «15 november volgend op».

3. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na «tot het praktijkonderwijs» de zinsnede toegevoegd: of indien er sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 27, lid 2f,van de wet.

4. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

2. Onverminderd de artikelen 7 en 7b wordt een leerling slechts meegeteld als leerling van een school voor praktijkonderwijs indien het samenwerkingsverband heeft bepaald dat betrokkene toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of indien er sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 27, lid 2f,van de wet.

C

Na artikel 8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a. Berekening van de aanvullende bekostiging voor regionale ondersteuning

De bekostiging voor regionale ondersteuning, bedoeld in artikel 85b1, vierde lid, en 89a1, vierde lid, van de wet, wordt berekend door een jaarlijks bij ministeriële regeling te bepalen bedrag te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 7 van het Bekostigingsbesluit WVO, dat staat ingeschreven op de vestigingen binnen het samenwerkingsverband. Bij ministeriële regeling kunnen tot 1 januari 2017 regels worden gesteld voor de berekening van de bekostiging voor regionale ondersteuning, welke regels kunnen afwijken van het bepaalde in de eerste volzin. Een leerling telt slechts eenmaal mee voor de berekening van de bekostiging.

ARTIKEL IV. WIJZIGING FORMATIEBESLUIT WVO

In artikel 8, derde lid, van het Formatiebesluit WVO komen de tweede en derde volzin als volgt te luiden:

Dit ondersteuningsbedrag is tot stand gekomen door het verschil te berekenen tussen de ratio leraar/leerling van 1/8,87, vermenigvuldigd met de gemiddelde personeelslast en de ratio leraar/leerling van 1/17,14, bedoeld in artikel 3, eveneens vermenigvuldigd met de gemiddelde personeelslast. Het ondersteuningsbedrag wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld.

ARTIKEL V. INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt, met uitzondering van de artikelen en onderdelen die in het tweede en derde lid worden genoemd, in werking met ingang van 1 januari 2016.

  • 2. Artikel II, onderdelen B en C, treedt in werking met ingang van 1 augustus 2015.

  • 3. Artikel II, onderdeel E, voor wat betreft het bepaalde in artikel 15f, tweede lid, treedt in werking met ingang van 1 augustus 2015.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 24 juni 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Uitgegeven de zevende juli 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen deel

Inleiding

Deze toelichting wordt mede gegeven namens de Staatssecretaris van Economische Zaken.

De Wet tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de integratie van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs in het systeem van passend onderwijs (hierna: wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs) biedt de kaders voor het onderbrengen van leerwegondersteunend onderwijs (hierna: lwoo) en praktijkonderwijs (hierna: pro) in het stelsel van passend onderwijs.1 In deze wet is op onderdelen de opdracht of de mogelijkheid gecreëerd om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften te geven voor het onderbrengen van lwoo en pro in het stelsel van passend onderwijs. Met dit besluit wordt hieraan uitvoering gegeven.

Dit besluit bevat voornamelijk voorschriften ten aanzien van de procedure en criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het lwoo of toelaatbaar is tot het pro. Daarnaast bevat dit besluit andere bepalingen, zoals voorschriften ten aanzien van de mogelijkheid van samenwerkingsverbanden om gebruik te maken van opting out (zie toelichting op pagina 8), de toelating van een leerling tot het praktijkonderwijs, en de deskundigen door wie het samenwerkingsverband zich moet laten adviseren bij de beoordeling of een leerling is aangewezen op lwoo of bij het toelaatbaar verklaren van een leerling tot het pro.

In het algemene deel van deze toelichting wordt in hoofdstuk 1 beschreven op welke wijze in dit besluit ten aanzien van de genoemde onderwerpen nadere regels zijn gesteld. In hoofdstuk 2 worden de financiële gevolgen beschreven. In hoofdstuk 3 is achtereenvolgens beschreven wat de gevolgen zijn voor de uitvoering en de handhaafbaarheid en welke administratieve lasten dit besluit met zich meebrengt. Het verslag van de openbare internetconsultatie is opgenomen in hoofdstuk 4. Daarna volgt de artikelsgewijze toelichting.

Hoofdstuk 1. Inhoud besluit

§ 1.1 Toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs

In de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs is geregeld dat de samenwerkingsverbanden van scholen in het voortgezet onderwijs (hierna: vo) vanaf 1 januari 2016 de verantwoordelijkheid krijgen voor het ondersteuningsbudget en de ondersteuningstoewijzing van lwoo en pro. Hiermee worden de samenwerkingsverbanden integraal verantwoordelijk voor alle vormen van onderwijsondersteuning. In de wet worden de regionale verwijzingscommissies (hierna: RVC’s) opgeheven. In de memorie van toelichting bij de wet is de inpassing van lwoo en pro in passend onderwijs toegelicht.2

Criteria voor toewijzing

Tot de inwerkingtreding van de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs waren de RVC’s verantwoordelijk voor de indicatiestelling van leerlingen in het lwoo en pro. De RVC’s toetsten aan de hand van landelijk vastgestelde criteria die waren opgenomen in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget of een leerling in aanmerking kwam voor lwoo of voor pro. Vanaf de inwerkingtreding van de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs zijn de samenwerkingsverbanden verantwoordelijk voor de toewijzing van lwoo en pro. In de wet staat dat het samenwerkingsverband op basis van de, voorheen door de RVC’s gehanteerde, landelijke criteria bepaalt of een leerling is aangewezen op het lwoo of toelaatbaar is tot het pro. De landelijke criteria zijn overgenomen in het Inrichtingsbesluit WVO. Deze criteria zijn niet gewijzigd ten opzichte van de landelijke criteria in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget.

Intrekking Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget

De procedure en de criteria van de indicatiestelling door de RVC’s waren tot nu toe vastgelegd in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget. Dat Besluit wordt met onderhavig besluit ingetrokken vanwege de opheffing van de RVC’s. Een deel van de bepalingen uit het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget wordt geplaatst in het Inrichtingsbesluit WVO en het Bekostigingsbesluit WVO.

Met de integratie van lwoo en pro in passend onderwijs blijven de criteria zoals deze opgenomen waren in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget behouden, maar verdwijnt een deel van de voorschriften ten aanzien van de procedure. Daardoor krijgen de samenwerkingsverbanden de ruimte om de procedure vorm te geven conform de procedures die zij al hebben ingericht voor de andere vormen van ondersteuning in passend onderwijs. Naast een deel van de voorschriften voor de procedure, zijn in verband met de opheffing van de RVC’s ook de voorschriften ten aanzien van de bekostiging van de RVC’s verdwenen. Daarmee zou het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget zodanig ingekort zijn dat ervoor is gekozen om de voorschriften die overblijven op te nemen in het Inrichtingsbesluit WVO en het Bekostigingsbesluit WVO. Hiermee is ook aangesloten bij de voorschriften die middels het Besluit passend onderwijs zijn vastgelegd in het Inrichtingsbesluit WVO ten aanzien van de toewijzing van ondersteuning door de samenwerkingsverbanden vo, zoals voorschriften voor het ontwikkelingsperspectief en de deskundigen in een samenwerkingsverband.3

Opting out

De wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs bevat een mogelijkheid voor individuele samenwerkingsverbanden om af te wijken van de vastgestelde landelijke criteria voor lwoo. Dit wordt de mogelijkheid tot opting out genoemd. Via deze opting out-mogelijkheid kan ook afgeweken worden van de duur van de ondersteuningstoewijzing van lwoo en van de voorwaarden om lwoo-bekostiging te mogen ontvangen (de lwoo-licentie). Toelichting op deze opting out-mogelijkheid is opgenomen in §1.3.

§ 1.2 De procedure voor toewijzing van lwoo en pro

De voorschriften ten aanzien van de procedure voor de toewijzing van lwoo en pro door de samenwerkingsverbanden zijn zoveel mogelijk gelijk getrokken met de voorschriften voor de procedure voor toewijzing van de andere vormen van ondersteuning in passend onderwijs. Een deel van de voorschriften voor de procedure voor ondersteuningstoewijzing die in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget waren vastgelegd voor de RVC’s is daarmee verdwenen. De reden daarvoor is dat samenwerkingsverbanden met invoering van de Wet passend onderwijs4 een eigen systematiek hebben voor de ondersteuningstoewijzing.5 Door niet alle procedures vast te leggen, krijgt het samenwerkingsverband de ruimte om zijn eigen procedures voor lwoo en pro efficiënt en in samenhang met de andere vormen van ondersteuning vorm te geven. In deze paragraaf is nader toegelicht welke voorschriften overgenomen zijn en welke voorschriften zijn verdwenen.

Omdat vooralsnog de landelijke criteria voor ondersteuningstoewijzing voor lwoo en pro worden gehandhaafd, is een deel van de procedure die vastgelegd was voor de indicatiestelling door de RVC’s behouden. Dat geldt voor de documenten die bij de aanvraag gevoegd moeten worden, zoals een onderwijskundig rapport, een motivering van de aanvraag door de school, en de zienswijze van de ouders (in geval van een aanvraag voor pro). Ook moet er voor de gegevens waarop de aanvraag gebaseerd is, gebruik worden gemaakt van de vastgestelde test- en screeningsinstrumenten, die jaarlijks via een ministeriële regeling worden gepubliceerd. Dit wordt hieronder nader toegelicht bij de toelichting op de beoordeling van het dossier.

Voorschriften voor indiening van de aanvraag

De specifieke voorschriften die voor het indienen van een aanvraag bij het RVC waren vastgelegd, zijn verdwenen met de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs. Er is niet meer vastgelegd dat er gebruik moet worden gemaakt van een bepaald aanmeldingsformulier en er is geen uiterste datum vastgelegd voor de indiening van een aanvraag voor het toewijzen van ondersteuning in lwoo en pro. Voorheen moest een lwoo- of pro-indicatie worden aangevraagd voor 1 oktober. Tot 15 november kon de indicatie dan nog afgegeven worden om in aanmerking te komen voor bekostiging. Het is nu aan het samenwerkingsverband om afspraken te maken over de termijnen om te komen tot ondersteuningstoewijzing. Daarbij dient zij rekening te houden met de in passend onderwijs gestelde termijnen tussen aanmelding en plaatsing op een school (een school heeft zes weken de tijd om een passende plek te bieden. Deze termijn kan één keer met vier weken worden verlengd). De afspraken hierover leggen zij vast in het ondersteuningsplan. Wel blijven de voorschriften met betrekking tot het aan te leveren leerlingdossier overeind. Dit wordt hieronder toegelicht bij de beoordeling van de aanvraag.

Voorschriften voor behandeling van de aanvraag

Voor de RVC’s waren gedetailleerde voorschriften vastgelegd voor de behandeling van de aanvragen voor lwoo en pro. Zo moest het RVC binnen twee weken melden of de aanvraag compleet was en de school in de gelegenheid stellen de aanvraag compleet te maken als dit niet het geval was. Deze voorschriften verdwijnen met de inpassing in passend onderwijs. Het is aan de samenwerkingsverbanden om hier afspraken over te maken, die zij vervolgens vastleggen in hun ondersteuningsplan.

Daarnaast was vastgelegd dat het RVC de relevante gegevens voor de aanvraag moest registreren en dat zij alle bescheiden die zij had ontvangen ten behoeve van de aanvraag aan de school moesten terugsturen. Deze voorschriften worden met de inpassing van lwoo en pro in passend onderwijs niet langer in specifieke regelgeving vastgelegd. Voor de verwerking van (persoons)gegevens wordt aangesloten bij de bepalingen in de wetgeving van passend onderwijs. Zo is bijvoorbeeld geregeld dat samenwerkingsverbanden de gegevens tot drie jaar bewaren. De samenwerkingsverbanden moeten er na drie jaar voor zorgen dat de gegevens worden vernietigd of worden teruggestuurd naar de school.

Beoordeling van de aanvraag

Het samenwerkingsverband vormt een oordeel over de toelaatbaarheid tot het pro of het aangewezen zijn op het lwoo op basis van het dossier dat wordt aangeleverd door het bevoegd gezag van de school waar de leerling zich heeft aangemeld of staat ingeschreven. Dit stelt eisen aan de inhoud van de dossiers. Deze eisen zijn gelijk aan de eisen die waren opgesteld in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget, omdat de landelijke criteria nog gebruikt moeten worden. Het bevoegd gezag dient een motivering aan te leveren voor de aanvraag van lwoo of pro voor de leerling, en indien het een aanvraag voor pro betreft, een op schrift gestelde zienswijze van de ouders. De motivering bij de aanvraag is een belangrijk onderdeel voor de beoordeling. Naast het toetsen of een leerling binnen de criteria van lwoo of pro valt, dient het samenwerkingsverband te bekijken of deze leerling op een school voor pro of een school voor lwoo past. Dit is met name van belang omdat een aanzienlijke groep leerlingen zich in het grensgebied van lwoo en pro bevindt. Daarnaast dient het bevoegd gezag gegevens aan te leveren over de leerachterstand, IQ en indien nodig het sociaal-emotioneel functioneren.

Beoordeling aanvraag bijzondere groepen van leerlingen

In artikel 15e is de mogelijkheid uit het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget overgenomen dat een pro-school een aanvraag voor pro kan indienen voor leerlingen waarvan de school oordeelt dat pro het beste past bij de behoeften van de leerling en die:

  • a. het vbo of mavo bezoekt en op lwoo is aangewezen met:

    • scores op de criteria in het grensvlak van lwoo en pro;

    • naar het oordeel van het bevoegd gezag een toegenomen problematiek nadat de beslissing is genomen dat de leerling op lwoo is aangewezen, of

    • naar het oordeel van het bevoegd gezag een stapeling van andersoortige problematiek dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling is aangewezen op lwoo of pro,

  • b. beschikt over een toelaatbaarheidsverklaring voor het (v)so en die:

    • voldoet aan de criteria voor IQ of leerachterstand voor toelating tot het pro, of;

    • naar het oordeel van het bevoegd gezag, ongeacht een dergelijk IQ of een dergelijke leerachterstand, een zodanige problematiek heeft dat toelaatbaarheid tot het pro geboden is.

De aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het pro voor bijzondere groepen van leerlingen kan, net als voorheen, alleen ingediend worden door een pro-school.

Wanneer een leerling is ingeschreven op een andere school en het bevoegd gezag van die school is van mening dat de leerling beter op zijn plek is in het pro, dan dient die school in overleg te gaan met een pro-school en de pro-school te vragen een toelaatbaarheidsverklaring aan te vragen voor de leerling.

De gegevens die de school moet aanleveren voor de beoordeling van de aanvraag, zijn overgenomen uit het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget. Het gaat om een kopie van de beslissing dat de leerling is aangewezen op lwoo of toelaatbaar is tot (v)so, of een ontwikkelingsperspectief, de zienswijze en instemming van de ouders, een motivering van het bevoegd gezag dat de leerling voldoet aan de voorschriften benoemd in artikel 15e eerste lid, en een leerling-dossier met gegevens die de motivering van de school onderbouwen. Voor deze bijzondere groepen van leerlingen is niet alleen een schriftelijke zienswijze van de ouders vereist maar ook instemming van de ouders, omdat het hier gaat om leerlingen die in eerste instantie op een andere school zaten of voor wie een andere vorm van ondersteuning was toegewezen.

De voorbereiding en het aanleveren van de benodigde documenten is voornamelijk een taak van de verwijzende school. De pro-school maakt na overleg met de verwijzende school en op basis van het ontwikkelingsperspectief of onderwijskundig rapport en het leerling-dossier (derde lid, onderdelen a en d) een afweging of de desbetreffende leerling voldoet aan de criteria van het eerste lid. De pro-school kan deze afweging pas goed maken indien over de leerling voldoende en relevantie informatie is verstrekt door de verwijzende school. De verwijzende school kan gevraagd worden meer informatie aan te leveren.

Als de pro-school tot de conclusie komt dat de zorgbehoefte van de leerling aansluit bij het aanbod van het pro en de leerling voldoet aan de andere eisen die gesteld worden in het eerste lid, kan het bevoegd gezag van de pro-school een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring praktijkonderwijs indienen bij het samenwerkingsverband.

De motivering, bedoeld in onderdeel c van artikel 15e, tweede lid, wordt verzorgd door de pro-school. De betrokken scholen bepalen in onderling overleg wie de ouders benadert om hen te vragen hun zienswijze over en instemming met een overstap naar het praktijkonderwijs schriftelijk te geven (onderdeel b van het tweede lid).

Deskundigen verbonden aan het samenwerkingsverband

Onder passend onderwijs is vastgelegd dat deskundigen moeten adviseren over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs. Met het Besluit passend onderwijs is vastgelegd door welke type deskundigen het samenwerkingsverband zich moet laten adviseren. Dit zijn een orthopedagoog of een psycholoog en afhankelijk van de leerling ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.

In de Wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs is geregeld dat deze deskundigen ook moeten adviseren over de toelaatbaarheid tot het pro en het aangewezen zijn op het lwoo. Omdat de beoordeling of een leerling is aangewezen op lwoo of toelaatbaar is tot het pro een specifieke deskundigheid vereist, is in onderdeel B van onderhavig besluit een deskundige op het terrein van vmbo en pro toegevoegd als tweede (aanbevolen) deskundige voor de toewijzing van lwoo en pro. Deze deskundigheid was ook aanwezig in de rvc’s. Samenwerkingsverbanden kunnen er bij de toewijzing van lwoo en pro voor kiezen om deze deskundige als tweede verplichte deskundige te laten adviseren. Er is gekozen voor een deskundige op het terrein van vmbo en pro, omdat men voor de toewijzing van lwoo en/of pro goed moet kunnen inschatten of een leerling wel of niet in staat is om (met extra ondersteuning) een vmbo-diploma te halen. Het gaat hier dus niet alleen om een keuze over de ondersteuning die een leerling krijgt, maar ook over de schoolsoort waar de leerling naartoe gaat. Om die inschatting te kunnen maken, kan een deskundige adviseren met kennis over deze schoolsoorten. Dit is met name van belang voor leerlingen die zich op het grensvlak van lwoo en pro bevinden.

Positie van ouders

In de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) is vastgelegd dat scholen de aanvraag voor lwoo of pro moeten indienen na overleg met ouders. In het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget was daarnaast nog opgenomen dat de school een afschrift van zowel de aanvraag als van de beschikking moest verstrekken aan de ouders van de leerling alsmede een mondeling toelichting daarop. Deze aanvullende voorschriften zijn met dit besluit verdwenen om onnodige administratieve lasten te voorkomen, en omdat wordt aangesloten bij de manier waarop de positie van ouders is geborgd voor het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs (vso) met de Wet passend onderwijs.

In de Wet passend onderwijs is namelijk geregeld dat het samenwerkingsverband van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling een afschrift aan de ouders stuurt (artikel 17a,vijftiende lid). Daarnaast is in het Inrichtingsbesluit WVO (artikel 15) geregeld dat als een school een leerling de toelating tot de school weigert, de school ouders hier schriftelijk en met opgave van redenen over moet informeren. Verder is onder passend onderwijs vastgelegd dat samenwerkingsverbanden in hun ondersteuningsplan moeten aangegeven hoe zij ouders informeren over de ondersteuningsvoorzieningen voor leerlingen en de ondersteuningsmogelijkheden voor ouders. Ook zijn scholen verplicht om op overeenstemming gericht overleg te voeren met ouders over het vaststellen van een ontwikkelingsperspectief, en is voorzien in een (tijdelijke) geschillencommissie voor het behandelen van geschillen tussen ouders en school over toelating en verwijdering van leerlingen. Bovendien wordt voorzien in instemmingsrecht van ouders op het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief (middels wetsvoorstel over instemmingsrecht van ouders op handelingsdeel ontwikkelingsperspectief).

§ 1.3 Mogelijkheid tot opting out

De wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs creëert in artikel 17a1 van de WVO de mogelijkheid voor individuele samenwerkingsverbanden om af te wijken van de landelijke criteria, procedure en de duur van de ondersteuningstoewijzing van lwoo, en de procedure voor het verkrijgen van een lwoo-licentie. Dit wordt de mogelijkheid tot «opting out» genoemd. Samenwerkingsverbanden kunnen alleen deelnemen aan deze opting out-mogelijkheid als alle besturen van de scholen en vestigingen in het samenwerkingsverband (en de ondersteuningsplanraad, waar ouders, docenten en leerlingen in vertegenwoordigd zijn) hiermee akkoord gaan.

Samenwerkingsverbanden hebben de keuze om deel te nemen aan opting out, waarbij twee vormen worden onderscheiden:

  • 1) Opting out bij landelijke criteria, procedure en duur van de ondersteuningstoewijzing voor lwoo;

  • 2) Opting out voor lwoo-licenties.

Een samenwerkingsverband kan kiezen voor één of beide vormen van opting out.

In de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs is vastgelegd hoe deze vormen van opting out eruit zien en wat de bijbehorende verplichtingen zijn. De wet bevat daarbij een grondslag voor nadere voorschriften voor de opting out. Hieronder worden de verschillende vormen van opting out nader toegelicht. Daarbij wordt aangegeven wat geregeld is in de wet, en welke aanvullende voorschriften er zullen worden vastgelegd in dit besluit en in lagere regelgeving.

Opting out bij landelijke criteria, procedure en duur van de ondersteuningstoewijzing voor lwoo (vorm 1)

Zoals vastgelegd in de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs, mag het samenwerkingsverband bij deze vorm van opting out eigen criteria opstellen voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het lwoo. Aanvullend heeft het samenwerkingsverband de keuze om zelf de geldigheidsduur van de toewijzing of toelaatbaarheidsverklaring van lwoo te bepalen.

Samenwerkingsverbanden die kiezen voor een opting out voor de criteria bepalen zelf hun criteria, en eventueel de duur en de daarbij horende procedure. Dit betekent dat zij voor de toewijzing van lwoo niet aan de voorschriften voor de criteria en de procedure hoeven te voldoen, zoals toegelicht in paragraaf 1.2 en 1.3. Wel dienen zij te voldoen aan de procedurevoorschriften die voortvloeien uit de Wet passend onderwijs. Daarbij gaat het om de verplichting van het samenwerkingsverband om zich te laten adviseren door deskundigen bij de toewijzing van lwoo, en de verplichtingen ten opzichte van ouders zoals de verplichting om in het ondersteuningsplan op te schrijven hoe ouders worden geïnformeerd over de voorzieningen in het samenwerkingsverband. Uiteraard is het in dit kader van belang dat ouders duidelijk en transparant geïnformeerd worden over de deelname aan opting out en de manier waarop het samenwerkingsverband dit invult.

Daarnaast geldt voor de samenwerkingsverbanden die kiezen voor opting out een tweetal andere voorschriften:

1. Criteria, duur en procedure beschrijven in het ondersteuningsplan

De wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs regelt dat de samenwerkingsverbanden die kiezen voor opting out in hun ondersteuningsplan moeten beschrijven hoe zij omgaan met de criteria, duur en procedure van lwoo. Zij moeten vastleggen welke criteria zij hanteren voor het toewijzen van lwoo, en hoe zij de geldigheidsduur van de toewijzing bepalen. Daarnaast moeten ze de procedure beschrijven. Daarbij kan gedacht worden aan de gegevens die een school bij de aanvraag moet aanleveren aan het samenwerkingsverband, of de datum waarop de aanvraag binnen moet zijn.

2. Geldigheidsduur van de toewijzing van lwoo

De toewijzing van lwoo is geldig voor de gehele schoolloopbaan van een leerling. Samenwerkingsverbanden die kiezen voor een opting out voor de criteria kunnen ervoor kiezen om zelf de geldigheidsduur te bepalen van het aangewezen zijn op het lwoo. In dit besluit is vastgelegd dat de geldigheidsduur van deze toewijzing minimaal 1 schooljaar moet zijn, net zoals voor het vso.

Er worden geen inhoudelijke eisen gesteld aan de manier waarop de samenwerkingsverbanden eigen criteria, procedure of duur bepalen. Hiermee wordt aangesloten bij de toewijzing van de zware ondersteuning.

Opting out bij lwoo-licenties voor lwoo (vorm 2)

Een school moet op grond van artikel 69 van de WVO aan bepaalde voorwaarden voldoen om lwoo-bekostiging te mogen ontvangen, namelijk doelmatige spreiding van het aanbod van lwoo (de school moet een potentieel van ten minste 40 lwoo-leerlingen hebben), en instemming van de meerderheid van de overige scholen in het desbetreffende samenwerkingsverband met de aanvraag voor een licentie. In artikel 17a1 van de WVO staat ook dat een opting out mogelijk is voor deze lwoo-licenties. Bij een opting out voor de lwoo-licenties kan het samenwerkingsverband zelf bepalen welke scholen in het samenwerkingsverband zij voor wil dragen voor een lwoo-licentie. Zo zou een samenwerkingsverband er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om alle scholen die vmbo aanbieden een lwoo-licentie te geven. De lwoo-licentie blijft in de opting out wel voorbehouden aan het vmbo. Dat betekent dat alleen scholen of afdelingen die vmbo aanbieden een lwoo-licentie kunnen krijgen. Ook geldt nog steeds dat scholen alleen voor leerlingen die op het vmbo zitten lwoo-bekostiging kunnen ontvangen. Daarnaast kunnen alleen nieuwe aanvragen worden gedaan voor een lwoo-licentie. Dat betekent dat alle scholen die nu in het bezit zijn van een lwoo-licentie, deze licentie behouden.

Uit de wet vloeit voort dat als een samenwerkingsverband kiest voor een opting out voor lwoo-licenties, het samenwerkingsverband ook in het ondersteuningsplan moet opnemen onder welke voorwaarden een school in aanmerking komt voor een lwoo-licentie.

Na vaststelling van het ondersteuningsplan kan het samenwerkingsverband aan de Minister doorgeven welke scholen zij voor lwoo-bekostiging in aanmerking willen brengen. Dit is anders dan in de huidige situatie en verschilt van samenwerkingsverbanden die niet deelnemen aan een vorm van opting out: in dat geval doet het bevoegd gezag van de school de aanvraag voor een lwoo-licentie. In geval van opting out kan het samenwerkingsverband dus niet zelf de lwoo-licentie afgeven, maar moet hiertoe een aanvraag doen via de Minister. Reden hiervoor is dat alleen de Minister een school voor bekostiging in aanmerking kan brengen. Daarnaast is het voor de bekostiging van belang om tijdig te registreren welke samenwerkingsverbanden kiezen voor de opting out voor de lwoo-licenties.

Bij ministeriële regeling zal de procedure worden voorgeschreven voor de aanvraag van lwoo-licenties voor samenwerkingsverbanden die kiezen voor opting out. Daarbij kan worden gedacht aan de datum waarop een aanvraag dient te worden gedaan en het formulier dat hierbij moet worden gebruikt.

Hoofdstuk 2. Financiële gevolgen

Met dit besluit is een nadere invulling gegeven aan de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs. De nadere voorwaarden die in dit besluit zijn gesteld, hebben geen gevolgen voor de Rijksbegroting en passen binnen het financieel kader zoals vermeld in de memorie van toelichting bij de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs.6

Hoofdstuk 3. Uitvoering, handhaving en administratieve lasten

§ 3.1 Uitvoering en handhaving

Door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is gevraagd een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets uit te voeren op het conceptbesluit integratie van lwoo en pro in passend onderwijs. Dit is een integrale toets; er is gekeken naar de uitvoerbaarheid van de registratie en de bekostiging die dit besluit met zich meebrengt. De Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben het conceptbesluit getoetst op de handhaafbaarheid.

De conclusie ten aanzien van de uitvoerbaarheid is dat DUO, de Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst de uitwerking van de inpassing van lwoo en pro in passend onderwijs uitvoerbaar achten. Ten aanzien van de wijziging in artikel 7 van het Inrichtingsbesluit WVO, over de toelating van leerlingen die groep acht hebben doorlopen, heeft DUO aangegeven dat deze wijziging tot uitvoeringsproblemen leidt in de automatische bekostigingsstructuur bij DUO. Hierdoor is een wijziging opgenomen van artikel 3 van het Inrichtingsbesluit WVO en is artikel 7 komen te vervallen.

De tekstuele aanbevelingen en technische opmerkingen van DUO, Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst zijn waar mogelijk direct verwerkt.

De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de uitoefening van de samenwerkingsverbanden. Met de integratie van lwoo en pro in passend onderwijs zal de Inspectie ook toezicht houden op de naleving van de regels die met dit wijzigingsbesluit voor de samenwerkingsverbanden gaan gelden.

§ 3.2 Administratieve lasten

In dit besluit worden onder meer de procedures vastgelegd rond de toewijzing van leerlingen naar het vmbo met leerwegondersteuning dan wel naar het praktijkonderwijs. De voormalige taken van de regionale verwijzingscommissies worden daarbij overgenomen door de samenwerkingsverbanden. Veelal wordt gebruik gemaakt van bestaande procedures, in een aantal gevallen kunnen de samenwerkingsverbanden zelf procedures vaststellen. Dit besluit leidt dan ook niet tot extra administratieve lasten.

Hoofdstuk 4. Internetconsultatie

Het besluit is in de periode van 26 september tot 26 oktober 2014 ter consultatie aangeboden via www.internetconsultatie.nl. In die periode zijn 24 reacties ingediend. De reacties zijn met name afkomstig van personen in leidinggevende functies in het voortgezet onderwijs, belangenorganisaties, en samenwerkingsverbanden. Hieronder volgt een samenvatting van de reacties op de internetconsultatie.

Expertise en deskundigheid

In de AMvB passend onderwijs is vastgelegd door welke deskundigen een samenwerkingsverband zich moet laten adviseren bij de toewijzing van ondersteuning. In dit besluit wordt dit aangevuld met een deskundige specifiek voor de toewijzing van lwoo en pro. In het conceptbesluit was opgenomen dat het hierbij ging om een deskundige op het terrein van vbo, mavo en vmbo, analoog naar de vereiste deskundigheid in de RVC’s. In enkele reacties op de internetconsultatie werd aangegeven dat het bij de toewijzing van lwoo en pro ook belangrijk is om deskundigheid over de schoolsoort praktijkonderwijs te betrekken. De beslissing of een leerling toelaatbaar is tot het pro of aangewezen is op lwoo, is immers niet alleen een keuze over de ondersteuning die een leerling nodig heeft, maar ook welke schoolsoort het meest geschikt is voor een leerling. Om die beslissing te kunnen nemen, moeten samenwerkingsverbanden bij de toewijzing van lwoo en pro gebruik kunnen maken van een deskundige op het gebied van vmbo én pro. Dit is aangepast in het besluit.

Bijzondere groepen van leerlingen

De mogelijkheid uit het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget om een aanvraag voor pro in te dienen voor bijzondere groepen van leerlingen is met dit besluit overgenomen in artikel 15e van het Inrichtingsbesluit WVO. In het conceptbesluit, dat voorlag ter consultatie, was opgenomen dat niet alleen de pro-school deze aanvraag kon doen (zoals voorheen), maar ook andere vo-scholen deze aanvraag konden indienen bij het samenwerkingsverband. Zo kon ook een vmbo-school een aanvraag voor een tlv voor pro indienen voor een leerling. In meerdere reacties werd erop gewezen dat via dit artikel erg veel ruimte werd gegeven aan vo-scholen om leerlingen voor een pro-tlv in aanmerking te laten komen die niet (volledig) voldoen aan de landelijke criteria. Dit artikel is daardoor een manier om de landelijke criteria te omzeilen, terwijl er juist voor gekozen is om de landelijke criteria tot 2018 nog te handhaven. In het besluit is daarom, conform de wijze waarop het voorheen was, opgenomen dat de aanvraag voor deze bijzondere groepen alleen ingediend kan worden door de pro-school. Op deze manier is geborgd dat pro-aanvragen voor deze bijzondere groepen van leerlingen alleen kunnen worden ingediend als zowel de verwijzende vo-school als de ontvangende pro-school oordeelt dat pro het beste past bij de behoeften van de leerling.

Toelating van elfjarigen

Het conceptbesluit voorzag in de mogelijkheid om een kleine groep vroege leerlingen, die binnen enkele maanden na uitstroom uit het basisonderwijs de leeftijd van 12 jaar bereikt, toe te laten tot het pro. Uit een aantal reacties bleek dat de formulering onduidelijk werd gevonden. Naar aanleiding van de uitvoeringstoets, waarin bleek dat dit artikel niet uitvoerbaar was, is dit artikel aangepast en is aangesloten bij de bepalingen die gelden voor de andere schoolsoorten: een leerling kan worden toegelaten als naar het oordeel van de directeur van de school voor basisonderwijs de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd. In artikel 39, vierde lid, van de WPO is vastgelegd dat er over het verlaten van de school aan het einde van het schooljaar overeenstemming moet zijn bereikt met de ouders van de leerling.

Landelijke criteria

Een respondent reageert inhoudelijk op de criteria voor lwoo en pro zoals deze opnieuw worden vastgesteld in dit besluit. Deze criteria zijn overgenomen uit het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget. Omdat het voornemen is deze criteria in 2018 landelijk los te laten, zijn er in dit besluit geen wijzigingen aangebracht aan de criteria. Daarnaast geeft de vereniging RVC VO landelijk aan dat het belangrijk is dat er bij de beoordeling van aanvragen voor lwoo en pro niet alleen gekeken wordt naar het voldoen aan de criteria voor leerachterstand en IQ, maar ook naar de motivering van de school bij de aanvraag. Dit is met name van belang omdat een aanzienlijke groep leerlingen zich in het grensgebied van lwoo en pro bevindt. Dit is toegevoegd in de toelichting.

Algemene opmerkingen en behoud landelijke criteria

Een aantal reacties richt zich in het algemeen op de beslissing om de landelijke criteria los te laten, en op de integratie van lwoo en pro in het passend onderwijs, dat geregeld is in de wet integratie van lwoo en pro in passend onderwijs. Deze reacties hebben geen betrekking op het onderhavige besluit.

Hoofdstuk 5. Bescherming persoonsgegevens

Bij het opstellen van de wet integratie van lwoo en pro in passend onderwijs, is zorgvuldigheid betracht waar het gaat om de bescherming van persoonsgegevens. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aan de hand van de uitvoering van een privacy-impact assessment, uitgebreid beschreven in hoofdstuk 9, wat de gevolgen zijn van het wetsvoorstel voor de bescherming van persoonsgegevens. Bij die beschrijving is vooruitgelopen op de nadere uitwerking van het wetsvoorstel in dit besluit. De overwegingen ten aanzien van persoonsgegevens behorende bij dit besluit zijn dan ook meegenomen in toelichting bij het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel met bijbehorende toelichting is voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens (CBP) en het commentaar is verwerkt. Dit besluit is ter informatie toegestuurd aan CBP.

Bij de implementatie van de wet en dit besluit is ook aandacht voor communicatie en ondersteuning richting scholen en samenwerkingsverbanden, zodat zij zich goed kunnen voorbereiden op de integratie van lwoo en pro in passend onderwijs. Zo worden scholen en samenwerkingsverbanden ondersteund door het «Steunpunt passend onderwijs» van de VO-raad, die ondersteuning biedt door informatie en draaiboeken beschikbaar te stellen en bijeenkomsten te organiseren. Ook blijft de website www.passendonderwijs.nl in de lucht en blijven de accountmanagers passend onderwijs van OCW zolang het nodig is beschikbaar in het ondersteunen van scholen en samenwerkingsverbanden. Daarbij is ook aandacht voor de manier waarop samenwerkingsverbanden om moeten gaan met (bescherming) persoonsgegevens. Zo heeft het Steunpunt passend onderwijs een modelreglement gemaakt dat handvatten biedt aan samenwerkingsverbanden met betrekking tot het omgaan met persoonsgegevens.

II Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Zoals in hoofdstuk 1 van het algemene deel van deze nota van toelichting is aangegeven, is het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget met dit besluit ingetrokken. De grondslag voor dit besluit is namelijk zowel in beleidsinhoudelijke als juridische zin vervallen. Wanneer de Wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs in werking is getreden, zijn de samenwerkingsverbanden verantwoordelijk voor het toewijzen van ondersteuning aan leerlingen die een beroep doen op lwoo en pro. De RVC’s die tot die tijd de indicatie voor lwoo en pro verzorgden, zijn opgeheven.

De artikelen van het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget met voorschriften voor de procedure en criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het lwoo of het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het pro zijn grotendeels overgeplaatst naar het Inrichtingsbesluit WVO. De artikelen over de RVC’s zijn door de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs niet meer nodig. De artikelen over het regionale zorgbudget zijn deels niet meer nodig en deels nu te vinden in het Bekostigingsbesluit WVO.

Artikel II, onderdeel A

In artikel 1 is de van toepassing zijnde terminologie uit het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget overgeplaatst naar artikel 1 van het Inrichtingsbesluit WVO.

Artikel II, onderdeel B en onderdeel C

In artikel 7 van het Inrichtingsbesluit WVO was tot nu toe de toelatingsvoorwaarde voor het praktijkonderwijs geregeld: tot een school voor praktijkonderwijs kon alleen als leerling worden toegelaten een leerling die de leeftijd van ten minste twaalf jaar had bereikt. In de praktijk blijkt dit in enkele gevallen te leiden tot problemen. Het komt voor dat een leerling de hele basisschool heeft doorlopen en uit groep 8 stroomt op het moment dat de leerling nog 11 jaar is. Het betreft hier «vroege» leerlingen die over het algemeen binnen enkele maanden na uitstroom uit het basisonderwijs de leeftijd van twaalf jaar bereiken. Om te voorkomen dat deze jongeren nog niet toegelaten mogen worden tot het pro, is artikel 7 van het Inrichtingsbesluit WVO vervallen, en wordt aangesloten bij de bepalingen voor de overige schoolsoorten in artikel 3 van het Inrichtingsbesluit WVO. Hierin is vastgelegd dat een leerling kan worden toegelaten bij wie naar het oordeel van de directeur van de school voor basisonderwijs de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd. In artikel 39, vierde lid, van de WPO is vastgelegd dat er over het verlaten van de school aan het einde van het schooljaar overeenstemming moet zijn bereikt met de ouders van de leerling.

Artikel II, onderdeel D

In artikel 15a is de aard van de noodzakelijke deskundigheid in het samenwerkingsverband geregeld, die het samenwerkingsverband adviseren over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het lwoo, pro en voortgezet speciaal onderwijs. Grondslag voor dit artikel is artikel 17a, twaalfde lid, van de WVO. Aan de opsomming van de tweede deskundigen is in dit onderdeel een deskundige toegevoegd, namelijk een deskundige op het terrein van vmbo en pro. Zie in het algemene deel van deze toelichting, onder §1.2, voor de achtergrond voor deze toevoeging.

Artikel II, onderdeel E

In dit onderdeel is een hoofdstuk ingevoegd in het Inrichtingsbesluit WVO, waarin de criteria voor de beoordeling door samenwerkingsverband van de aanvragen op grond van artikel 10e en 10g van de WVO staan. De grondslag voor het vaststellen van de beoordelingscriteria bij of krachtens algemeen maatregel van bestuur, thans te vinden in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget, verandert met de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs. De nieuwe grondslag is voortaan te vinden in artikel 17a, elfde lid, van de WVO.

Het bevoegd gezag van een school waar de leerling zich aanmeldt dan wel van de school waaraan de leerling is ingeschreven kan een aanvraag indienen bij het samenwerkingsverband voor toelaatbaarheid tot het pro of het aangewezen zijn op het lwoo. Het samenwerkingsverband toetst vervolgens éénmalig aan de hand van door de bij amvb vastgestelde criteria of een leerling voor de gehele schoolloopbaan in het vo in aanmerking komt voor lwoo of pro. In artikel 15d van onderhavig besluit is opgenomen aan welke criteria een leerling moet voldoen om in aanmerking te komen voor lwoo of pro. Deze criteria zijn gelijk aan de criteria die waren opgenomen in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget.

In artikel 15d, eerste lid, zijn de criteria voor de gegevens te vinden op basis waarvan het samenwerkingsverband een oordeel vormt over de toelaatbaarheid tot het pro of het aangewezen zijn op het lwoo. Dit artikel stelt eisen aan de inhoud van de beoordelingsdossiers. Deze eisen zijn gelijk aan de eisen die waren opgesteld in het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget.

Artikel 15d, tweede lid, heeft betrekking op het gebruik van vastgestelde screenings- of testinstrumenten bij het verkrijgen van de gegevens, genoemd in het eerste lid. Onderdeel van de dossiers vormen het onderwijskundig rapport en de gegevens van toetsen, tests en een persoonlijkheidsonderzoek. Jaarlijks wordt bij ministeriële regeling de screenings- of testinstrumenten vastgesteld die toegestaan zijn voor het leerling-dossier. Het bevoegd gezag moet bij de aanvraag gebruik maken van de instrumenten uit deze lijst. De IQ-testen en de persoonlijkheidsonderzoeken moeten worden afgenomen door een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog of onder diens verantwoordelijkheid. In het laatste geval wordt het onderzoek verricht door daartoe geschoolde testassistenten. Toetsen om de leerachterstand in beeld te brengen moeten worden afgenomen door een didactisch geschoold persoon, bijvoorbeeld de docent.

Artikel 15d, derde lid, gaat over hoe de leerachterstand van de leerling wordt bepaald. Dit is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin DLE de afkorting is van didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs is dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt en DL de afkorting is van didactische leeftijd en het aantal maanden is dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de school voor speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

Bij de berekening van de leerachterstand voor de indicatie lwoo of pro wordt uitgegaan van de didactische leeftijd (DL) die een leerling op het moment van toetsen bereikt heeft. Van groep 3 tot en met groep 8 volgt een leerling jaarlijks 10 onderwijsmaanden; van september tot en met juni. Als een leerling bijvoorbeeld wordt getoetst in de maand oktober van groep 8, dan heeft deze een DL van 52, op voorwaarde dat de leerling geen zittenblijver is.

Zittenblijver vanuit groep 8:

Voor een zittenblijver die één of meer keer heeft gedoubleerd, geldt dat deze de hele periode dat hij in groep 8 zit, een DL heeft van 60, ongeacht de maand waarin hij wordt getoetst.

Zittenblijver vanuit groep 7:

De mogelijkheid om voor leerlingen al vanuit groep 7 een aanvraag te doen voor extra ondersteuning voor lwoo of pro bij het samenwerkingsverband dient alleen te worden gebruikt als de leerling volgens de school van herkomst (primair onderwijs) niet is gebaat met een extra jaar primair onderwijs. Voor deze leerlingen geldt bij wijze van uitzondering een andere berekeningswijze:

  • heeft de leerling in groep 3 tot en met groep 7 eenmaal gedoubleerd, dan worden aan zijn DL op het moment van toetsing, 10 onderwijsmaanden toegevoegd. Voorbeeld: als de leerling in februari wordt getoetst, dan heeft deze een DL van 40 + 6 = 46. Daarbij worden 10 onderwijsmaanden geteld, wat zijn DL op 56 brengt.

  • heeft de leerling in groep 3 tot en met 7 al twee keer gedoubleerd, dan geldt een DL van 60, ongeacht de maand waarin de leerling wordt getoetst.

Vaststelling DL/DLE:

Het niveau dat een leerling op een bepaald moment heeft bereikt, wordt weergegeven in didactische leeftijdseenheden (DLE) en wordt bepaald aan de hand van scores op toetsen of testen. Bevindt een leerling zich op het niveau «halverwege groep 7» dan heeft deze een DLE van 45.

Het bereikte niveau wordt afgezet tegen de didactische leeftijd (DL) van de leerling op het moment van toetsing. Een voorbeeld: wanneer een leerling een DLE heeft van 45 (niveau januari groep 7) en een DL (didactische leeftijd) van 60 (juni groep 8), dan heeft de leerling een leerachterstand van 0,25.

Artikel 15d, vierde lid, bevat de criteria voor het pro. Artikel 15d, vijfde lid, bevat de criteria voor lwoo. Voor leerlingen die strijdige scores halen op de criteria voor lwoo en pro geldt dat zij in aanmerking kunnen komen voor zowel lwoo als pro. Dit is opgenomen in artikel 15d, zesde lid. Van strijdige scores op criteria is sprake wanneer de score op één criterium op pro wijst en de score op een ander criterium op lwoo. In de aanvraag, die moet zijn voorzien van een gedegen motivering, moet een school aangeven of ze vinden dat de leerling moet worden aangewezen op het lwoo dan wel toelaatbaar moet worden verklaard tot het pro.

In artikel 15e is de mogelijkheid uit het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget overgenomen om een aanvraag voor pro te doen voor leerlingen waarvan de school oordeelt dat pro het beste past bij de behoeften van de leerling en die voldoen aan de criteria zoals opgenomen in dit artikel. Zie paragraaf 1.2 van de algemene toelichting voor meer informatie over deze mogelijkheid.

In het nieuwe artikel 15f van het Inrichtingsbesluit WVO is in het eerste lid opgenomen dat de geldigheidsduur van de toewijzing voor lwoo minimaal één volledig schooljaar moet zijn. In het tweede lid is een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling nadere voorschriften te kunnen vaststellen over de procedure van opting out. Het zal gaan om regels van administratieve aard, bijvoorbeeld bij een opting out voor lwoo-licenties wanneer aan DUO gemeld moet worden welke scholen in het samenwerkingsverband voorgedragen worden voor een lwoo-licentie. Zie paragraaf 1.3 van de algemene toelichting voor meer informatie over de mogelijkheden tot opting out.

Artikel II, onderdeel F

Dit is een technische aanpassing.

Artikel III, onderdeel A

In artikel 1 is de terminologie aangepast aan de terminologie van de Wet passend onderwijs en de wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs.

Artikel III, onderdeel B

In het eerste lid, onderdeel a, en in het tweede lid, van artikel 7a van het Bekostigingsbesluit WVO wordt verwezen naar artikel 27, lid 2f, van de WVO. Hierdoor worden voor de bekostiging ook die leerlingen meegeteld voor lwoo en pro die tijdelijk geplaatst worden, omdat de beslissing over de toelating van de leerling na tien weken nog niet is genomen.

De overige wijzigingen in artikel 7a houden verband met de Wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs, en zijn technisch van aard.

Artikel III, onderdeel C

In de nieuw voorgestelde artikelen 85b1, vierde lid en 89a1, vierde lid, uit de Wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs zijn grondslagen vastgelegd voor een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen berekening voor aanvullende bekostiging voor regionale ondersteuning.

De inhoud van artikel 8a is afkomstig uit het ingetrokken Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget, dat met enkele aanpassingen is opgenomen in het Bekostigingsbesluit WVO. Artikel 8a betreft de bekostiging die voorheen bekend stond als het regionaal zorgbudget. De naam van het «regionaal zorgbudget» is in de Wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs veranderd in «bekostiging voor regionale ondersteuning». De bekostiging voor regionale ondersteuning vormt voortaan samen met de ondersteuningsbekostiging voor lwoo en pro het budget voor lichte ondersteuning van het samenwerkingsverband. Omdat het budget voor lichte ondersteuning bestaat uit personeelsbekostiging en uit bekostiging voor materiële instandhouding, wordt ook de bekostiging voor regionale ondersteuning opgesplitst in twee delen. Het betreft hier een splitsing van technische aard, het heeft geen effect op de hoogte van het uitgekeerde bedrag per samenwerkingsverband, en heeft ook geen effect op de wijze waarop het bedrag wordt uitgekeerd aan het samenwerkingsverband.

Artikel IV

Het ondersteuningsbedrag voor lwoo en pro komt met de integratie in passend onderwijs onder de verantwoordelijkheid van de samenwerkingsverbanden. Dit betekent dat voor alle schoolsoortgroepen het ondersteuningsbedrag gelijk is. De tweede en derde volzin van artikel 8, derde lid, Formatiebesluit WVO zijn hierdoor gewijzigd.

Artikel V

De datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdelen B en C, (wijziging van artikel 3 en 7 van het Inrichtingsbesluit WVO) is 1 augustus 2015. Deze artikelen moeten zo snel als mogelijk in werking treden, om de problemen die scholen ervaren met de huidige toelatingsvoorwaarden te verhelpen. De datum van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel E (wijziging van artikel 15f, tweede lid, Inrichtingsbesluit WVO) is 1 augustus 2015. De reden is dat per 1 augustus de grondslag voor de ministeriële regeling in werking moet treden. In die ministeriële regeling zullen voorschriften worden gesteld aan deelname aan opting out. De datum van inwerkingtreding van de overige artikelen is 1 januari 2016. Dat is ook het moment waarop lwoo en pro worden geïntegreerd in passend onderwijs.

1 augustus en 1 januari zijn vaste verander momenten. De termijn tussen publicatie en inwerkingtreding van de eerste artikelen is korter dan de gebruikelijke 2 maanden. De uitzonderingsgrond van hoge c.q. buitensporige of private of publieke voor- of nadelen van vertragingen of vervroeging van invoering is van toepassing. De doelgroepen (samenwerkingsverbanden en bevoegde gezagsorganen in voortgezet onderwijs) zijn gebaat bij spoedige inwerkingtreding. Door de inwerkingtreding van artikel II, onderdelen B en C, worden de problemen die de scholen op dit moment ervaren met de toelating en bekostiging van leerlingen die jonger zijn dan 12 jaar opgelost. Door dit artikel nog op 1 augustus in werking te laten treden, zullen scholen deze problemen met ingang van het nieuwe schooljaar niet meer ervaren.

Daarnaast zijn de samenwerkingsverbanden gebaat bij spoedige inwerkingtreding van artikel 15f, tweede lid, Inrichtingsbesluit WVO in artikel II, onderdeel E, omdat er dan een grondslag is voor nadere uitwerking van de procedureregels voor opting out bij ministeriële regeling. De wet integratie lwoo en pro in passend onderwijs bepaalt dat uiterlijk 15 december 2015 het ondersteuningsplan moet worden ingediend bij de Inspectie. Het voornemen is om bij ministeriële regeling te bepalen dat wanneer gekozen wordt voor opting out tezamen met het ondersteuningsplan een formulier moet worden ingediend, om aan te tonen dat voldaan is aan de wettelijke eis dat alle bevoegde gezagsorganen hebben ingestemd met de opting out. Het eerstvolgende vaste verander moment van 1 januari is om die reden te laat.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstukken II 2013/14, 33 993, nr. 2.

X Noot
2

Kamerstukken II 2013/14, 33 993, nr. 3.

X Noot
3

Stb. 2014, 95.

X Noot
4

De Wet tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533).

X Noot
5

Met overige lichte ondersteuning wordt alle lichte ondersteuning bedoeld die geen lwoo of pro is.

X Noot
6

Kamerstukken II 2013/14, 33 993, nr. 3.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven