35 594 Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag ter uitvoering van de afbouw van de salderingsregeling voor kleinverbruikers

A GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

7 februari 2023

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het stellen van regels noodzakelijk is ter uitvoering van de afbouw van de salderingsregeling voor kleinverbruikers;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Elektriciteitswet 1998 wordt als volgt gewijzigd:

aA

Artikel 1, zevende lid, als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na «zonneweides op land,» ingevoegd «installaties voor het opslaan of converteren van elektriciteit,» en wordt «productie-installatie» vervangen door «installatie».

2. In onderdeel a wordt na «zonneweides» ingevoegd «, installaties voor het opslaan of converteren van elektriciteit» en vervalt aan het slot na de puntkomma «en».

3. Onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • c. ten minste één van de installaties een windpark of zonneweide betreft; en

  • d. de in onderdeel a bedoelde aanvraag niet meer dan vier onroerende zaken als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken behelst.

A

Artikel 5 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «het bepaalde bij of krachtens deze wet» vervangen door «het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen, bedoeld in het zevende lid,».

2. Na het zesde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Onze Minister wijst bij besluit de ambtenaren aan die toezicht houden op de naleving van artikel 26aa, tweede lid, en 78, vijfde lid.

B

In artikel 5a wordt «het bepaalde bij of krachtens deze wet» vervangen door «het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen, bedoeld in artikel 5, zevende lid,».

C

Artikel 26aa wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst van het artikel wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, beschikt over een geïnstalleerde meetinrichting die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten, tenzij:

    • a. die afnemer blijkens de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen a of b, beschikt over een onbemeten aansluiting;

    • b. de netbeheerder na het tijdstip waarop de periode, bedoeld in artikel 26ae, eerste lid, aanvangt de afnemer nog geen geïnstalleerde meetinrichting die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten ter beschikking heeft gesteld;

    • c. de netbeheerder redelijkerwijs niet in staat is een dergelijke meetinrichting te plaatsen en de oorzaak daarvan niet in de macht van de afnemer ligt.

D

Artikel 26ae wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «tenzij die afnemer blijkens de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen a of b, beschikt over een onbemeten aansluiting.» vervangen door «tenzij:

  • a. die afnemer blijkens de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen a of b, beschikt over een onbemeten aansluiting;

  • b. de netbeheerder redelijkerwijs niet in staat is een meetinrichting te plaatsen die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten;

  • c. die afnemer reeds de beschikking heeft over een geïnstalleerde meetinrichting die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten.».

2. In het vierde lid wordt:

a. «een eerder tijdstip» gewijzigd in «een ander tijdstip»;

b. «een meetinrichting ter beschikking wordt gesteld die ten minste voldoen aan de krachtens artikel 95la, eerste lid, gestelde eisen» gewijzigd in «een meetinrichting als bedoeld in het elfde lid ter beschikking wordt gesteld».

3. In het elfde lid wordt «In dat geval wordt door de netbeheerder een niet op afstand uitleesbare meetinrichting ter beschikking gesteld.» vervangen door «In dat geval wordt door de netbeheerder een niet op afstand uitleesbare meetinrichting ter beschikking gesteld die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten.».

4. Na het veertiende lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 15. De netbeheerder zendt Onze Minister de persoonsgegevens van een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, indien de netbeheerder deze afnemer een geïnstalleerde meetinrichting als bedoeld in artikel 26aa, tweede lid, ter beschikking heeft gesteld maar dit niet heeft geleid tot installatie van de meetinrichting.

  • 16. De netbeheerder kan een leverancier verzoeken het correspondentieadres van een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, te verstrekken indien dit noodzakelijk is ten behoeve van de taak, bedoeld in het eerste lid. Een leverancier verstrekt deze gegevens.

E

Artikel 31c wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste en tweede lid komen te luiden:

  • 1. Voor afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, die duurzame elektriciteit invoeden op het net, berekent de leverancier de kosten van het verbruik ten behoeve van de facturering en inning van de jaarlijkse leveringskosten door per jaar de kosten van de in dat jaar aan het net hoeveelheid onttrokken elektriciteit te verminderen met het van toepassing zijnde percentage, genoemd in artikel 50, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, van de kosten van de in dat jaar op het net ingevoede hoeveelheid elektriciteit, voor zover de hoeveelheid ingevoede elektriciteit niet meer bedraagt dan de hoeveelheid aan het net onttrokken elektriciteit. Als er in het jaar verschillende perioden worden gehanteerd met een bij die periode horend tarief, is het voor de berekening, bedoeld in de eerste zin, door de leverancier te hanteren tarief per periode voor de ingevoede elektriciteit gelijk aan het tarief voor de onttrokken elektriciteit en wordt het percentage, genoemd in artikel 50, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, telkens per periode toegepast en worden de uitkomsten van deze afzonderlijke berekeningen bij elkaar opgeteld. In het geval gedurende een periode het percentage, genoemd in artikel 50, tweede lid, van de Wet belasting op milieugrondslag wijzigt, past de leverancier bij de berekening, bedoeld in de eerste zin, dat gewijzigde percentage toe vanaf het tijdstip dat de wijziging van het percentage ingaat.

  • 2. Voor afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, die niet-duurzame elektriciteit invoeden op het net, berekent de leverancier de kosten van het verbruik ten behoeve van de facturering en inning van de jaarlijkse leveringskosten door per jaar de kosten van de in dat jaar aan het net onttrokken hoeveelheid elektriciteit te verminderen met het van toepassing zijnde percentage, genoemd in artikel 50, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, van de kosten van in dat jaar de op het net ingevoede hoeveelheid elektriciteit, met een maximum van 5.000 kWh aan op het net ingevoede elektriciteit, voor zover de hoeveelheid ingevoede elektriciteit niet meer bedraagt dan de hoeveelheid aan het net onttrokken elektriciteit met een maximum van 5.000 kWh. Als er in het jaar verschillende perioden worden gehanteerd met een bij die periode horend tarief, is het voor de berekening, bedoeld in de eerste zin, door de leverancier te hanteren tarief per periode voor de ingevoede elektriciteit gelijk aan het tarief voor de onttrokken elektriciteit en wordt het percentage, genoemd in artikel 50, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, telkens per periode toegepast en worden de uitkomsten van deze afzonderlijke berekeningen bij elkaar opgeteld. In het geval gedurende een periode het percentage, genoemd in artikel 50, tweede lid, van de Wet belasting op milieugrondslag wijzigt, past de leverancier bij de berekening, bedoeld in de eerste zin, dat gewijzigde percentage toe vanaf het tijdstip dat de wijziging van het percentage ingaat.

2. Na het derde lid worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 4. De redelijke vergoeding kan niet worden vastgesteld op een negatief bedrag.

  • 5. Het voor de redelijke vergoeding, bedoeld in het derde lid, te hanteren minimumtarief bedraagt ten minste 80% van de kosten die de leverancier is overeengekomen met de afnemer voor de afname van elektriciteit per kWh, met uitzondering van de daarvoor te berekenen belastingen en heffingen, tenzij dit hoger ligt dan een absoluut tarief dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld. In dat geval geldt dat vastgestelde tarief als minimumtarief voor de redelijke vergoeding.

  • 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de berekening van de jaarlijkse leveringskosten.

  • 7. Indien de leveringsovereenkomst, bedoeld in artikel 95m, eerste lid, voor afloop van het jaar als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt beëindigd, worden de leveringskosten in afwijking van het eerste of tweede lid berekend over het deel van het jaar waar de overeenkomst op van toepassing is, tenzij de opvolgende overeenkomst wordt afgesloten bij dezelfde leverancier. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Ea

Artikel 31c, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Onze Minister stelt elke twee jaar de hoogte of de berekening van de redelijke vergoeding vast. De Autoriteit Consument en Markt brengt voorafgaand een advies uit over de redelijke vergoeding en houdt hierbij in ieder geval rekening met de prijsontwikkeling voor geleverde elektriciteit en de belangen van afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid. Indien Onze Minister bij de vaststelling afwijkt van het advies motiveert hij dit bij zijn besluit, en legt hij het besluit binnen vier weken nadat het is vastgesteld over aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden vastgesteld over de vaststelling en bekendmaking van de hoogte of de berekening van de redelijke vergoeding.

F

Artikel 77h wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst van het artikel wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid wordt «en 26ae, tiende lid,» vervangen door «, 26ae, tiende en vijftiende lid, en 78, vijfde lid,».

3. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onze Minister kan in geval van overtreding van artikel 26aa, tweede lid, en 78, vijfde lid, de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Fa

In artikel 77i, eerste lid, onderdeel b, wordt na «31b,» ingevoegd «31c, derde lid,».

G

Na artikel 78, vierde lid, wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Onze Minister kan een leverancier verzoeken de persoonsgegevens van een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, te verstrekken indien deze afnemer blijkens de door de netbeheerder op grond van artikel 26ae, vijftiende lid, verstrekte informatie niet beschikt over een geïnstalleerde meetinrichting als bedoeld in artikel 26aa, tweede lid. Een leverancier verstrekt deze persoonsgegevens.

ARTIKEL IA

In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt na artikel 5.8 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.8a

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de verduurzaming van het energiegebruik andere rechtspersonen of natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf worden aangewezen die op verzoek gegevens over het energiegebruik van eindafnemers verstrekken aan het bevoegd gezag, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin in ieder geval voldaan is aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, tot het verstrekken van gegevens en de wijzen waarop gegevens als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.

ARTIKEL IB

In de Omgevingswet wordt na artikel 18.25 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18.25a (informatieverstrekking uitvoering en handhaving energiegebruik)

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de verduurzaming van het energiegebruik andere rechtspersonen of natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf worden aangewezen die op verzoek gegevens over het energiegebruik van eindafnemers verstrekken aan het bevoegd gezag, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin in ieder geval voldaan is aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, tot het verstrekken van gegevens en de wijzen waarop gegevens als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.

ARTIKEL II

In artikel 50, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag wordt «de via de aansluiting ingevoede elektriciteit» vervangen door «een percentage van de via de aansluiting ingevoede elektriciteit. Dit percentage bedraagt in:

  • a. de kalenderjaren tot en met het kalenderjaar 2024 100%;

  • b. het kalenderjaar 2025 64%;

  • c. het kalenderjaar 2026 64%;

  • d. het kalenderjaar 2027 55%;

  • e. het kalenderjaar 2028 46%;

  • f. het kalenderjaar 2029 37%;

  • g. het kalenderjaar 2030 28%;

  • h. de kalenderjaren vanaf 2031 0%.»

ARTIKEL IIA

  • 1. Onze Minister voor Klimaat en Energie zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën uiterlijk 1 maart 2025 en 1 maart 2028 aan de Staten-Generaal een verslag over de effecten van deze wet op het eigen verbruik van afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 van met zonnepanelen opgewekte elektriciteit, de ontwikkeling van zonnepanelen op daken, de investeringen in zonnepanelen in de huursector en de koopsector, en de terugverdientijden van investeringen in zonnepanelen door afnemers, als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998.

  • 2. In het verslag, bedoeld in het eerste lid, wordt de regeling voor de afbouw van de percentages door artikel II, in samenhang met de redelijke vergoeding, bedoeld in artikel 31c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 opnieuw beoordeeld tegen de achtergrond van de gewenste terugverdientijd van de investeringen in zonnepanelen van zeven jaar en ten hoogste negen jaar.

ARTIKEL III

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid:

    • a. treden artikel I, onderdeel E, subonderdeel 2, voor wat betreft artikel 31c, vijfde en zesde lid, en onderdeel Fa, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst;

    • b. treedt artikel I, onderdeel Ea, in werking met ingang van 1 januari 2027.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister voor Klimaat en Energie,

De Staatssecretaris van Financiën,

Naar boven