27 923 Werken in het onderwijs

Nr. 209 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 16 september 2015

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 26 maart 2015 over de aanbieding inspectierapport «Onbevoegd lesgeven in het VO, een onderzoek naar rechtvaardigingsgronden» en IPTO-rapportage onbevoegd gegeven lessen (Kamerstuk 27 923, nr. 201).

De vragen en opmerkingen zijn op 23 april 2015 aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 14 september 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

Adjunct-griffier van de commissie, Arends

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

     

1.

Algemeen

2

2.

IPTO: vakken en bevoegdheden; peildatum 1 oktober 2013

2

3.

Onbevoegd lesgeven in het voortgezet onderwijs: een onderzoek naar rechtvaardigingsgronden; een rapport van de onderwijsinspectie

4

4.

De brief van de Staatssecretaris inzake onbevoegd lesgeven in het voortgezet onderwijs

5

     

II Reactie van de Staatssecretaris

7

     

1.

Algemeen

7

2.

Beleidsdoelstellingen

7

3.

Lerarenregister

9

4.

Wet- en regelgeving

10

5.

Uitkomsten IPTO

12

6.

Uitkomsten inspectieonderzoek

13

7.

Routes naar het leraarschap en de rol van lerarenopleidingen

14

8.

Lerarenbeurs en studiefinanciering

19

9.

Overig

20

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

1 Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beide rapporten en de begeleidende brief van de Staatssecretaris. De kwaliteit van ons onderwijs valt of staat bij de kwaliteit van de docent, bevoegdheid is daarbij van belang. De voornoemde leden hebben enkele vragen aan de Staatssecretaris.

De leden van de PvdA-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen van het onderhavige inspectierapport en de IPTO-rapportage. Zij hechten eraan dat scholieren in het voortgezet onderwijs les krijgen van bevoegde en vakbekwame docenten. Hoewel on(der)bevoegdheid van docenten niet uitsluit dat ze vakbekwaam zijn, hebben docenten om hun onderwijsbevoegdheid te bepalen in ieder geval een proeve van bekwaamheid moeten afleggen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Staatssecretaris op de rapporten van de Onderwijsinspectie (hierna: inspectie) en de IPTO-rapportage over onbevoegd lesgeven. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie nemen met interesse kennis van het inspectierapport over onbevoegd lesgeven in het voortgezet onderwijs (hierna vo), een onderzoek naar rechtvaardigingsgronden» en de brief van de Staatssecretaris daaromtrent. De leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beleidsreactie naar aanleiding van de rapporten over onbevoegd lesgeven in het voortgezet onderwijs.

2 IPTO: vakken en bevoegdheden; peildatum 1 oktober 2013

De leden van de VVD-fractie merken op dat uit de IPTO-gegevens naar voren komt dat 15,4 procent van de lessen wordt gegeven door een onbevoegde docent. Vooral in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna vmbo) worden nog veel lessen gegeven door docenten die daartoe geen bevoegdheid hebben. Uit het rapport van de inspectie kunnen de leden opmaken dat er een gebrek is aan relevante lerarenopleidingen voor bepaalde vakken in het vmbo. Via welke routes kunnen vakmensen, die hun vak ook aan leerlingen willen overdragen, op dit moment een bevoegdheid halen? Zijn dit voldoende opties of moeten we daar meer werk van maken, zo vragen de voornoemde leden.

De leden van de CDA-fractie lezen in de reactie dat de Staatssecretaris tevreden is met de daling van het aantal onbevoegd gegeven lessen tussen 2011 en 2013 met 1,1 procent tot 15,4 procent. Dit is een toename van ruim 10.000 bevoegd gegeven lessen. Zij vragen of de Staatssecretaris de mening deelt dat als de daling zich in hetzelfde tempo voortzet, de ambitie van het kabinet dat in 2017 elke leraar bevoegd is voor de lessen die hij/zij geeft, bij lange na niet zal worden gehaald. Er zal dus een tandje bij moeten. Zeker gezien de constatering van IPTO dat van de lesuren waarvoor een bevoegdheid kan worden vastgesteld 77,4 procent bevoegd gegeven wordt en bijna 10 procent zelfs helemaal onbevoegd. Zij vragen tevens welke maatregelen de Staatssecretaris gaat treffen om de ambitie uit het Nationaal Onderwijsakkoord wel te halen.

De voornoemde leden maken zich er zorgen over dat in het vmbo meer onbevoegd gegeven lessen zijn, dan op het hoger algemeen voortgezet onderwijs (hierna havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna vwo). Juist bij deze meer kwetsbare doelgroep is het belangrijk dat de lessen worden gegeven door een bevoegde leraar. Zij ontvangen hierop graag een reactie van de Staatssecretaris.

De leden van deze fractie zijn benieuwd of de Staatssecretaris kan aangeven binnen welke tijd leraren die onbevoegd of onderbevoegd zijn hun (aanvullende) bevoegdheid halen.

Het is goed dat de Staatssecretaris zich gaat inspannen om ervoor te zorgen dat scholen, lerarenopleidingen en leraren elkaar beter kunnen vinden, bijvoorbeeld door het vormen van klasjes met klasjes met een gelijksoortige opleidingsvraag, maar deze leden vragen of dit het antwoord is op de spanning die leraren ervaren om naast hun baan zich te laten (bij)scholen. Is het niet zo, dat dit vooral gaat om de tijd die je als leraar over hebt om in de avonduren nog een veelal tweejarige opleiding te volgen en te weinig flexibele lesprogramma’s van de lerarenopleidingen en te weinig maatwerk in de vorm van vrijstelling? Gaarne ontvangen zij een reactie wat de Staatssecretaris op dit vlak denkt te gaan doen.

De leden van deze fractie lezen dat in de regio Haaglanden en Eemland het aantal onbevoegd gegeven lessen bovengemiddeld is gedaald. Zij vragen of de Staatssecretaris kan aangeven welke verklaring hiervoor is en of andere regio’s hiervan kunnen leren.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de IPTO-rapportage een onderscheid wordt gemaakt tussen bevoegdheid, benoembaarheid en onbevoegdheid. De voornoemde leden vragen of de Staatssecretaris kan toelichten welke consequenties de wettelijke status van het lerarenregister zal hebben voor de categorie benoembare leraren.

Uit de IPTO-rapportage blijkt dat bij klassieke talen, filosofie, lichamelijke opvoeding, techniek en zorg & welzijn sprake is van een toename van het percentage onbevoegd gegeven lesuren. De leden van deze fractie vragen hoe de Staatssecretaris de ontwikkeling verklaart bij deze vakken en of hij met specifieke maatregelen gaat komen om deze tendens te keren. Zo ja, welke maatregelen betreft het? Zo nee, waarom niet?

In de wet is vastgelegd dat er sprake kan zijn van teambevoegdheid indien docenten vakoverstijgende programmaonderdelen onderwijzen. Deze leden constateren dat vakinhoudelijke bekwaamheid niet per se is gegarandeerd als docenten feitelijk ook een ander vak geven dan waarvoor zij zijn opgeleid. Zij vragen ten slotte hoe de Staatssecretaris wil dat er in de toekomst wordt omgegaan met het concept «teambevoegdheid».

3 Onbevoegd lesgeven in het voortgezet onderwijs: een onderzoek naar rechtvaardigingsgronden; een rapport van de onderwijsinspectie

De leden van de VVD-fractie merken op dat uit het rapport van de inspectie blijkt dat onbevoegde docenten vaak wel bevoegd zijn om een ander vak te geven. Het is voor deze docenten lastig om een extra bevoegdheid te halen omdat zij die scholing niet kunnen combineren met hun werkzaamheden. De leden van deze fractie vragen via welke route een docent die extra bevoegdheid nu moet halen. Hij of zij beschikt immers al over een boel vaardigheden. Zij vragen tevens welke concrete maatregelen de Staatssecretaris gaat nemen om docenten een extra bevoegdheid te laten halen.

Uit het onderwijsveld ontvangen de voornoemde leden signalen dat er problemen ontstaan rond de zogenaamde verwantschapstabel, die aangeeft welke vooropleiding past bij welke bevoegdheid. Zo zouden natuurkundigen geen bevoegdheid hebben om wiskunde te geven in het voortgezet onderwijs. Deze leden vragen in hoeverre deze tabel het halen van een bevoegdheid in de weg zit.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het inspectie-onderzoek meldt dat schoolleiders minder goed zicht hebben op de mate waarin er les wordt gegeven door docenten die niet voor die les bevoegd zijn. De voornoemde leden vragen of de Staatssecretaris ook het gesprek aangaat met de schoolleiders om hen op dit punt alerter te laten worden.

In het rapport van de inspectie lezen de leden van de CDA-fractie dat er gesprekken zijn gevoerd met een twintigtal scholen. Zij vragen of de Staatssecretaris kan aangeven of op basis van dit geringe aantal, generieke uitspraken gedaan kunnen worden over het algemene beeld. Kan de Staatssecretaris verder aangeven wat hij gaat ondernemen om te zorgen dat schoolleiders meer zicht hebben op het aantal onbevoegd gegeven lessen op hun school? Zij vragen of hij bereid is hiervoor het gesprek aan te gaan met de VO-raad?

De voornoemde leden zijn benieuwd naar het aangekondigde onderzoek om pabo-docenten bevoegd les te laten geven in de onderbouw van het vmbo en de oplossing voor het knelpunt dat er geen lerarenopleiding is voor de intersectorale vakken van het vmbo. Zij vragen op welke termijn zij dit kunnen verwachten.

De leden van deze fractie vinden het verder zorgelijk dat veel leraren sceptisch zijn over het lerarenregister of er nog niet van op de hoogte zijn. Zij vragen of de Staatssecretaris bereid is om ook hier het gesprek met de VO-raad over aan te gaan.

De leden van de D66-fractie lezen in het onderzoek van de inspectie over rechtvaardigingsgronden dat het lerarenregister nog onbekend en onbemind is. Het nut van het register wordt niet ingezien. Kan de Staatssecretaris een inschatting maken van de redenen voor leerkrachten om zich niet voor het register in te schrijven? Het blijkt uit het onderzoek dat sommige leerkrachten van het bestaan van een dergelijk register geen weet hebben. Zij vragen wat de Staatssecretaris gaat doen om ervoor te zorgen dat leerkrachten op zijn minst van het bestaan van het register afweten?

Voorts lezen de voornoemde leden in het onderzoek van de inspectie dat »het voor sommige vakken niet mogelijk is om een lerarenopleiding te volgen, waardoor schoolleiders gedwongen zijn om de les te laten geven door een docent met een andere bevoegdheid. Rekenen is het meest genoemd en verder vakken als mens en maatschappij, informatica, vmbo-vakken als praktische sectororiëntatie, dienstverlening en commercie en instalektro. Zij vragen of het waar is dat er geen lerarenopleiding voor rekenen bestaat en zo ja, wat de reden hiervoor is. Zij vragen hoe de staatsecretaris dit in het licht ziet van de discussie rondom de rekentoets. Zij vragen of de staatsecretaris de mening deelt dat een lerarenopleiding voor rekenen kan helpen bij het verbeteren van het rekenonderwijs. Welke stappen gaat de staatsecretaris zetten om lerarenopleidingen voor rekenen op te zetten?

Ten slotte lezen de leden van deze fractie in het onderzoek van de inspectie dat de lerarenopleiding informatica slechts op enkele plekken gegeven wordt. Zij vragen of de staatsecretaris van plan is om dit aantal uit te breiden, mede in het licht van de aankomende herziening van het curriculum waarin programmeren hoogstwaarschijnlijk opgenomen zal worden. Kunnen leraren gebruik maken van de lerarenbeurs om een lerarenopleiding informatica te volgen, zo vragen de voornoemde leden.

4 De brief van de Staatssecretaris inzake onbevoegd lesgeven in het voortgezet onderwijs

Het baart de leden van de PvdA-fractie zorgen dat in 2011 ruim 16 procent van de lessen werd gegeven door een leraar die niet bevoegd was voor het betreffende vak. Het is een goede zaak dat nu bij vrijwel alle scholen de aandacht is gegroeid voor het tot een minimum beperken van het aantal onbevoegd gegeven lessen. Het is natuurlijk vervelend voor onbevoegde docenten dat zij worden ontslagen of geen vast contract meer krijgen, maar met de lerarenbeurs heeft de toenmalige Minister Plasterk ook een extra mogelijkheid geschapen om een bevoegdheid te behalen. De voornoemde leden vragen in hoeverre er gebruik is gemaakt van de lerarenbeurs van Plasterk om een bevoegdheid te verkrijgen, door leraren die de bevoegdheid nog niet hadden.

Dat scholen on(der)bevoegde docenten inschakelen zou volgens de voornoemde leden niet structureel nodig hoeven te zijn. Scholen beschikken immers over budgetten voor nascholing. In hoeverre worden die budgetten ook besteed om de vakinhoudelijke bekwaamheid van docenten op peil te brengen?

De leden van deze fractie zijn zich bewust dat het voor het voorbereidend beroepsonderwijs ook waardevol is als beroepsvoorbereidende en beroepsoriënterende programma’s worden onderwezen door mensen die heel dicht bij de beroepspraktijk staan. Soms kunnen vakmensen met recente beroepservaring beter op de hoogte zijn van actuele ontwikkelingen, dan mensen die de beroepspraktijk alleen kennen van de lerarenopleiding. Deze leden vragen of het straks ook mogelijk is dat zulke vakmensen hun onderwijsbevoegdheid versneld kunnen verwerven op grond van erkenning van eerder verworven competenties.

Hoezeer de eerder genoemde leden ook hechten aan bevoegdheid van onderwijspersoneel, zij onderkennen dat een docent die eenmaal zijn of haar onderwijsbevoegdheid heeft behaald, niet per se tot aan het einde van de loopbaan vakbekwaam is. Docenten moeten gedurende hun loopbaan zowel hun pedagogisch-didactische als hun vakinhoudelijke bekwaamheid onderhouden en verdiepen. Nu stelt het regeerakkoord «Bruggen slaan» in het vooruitzicht dat in 2017 alle leraren ingeschreven staan in het lerarenregister.1 Dit register krijgt een wettelijke status en registratie krijgt een civiel effect. Schoolleiders blijken echter vooral sceptisch of zij stimuleren de leraren niet om zich in te schrijven. Bij leraren is het register nog lang niet bekend genoeg. Wat gaat het kabinet ondernemen om tijdig hierin verandering te brengen?

Bij het lerarenregister was aanvankelijk de gedachte dat de beroepsgroep hierbij zelf de bekwaamheidseisen zou gaan bepalen zodat het een register voor en door leraren zou worden. Deze leden vragen of dit ook gebeurt. Zal het register nu ook gaan betekenen dat de lerarenopleidingen zich meer moeten gaan richten op de vakkennis en de vaardigheden die leraren in hun beroepspraktijk als wenselijk ervaren? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris in dit verband de klacht van studenten aan de universitaire lerarenopleidingen dat de universitaire lerarenopleidingen zich enkel van de tweedegraads lerarenopleidingen lijken te willen onderscheiden door de kwantiteit van de opdrachten en (reflectie)verslagen in plaats van inhoudelijke verdieping? Zij vragen tevens welke invloed het kabinet heeft op de lerarenopleiding.

De leden van de D66-fractie constateren dat de Staatssecretaris inziet dat er nog flinke stappen gezet moeten worden om het aantal onbevoegd gegeven lessen te doen dalen. De leden steunen de Staatssecretaris graag in die ambitie, maar missen de uitleg over de concrete maatregelen die nodig zijn om die ambitie waar te maken. Zij vragen hoe de Staatssecretaris in het aankomend jaar onbevoegd lesgeven zal tegengaan. Heeft de Staatssecretaris al voor ogen hoe dit gefinancierd gaat worden, en zo ja, wat is hiervan de orde van grootte?

De leden van deze fractie vinden de kwaliteit van bevoegde leerkrachten, naast het percentage bevoegde leerkrachten, ook van groot belang. De Staatssecretaris meldt terecht dat inspanningen erop gericht moeten zijn om leraren die geheel of gedeeltelijk onbevoegd lesgeven een (aanvullende) bevoegdheid te laten halen. De leden lezen echter dat dit voor leerkrachten, die via een lerarenopleiding aanvullende bevoegdheden proberen te halen, dit als lastig ervaren wordt. De combinatie werk en opleiding zou te zwaar zijn. De Staatssecretaris neemt het initiatief van «klasjes» als voorbeeld van maatwerk om dit probleem op te lossen. Zij vragen of de Staatssecretaris hiervan de resultaten al kan delen. Tevens vragen zij of er andere manieren zijn om extra lerarenopleidingen passend te maken voor leerkrachten en of hier al gesprekken over lopen met relevante partners.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe de ambitie dat in 2017 alle leraren bevoegd zijn, zich verhouden tot de ontwikkelingen die de afgelopen jaren te constateren zijn. Zij vragen of de Staatssecretaris naast de positieve beweging ook voldoende beweging ziet. Welke inschattingen en indicatoren zijn bij het formuleren van deze ambitie eigenlijk leidend geweest, zo vragen zij.

De leden van deze fractie constateren dat de financiering van scholingstrajecten problemen kent. Allereerst constateren zij dat de vergoeding voor vervanging in het kader van de lerarenbeurs als ontoereikend ervaren wordt. Deze leden vragen of de Staatssecretaris inzichtelijk kan maken welke berekeningen aan deze vergoeding ten grondslag liggen en in hoeverre hij aanpassing overweegt. Bovendien vragen zij waarom het collegegeld voor de tweede studie niet gemaximeerd wordt op het niveau van het wettelijk collegegeld, nu besloten is tot invoering van een leenstelsel. Deze leden menen dat studenten die bijvoorbeeld na de forse investering in hun eerste studie een opleiding voor een andere richting binnen het onderwijs willen volgen, meer steun verdienen.

De leden van de voornoemde fractie zijn van mening dat flexibilisering van het stelsel van bevoegdheid wenselijk is. Deze leden vragen allereerst of bij de verkenning inzake de pabo-gediplomeerden ook de mogelijkheid wordt onderzocht om les te geven in het praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs (verder: LWOO). Bovendien vragen zij of bij het onderzoek naar de bevoegdheid voor de nieuwe beroepsgerichte profielen ook een brede bevoegdheid voor de docenten beroepsgerichte vakken wordt meegenomen. Wordt hierover met betrokken onderwijsorganisaties overlegd, zo vragen zij.

De leden van deze fractie vragen hoe de Staatssecretaris omgaat met signalen dat in de afstemming van het opleidingenaanbod en de bevoegdheidseisen nog steeds onvoldoende maatwerk bestaat. Zij wijzen op het voorbeeld van native-speakers die een meerjarige opleiding tot docent in de betreffende vreemde taal moeten volgen. Graag vernemen zij op welke wijze dergelijke knelpunten worden verholpen.

De voornoemde leden vragen in hoeverre leraren die op basis van een educatieve minor aan de slag zijn gegaan in het onderwijs in de periodieke peiling gevolgd worden. Deze leden vragen of het kabinet het belangrijk vindt om te peilen in hoeverre dergelijke maatwerkoplossingen doorstroom naar vervolgopleidingen en kwaliteitsverbetering niet in de weg staan en zo ja, op welke wijze dat gestalte krijgt.

II Reactie van de Staatssecretaris

1 Algemeen

Het verheugt mij dat de bevoegdheid van leraren op de belangstelling van de commissie kan rekenen. De doelstelling van 100 procent bevoegd gegeven lessen in het vo in 2020 is een belangrijk onderdeel van de lerarenagenda van de Minister en mijzelf. Leraren leveren de belangrijkste bijdrage aan de leerprestaties van leerlingen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de leerprestaties van leerlingen beter zijn als de leraar een opleiding gevolgd heeft voor het vak dat hij/zij geeft.2 Ik zie de aandacht vanuit de Kamer als ondersteuning van mijn beleid gericht op meer bevoegd gegeven lessen in het vo. Uw aandacht is daarnaast een aanmoediging voor alle spelers op dit gebied om initiatieven te nemen die nodig zijn om de doelstelling van 100 procent bevoegd gegeven lessen te halen.

2 Beleidsdoelstellingen

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de daling van het percentage onbevoegd gegeven lessen zich verhoudt tot de ambitie van het kabinet uit het Nationaal Onderwijsakkoord (verder: NOA).

De leden van de SGP-fractie vragen hoe de ambitie dat in 2017 alle leraren bevoegd zijn, zich verhoudt tot de ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Zij vragen of de Staatssecretaris ook voldoende beweging ziet en welke inschattingen en indicatoren bij het formuleren van deze ambitie leidend zijn geweest.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de Staatssecretaris in het aankomend jaar onbevoegd lesgeven zal tegengaan. Heeft de Staatssecretaris al voor ogen hoe dit gefinancierd gaat worden, en zo ja, wat is hiervan de orde van grootte?

In relatie tot de geformuleerde ambitie stel ik in antwoord op de vragen van de leden van de CDA- en SGP-fractie voorop dat een daling van het percentage onbevoegd gegeven lessen op een positieve ontwikkeling duidt. De IPTO-gegevens beslaan de periode 2011–2013 en zijn dus eerder als een nulmeting te zien dan als een indicator van de voortgang van het NOA. Zoals ik aangaf in mijn brief van 26 maart 2015 (Kamerstuk 27 923, nr. 201) acht ik een extra inspanning nodig. Het tempo van de daling dat zich nu voordoet, biedt onvoldoende zekerheid dat de afspraken uit het NOA en sectorakkoord tijdig gehaald worden. Ik stuur u daarom in het najaar een plan van aanpak «Tegengaan onbevoegd lesgeven».

In antwoord op de vragen van de leden van de SGP-fractie over de achtergronden van de bevoegdheidsambitie, is mijn redenering als volgt. Onderwijskwaliteit staat of valt met de kwaliteit van de leraar. Ik geef daarom leraren een kwaliteitsimpuls via het lerarenbeleid. Een van de instrumenten die ik daarvoor inzet is het bevorderen van bevoegd lesgeven. Uit internationaal onderzoek blijkt namelijk dat de leerprestaties van leerlingen beter zijn als de leraar een opleiding gevolgd heeft voor het vak dat hij/zij geeft.3 Ik zet daarom in op 100 procent bevoegd gegeven lessen, omdat dit het meest eenduidige signaal is dat het behalen van de juiste bevoegdheid noodzakelijk is. Ik teken daarbij aan dat er op basis van de wet lessen mogen worden gegeven zonder de juiste vakbevoegdheid (zie de categorie benoembaar uit het IPTO-rapport). Hieraan is in de meeste gevallen de voorwaarde verbonden dat de docent in opleiding is voor de juiste bevoegdheid.

Ik begrijp de interesse van de leden van de fractie van D66 in concrete maatregelen. Een maatregel die ik op de korte termijn neem, is de aanpassing van de Regeling conversietabel getuigschriften vakken VO (verder: conversietabel). In deze regeling kan voor bestaande diploma’s bepaald worden, dat zij al dan niet na het volgen van bijscholing, ook een bevoegdheid opleveren voor een vak waarvoor nu geen diploma bestaat. Ik overleg hierover met de Onderwijscoöperatie, de VO-raad en de lerarenopleidingen. Gezien de complexiteit van de problematiek en de betrokkenheid van zowel scholen als lerarenopleidingen is een nadere analyse nodig om met andere concrete maatregelen te komen. Over deze analyse informeer ik u dit najaar in het plan van aanpak «Tegengaan onbevoegd lesgeven».

Voor bijscholing tot een tweede bevoegdheid kunnen schoolbesturen en leraren putten uit de lerarenbeurs (€ 44,2 miljoen voor het vo in 2015). Daarnaast is er via het sectorakkoord € 185 per leerling per jaar extra beschikbaar, die ook ingezet kan worden voor de bevoegdheidsdoelstelling uit het sectorakkoord. Ook zijn er gemeenten die docenten stimuleren om hun bevoegdheid te halen. Zij zetten daarvoor eigen middelen in. Zo hebben de gemeenten Den Haag en Amsterdam een eigen lerarenbeurs. Per saldo zijn er dus meer middelen dan alleen die van het Rijk waar leraren uit kunnen putten.

De leden van de SGP-fractie vragen of bij de verkenning inzake de pabo-gediplomeerden ook de mogelijkheid wordt onderzocht om les te geven in het praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs.

Ik heb dit niet onderzocht en wil hierbij een mogelijk misverstand uit de wereld helpen. Op basis van de huidige wetgeving is de pabo-gediplomeerde al bevoegd om in het praktijkonderwijs les te geven (zie artikel 33, lid 1b WVO). Daarnaast is de pabo-gediplomeerde met een getuigschrift van voor 1 augustus 2006 bevoegd les te geven aan leerlingen met een lwoo-indicatie in tien vakken, waaronder Nederlands, Engels en wiskunde (zie artikel 15b van de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O.).

De leden van de SGP-fractie vragen of bij het onderzoek naar de bevoegdheid voor de nieuwe beroepsgerichte profielen ook een brede bevoegdheid voor de docenten beroepsgerichte vakken wordt meegenomen. Wordt hierover met betrokken onderwijsorganisaties overlegd, zo vragen zij.

Het pabo-onderzoek maakt onder meer inzichtelijk welke vakken pabo-gediplomeerden geven binnen het vmbo en welke behoeften scholen hebben aan docenten met een pabo-achtergrond. In het onderzoek is niet uitdrukkelijk gevraagd naar de nieuwe beroepsgerichte profielen en de mogelijkheid van een brede bevoegdheid voor deze vakken.

In het Algemeen Overleg vmbo-mbo van 22 januari 2015 heb ik u een aparte brief toegezegd over de professionalisering naar aanleiding van de vernieuwing van de beroepsgerichte examenprogramma’s in het vmbo (Kamerstuk 30 079, nr. 57). In deze brief wordt onder meer aandacht besteed aan de bevoegdhedenstructuur van de beroepsgerichte vakken binnen het vmbo. Deze brief ontvangt u in het najaar. Uiteraard zijn de Stichting Platforms vmbo (hierna SPV) en de lerarenopleidingen nauw betrokken.

3 Lerarenregister

De leden van de fractie van het CDA vinden het zorgelijk dat veel leraren sceptisch zijn over het lerarenregister of er nog niet van op de hoogte zijn. Zij vragen of de Staatssecretaris bereid is om ook hierover het gesprek met de VO-raad aan te gaan.

De leden van de D66-fractie vragen om een inschatting te maken van de redenen voor leerkrachten om zich niet voor het register in te schrijven. Zij vragen wat de Staatssecretaris gaat doen om ervoor te zorgen dat leerkrachten op zijn minst van het bestaan van het register afweten.

De leden van de PvdA-fractie vinden dat het register bij leraren nog lang niet bekend genoeg is. Wat gaat het kabinet ondernemen om hierin tijdig verandering te brengen? Bij het lerarenregister was aanvankelijk de gedachte, dat de beroepsgroep hierbij zelf de bekwaamheidseisen zou gaan bepalen zodat het een register voor en door leraren zou worden. Deze leden vragen of dit ook gebeurt. Zal het register nu ook gaan betekenen dat de lerarenopleidingen zich meer moeten gaan richten op de vakkennis en de vaardigheden die leraren in hun beroepspraktijk als wenselijk ervaren?

Ik herken de beperkte bekendheid met het lerarenregister onder leraren. In de eerste plaats kan de afronding van de discussie over het wetsvoorstel de eenduidige en gezamenlijke communicatie over het register versterken. Ook heb ik inmiddels registratie als voorwaarde gesteld om in aanmerking te kunnen komen voor de lerarenbeurs en zal ik de komende periode zelf meer aandacht vragen voor het register. Daarnaast stimuleert de Onderwijscoöperatie inschrijving in het register via ambassadeurs. Leraren gaan op deze manier met leraren in debat over nut en noodzaak van het register.

Ik ben daarnaast in gesprek met de partijen met wie de afspraak in het Nationaal Onderwijsakkoord is gemaakt dat in aanloop naar 2017 vrijwillige registratie wordt gestimuleerd. In aanloop naar het wettelijk verplichte register vind ik het van belang dat vooral de Onderwijscoöperatie als vertegenwoordiger van de beroepsgroep, maar zeker ook de sectorraden, het register actiever onder de aandacht van leraren brengen. Ik spreek de betrokkenen hierop aan.

Het register is nadrukkelijk van de beroepsgroep en de zeggenschap van de beroepsgroep over het register moet inhoudelijk en procesmatig goed geregeld zijn. Het zijn dus – in antwoord op de vraag van de PvdA over de rol van de beroepsgroep – leraren zelf, en niet de politiek of bestuurlijke partijen, die de inhoud van het register zullen moeten bepalen om recht te doen aan de komst van dit beroepsregister.

De leden van de PvdA-fractie vragen een toelichting welke consequenties de wettelijke status van het lerarenregister zal hebben voor benoembare leraren.

Alleen bevoegde leraren kunnen zich registreren in het lerarenregister. Voor benoembare leraren geldt dat zij, voor het onderwijs dat zij op basis van de sectorwetgeving mogen geven zonder hiervoor bevoegd te zijn, in het registervoorportaal komen. Voorbeelden van benoembare leraren zijn zij-instromers of leraren in opleiding. Zodra zij de juiste bevoegdheid hebben gehaald, kunnen ook zij zich in het lerarenregister registreren. Het kan zijn dat een al bevoegde leraar ook lessen geeft waarvoor hij niet de juiste bevoegdheid heeft. In die gevallen kan een leraar zowel in het lerarenregister als in het registervoorportaal staan.

Aan de benoembaarheid worden nu al wettelijke voorwaarden gesteld, zoals de maximale termijn waarbinnen iemand zijn bevoegdheid moet halen. Het registervoorportaal maakt zichtbaar in hoeverre een leraar lesgeeft binnen deze voorwaarden.

4 Wet-en regelgeving

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de Staatssecretaris wil dat er in de toekomst wordt omgegaan met het concept «teambevoegdheid».

In de huidige situatie is de teambevoegdheid uitsluitend bedoeld voor vakoverstijgende programmaonderdelen in de eerste twee leerjaren van het vo. In antwoord op de leden van de PvdA-fractie zijn er in de toekomst situaties denkbaar waarin een andere invulling van de teambevoegdheid tegemoet kan komen aan de behoefte om in teamverband een onderwijsinhoud over te brengen. Dit moet dan gaan om lessen, waarvoor bevoegde leraren niet gemakkelijk te vinden zijn of lastig te bepalen is welke lerarenopleiding de leraar zou moeten volgen, om de les bevoegd te kunnen geven. Ik schets deze leden hieronder twee situaties en teken hierbij aan dat deze situaties niet door de huidige wetgeving gedekt worden en dus een wetswijziging vereisen, willen lessen die in die situaties in teamverband worden gegeven meetellen als bevoegd gegeven lessen.

Ik denk allereerst aan de praktijkexpert die over ruime vakinhoudelijke ervaring beschikt en deze graag beschikbaar stelt voor het beroepsgerichte onderwijs. Voor deze expert kan een volledige tweedegraadsbevoegdheid te breed zijn, omdat hij/zij zich beperkt tot een beroepsgericht vak, één schoolsoort of bepaalde leerjaren daarbinnen. Deze expert beschikt over werkervaring, veel vakkennis en heeft vaak ook in de praktijk deze kennis aan anderen overgedragen. Het is denkbaar te regelen dat deze expert, mits ingebed in een team, bevoegd lessen kan verzorgen.

Een tweede situatie is die waarin de docent wel over een getuigschrift van een lerarenopleiding beschikt, maar formeel gezien niet voldoet aan de eis dat hij over een ho-getuigschrift beschikt (dat het vak en het graadgebied vermeldt waarin hij lesgeeft) en wel door opleiding, scholing of (beroeps)ervaring bekwaam wordt geacht om een bepaald vak te geven. Hierbij denk ik aan drie soorten vakken:

  • een vak waarvoor (nog) geen lerarenopleiding bestaat;

  • een schooleigen vak of;

  • een interdisciplinair vak.

Ik heb hierboven slechts de contouren geschetst. Deze dienen nog verder te worden uitgewerkt en gespecificeerd naar lessen, leerjaren en onderwijstype. Ik wil met de Onderwijscoöperatie en de VO-raad onderzoeken of een wettelijke regeling voor deze situaties in een door hen gevoelde behoefte voorziet. De teambevoegdheid komt ook tegemoet aan de wens pabo-docenten in te zetten in delen van het vmbo. Daarnaast biedt het een extra mogelijkheid om bevoegd les te geven in vakken waarvoor niet eenduidig is met welk diploma dat mogelijk is. Ik neem de teambevoegdheid als denkrichting mee in het plan van aanpak «Tegengaan onbevoegd lesgeven».

Uit het onderwijsveld ontvingen de leden van de PvdA-fractie signalen dat er problemen bestaan rond de zogenaamde verwantschapstabel, die aangeeft welke vooropleiding past bij welke bevoegdheid. Zo zouden natuurkundigen geen bevoegdheid hebben om wiskunde te geven in het voortgezet onderwijs. Deze leden vragen in hoeverre deze tabel het halen van een bevoegdheid in de weg zit.

Het is niet zonder meer duidelijk op welke verwantschapstabel deze leden doelen. Er zijn twee tabellen die in aanmerking komen:

  • De tabel bedoeld in artikel 33, lid 1c onder a WVO. Die tabel geeft aan welke beperkte tweedegraads onderwijsbevoegdheid kan worden verbonden aan het getuigschrift van een universitaire bacheloropleiding waarbinnen met goed gevolg een educatieve minor van ten minste 30 studiepunten is afgerond.

  • De tabel waarin op basis van de Wet studiefinanciering 2000 de verwantschap is vastgelegd tussen een vakbacheloropleiding in hbo of wo enerzijds en een schoolvak in het voortgezet of beroepsonderwijs anderzijds. Deze tabel geeft aan welke afgestudeerde vakbachelors in aanmerking kunnen komen voor een extra jaar studiefinanciering om een tweedegraads onderwijsbevoegdheid te halen in een vak dat ze al beheersen. Opleidingen geven aan dergelijke studenten meestal 180 studiepunten vrijstelling voor deze 240 studiepunten omvattende tweedegraads opleiding.

Daarnaast hanteren universitaire lerarenopleidingen hun eigen «brochure over het vakinhoudelijk meesterschap» om te bepalen welke masteropgeleide studenten drempelloos kunnen worden toegelaten tot een universitaire lerarenopleiding.

In alle gevallen gaat het erom dat wordt geborgd dat betrokkenen vakinhoudelijk over voldoende bagage beschikken om snel in een (aangepast) traject bevoegd te worden voor het verwante schoolvak. Voor het door de vragenstellers genoemde voorbeeld betekent dit dat niet iedere afgestudeerde in het vak natuurkunde, voldoende vakinhoudelijk geschoold is om ook wiskunde te geven. De tabellen sluiten andere wegen naar een bevoegdheid wiskunde voor een natuurkundige echter niet uit. Zo kan de student, die geen beperkte tweedegraads bevoegdheid kan halen door in een wo-bacheloropleiding een educatieve minor te volgen, in de masterfase alsnog een eerstegraadsbevoegdheid halen. Voor de student die inhoudelijk nog te kort komt om in een jaar de kopopleiding wiskunde af te ronden, moet serieus worden bezien of hij in aanmerking kan komen voor substantiële vrijstellingen voor de reguliere opleiding. Dit is de exclusieve verantwoordelijkheid van de betreffende examencommissie.

De Minister maakt momenteel een rondgang langs de lerarenopleidingen. Ook tijdens deze rondgang is dit onderwerp besproken. Men is op zoek naar een manier om de toegang tot de universitaire lerarenopleidingen op dit punt verder te verbeteren. De Minister zal in de voortgangsrapportage van de lerarenagenda verslag doen van de opbrengsten van deze rondgang en ook hier aandacht voor hebben.

5 Uitkomsten IPTO

De leden van de CDA-fractie maken zich er zorgen over dat in het vmbo meer onbevoegd gegeven lessen zijn, dan op het havo/vwo. Zij ontvangen hierop graag een reactie van de Staatssecretaris.

Het verschil in percentages kent een aantal oorzaken. In de eerste plaats wijs ik op het bredere palet aan (beroepsgerichte) vakken in het vmbo. De huidige bevoegdhedensystematiek knelt voor wat betreft de beroepsgerichte vakken in het vmbo. Binnen de huidige systematiek is wat op het diploma staat bepalend voor de bevoegdheid. Formuleringen op het diploma sluiten vaak niet goed aan op de grote diversiteit aan beroepsgerichte vakken. Zo is het niet duidelijk of met een diploma leraar economie ook handel & verkoop mag worden gegeven. Een blijvende afstemming tussen vraag naar en aanbod van lerarenopleidingen voor beroepsgerichte (keuze)vakken is daarom van groot belang. Cruciaal is dat lerarenopleidingen en scholen bezien voor welke beroepsgerichte (keuze)vakken bestaande lerarenopleidingen al opleiden. Voor sommige vakken zal de oplossing zijn hieraan meer zichtbaar aandacht te besteden door vermelding op het diploma of aanpassing van het curriculum. Voor andere vakken is aanvulling van het aanbod van lerarenopleidingen nodig. Het gaat daarbij vooral om het aanbod voor zittende docenten die behoefte hebben aan een bevoegdheid voor een nieuw vak. Zij kunnen deze behalen via zij-instroom, verkorte opleidingen of een maatwerktraject. Voor oude getuigschriften van opleidingen die al (nagenoeg) voldoen om een nieuw vak te geven, leg ik in de conversietabel vast dat zij ook een bevoegdheid opleveren voor bepaalde nieuwe vakken. Dit houdt de bevoegdheid op oude diploma’s actueel. Ik kan in de conversietabel nader omschreven bijscholing verplicht stellen. Hierover overleg ik onder andere met de Onderwijscoöperatie. Deze bijscholing kan ook door lerarenopleidingen verzorgd worden. Daarnaast hebben voor het vmbo belangrijke lerarenopleidingen, zoals de technische beroepsopleidingen, te maken met dalende studentenaantallen en vinden afgestudeerden banen buiten het onderwijs. Ik deel de zorgen van de leden van de CDA-fractie over het hoge percentage onbevoegd gegeven lessen in het vmbo en constateer dat de beoogde afstemming nog niet overal plaatsvindt. Ik besteed daarom in het plan van aanpak «Tegengaan onbevoegd lesgeven» nadrukkelijk aandacht aan het vmbo en spreek ook de VO-raad aan op zijn verantwoordelijkheid om met OCW tot een oplossing te komen voor de beroepsgerichte vakken in het vmbo.

De leden van deze fractie vragen verder een verklaring voor het feit dat in de regio’s Haaglanden en Eemland het aantal onbevoegd gegeven lessen bovengemiddeld is gedaald en of andere regio’s hiervan kunnen leren.

Het belang van leren van en met elkaar onderschrijf ik. Daarom neem ik dit op in mijn plan van aanpak «Tegengaan onbevoegd lesgeven». Voor de regio Haaglanden kan ik u melden dat gezamenlijke schoolbesturen geïnvesteerd hebben in het aantrekken van nieuwe, bevoegde leraren en in het op- en bijscholen van het zittend personeel via «De Rode Loper». Dit is een samenwerkingsverband van 41 scholen voor voortgezet onderwijs in Den Haag, Rijswijk en Leidschendam-Voorburg. De Rode Loper richt zich op het bestrijden van het lerarentekort in de Haagse regio. Verder hebben scholen gebruik gemaakt van de lerarenbeurs en heeft de gemeente Den Haag ook een Haagse lerarenbeurs ingesteld. Als laatste is in deze regio ook gebruik gemaakt van de cao-mogelijkheid om afscheid te nemen van onbevoegd personeel.

Uit de IPTO-rapportage blijkt dat bij klassieke talen, filosofie, lichamelijke opvoeding, techniek en zorg & welzijn sprake is van een toename van het percentage onbevoegd gegeven lesuren. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de ontwikkeling verklaart bij deze vakken en of hij met specifieke maatregelen gaat komen om deze tendens te keren. Zo ja, welke maatregelen betreft het? Zo nee, waarom niet?

In het IPTO-onderzoek is niet naar specifieke verklaringen voor toename van onbevoegd gegeven lesuren per individueel vak gezocht. Om precieze uitspraken te doen is net als bij de regio’s een nadere analyse nodig, in dit geval van wat er op vakniveau gebeurt. Deze analyse wil ik maken, waarbij ik mij richt op vakken met bovengemiddeld veel onbevoegden en een omvang van ten minste 0,5 procent van de totale lestijd in het VO. In het vmbo zal ook gekeken worden naar vakken tot een omvang van minimaal 0,2 procent van de totale lestijd gezien de kortere cursusduur en het grotere aantal vakken. In het plan van aanpak «Tegengaan onbevoegd lesgeven» bericht ik u over mijn vervolgstappen.

6 Uitkomsten inspectieonderzoek

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in het inspectieonderzoek staat dat schoolleiders minder goed zicht hebben op de mate waarin er les wordt gegeven door docenten die niet voor die les bevoegd zijn. De voornoemde leden vragen of de Staatssecretaris ook het gesprek aangaat met de schoolleiders om hen op dit punt alerter te laten worden.

Ook de leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris kan aangeven wat hij gaat ondernemen om te zorgen dat schoolleiders meer zicht krijgen op het aantal onbevoegd gegeven lessen op hun school. Zij vragen of hij bereid is hiervoor het gesprek aan te gaan met de VO-raad.

Het is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de werkgevers voor elke les een bevoegde docent te hebben. Uit het inspectieonderzoek blijkt dat de geringe mate van bekendheid van schoolleiders met het aandeel bevoegd gegeven lessen te verklaren is door een focus op inhoud én een focus op «elke docent een bevoegdheid» en niet zozeer op elke les door een bevoegde docent. Ik heb in het Sectorakkoord met de VO-raad afspraken gemaakt over het aanpakken van onbevoegd lesgeven. Om het bewustzijn van het verschil tussen bevoegd zijn als docent en bevoegd lesgeven te vergroten, heb ik gegevens over onbevoegd gegeven lessen openbaar gemaakt op www.rijksoverheid.nl. Daarnaast zal ik hier verder op ingaan in het plan van aanpak «Tegengaan onbevoegd lesgeven».

In het rapport van de inspectie lezen de leden van de CDA-fractie dat er gesprekken zijn gevoerd met een twintigtal scholen. Zij vragen of de Staatssecretaris kan aangeven of op basis van dit geringe aantal, generieke uitspraken gedaan kunnen worden over het algemene beeld.

Het onderzoek bestond uit twee delen: ten eerste een nadere analyse van de IPTO-data die nagenoeg alle scholen betreffen en ten tweede gesprekken met 23 scholen. Uit de IPTO-data (onderdeel 1) komt naar voren dat slechts een beperkt aantal docenten volledig onbevoegd lesgeeft. Het merendeel van de onbevoegd gegeven lessen wordt gegeven door docenten in opleiding, docenten met een bevoegdheid voor een ander vak of docenten met een tweedegraads bevoegdheid die eerstegraads lesgeven. Uit dit deel van het onderzoek kunnen algemeen geldende conclusies worden getrokken. De gesprekken met scholen (onderdeel 2) geven inzicht in de redenen die scholen aanvoeren om lessen te laten geven door docenten die niet voor dat vak bevoegd zijn. Hoewel de inspectie bij de selectie van scholen gevarieerde scholen heeft gekozen, kunnen door het beperkte aantal geen landelijk geldende conclusies worden getrokken. Wel geeft dit deel een diepgaander en daarmee relevant inzicht in de problematiek.

7 Routes naar het leraarschap en de rol van lerarenopleidingen

De leden van de CDA-fractie vragen in algemene zin binnen welke tijd leraren die onbevoegd of onderbevoegd zijn hun (aanvullende) bevoegdheid halen.

Op deze vraag is geen generiek antwoord mogelijk omdat de opleidingsduur afhangt van verschillende factoren, namelijk:

  • Om welke vakken het gaat.

  • De mate van verwantschap met een vak waarvoor de docent al wel een bevoegdheid heeft. Voor degenen met een tweedegraads bevoegdheid die een eerstegraads bevoegdheid willen halen bestaat er de master in het hoger beroepsonderwijs van 90 European Credits. Ook kunnen universitair opgeleide vakmasters die niet lesbevoegd zijn een eenjarige master volgen voor een lesbevoegdheid eerstegraads.

  • Opgedane kennis en ervaring. Voor degenen die reeds relevante diploma’s of ervaring bezitten, kan na een assessment een korter programma gemaakt worden door de lerarenopleiding.

  • Daarnaast speelt bij maatwerk, zij-instroomtrajecten of kopopleidingen de vraag hoeveel leraren met een vergelijkbare achtergrond de bevoegdheid moeten halen en of het programma op hun individuele behoefte kan worden aangesloten.

Ik wijs in dit verband op de afspraak uit het Nationaal Onderwijsakkoord over handhaving van de regel dat onbevoegden en onderbevoegden binnen de wettelijke termijnen hun opleiding moeten afronden. De inspectie is van plan om in het schooljaar 2015–2016 hiernaar onderzoek te doen. Dit onderzoek zal ook licht werpen op de vraag hoe lang on-, anders- en onderbevoegden in opleiding zijn. Ik informeer u apart over de uitkomsten van dit onderzoek.

De leden van de VVD-fractie vragen via welke routes vakmensen, die hun vak ook aan leerlingen willen overdragen, op dit moment een bevoegdheid kunnen halen. Zij willen weten of dit voldoende opties zijn of dat er meer nodig is.

De leden van de PvdA-fractie gaan in op de waarde van vakmensen die heel dicht bij de beroepspraktijk staan. Soms kunnen vakmensen met recente beroepservaring beter op de hoogte zijn van actuele ontwikkelingen, dan mensen die de beroepspraktijk alleen kennen van de lerarenopleiding. Deze leden vragen of het straks ook mogelijk is dat zulke vakmensen hun onderwijsbevoegdheid versneld kunnen verwerven op grond van erkenning van eerder verworven competenties.

Om als leraar te kunnen worden benoemd in het vo, moeten vakmensen met een hoger onderwijsgetuigschrift kunnen aantonen te hebben voldaan aan de bekwaamheidseisen die gelden voor het hele tweedegraadsgebied (praktijkonderwijs, vmbo, mbo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo). Binnen reguliere lerarenopleidingen kan de examencommissie eerder verworven vakkennis en competenties belonen met vrijstellingen. Daarnaast is er de mogelijkheid van zij-instroom. Het vraagstuk van mensen die uit de beroepspraktijk komen en die al (grotendeels) aan de bekwaamheidseisen voldoen, neem ik mee in de Kamerbrief over professionalisering voor de nieuwe vmbo-profielen. Ik voorzie dat vakmensen, met aanvullende pedagogisch-didactische scholing, zeker voor lessen in de beroepsgerichte keuzevakken toegevoegde waarde kunnen hebben.

Het komt echter voor dat de weg van de zij-instroom niet voor iedereen gewenst is, bijvoorbeeld omdat men slechts in een deel van het tweedegraadsgebied les wil geven, of alleen in een beroepsgericht vak. Als een kandidaat met veel vakkennis uit het beroep niet aan de diplomavereisten voldoet voor zij-instroom of uitsluitend wil lesgeven in het vmbo-deel van het tweedegraadsgebied, zijn er verschillende mogelijkheden:

  • Allereerst kan de kandidaat aangesteld worden als gastdocent, werkend onder verantwoordelijkheid van een andere docent voor een maximum van gemiddeld vier uur per week. Het kan ook waardevol en zinvol zijn om in een andere functie in het onderwijs te worden benoemd, bijvoorbeeld als onderwijsondersteuner werkend onder de verantwoordelijkheid van een bevoegde docent. Vo-scholen die een wettelijke samenwerkingsovereenkomst hebben met een mbo mogen onder voorwaarden mbo-docenten inzetten (zie artikel 25a, lid 4 WVO).

  • Ten tweede is het mogelijk om in geval van een buitengewone bekwaamheid en bijzondere omstandigheden ontheffing aan te vragen (zie artikel 33, lid 2 WVO).

Voor een exact antwoord op de vragen over mogelijkheden voor vakmensen, is scherper zicht nodig op de vraag bij welke vakken zij niet of onvoldoende terecht kunnen bij lerarenopleidingen. De Minister en ik zullen deze vraag in gesprekken met scholen en lerarenopleidingen aan de orde stellen onder andere door partijen te voorzien van de relevante feiten en cijfers over vakken die vaak onbevoegd worden gegeven.

Ik concludeer dat de wet de nodige opties kent, maar dat die niet in alle gevallen goed gebruikt worden. De inspanningen in het plan van aanpak «Tegengaan onbevoegd lesgeven» zullen er in de eerste plaats op gericht zijn de huidige mogelijkheden beter te benutten. Daar waar een wetswijziging nodig blijkt, ben ik bereid in overleg met de beroepsgroep, de VO-raad en de lerarenopleidingen de mogelijkheden hiertoe te bekijken. Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op de vragen van de PvdA-fractie over de teambevoegdheid.

De leden van de VVD-fractie merken op dat uit het rapport van de inspectie blijkt dat onbevoegde docenten vaak wel bevoegd zijn om een ander vak te geven. Het is voor deze docenten lastig om een extra bevoegdheid te halen omdat zij die scholing niet kunnen combineren met hun werkzaamheden. De leden van deze fractie vragen via welke route een docent die extra bevoegdheid nu moet halen. Hij of zij beschikt immers al over een boel vaardigheden. Zij vragen tevens welke concrete maatregelen de Staatssecretaris gaat nemen om docenten een extra bevoegdheid te laten halen.

De leden van de CDA-fractie signaleren voorts een spanning die leraren ervaren om zich naast hun baan te laten (bij)scholen. Deze leden menen, dat het vooral gaat om de tijd die je als leraar over hebt om in de avonduren nog een veelal tweejarige opleiding te volgen, het tekort aan flexibele lesprogramma’s van de lerarenopleidingen en het gebrek aan maatwerk in de vorm van vrijstelling? Gaarne ontvangen zij een reactie wat de Staatssecretaris op dit vlak denkt te gaan doen.

Het systeem van bevoegdheden brengt met zich mee dat wie bijvoorbeeld een eerstegraads onderwijsbevoegdheid natuurkunde heeft en een aantal uur wiskunde geeft dit mag doen, mits hij/zij in opleiding gaat. Als er sprake is van een tijdelijke vervanging of een moeilijk vervulbare vacature mag dit ook maximaal een jaar zonder in opleiding te gaan. Het vraagt inderdaad van leraren een forse inspanning om in combinatie met een substantiële betrekking als leraar een (aanvullende) bevoegdheid te behalen. Ik wil echter geen concessies doen aan de kwaliteit die we van de opgeleide leraar verwachten: de juiste bevoegdheid is immers van belang voor de leerprestaties van kinderen Ik verwacht dan ook dat leraren een (extra) bevoegdheid halen, bijvoorbeeld via deeltijdtrajecten, die zij onder andere kunnen bekostigen via de lerarenbeurs. Ik verwacht van scholen dat zij alles in het werk stellen om leraren de juiste bevoegdheid te laten halen.

Tegelijkertijd vinden de Minister en ik het van belang dat de opleidingen nagaan of ze, met behoud van duurzame en goed geborgde kwaliteit, echt al het mogelijke hebben gedaan om een passend aanbod te bieden. Waar maatwerk wordt verwacht en mogelijk lijkt, zijn afspraken daarover op het laagst mogelijk niveau (in de regio) de beste weg om dat te bereiken. Alleen op dat niveau kunnen goede afspraken worden gemaakt tussen de leraar, zijn werkgever en de opleiding over hoe de verlangde bevoegdheid kan worden behaald. We willen het gesprek tussen lerarenopleidingen en scholen op dit punt stimuleren, onder andere door partijen te voorzien van de relevante feiten en cijfers.

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris de resultaten kan delen van de «klasjes» als vorm maatwerk om een (extra) bevoegdheid te halen.

Over de resultaten tot op heden kan ik meedelen dat zes regio’s projecten uitvoeren specifiek gericht op het verhogen van het aantal bevoegde leraren, hetzij door maatwerk in de opleiding hetzij door leraren extra leertijd te bieden. De projecten zijn onderdeel van programma’s van regionaal samenwerkende scholen, schoolbesturen en lerarenopleidingen en zijn een succes. De deelname overstijgt de verwachtingen. De regio Rotterdam bijvoorbeeld streefde in dit project naar 90 leraren, inmiddels neemt bijna het dubbele aantal deel. In het project De Rode Loper werken scholen in de Haagse regio samen met de Hogeschool Utrecht die onderdelen uit lerarenopleidingen flexibel aanbiedt. Tweedegraads leraren kunnen bijvoorbeeld afzonderlijke modules volgen en deze stapelen en op deze manier makkelijker hun eerstegraadsbevoegdheid halen.

De leden van de D66-fractie vragen of er andere manieren zijn om extra lerarenopleidingen passend te maken voor leerkrachten en of hier al gesprekken over lopen met relevante partners.

In antwoord hierop, merk ik op dat de regelgeving al mogelijkheden biedt voor een passend aanbod aan leraren die alsnog een bevoegdheid moeten behalen. Er zijn opleidingsmogelijkheden in het hoger beroepsonderwijs en in het wetenschappelijk onderwijs op bachelor- en masterniveau en via de weg van zij-instroom. Leraren kunnen in veel gevallen nog studeren tegen wettelijk collegegeld en een lerarenbeurs aanvragen. Scholen kunnen in een aantal gevallen subsidie aanvragen voor een zij-instroomtraject dan wel middelen uit de reguliere rijksbijdrage hiertoe gebruiken, waaronder middelen die sinds 2006 structureel aan de lumpsum zijn toegevoegd voor professionalisering en begeleiding van onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs. Ik wil het gesprek tussen lerarenopleidingen en scholen op dit punt stimuleren, onder andere door partijen te voorzien van de relevante feiten en cijfers. Op deze manier wil ik de behoefte aan de opleidingen die passend zijn voor leraren om hun bevoegdheid te halen, inzichtelijk maken.

De leden van de fractie van D66 vragen of het waar is dat er geen lerarenopleiding voor rekenen bestaat en zo ja, wat de reden hiervoor is. Zij vragen hoe de staatsecretaris dit in het licht ziet van de discussie rondom de rekentoets. Zij vragen of de staatsecretaris de mening deelt dat een lerarenopleiding voor rekenen kan helpen bij het verbeteren van het rekenonderwijs. Welke stappen gaat de staatsecretaris zetten om lerarenopleidingen voor rekenen op te zetten?

Er is op elke school al veel rekenvaardigheid aanwezig, onder andere bij leraren wiskunde, economie, natuurkunde en scheikunde. Zij zijn in veel gevallen ook degenen die het rekenonderwijs vorm geven. Er zijn dus al veel bevoegde docenten die bekwaamzijn om rekenles geven. We hadden tot nu toe geen aparte bevoegdheid voor rekenen, omdat de rekentoets geen vak is. Ik merk dat dit ruis oplevert bij scholen, die zich afvragen wie er bevoegd rekenles kan geven. Ik zal in een conversietabel opnemen dat in ieder geval de leraren met een bevoegdheid voor de genoemde vakken, automatisch de bevoegdheid voor rekenen krijgen.

Er zijn ook leraren van andere vakken die rekenles geven. Wanneer zij op het raamwerk (na)scholing rekendocent gebaseerde scholing met goed gevolg afronden, krijgen ook zij de bevoegdheid voor rekenen. Op die manier wordt hun inspanning beloond en zichtbaar gemaakt en kan een leraar flexibel wisselen tussen zijn eigen vak en rekenen. Ik neem ook dit nascholingsaanbod op in de conversietabel.

De Minister en ik zijn in gesprek met lerarenopleidingen, MBO Raad en VO-raad over de waar huidige en toekomstige rekendocenten terecht kunnen voor (na)scholing. Een van de bevindingen op dat terrein is dat er vooralsnog geen behoefte bij bovengenoemde partijen lijkt te zijn aan een nieuwe specifieke lerarenopleiding die alleen voorbereidt op het onderwijs in rekenen.

Om vo-scholen en mbo-instellingen te ondersteunen bij de professionalisering van hun docenten die rekenlessen verzorgen, is met subsidie van OCW het genoemde raamwerk ontwikkeld voor hun scholing en nascholing. Dit is gedaan door het Expertisecentrum Lerarenopleiding Wiskunde en Rekenonderwijs, met input van het vo- en mbo-veld. Het raamwerk beschrijft wat een docent moet kennen en kunnen om goed rekenonderwijs te geven aan zijn leerlingen en studenten. Het raamwerk is eind 2014 opgeleverd en er wordt nu gewerkt aan de implementatie. Dit gaat vooralsnog via twee wegen:

  • Voor nieuwe leraren via de lerarenopleidingen van de hogescholen en universiteiten. Deze kunnen het raamwerk verwerken in het curriculum van een bestaande lerarenopleiding. Afgestudeerden kunnen dan voldoen aan de bekwaamheidseisen voor rekenen en hierin bevoegd lesgeven. Ook kan er op basis van het raamwerk een cursus of minor rekenen worden aangeboden zodat studenten die die deze met goed gevolg doorlopen, de bevoegdheid voor het rekenonderwijs verwerven. De hogescholen Windesheim, Rotterdam, Fontys, Arnhem en Nijmegen en Utrecht bieden al een minor of cursus aan gericht op rekenonderwijs, De Hogeschool Arnhem en Nijmegen geeft aan het raamwerk als grondslag hiervoor te hebben gebruikt.

  • Voor zittende docenten in andere vakken dan wiskunde, economie, natuurkunde of scheikunde die al een tweedegraads lerarenopleiding hebben afgerond via (na)scholingsaanbod. Zij kunnen daarmee een aanvullende bevoegdheid halen voor rekenen.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de klacht van studenten aan de universitaire lerarenopleidingen beoordeelt dat de universitaire lerarenopleidingen zich enkel van de tweedegraads lerarenopleidingen lijken te willen onderscheiden door de kwantiteit van de opdrachten en (reflectie)verslagen in plaats van inhoudelijke verdieping? Zij vragen tevens welke invloed het kabinet heeft op de lerarenopleiding.

De Minister en ik hebben geen reden om de klacht te delen dat de opleidingen zich «enkel van de tweedegraads lerarenopleidingen lijken te willen onderscheiden door de kwantiteit van de opdrachten en (reflectie)verslagen (...)». De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) neemt deze zomer accreditatiebeslissingen over de universitaire lerarenopleidingen. De Minister wacht de bevindingen van de NVAO af.

In reactie op de vraag welke invloed het kabinet heeft op de lerarenopleiding past de kanttekening dat lerarenopleidingen onderdeel zijn van het stelsel van hoger onderwijs en waarbinnen de instellingen een grote mate van autonomie hebben. De Minister en ik besteden in de «Lerarenagenda 2013–2020» wel speciale aandacht aan de lerarenopleidingen. Zo worden er specifieke maatregelen genomen om de kwaliteit van de lerarenopleidingen verder te verhogen en zetten wij in op aantrekkelijke en flexibele leerroutes. Deze speciale aandacht vindt bijvoorbeeld zijn weerslag in de rondgang die de Minister momenteel maakt langs de lerarenopleidingen.

De leden van de PvdA-fractie vragen verder hoe de Staatssecretaris omgaat met signalen dat in de afstemming van het opleidingenaanbod en de bevoegdheidseisen nog steeds onvoldoende maatwerk bestaat. Zij wijzen op het voorbeeld van native-speakers die een meerjarige opleiding tot docent in de betreffende vreemde taal moeten volgen. Graag vernemen zij op welke wijze dergelijke knelpunten worden verholpen.

Om native speakers voor te bereiden op een baan in het Nederlandse voortgezet onderwijs loopt op dit moment via Europees Platform-Nuffic het programma «Van Assistent tot docent Duits of Frans». Ik heb op dit moment onvoldoende concrete signalen over knelpunten die native speakers ervaren die leraar willen worden in hun eigen taal. Erkenning van buitenlandse beroepskwalificaties is mogelijk op grond van artikel 33, lid 1 van de WVO. Het is daarbij van belang of de betreffende native speaker:

  • in eigen land bevoegd leraar is in de betreffende taal of opgeleid is voor een geheel ander beroep;

  • al voldoende is voorbereid op het verzorgen van onderwijs aan leerlingen voor wie die taal niet de moedertaal is. Het aanleren van een vreemde taal vraagt immers om een andere (didactische) benadering en andere handelingsalternatieven voor leerlingen met leerproblemen met die taal dan het aanleren van de moedertaal;

  • voldoende bekend is met het Nederlandse onderwijs en wat dat onderwijs in het algemeen van zijn leraren verlangt als het gaat om kennis, kunde en houdingen.

De voornoemde leden vragen in hoeverre leraren die op basis van een educatieve minor aan de slag zijn gegaan in het onderwijs, in de periodieke peiling gevolgd worden. Deze leden vragen of het kabinet het belangrijk vindt om te peilen in hoeverre dergelijke maatwerkoplossingen doorstroom naar vervolgopleidingen en kwaliteitsverbetering niet in de weg staan en zo ja, op welke wijze dat gestalte krijgt.

In de periodieke IPTO-peiling worden leraren met een educatieve minor niet geteld. Ik wil overigens kijken of we daar in de toekomstige IPTO-telling verandering in kunnen aanbrengen. De vraag om te peilen in hoeverre dergelijke maatwerkoplossingen doorstroom naar vervolgopleidingen en kwaliteitsverbetering (niet) in de weg staan, suggereert dat het aanbieden van een educatieve minor zou (kunnen) leiden tot een verminderde instroom in de masteropleidingen aan universiteiten leidend tot het eerstegraadsleraarschap. De instroom in die opleidingen is echter de laatste jaren gestegen. Op dit moment werkt de Minister samen met de VSNU de mogelijkheid uit om – vooralsnog op experimentele basis – ook afgestudeerde bachelors in staat te stellen alsnog een educatieve minor te volgen en daaraan bevoegdheid te ontlenen. De verwachting is dat dat zal leiden tot substantiële groei van het aantal wo-opgeleiden dat opteert voor een beroep in het onderwijs.

Ten slotte lezen de leden van deze fractie in het onderzoek van de inspectie dat de lerarenopleiding informatica slechts op enkele plekken gegeven wordt. Zij vragen of de staatsecretaris van plan is om dit aantal uit te breiden, mede in het licht van de aankomende herziening van het curriculum waarin programmeren hoogstwaarschijnlijk opgenomen zal worden.

In antwoord op deze vraag merk ik op dat noch ik noch de Minister op dat punt een initiërende rol hebben. Instellingen voor hoger onderwijs nemen zelf het initiatief om een voor hen nieuwe opleiding te registreren in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Zij volgen daartoe een procedure die leidt langs de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (als het een opleiding betreft waarvoor bekostiging wordt gevraagd) en de NVAO. Die ho-instellingen zullen, voor zij het initiatief tot registratie nemen, goed zicht willen hebben op de toekomstige vraag naar leraren informatica, naar kwaliteit en kwantiteit en daarbij ook een goede inschatting willen maken over kansen en risico’s. Om dit proces te stimuleren ga ik opleidingen en scholen voorzien van relevante feiten en cijfers over de omvang van het vak informatica en het aantal onbevoegd gegeven lessen.

8 Lerarenbeurs en studiefinanciering

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre er gebruik is gemaakt van de lerarenbeurs van Plasterk om een bevoegdheid te verkrijgen, door leraren die de bevoegdheid nog niet hadden.

De lerarenbeurs is alleen toegankelijk voor bevoegde leraren. Zij kunnen de beurs wel inzetten om een tweede bevoegdheid te halen. Van 2008 tot en met 2014 heeft circa 20 procent van de leraren in het vo de lerarenbeurs hiervoor ingezet.

De leden van deze fractie constateren dat de financiering van scholingstrajecten problemen kent. Allereerst constateren zij dat de vergoeding voor vervanging in het kader van de lerarenbeurs als ontoereikend ervaren wordt. Deze leden vragen of de Staatssecretaris inzichtelijk kan maken welke berekeningen aan deze vergoeding ten grondslag liggen en in hoeverre hij aanpassing overweegt.

Het bevoegd gezag komt in aanmerking voor maximaal 160 uur vergoeding per jaar voor vervanging van een leraar in het vo die een bacheloropleiding volgt en voor maximaal 240 uur voor een leraar in het vo die een masteropleiding volgt. Dat komt neer op maximaal vier of maximaal zes uur per week, naar rato van de aanstellingsomvang van de studerende leraar. De verruiming naar zes uur per week voor vervanging van een leraar die een masteropleiding volgt, geldt sinds 2015 en is bedoeld om het aantal masteropgeleide leraren in het vo te verhogen. Het uurtarief wordt berekend op grond van het gemiddelde uurloon van een vo-docent (= € 40,35). De totale vergoeding komt daarmee op 160 x € 40,35 = € 6.456 of 240 x € 40,35 = € 9.684 per jaar. Jaarlijks wordt het uurtarief verhoogd als gevolg van indexering. Uit recent evaluatieonderzoek naar de lerarenbeurs van het Centraal Planbureau en ResearchNed (april 2015) komt niet naar voren dat schoolbesturen de vergoeding te laag vinden. Ook de Dienst Uitvoering Onderwijs, verantwoordelijk voor de uitvoering van de regeling, heeft dergelijke signalen niet ontvangen. Aanpassing van de hoogte van de vergoeding wordt niet overwogen. Uit de onderzoeken komt wel naar voren dat niet alle schoolbesturen de subsidie voor vervanging aanvragen.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom het collegegeld voor de tweede studie niet gemaximeerd wordt op het niveau van het wettelijk collegegeld, nu besloten is tot invoering van een leenstelsel. Deze leden menen dat studenten die bijvoorbeeld na de forse investering in hun eerste studie een opleiding voor een andere richting binnen het onderwijs willen volgen, meer steun verdienen.

De Minister is tijdens het debat met de Eerste Kamer over het wetsvoorstel over het studievoorschot en in de memorie van antwoord die in dat verband aan de Eerste Kamer is gezonden nader op de vraag van deze leden ingegaan. Toen is aangegeven dat het, inmiddels tot wet verheven, wetsvoorstel het recht op een studievoorschot regelt voor studenten met recht op studiefinanciering. Dat recht is en was beperkt tot de duur van vier jaar (of langer bij een langere opleiding) en staat daarmee gelijk aan de duur van één opleiding. Wat betreft het instellingscollegegeld heeft zij gewezen op de al bestaande uitzondering, namelijk dat het wettelijk collegegeld ook geldt voor een tweede studie in zorg of onderwijs als daarin nog geen diploma is behaald en voor een tweede studie die gestart is tijdens een eerste studie en ononderbroken gevolgd wordt. In die beantwoording is ook gewezen op de mogelijkheid om een beroep te doen op het levenlanglerenkrediet. In aanvulling daarop wijs ik op de mogelijkheid dat personen die al leraar zijn en een andere bevoegdheid willen behalen daartoe eventueel een lerarenbeurs kunnen benutten.

Kunnen leraren gebruik maken van de lerarenbeurs om een lerarenopleiding informatica te volgen, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Ja, een reeds bevoegde docent die de lerarenopleiding informatica op masterniveau wil doen, kan gebruik maken van de lerarenbeurs.

9 Overig

Dat scholen on(der)bevoegde docenten inschakelen zou volgens de leden van de PvdA-fractie niet structureel nodig hoeven te zijn. Scholen beschikken immers over budgetten voor nascholing. In hoeverre worden die budgetten ook besteed om de vakinhoudelijke bekwaamheid van docenten op peil te brengen?

Ik heb voor het antwoord op deze vraag contact opgenomen met de VO-raad. In de cao zijn afspraken gemaakt over middelen voor professionalisering die kunnen worden besteed aan het verbeteren van «vakinhoudelijke bekwaamheid», maar dat is dan een afspraak tussen docent en werkgever. Kort gezegd komt deze erop neer dat werkgevers minimaal tien procent van de personele lumpsum moeten besteden aan deskundigheidsbevordering en professionaliseringsactiviteiten (in tijd en geld). De kaders waarbinnen een school de professionalisering organiseert, worden neergelegd in een collectief professionaliseringsplan. Ook is in de cao vastgelegd dat werknemers en leidinggevenden afspraken moeten maken over individuele professionalisering, vastgelegd in een persoonlijk professionaliseringsplan. Werknemers beschikken over een persoonlijk basisrecht op scholing, zowel in uren als in geld. Voor onbevoegden is in de cao opgenomen dat de werkgever in overleg met de onbevoegde leraar een studieplan opstelt, waarin facilitering in tijd en geld zijn vastgelegd, dat leidt tot het behalen van een wettelijke onderwijsbevoegdheid voor het voortgezet onderwijs in twee jaar.

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar het aangekondigde onderzoek om pabo-docenten bevoegd les te laten geven in de onderbouw van het vmbo en de oplossing voor het knelpunt dat er geen lerarenopleiding is voor de intersectorale vakken van het vmbo. Zij vragen op welke termijn zij dit kunnen verwachten.

Het onderzoek naar de pabo-gediplomeerde heeft u al ontvangen (zie Kamerstuk 30 079, nr. 61). Tijdens het Algemeen Overleg vmbo-mbo van 22 januari 2015 heb ik toegezegd u na de zomer apart te informeren over de professionalisering van docenten in de nieuwe vmbo-profielen. Met de invoering van deze profielen wijzigen de beroepsgerichte vakken waaronder de intersectorale programma’s. In het najaar zal ik nader ingaan op de mogelijkheden voor docenten om een passende bevoegdheid te behalen in de nieuwe profielen, waaronder het profiel dienstverlening en producten dat de meeste verwantschap kent met de huidige intersectorale programma’s.


X Noot
1

Kamerstuk 33 410, nr. 15

X Noot
2

Zie Clotfelter, C. T., Ladd, H. F., & Vigdor, J. L. (2010). Teacher credentials and student achievement in high school. A cross-subject analysis with student fixed effects. Journal of Human Resources, 45(3), 655–681 en Harris, D. N., & Sass, T. R. (2011). Teacher training, teacher quality and student achievement. Journal of Public Economics(95), 798–812.

X Noot
3

Zie het onderzoek aangehaald in noot 3.

Naar boven