29 279
Rechtsstaat en Rechtsorde

nr. 62
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 januari 2008

Hierbij doe ik u toekomen het kabinetsstandpunt «Openbare internetconsultatie bij departementale voorbereiding van wetgeving.»

Dit kabinetsstandpunt is tevens een reactie op het rapport, getiteld «Naar een responsieve overheid; beginselen en minimumnormen voor openbare internetconsultatie in het departementale voorbereidingsproces van regelgeving.», dat ik u op 21 augustus 2007 heb aangeboden (TK. 2006–2007, 29 279, nr. 57).

In het kader van het programma bruikbare rechtsorde heeft het kabinet in 2006 de werkgroep «Openbare internetconsultatie bij voorgenomen regelgeving» ingesteld1. Deze werkgroep heeft in bovengenoemd rapport aanbevelingen gedaan over de invoering en vormgeving van openbare internetconsultatie bij voorgenomen regelgeving. Met het oog op de zelfstandige leesbaarheid van deze kabinetsreactie, zijn hieronder de aanbevelingen van de werkgroep beknopt weergegeven.

AANBEVELINGEN VAN DE WERKGROEP

I Invoering van internetconsultatie

De werkgroep beveelt aan om internetconsultatie rijksbreed gefaseerd in te voeren. De eerste stap is een experiment, waarbij elk departement gedurende twee jaar voor 10% van de wetten, 10% van de AMvB’s en 10% van de ministeriële regelingen internetconsultatie uitvoert. De selectie van deze voorstellen van regeling dient zodanig te zijn, dat departementen zicht krijgen op de vraag welke voorstellen zich voor internetconsultatie lenen en welke niet en wat de meerwaarde is van internetconsultatie.

Het is belangrijk dat er één departement is dat het experiment coördineert en faciliteert. De werkgroep acht het departement van Justitie, gelet op de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie voor de kwaliteit van wetgeving, het eerst aangewezen departement om daarbij het voortouw te nemen. De door Justitie te bieden ondersteuning betreft het laten ontwikkelen van een technische voorziening voor internetconsultatie, de projectmatige uitwerking van het experiment, de monitoring en de evaluatie.

Op basis van de evaluatie kan worden bezien op welke wijze internetconsultatie van regelgeving in voorbereiding, structureel kan worden ingezet bij de departementale voorbereiding van wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen, alsmede hoeveel capaciteit en kosten hiermee gemoeid zijn. Aan de hand van de opgedane ervaringen, de technologische mogelijkheden en de behoeften vanuit de samenleving kan het systeem van internetconsultatie verder worden ontwikkeld en uitgebreid.

De werkgroep geeft aan, dat voor een effectieve invoering van internetconsultatie een aantal technische en organisatorische randvoorwaarden relevant is. Deze hebben betrekking op de verankering van internetconsultatie in het totale (inter)departementale wetgevingsproces en op de benodigde functionaliteiten van het technische systeem voor de departementen en het publiek.

II Minimumnormen voor internetconsultatie

1. Bekendmaking en bereik van internetconsultaties

Uitgangspunt voor internetconsultatie is een inclusieve benadering, in die zin dat burgers, bedrijven en organisaties die door de regeling geraakt kunnen worden zo effectief mogelijk op de consultatie worden geattendeerd en dat ze gemakkelijk kunnen achterhalen hoe en waar zij kunnen deelnemen aan de consultatie.

Hiervoor zijn minimaal de volgende maatregelen nodig:

– consultaties worden op een centrale internetsite voor consultaties van de rijksoverheid geplaatst en aangekondigd op de website(s) van de bij de ontwerpregeling betrokken departement(en).

– op de centrale consultatiewebsite wordt achtergrondinformatie aangereikt via een link naar www.wetten.nl en www. overheid.nl.

– de digitale aankondiging wordt gecombineerd met een bekendmaking via andere media, zoals de krant en/of vakbladen, publicatiemogelijkheden via brancheorganisaties en maatschappelijke organisaties.

2. Heldere en begrijpelijke inhoud en vormgeving van consultaties

Voor deelnemers aan de consultatie moet duidelijk zijn met welk doel en binnen welke context wordt geconsulteerd, wat de discussieruimte is en over welke aspecten niet wordt geconsulteerd.

De instructie dient inhoudelijk zo helder mogelijk te zijn en aan te sluiten bij het kennisniveau van (beoogde) doelgroepen. Een gemeenschappelijke vormgeving van de internetconsultaties binnen de rijksoverheid bevordert de herkenbaarheid en begrijpelijkheid voor de doelgroepen.

De afstemming van vorm en inhoud wordt bevorderd door een format dat de wetgevingsjuristen en de beleidsmedewerkers ondersteunt bij het op gebruikersvriendelijke wijze aanreiken van de voor belanghebbende relevante informatie.

3. Ontvangstbevestiging en feedback

Deelnemers aan een internetconsultatie ontvangen automatisch een ontvangstbevestiging. De ingekomen reacties worden serieus bekeken op de vraag of en in hoeverre dit moet leiden tot aanpassing van het conceptregeling.

Het resultaat van deze exercitie wordt in hoofdlijnen zowel in de toelichting als op de centrale website gecommuniceerd.

In de toelichting bij een voorstel tot regelgeving wordt in een afzonderlijke paragraaf aangegeven wat op hoofdlijnen de ingekomen reacties waren, zodat voor alle deelnemers aan de consultatie kenbaar is of en zo ja wat er met de bijdragen is gedaan. Daarbij wordt vermeld of en zo ja op welke wijze de regeling als gevolg van de reacties is aangepast. Ingeval de bijdragen niet geleid hebben tot aanpassing wordt dat eveneens gemotiveerd vermeld. Met het oog op het realiseren van voldoende feedback en nazorg maar rekening houdend met de eis tot geheimhouding van de regeling die voor advies is voorgelegd aan de Raad van State,wordt op het moment dat de ministerraad het voorstel van wet of een ontwerp-AMvB heeft behandeld c.q. de minister de ontwerpregeling heeft goedgekeurd, op de centrale website een kort verslag geplaatst van de resultaten van de internetconsultatie en in hoofdlijnen, tot welke veranderingen de consultatie in hoofdlijnen heeft geleid. Dit verslag dient zelfstandig leesbaar te zijn en niet te gedetailleerd

4. Privacy, bewaartijd gegevens, anonimiteit

Uitgangspunt is dat alle bijdragen met vermelding van de naam en de woonplaats op de consultatie-website worden gepubliceerd.

Als een natuurlijke persoon aangeeft bezwaar te hebben tegen het openbaar maken van de naam en woonplaats kan dit achterwege blijven. Departementen kunnen zelf beslissen of zij in dat geval afzien van publicatie van de reactie of dat zij de reactie anoniem plaatsen.

Van de zijde van de overheid wordt gegarandeerd dat de naam en woonplaats niet zonder toestemming worden gepubliceerd, gebruikt voor andere doelen of afgegeven aan andere organisaties. Daarnaast dient de centrale consultatie-website goed beschermd te zijn tegen hackers en andere onbevoegden. De gegevens over de internetconsultatie worden op de centrale website voor internetconsultatie bewaard, tot op het moment dat het voorstel is vastgesteld/het besluit is genomen. Daarna worden ze bewaard volgens de bepalingen van de Archiefwet 1995 en de daarop gebaseerde regelingen.

5. Minimum-termijnen voor internetconsultatie

Internetconsultatie vindt plaats tussen het moment waarop besloten is om een beleidsprobleem met wetgeving op te lossen en het moment waarop dat voorstel wordt voorgelegd aan de ministerraad. Beleidsnota’s vallen buiten het voor internetconsultatie afgebakende domein. Er dient een ontwerpregeling te liggen die (indien van toepassing) interdepartementaal is afgestemd met de meest betrokken ministeries.

In dit stadium adviseert de werkgroep, gelet op een goede balans tussen een adequate termijn voor reacties enerzijds en een beperkte verlenging van het wetgevingsproces anderzijds, om als minimumtermijn voor openbare internetconsultaties een termijn van vier weken te hanteren. Afwijking van de minimum-termijn voor internetconsultatie dient te worden gemotiveerd bij de aankondiging van de consultatie en in de toelichting bij de regeling. Op basis van de ervaringen in de pilotfase zal moeten worden nagegaan of deze minimumtermijn adequaat is.

6. Motieven voor afzien van internetconsultatie

Uitgangspunt is, dat in de fase vóór de ministerraad, over alle wetsvoorstellen, concept-AMvB’s en concept-ministeriële regelingen met algemeen verbindende voorschriften, via openbare internetconsultatie wordt geconsulteerd. Er kunnen redenen zijn om van deze hoofdregel af te wijken en de internetconsultatie achterwege te laten.

Op grond van de volgende motieven kan in de fase vóór de ministerraad, worden afgezien van openbare internetconsultatie.

MotievenVoorbeelden
Spoed/noodwetgeving.Rampen, terrorisme etc.
Als de uitzonderingsgronden en beperkingen van artikel 10 WOB van toepassing zijn.In het belang van geheimhouding in verband met staatsveiligheid en het tegengaan dat voorstellen in fiscale of subsidiesfeer leiden tot calculerend gedrag.
Regelgeving zonder noemenswaardige gevolgen voor burgers, bedrijven en instellingen. Er wordt geen verandering gebracht in rechten en verplichtingen, administratieve lasten of uitvoeringslasten. Het betreft zuiver redactionele aanpassingen, of interne organisatorische maatregelen (bijv. toetsingskaders).
Situaties waarin consultatie niet in betekenende mate kan leiden tot aanpassing van het voorstel.Reparatiewetgeving als gevolg van rechterlijke uitspraken, EU/internationale regelgeving, uitvoeren TK-motie, uitvoeren regeer- akkoord, nakomen afspraken arbeidsvoor- waardenoverleg en goedkeuringswetten van internationale verdragen, waarbij er noch met betrekking tot rechten en verplichtingen noch met betrekking tot administratieve lasten of uitvoeringslasten van burgers, bedrijven en instellingen ruimte is om van het voorstel af te wijken. Deze ruimte om af te wijken kan ook ontbreken indien openbare internetconsultatie over beleidsvoornemens heeft plaatsgevonden en een ieder in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren.
AMvB’s en ministeriele regelingen ten aanzien waarvan voorpublicatie wettelijk is voorgeschreven, met het doel een ieder in de gelegenheid te stellen met betrekking tot een ontwerp daarvan wensen en bedenkingen ter kennis te van de betrokken minister te brengen.
Ministeriële regelingen, die geen ingrijpende verandering teweeg brengen in de rechten en plichten van burgers en bedrijven en ook geen ingrijpende gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk.1Bijvoorbeeld ministeriële regelingen, waarbij op voorhand uitgesloten kan worden dat openbare internetconsultatie nieuwe inzichten of onvermoede effecten zal opleveren.

1 De vertegenwoordiger van BZK vindt de laatst genoemde uitzondering te ruim en voert daarvoor het volgende argument aan. Omdat een belangrijk deel van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven worden veroorzaakt door ministeriële regelingen kan naar de mening van BZK de inbreng van uitvoerders en deskundigen hier niet worden gemist. Alle regelingen met administratieve lasten voor burgers en bedrijven zouden daarom in consultatie moeten worden gegeven. Deze regelingen moeten ook worden voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal), dat vier weken de tijd heeft om advies uit te brengen. Internetconsultatie kan in deze periode plaatsvinden en hoeft dus niet te leiden tot een langere doorlooptijd.

HET STANDPUNT VAN HET KABINET

1. Rijksbreed experiment

Het kabinet staat positief tegenover internetconsultatie bij wet- en regelgeving in voorbereiding als aanvulling op de bestaande mogelijkheden voor consultatie. Met internetconsultatie beoogt het kabinet de openbaarheid en transparantie over voorbereiding van wet- en regelgevingsvoorstellen te bevorderen en beter gebruik te kunnen maken van de in de samenleving aanwezige kennis en ervaring.

Op dit moment is nog niet duidelijk wat er nodig is om internetconsultatie succesvol in te voeren. Een goede implementatie stelt eisen aan de stabiliteit en kwaliteit van het systeem en vraagt extra capaciteit bij de departementen. Momenteel hebben departementen onvoldoende zicht op de hoeveelheid extra capaciteit en financiële middelen die een goede uitvoering van internetconsultatie vraagt. Ook is niet precies duidelijk op welke wijze internetconsultatie bij voorgenomen regelgeving het beste ingericht kan worden om aan te sluiten bij de behoeften van de samenleving. Een gebrekkige aanpak kan de dialoog met en het vertrouwen van samenleving in de overheid schaden.

Het kabinet onderschrijft dan ook de aanbeveling van de werkgroep, om rijksbreed ervaring op te doen met interconsultatie bij voorgenomen regelgeving en wil daarom een experiment uitvoeren.

Een goed experiment biedt alle betrokkenen de mogelijkheid om ervaring met internetconsultatie op te doen. Het verschaft het kabinet de informatie die nodig is om zich een zo goed mogelijk oordeel te vormen over de vraag of, en zo ja op welke wijze, internetconsultatie bij regelgeving in voorbereiding structureel dient te worden ingevoerd en in hoeverre daarvoor aanvullende capaciteit en financiële middelen nodig zijn.

Het kabinet benadrukt, dat alleen een gedegen experiment de buitenwacht een goed beeld kan geven van internetconsultatie en voor departementen het gewenste inzicht kan leveren. Dat betekent dat kwaliteit van het technische systeem en de voor het experiment benodigde capaciteit geborgd dienen te zijn.

Het kabinet start het rijksbrede experiment met internetconsultatie, zodra de technische voorziening gereed is en met voldoende kwaliteit kan functioneren. Naar verwachting kunnen de eerste consultaties in het najaar van 2008 worden gehouden. Het experiment wordt na twee jaar afgesloten en geëvalueerd.

2. Randvoorwaarden experiment

Voor een goede aanpak van het experiment vindt het kabinet de volgende zaken essentieel:

Minimumnormen als richtsnoer

Het kabinet onderschrijft de door de werkgroep ontwikkelde minimumnormen en wil deze ook als uitgangspunt hanteren bij de consultaties in het kader van het experiment. Binnen deze minimumnormen hebben departementen ruimte om te experimenteren met internetconsultatie en de voor- en nadelen hiervan ten opzichte van bestaande consultatie-instrumenten te verkennen.

Wel brengt het kabinet twee wijzigingen aan in de door de werkgroep voorgestelde motieven voor het afzien van internetconsultatie.

1. Het motief «spoed/noodwetgeving» moet worden uitgebreid met begrotingswetgeving en daaraan gerelateerde fiscale wetgeving. Dit betekent dat hieronder ook worden begrepen regelingen betreffende de begrotingshoofdstukken en het belastingplan:

Spoed/noodwetgeving, begrotingswetgeving en daaraan gerelateerde fiscale wetgeving.Rampen, terrorisme, begrotingshoofdstukken, belastingplan etc.

2. de voetnoot bij het motief «ministeriële regelingen die geen ingrijpende verandering teweeg brengen in de rechten en plichten van burgers en bedrijven of slechts geringe gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk» wordt niet overgenomen.

De bevindingen uit het experiment en de evaluatie daarvan kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de minimumnormen.

Een centrale technische voorziening

Het is van belang om in het kader van het experiment een centrale technische voorziening voor het houden van consultaties te realiseren. Dit voorkomt dat elk departement afzonderlijk het wiel gaat uitvinden, het houdt de departementale technische investeringen beperkt en zorgt ervoor dat aangesloten kan worden op de ervaringen met vergelijkbare systemen als de informatie over wet- en regelgeving in voorbereiding op het bedrijvenloket (Antwoord© voor bedrijven). Daarnaast kunnen zo alle consultaties over regelgeving van departementen tijdens het experiment via één centrale website bekend worden gemaakt.

De centrale website voor internetconsultatie dient aan te sluiten bij de webarchitectuur van het rijk en de rijksbrede huisstijl. Dit bevordert de herkenbaarheid en toegankelijkheid van de consultaties voor mogelijke deelnemers en maakt inzichtelijk wat er gebeurt rond internetconsultatie bij voorgenomen regelgeving.

De bij internetconsultatie verkregen gegevens blijven gedurende het experiment op de centrale website beschikbaar. Het experiment levert informatie op over de te hanteren standaard termijn voor het bewaren van de bij de consultatie verkregen gegevens. Daarbij worden ook de ervaringen die op dit punt in het buitenland zijn opgedaan betrokken.

Uniforme gestandaardiseerde formulieren

Bij de consultaties dient gebruik te worden gemaakt van één uniform en gestandaardiseerd consultatieformulier, dat informatie geeft over het doel, de vragen en achtergrond van het voorstel waarover wordt geconsulteerd, en een reactieformulier dat duidelijk aangeeft op welke elementen van het voorstel men kan reageren.

Dit helpt wetgevingsjuristen en beleidsmedewerkers, bevordert de eenduidigheid en is bovendien herkenbaar voor deelnemers aan consultaties. Adequate informatie en instructies bevorderen de kwaliteit van de bijdragen die mensen en organisaties aan de consultaties leveren en dragen bovendien bij aan reële verwachtingen over het effect van hun respons.

Adequate communicatie over internetconsultatie

In aanvulling op de minimumnorm Bekendmaking en bereikbenadrukt het kabinet het belang van adequate communicatie voorafgaand aan de start van het rijksbrede experiment en bij de afzonderlijke consultaties in de daarop volgende twee jaar.

Bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties moeten op de hoogte raken van het bestaan van de centrale website en de internetconsultatie-processen. Men moet op eenvoudige wijze kunnen achterhalen waarom en waarover wordt geconsulteerd, hoe men kan deelnemen aan de consultaties en wat er met hun bijdrage gebeurt.

Op departementale sites en op andere relevante sites kan een link aangebracht worden naar de centrale consultatie-website, zodat zoveel mogelijk mensen voor wie een regeling relevant is bereikt worden. Ook in persberichten, nieuwsbrieven etc. kunnen waar relevant verwijzingen naar de centrale consultatie-website worden opgenomen.

Ondersteuning van de ambtelijke voorbereiding en verwerking

Het kabinet vindt het belangrijk dat departementen goed worden ondersteund om internetconsultatie toe te kunnen passen, maar dit moet wel ruimte laten voor departementaal maatwerk.

De departementen krijgen ten behoeve van het experiment de beschikking over een gebruiksvriendelijk model-consultatieformulier en een model-reactieformulier. Het model-reactieformulier geeft de mogelijkheid om een open reactiemogelijkheid, specifieke vragen, of een combinatie daarvan aan te bieden. Het experiment levert inzicht in de bruikbaarheid van diverse typen vragen voor een effectieve internetconsultatie.

De voeding van de centrale consultatiewebsite is de verantwoordelijkheid van de departementen zelf. Zij krijgen hiervoor een inlogmogelijkheid met autorisatie op de centrale website, zodat zij de relevante informatie over een te consulteren regeling zelf kunnen plaatsen, aanpassen en de reacties kunnen inzien en verwerken.

Het technische systeem dient voldoende mogelijkheden te bieden om de ambtelijke verwerking van de ingekomen reacties zo effectief en efficiënt mogelijk te laten geschieden.

Het ontwikkelen en aanbieden van standaardformulieren en instructies is één. Het daadwerkelijk toepassen ervan door de ambtenaren is een volgende stap. Het kabinet realiseert zich, dat het consulteren via internet een relatief nieuwe ontwikkeling is waarmee tot nu toe slechts en beperkt aantal departementen ervaring heeft opgedaan. Daarom is een gebruikvriendelijk ondersteuningspakket (instructie, helpdesk en andere vormen van ondersteuning) van groot belang voor een succesvolle uitvoering van de consultaties.

Centrale coördinatie van het experiment

Het kabinet acht het, mede gelet op de voorgaande punten, van belang dat het experiment centraal gecoördineerd wordt en dat tussentijds interdepartementale afstemming plaatsvindt. Het ministerie van Justitie zal het experiment coördineren en faciliteren. Onder leiding van Justitie zal een interdepartementale werkgroep, waarin alle departementen vertegenwoordigd zijn, tijdens het experiment de mogelijke problemen bespreken en zo nodig het experiment bijsturen. Deze werkgroep zal ook de evaluatie opstellen. Daarnaast zal het ministerie van Justitie een centrale internetconsultatievoorziening laten ontwikkelen, waar alle departementen gebruik van kunnen maken tijdens het experiment. Een door het ministerie van Justitie te formeren aparte groep deskundigen zal zich buigen over de technische randvoorwaarden voor deze voorziening.

Elk departement is verantwoordelijk voor de selectie van de te consulteren regelingen en de uitvoering van de eigen consultaties en dient ervoor te zorgen dat dit goed ingebed wordt in de eigen departementale organisatie. De uitvoering van het experiment geschiedt binnen de bestaande personele capaciteit van de departementen en wordt gedekt binnen de bestaande budgettaire kaders. Elk departement wijst een consultatiecoördinator aan, die fungeert als vraagbaak voor de bij de consultatie betrokken medewerkers van het departement, die monitoringsgegevens verzamelt over de internetconsultaties van het eigen departement en die lid is van de door het ministerie van Justitie te leiden interdepartementale werkgroep.

Een goede, centrale monitoring van het rijksbrede experiment is noodzakelijk. Dit zorgt ervoor dat tijdig eventuele fouten in het systeem of de organisatie kunnen worden verholpen. Daarnaast geeft monitoring zicht op de meerwaarde van internetconsultatie bij voorgenomen regelgeving voor burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en de overheid. Voorts wordt duidelijk in hoeverre het systeem gebruiksvriendelijk is voor burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en departementen en wat de consequenties zijn voor de werkbaarheid en de capaciteit van de ambtelijke organisaties. Ook levert de monitoring informatie over de geschiktheid van de methode van consulteren via internet en over de mogelijkheid en wenselijkheid om bepaalde andere consultatievormen gedeeltelijk of geheel door internetconsultatie te vervangen. Ten slotte kan op basis hiervan worden bekeken of en, zo ja, welke aanpassingen van de minimumnormen wenselijk zijn. De monitoring wordt door het ministerie van Justitie in samenwerking met de departementen uitgevoerd en afgestemd via de interdepartementale werkgroep.

3. Omvang van het experiment en selectie van regelingen

Het kabinet benadrukt dat het bij internetconsultatie primair gaat om het vergroten van de transparantie en het verkrijgen van nuttige informatie om de bruikbaarheid en toepassing van de voorgestelde regels te kunnen verbeteren. Internetconsultatie is dus geen referendum en kan ook niet worden gezien als een representatieve enquête. Voor een goed inzicht in de meerwaarde en consequenties van internetconsultatie en om voldoende ervaring met deze wijze van consulteren op te kunnen doen, is het wel van belang, dat in het experiment voldoende regelingen afkomstig van de verschillende departementen via internet worden geconsulteerd.

Tijdens het tweejarige experiment consulteren de departementen1 over wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen. Per saldo zal voor minimaal 10% van de in deze periode geproduceerde wetten en AMvB’s via internet worden geconsulteerd. Voor de ministeriële regelingen wordt geen percentage vastgesteld omdat vooraf moeilijk te bepalen valt voor welk deel van deze regelingen internetconsultatie zinvol is. Departementen zullen hiermee zelf ervaring op moeten doen tijdens het experiment. Het kabinet verwacht dat dit voldoende garantie geeft voor continuïteit op de consultatiesite en voor het opdoen van substantiële departementale ervaring met internetconsultatie, zowel over de voor- als de nadelen.

De departementen beoordelen zelf voor welke regelingen zij, gelet op de materiële inhoud en betekenis van een regeling, in het kader van het experiment internetconsultatie uitvoeren. Bij deze beoordeling maken zij gebruik van de volgende inhoudelijke criteria:

– bereiken van voor de regeling relevante burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties,

– informatie verzamelen met het oog op het effect van de regeling

– (administratieve lasten, veranderingen in rechten en verplichtingen of uitvoeringslasten),

– inzicht verwerven in het krachtenveld,

– benutten van in de samenleving aanwezige expertise,

– inzicht verwerven in de toegevoegde waarde van internetconsultatie en in de geschiktheid om andere vormen van consultatie gedeeltelijk of geheel te vervangen.

Bij de evaluatie van het experiment moet bekeken worden of aanpassing van de motieven voor afzien van internetconsultatie noodzakelijk is. Daarvoor is het van belang dat departementen goed kijken of het, gelet op de inhoud en betekenis van de regeling, nodig is om een beroep te doen op de afwijkingsmotieven.

Zo is het met name wenselijk om in het kader van het experiment voor ministeriële regelingen met administratieve lasten, die formeel lijken te vallen onder één van de afwijkingsmotieven, internetconsultatie uit te voeren.

4. Evaluatie van het experiment

Het experiment heeft een looptijd van twee jaar. Bij een start van het experiment in het najaar van 2008, zal in het najaar van 2010 het evaluatierapport aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Deze evaluatie vormt een belangrijke bouwsteen voor de afweging bij de politieke beslissing of en, zo ja, op welke wijze internetconsultatie van regelgeving in voorbereiding, structureel kan worden ingezet bij de departementale voorbereiding van wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen, alsmede hoeveel capaciteit en kosten hiermee gemoeid zijn.

In het evaluatierapport zal in ieder geval worden ingegaan op de volgende aspecten:

Aanpak

– op welke wijze is het proces van internetconsultatie voorbereid?

– welke ervaring is opgedaan met de verschillende reactiemogelijkheden op het reactieformulier?

– wat is de aankondiging naar de doelgroep geweest?

– hoe is internetconsultatie departementaal georganiseerd?

– welke ondersteuning is geboden?

Verloop

– wat is er te zeggen over de redenen waarom regelingen niet zijn geselecteerd voor het experiment met internetconsultatie?

– bood het consultatieformulier voldoende ondersteuning/ruimte?

– in hoeverre boden de motieven voor afzien van internetconsultatie voldoende ruimte voor de noodzakelijke inhoudelijke politieke afweging, op grond waarvan internetconsultatie over een bepaald voorstel niet zinvol kan worden geacht?

– wat is te zeggen over de extra capaciteit die een goede uitvoering van internetconsultatie vraagt, mede in het licht van de taakstelling in het kader van de Nota Vernieuwing Rijksdienst?1

– wat is te zeggen over de financiële consequenties van deze nieuwe vorm van consulteren?

– welke consultatietermijn(en) zijn om welke reden gehanteerd?

Meerwaarde

– wat is op te merken over het bereik onder de doelgroepen en hun waardering voor deze vorm van consultatie?

– wat levert consultatie aan respons op (anonieme reactie, omvang, inhoud)?

– heeft de consultatie geleid tot creativiteit, nieuwe inzichten in en/of, bruikbare informatie over het wetgevingsproces?

– in hoeverre is internetconsultatie geschikt om bepaalde andere vormen van consultatie geheel of gedeeltelijk te vervangen?

– zijn er ervaringen met het toepassen van motieven voor afzien van internetconsultatie en, zo ja, welke?

– in hoeverre sloten vorm en inhoud aan bij het kennisniveau van de deelnemers en is er sprake geweest van een adequaat verwachtingsmanagement?

– wat kan gezegd worden over de verhouding tussen de meerwaarde van internetconsultatie en de daarvoor benodigde extra capaciteit en financiën?

In het evaluatierapport zal ook aandacht worden besteed aan departementale ervaringen met internetconsultatie over regelgeving die al zijn opgedaan in de periode vóórdat het experiment van start is gegaan. Daarnaast zal informatie worden benut uit andere aanpalende trajecten, zoals de evaluatie van het experiment met Vaste Verandermomenten die gepland staat voor de zomer van 2008. Ten slotte is het van belang om goed op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen rond internetconsultatie in andere landen en om gebruik te maken van deze ervaringen.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

TK 2006–2007, 29 279, nr. 41.

XNoot
1

Deze afspraak is moeilijk uitvoerbaar voor de departementen Algemene Zaken, Defensie en Buitenlandse Zaken, aangezien de aard en de beperkte omvang van de wetgevingsproductie met zich meebrengen, dat een percentage van 10% betekent dat de facto waarschijnlijk niet zal kunnen worden geconsulteerd.

XNoot
1

TK 2007–2008, 31 201, nr. 3.

Naar boven