Vragen van het lid Recourt (PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over oplichting bij Marktplaats (ingezonden 30 mei 2013).

Vraag 1

Hebt u kennisgenomen van het bericht «Marktplaats & bedrog»1 en de daarbij behorende gerechtelijke uitspraak (LJN: BZ9266, Rechtbank Haarlem, 15/741314–11)?

Vraag 2

Deelt u de mening dat sinds de totstandkoming van het desbetreffende artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht door de opkomst van de mogelijkheden van handel en communicatie via internet, waaronder Marktplaats, de mogelijkheden om oplichting te plegen groter zijn geworden? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?

Vraag 3

Acht u, gezien de gratis en niet gecontroleerde wijze waarop via Marktplaats en andere sites eenvoudig transacties kunnen plaatsvinden, het nog langer opportuun dat er alleen sprake kan zijn van oplichting als daarbij ook een valse naam of hoedanigheid wordt gebruikt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Vraag 4

Deelt u de mening dat het strafrecht ook bescherming zou moeten kunnen bieden tegen gevallen van bedrog zoals die in het krantenartikel worden genoemd? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?

Vraag 5

Deelt u de mening dat indien in gevallen van oplichting zoals in het krantenartikel zijn genoemd alleen de civielrechtelijke weg voor gedupeerden openstaat, daarmee het risico bestaat dat particulieren, desnoods verscholen achter een rechtspersoon, Marktplaats en gelijkaardige sites meer zullen gebruiken voor dergelijke praktijken? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen? Zo nee, waarom niet?


X Noot
1

NRC, 29 mei 2013

Naar boven