26 303
Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van het stellen van nadere regels ten aanzien van het netbeheer en de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

In de Elektriciteitswet 1998 is voorzien dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden vastgesteld ten aanzien van het netbeheer en de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers. Het ontwerp van die algemene maatregel van bestuur is op grond van artikel 61 van de wet overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal, waarmee uitvoering is gegeven aan de in dat artikel geregelde voorhangprocedure. Bij brief van 18 juni 1998 deelde de Voorzitter van de Tweede Kamer mee dat de kamer de wens te kennen had gegeven dat de in het ontwerp geregelde onderwerpen bij wet dienen te worden geregeld. Met dit wetsvoorstel wordt aan die wens gevolg gegeven.

Het voorstel wijzigt de Elektriciteitswet 1998, die mede strekt tot uitvoering van richtlijn nr. 96/92 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijk regels voor de interne markt voor elektriciteit (PbEG 1997, L 27). De maatregelen tot uitvoering van de richtlijn dienen uiterlijk 19 februari 1999 in werking te treden.

Het wetsvoorstel bevat regels met betrekking tot het vaststellen van de tariefstructuren, voorwaarden en tarieven voor het netbeheer en met betrekking tot het verlenen van een ontheffing van de verplichting een netbeheerder aan te wijzen. Daarnaast worden regels gesteld voor de tarieven die door leveranciers aan beschermde afnemers in rekening worden gebracht voor de levering van elektriciteit. Ten slotte wordt de positie van de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet als kamer van de Nederlandse mededingingsautoriteit geregeld en worden nadere regels gesteld met betrekking tot de afwikkeling van (niet marktconforme) verplichtingen die in het verleden zijn ontstaan binnen de elektriciteitsproductiesector.

De artikelen uit het ontwerp-Elektriciteitsbesluit dat in juni aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd zijn nagenoeg alle opgenomen in dit wetsvoorstel. Dat heeft geleid tot een zekere herschikking van de bepalingen binnen het wettelijke stramien om een logische en overzichtelijke volgorde van de normen mogelijk te maken. In essentie is de regeling niet gewijzigd ten opzichte van de inzichten die zijn neergelegd in de Elektriciteitswet 1998 en in het ontwerp-besluit. Slechts op enkele punten is sprake van een wijziging, omdat de desbetreffende bepalingen uit het ontwerp-besluit dermate gedetailleerd waren dat zij zouden misstaan in een wet; gedacht kan onder meer worden aan de «inhoudsopgave» van de technische voorwaarden en aan het cascadestelsel voor transporttarieven (zie de toelichting op artikel I, onderdeel K). Tenslotte zijn de overgangsmaatregelen opnieuw geformuleerd, om recht te doen aan de omstandigheid dat het nieuwe tarievensysteem thans niet, als eerder was voorzien, al per 1 januari 1999 in werking kan treden.

2. Hoofdlijnen en structuur van het wetsvoorstel

De Elektriciteitswet 1998 introduceert een grotere mate van marktwerking in de elektriciteitssector. Een goede marktwerking kan alleen ontstaan als sprake is van een heldere regulering van tarieven en voorwaarden voor nettoegang zonder dat bepaalde marktpartijen worden benadeeld of misbruik wordt gemaakt van economische machtsposities. Ook de tarieven voor beschermde afnemers, die nog niet de vrijheid hebben om zelf een leverancier te kiezen, moeten worden vastgesteld om hen te beschermen tegen te hoge prijzen, die leveranciers zouden kunnen vaststellen als zij als monopolist optreden. Het doel van de regulering is voorts om de doelmatigheid bij de netbeheerders en vergunninghouders zodanig te bevorderen dat uiteindelijk alle bedrijven naar een vergelijkbaar, zo laag mogelijk tarievenniveau toegroeien. Beschermde afnemers moeten in gelijke mate als vrije afnemers kunnen profiteren van de efficiencyverbetering die het nieuwe stelsel naar verwachting tot gevolg zal hebben.

De structuur van dit wetsvoorstel is als volgt.

Allereerst wordt in Artikel I de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de wet) gewijzigd.

Onderdeel A voegt aan de definities van artikel 1 van de wet vier begrippen toe. Ook wordt artikel 1, tweede lid, van de wet gewijzigd om daarin tot uitdrukking te brengen welke rechtspersonen in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, niet kunnen worden aangemerkt als beschermde afnemers.

De onderdelen B, C en D betreffen de wijziging van de positie van de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet (hierna: de dienst of Dte).

Onderdeel E regelt de criteria voor de verlening van een ontheffing van de plicht een netbeheerder aan te wijzen. Onderdeel J geeft aanvullende regels voor de omgang met capaciteitsbeperkingen op netten en voor het beheer van zogenaamde «interconnectors».

Onderdeel L bevat de nieuwe regeling voor het voorstellen en vaststellen van tariefstructuren, tarieven en voorwaarden voor de toegang tot de elektriciteitsnetten. Ook de eisen met betrekking tot de boekhouding van de netbeheerder zijn daarin opgenomen aan het slot van onderdeel L (artikel 27c in het wetsvoorstel).

Onderdeel Q betreft de bepalingen met betrekking tot het voorstellen en vaststellen van tarieven voor de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers. In onderdeel U wordt het complement daarvan geregeld, namelijk het voorstellen en vaststellen van de vergoeding voor het leveren van elektriciteit, opgewekt door beschermde afnemers en bepaalde producenten van duurzame elektriciteit.

Onderdeel EE geeft een overgangsregeling ten behoeve van de herstructurering van de elektriciteitsproductiesector en de afwikkeling van niet-marktconforme investeringen die in het verleden gedaan zijn. De overige onderdelen van Artikel I hebben voornamelijk betrekking op verwijzingen die moeten worden aangepast aan de nieuwe nummers van de artikelen.

Artikel II wijzigt de bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie om beroep in twee instanties tegen besluiten, genomen op grond van de in artikel I, onderdeel EE, voorziene overgangsregeling mogelijk te maken.

Artikel III geeft een overgangsregeling voor de verantwoordelijkheid van niet gebonden afnemers en vergunninghouders om ten behoeve van netbeheerders gegevens te verschaffen over de productie, het transport en het verbruik van elektriciteit (de zgn. programma-verantwoordelijkheid).

De artikelen IV en V bieden overgangsregelingen ten aanzien van de vaststelling van de tarieven voor nettoegang en voor de levering van beschermde afnemers de eerste maal na inwerkingtreding van de wet, die naar verwachting in 1999 zou kunnen plaatsvinden. Artikel VI vormt de grondslag voor de intrekking van ontheffingen voor de aanwijzing van een netbeheerder die zijn verleend op grond van artikel 15 van de wet vóórdat de wijziging, bedoeld in artikel I, onderdeel E, van dit wetsvoorstel, van kracht wordt.

In de volgende paragrafen van het algemeen deel van deze toelichting zal elk onderwerp in dit wetsvoorstel in algemene zin worden toegelicht. Tevens zal worden nagegaan wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor het bedrijfsleven. Ook wordt de regeling aan een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets onderworpen. Ten slotte volgt een artikelsgewijze toelichting.

3. Tarieftoezicht

Dit wetsvoorstel heeft primair tot doel een heldere, transparante en non-discriminatoire tariefstructuur en zo laag mogelijke tarieven te bewerkstelligen door middel van regulering van de tariefstructuren en de tarieven, voor zowel de netten als de levering aan beschermde afnemers. Op basis van voor een ieder toegankelijke tariefinformatie dient iedere afnemer, dat wil zeggen producent, netbeheerder of eindverbruiker, de mogelijkheid te hebben de voor hem optimale beslissingen te nemen met betrekking tot zijn elektriciteitsproductie of -verbruik.

De regulering van de tariefstructuren en tarieven gaat uit van de verantwoordelijkheid van de netbeheerders en vergunninghoudende leveranciers om de juiste middelen te vinden om aan hen opgedragen taken uit te voeren, vastgesteld door de directeur van de dienst respectievelijk de Minister van Economische Zaken, te bereiken. Het gaat met andere woorden om «outputsturing», waarbij het te bereiken resultaat tevoren wordt vastgelegd en de bedrijven zelf beslissen hoe zij deze resultaten zullen realiseren. In dat opzicht wordt zo min mogelijk ingegrepen in de feitelijke bedrijfsprocessen van de netbeheerders en vergunninghouders.

Concreet betekent deze benadering in de eerste plaats dat in dit wetsvoorstel een aantal uitgangspunten is neergelegd voor de inrichting van de voorstellen voor tariefstructuren, tarieven en voorwaarden die netbeheerders zenden aan de directeur van de dienst. Hetgeen ten aanzien van de voorstellen is bepaald in dit wetsvoorstel, geeft aan wat minimaal in de voorstellen moet worden opgenomen. Netbeheerders zijn vrij om in de voorstellen ook andere aangelegenheden op te nemen, mits dit niet in strijd komt met uitdrukkelijke bepalingen in dit wetsvoorstel. Daarnaast is bepaald op grond van welke criteria de directeur van de dienst de besluiten met betrekking tot de tariefstructuren, tarieven en voorwaarden voor het netbeheer vaststelt, waarbij hij zich zal moeten laten leiden door het belang van een betrouwbare, duurzame, doelmatige en milieuhygiënisch verantwoorde elektriciteitsvoorziening alsmede van de bevordering van het handelsverkeer op de elektriciteitsmarkt.

Deze werkwijze betekent een belangrijke verandering in de wijze waarop tarieven worden vastgesteld. Niet langer zullen de door bedrijven opgevoerde kosten als uitgangspunt gelden. In plaats daarvan zal worden beoordeeld hoe bedrijven presteren, gelet op een onderlinge en eventueel een internationale vergelijking van de netbeheerders, respectievelijk de vergunninghouders, op basis van zogenaamde prestatie-indicatoren. De best presterende bedrijven zullen als richtpunt dienen voor hetgeen waaraan iedere overige netbeheerder dan wel vergunninghouder uiteindelijk zal moeten voldoen. Het doel van deze outputsturing en vergelijking op basis van prestatie-indicatoren (ook wel aangeduid als «benchmarking») is om de efficiency van de netbeheerders en vergunninghouders te verbeteren en de hoogte en opbouw van de tarieven van alle bedrijven naar een vergelijkbaar niveau te laten ontwikkelen. Overigens is wel ruimte gelaten voor het verrekenen in de netwerktarieven van uitzonderlijke en aanmerkelijke investeringen in de uitbreiding van netten (artikel 27, tweede lid, van het wetsvoorstel). Gezien de aard van de hier bedoelde investeringen zullen deze uitzonderlijke situaties zich vooral voordoen op de hogere spanningsniveaus.

Indien de benchmarking een internationale vergelijking inhoudt, is uiteraard de vergelijkbaarheid van de prestatie-indicatoren voor de Nederlandse en de buitenlandse bedrijven van belang. Vergelijkbaarheid is aanwezig ten aanzien van de netbeheerders in het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Zweden, waarbij factoren gezocht moeten worden waarin die bedrijven met de Nederlandse netbeheerders vergelijkbaar zijn, en waarbij lering kan worden getrokken uit de in die landen gebruikte benchmarkmethodes. Daarmee wordt voorkomen dat verschillen in de aanpak bij de liberalisering van de elektriciteitsmarkten en verschillen in de structuur van de markten tot onjuiste conclusies leiden. Voor de netbeheerder kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de prestatie op het gebied van de tarieven, vergeleken met de prestaties op het gebied van de kwaliteit van de netten, uitgedrukt in storingsstatistieken; voor vergunninghouders kan de prestatie op het gebied van de tarieven vergeleken worden met de kwaliteit van de leveringsdienst en de service. Voor de landelijke netbeheerder zal de benchmark overigens per definitie internationaal moeten zijn, waarvoor de nationale netbeheerders van het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Zweden in aanmerking komen. Ook zal daarbij kunnen worden nagegaan of de internationale organisatie van syteembeheerders relevante benchmark-gegevens ter beschikking kan stellen.

De ontwikkelingen op de markten en in het tarieftoezicht kunnen leiden tot regelmatige wijziging of aanscherping van de prestatie-indicatoren om steeds een adequate benchmark te kunnen uitvoeren. In dat licht is het dan ook niet wenselijk om thans de op dit moment geschikte prestatie-indicatoren in de wet of bij algemene maatregel van bestuur vast te leggen. Wel is een transparante procedure voor de vaststelling van de efficiencykorting nodig. Het wetsvoorstel voorziet daarin.

Voor de tariefsystematiek van de leveringstarieven is het uitgangspunt dat alle vergunninghouders op gelijke wijze worden behandeld. Dit betekent dat, na een overgangsperiode, in principe sprake zal zijn van landelijk uniforme tarieven voor de levering aan beschermde afnemers. De hoogte van deze tarieven wordt gerelateerd aan de tarieven die het meest efficiënte bedrijf berekent. Het zal bedrijven toegestaan zijn hun klanten een lager tarief in rekening brengen dan de vastgestelde tarieven. Wat dat betreft is er een verschil met de systematiek van de netwerktarieven: daar is het mogelijk dat er structureel verschillen blijven bestaan in verband met objectiveerbare factoren die per regio kunnen verschillen, zoals aansluitdichtheid en bodemgesteldheid. Ook de efficiencykorting kan voor de landelijk netbeheerder enerzijds en de overige netbeheerders anderzijds onderling verschillen. De redenen voor die verschillen zijn dat het landelijk hoogspanningsnet, dat voornamelijk bovengronds is aangelegd, afwijkt van de overige netten, en dat de landelijk netbeheerder als enige systeemdiensten uitvoert. Deze factoren kunnen niet worden beïnvloed door de bedrijven zelf, zodat het redelijk is om daarmee bij de tariefvaststelling rekening te houden. Daarbij blijft het behoud van de kwaliteit van de voorziening van netbeheerders en leveranciers uiteraard een fundamentele voorwaarde.

De tariefstructuren en voorwaarden voor het netbeheer zullen in beginsel eenmalig worden vastgesteld en voor onbepaalde tijd gelden. Indien wijzigingen noodzakelijk zijn, kunnen deze, hetzij op verzoek van de netbeheerders, hetzij op voorstel van de directeur van de dienst, worden aangebracht met inachtneming van de daarvoor in dit wetsvoorstel opgenomen procedures.

In de komende jaren zal ook tussen de lidstaten van de Europese Unie overleg plaatsvinden, met name met betrekking tot de tariefstructuren voor het landsgrensoverschrijdende elektriciteitstransport en de daarbij behorende systeemdiensten. Internationale afstemming van de tarieven voor invoer, uitvoer en doorvoer en voor de daarbij behorende systeemdiensten is van belang voor het ontstaan van een interne elektriciteitsmarkt, waarbij onevenwichtigheden tussen de lidstaten en marktverstoringen vermeden kunnen worden. De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft daarom de Union pour la coordination de la production et du transport de l'électricité (UCPTE), het samenwerkingsverband van Europese net- en systeembeheerders, verzocht om advies over deze tarieven. De uitkomst van dat overleg zal bij de vaststelling van de in- en uitvoertarieven en bij eventuele structuurwijzigingen worden betrokken. Eventueel kunnen deze afspraken worden neergelegd in een algemene maatregel van bestuur die richting geeft aan de door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voor te stellen en door de directeur van de dienst vast te stellen tariefstructuren en tarieven.

Dit internationale overleg is van belang om te voorkomen dat het economisch onaantrekkelijk wordt voor Nederlandse bedrijven om te exporteren naar andere Europese landen. Ook de totstandkoming van een Grootschalig Productiebedrijf (GPB), waarvan werd uitgegaan bij de opstelling van de Elektriciteitswet 1998, had tot doel de positie van Nederlandse bedrijven op de Europese markt te versterken. De gedachte was daarbij dat het GPB een sterkere positie en daardoor betere mogelijkheden op de Europese elektriciteitsmarkt zou kunnen hebben dan de vier productiebedrijven afzonderlijk. Nu dit GPB niet tot stand komt, bereiden de bedrijven zich afzonderlijk voor op de komende Europese elektriciteitsmarkt, waarbij zij zullen samenwerken met andere Nederlandse bedrijven, met inbegrip van andere bedrijven dan die in de huidige elektriciteitssector, of met buitenlandse partners.

4. Tariefmutaties

De tarieven voor netwerkdiensten en voor de levering van elektriciteit zullen jaarlijks worden vastgesteld. De komende jaren gaat dat als volgt:

a. De tarieven voor 1999 worden nog op grond van de Elektriciteitswet 1989 vastgesteld door de elektriciteitsbedrijven en goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken. Het betreft derhalve maximum-eindverbruikerstarieven. In 1999 zal de elektriciteitssector voorstellen doen voor de wijze waarop de huidige, geïntegreerde tarieven zullen worden gesplitst in netwerktarieven en leveringstarieven conform de nieuwe tariefsystematiek.

b. De tarieven voor 2000 zijn de tarieven waarbij dit wetsvoorstel voor het eerst wordt toegepast. De artikelen IV en V geven daarvoor de bepalingen, die afwijken van de tariefsystematiek zoals die in de daarop volgende jaren zal worden toegepast. De tarieven voor 2000 kunnen worden aangemerkt als starttarief, waarop de tariefmutaties, voorzien in de artikelen 27a en 41 van dit wetsvoorstel, zullen aangrijpen. De tarieven voor 2000 zijn dus als het ware het nulpunt voor de toepassing van het systeem van «benchmarking» en tariefmutatie.

c. De tarieven voor 2001 zullen dan worden vastgesteld met inachtneming van de artikelen 27a en 41 van dit wetsvoorstel.

De starttarieven, die gelden voor 2000, worden gesplitst in tarieven voor netwerkdiensten en levering, waarbij een vergelijking met het tariefniveau van de integrale tarieven van 1996 zal plaatsvinden. Wat de tarieven voor 2000 betreft zijn correcties denkbaar ten opzichte van het tariefniveau van 1996, indien kan worden aangetoond dat er sinds 1996 sprake is geweest van belangrijke kostenstijgingen die hun oorzaak vinden buiten de invloedssfeer van de betrokken bedrijven dan wel van investeringen die voldoen aan het criterium van artikel 27, tweede lid, in dit wetsvoorstel. Kosten die tot het normale ondernemingsrisico behoren, vallen hier in ieder geval niet onder.

De in dit wetsvoorstel voorgestelde tariefsystematiek zal tot aanzienlijke veranderingen voor de bedrijven en hun afnemers kunnen leiden. Per 1 januari 2001 zal het systeem van «benchmarking» en tariefmutatie moeten ingaan. Dit systeem zal nader worden uitgewerkt, onder meer aan de hand van onderzoek naar vergelijkbare systemen in andere landen. Het betekent dat de tarieven voor het jaar 2001 voor het eerst op grond van de benchmarking en met toepassing van een efficiencykorting worden vastgesteld.

De jaren 1999 en 2000 zijn derhalve een overgangsperiode die kort genoemd kan worden. De rechtvaardiging voor die korte duur is daarin gelegen dat er zo snel mogelijk een eenduidig systeem van tarieftoezicht moet ontstaan en de nieuwe structuur van de elektriciteitsmarkt zo snel mogelijk in volle omvang voor alle marktpartijen moet werken. Zolang er tariefverschillen tussen bedrijven bestaan die niet objectief verklaarbaar zijn, zal de directeur van de dienst daar toezicht op houden. Omdat gestreefd moet worden naar zo laag mogelijke tarieven, moeten deze historisch bepaalde tariefverschillen verdwijnen. Als het in uitzonderlijke situaties noodzakelijk blijkt om bepaalde bedrijven een langere periode te geven om historisch bepaalde verschillen af te bouwen, kan de directeur van de dienst bij de tariefvaststelling daarmee rekening houden. Mede uit een oogpunt van transparantie van de tarifering ligt het dan voor de hand om hiervoor een afzonderlijk tariefelement te hanteren.

Het tariefmutatiesysteem dat voor de vaststelling van de tarieven van 2001 en later zal worden gebruikt, houdt het volgende in. Als uitgangspunt geldt dat de tarieven jaarlijks worden vastgesteld, gebaseerd op de tarieven van het daaraan voorafgaande jaar die worden vermenigvuldigd met een factor, afgeleid uit de consumentenprijsindex (alle huishoudens), gecorrigeerd met een factor voor een zogenaamde efficiencykorting. Voor deze prijsindex is gekozen, omdat dit een goed hanteerbare index is, mede vanwege de brede bekendheid ervan als inflatie-indicator.

De efficiencykorting voor de netwerktarieven zal op grond van een aantal, vooraf bekende indicatoren worden vastgesteld door de directeur van de dienst. Daarbij voert hij overleg met de netbeheerders en met organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt om te komen tot een besluit dat proportioneel is en breed gedragen wordt. Bij de korting voor de netwerktarieven zal rekening worden gehouden met de factoren die van invloed zijn op het doelmatig handelen en uitvoeren van werkzaamheden en zullen verschillen in kosten die veroorzaakt worden door regionaal objectiveerbare factoren apart kunnen blijven bestaan. Verschillen in kosten die te maken hebben met besluiten die in het verleden zijn genomen en die tot een afwijkende kostenstructuur leiden, zullen zo spoedig mogelijk moeten worden weggewerkt. Daarna zal in beginsel sprake zijn van één landelijk geldende efficiencykorting, zij het dat er verschillen mogelijk zijn in de korting voor de landelijk netbeheerder en voor de overige netbeheerders.

Voor leveringstarieven zal een efficiencykorting op de aan de levering verbonden diensten worden bepaald. De efficiencykorting die op basis van een in het jaar 2000 op te stellen «benchmark» zal worden vastgesteld, zal rekening houden met verschillen in inkoopkosten en verschillen in doelmatig handelen en uitvoeren van werkzaamheden. Er zal na een overgangsfase sprake zijn van één landelijk geldende efficiencykorting die gelijk is voor alle bedrijven. Voor de inkoopkosten van elektriciteit zal een systeem worden ontwikkeld dat enerzijds een prikkel geeft om een zo voordelig mogelijke inkoopportfolio samen te stellen en dat anderzijds rekening houdt met marktontwikkelingen die niet door de leveringsbedrijven beïnvloed kunnen worden. Wat dat laatste betreft moet gedacht worden aan risico's die voortvloeien uit de ontwikkeling van brandstofprijzen, indien deze risico's niet bij de producent kunnen worden gelegd of op een doelmatige wijze op de markt kunnen worden afgedekt. Dit systeem zal leiden tot een mogelijke correctie op de tarieven als gevolg van marktontwikkelingen, zo nodig ieder kwartaal, rekening houdend met hetgeen contractueel is afgesproken tussen vergunninghouders en producenten. Deze correctie zal een generiek karakter hebben en derhalve voor alle leveringsbedrijven gelijk zijn. Regionale differentiatie in leveringstarieven zal na de interimperiode moeten passen binnen de uniforme structuur, met dien verstande dat deze differentiatie slechts is toegestaan wanneer zij tot doel heeft dat afwijkingen in de afnamepatronen geharmoniseerd worden.

De efficiencyfactor zal drie tot vijf jaar gelden, zowel voor netwerktarieven als voor leveringstarieven. Daardoor hebben de bedrijven over een langere periode zekerheid omtrent de efficiencykorting. Omdat bedrijven extra behaalde winsten mogen behouden gedurende de periode dat de efficiencykorting geldt, gaat hiervan een stimulans uit om de efficiency te verbeteren. Dit kan met name door kosten die men (relatief eenvoudig) kan beïnvloeden, te verlagen. Wel kan bij de vaststelling van een nieuwe efficiencykorting rekening worden gehouden met de in de tussentijd behaalde efficiencyvoordelen, zodat enerzijds bedrijven enige tijd van de extra behaalde winsten kunnen profiteren en anderzijds bij een nieuwe periode afnemers in de voordelen meedelen.

Over de wijze waarop de efficiencykorting zal worden bepaald, welke parameters en prestatie-indicatoren een rol zullen spelen en welke procedure daarbij zal worden gevolgd, zal de directeur van de dienst beleidsregels ontwikkelen overeenkomstig een in dit wetsvoorstel neergelegde procedure. Voor de leveringstarieven zal de Minister van Economische Zaken eveneens beleidsregels opstellen, welke zullen worden voorbereid door de directeur van de dienst. Meer in zijn algemeenheid zal deze de besluiten van de Minister van Economische Zaken voorbereiden met betrekking tot de vaststelling van de leveringstarieven.

5. Voorstellen voor tariefstructuren

In de artikelen 25 en 26 van dit wetsvoorstel is bepaald dat de gezamenlijke netbeheerders voorstellen met betrekking tot de tariefstructuren en voorwaarden zenden aan de directeur van de dienst. Daarnaast zendt op grond van artikel 27 van dit wetsvoorstel iedere netbeheerder afzonderlijk de directeur een voorstel voor tarieven ten behoeve van het eigen bedrijf. Hiermee ligt het initiatief voor de uitwerking van tariefstructuren, voorwaarden en tarieven bij de netbeheerders.

De voorstellen dienen aan een aantal inhoudelijke eisen te voldoen. Zo zullen de tariefstructuren duidelijk moeten maken dat de nettarieven bestaan uit een aansluittarief, een transporttarief en een systeemtarief. In vergelijking met de zes tariefcomponenten die in de memorie van toelichting bij de ontwerp-Elektriciteitswet 1998 werden genoemd (kamerstukken II 1997/98, 25 621, nr. 3, blz. 36) lijken deze drie tarieven een beperking in te houden. Het gaat evenwel om dezelfde tarieven. Het aansluittarief en het tarief voor systeemondersteunende diensten komen terug in dezelfde vorm. De tariefcomponenten voor het gebruik van het netwerk, voor de verrekening van netverliezen, en voor de verrekening van transportbeperkingen worden samengevoegd in het transporttarief. Het in de genoemde toelichting aangegeven tarief ter dekking van collectief gemaakte kosten kan terug komen in de aansluit- of transporttarieven. Artikel 27, tweede lid, van het wetsvoorstel bepaalt namelijk dat een voorstel voor de tarieven tevens betrekking kan hebben op een uitzonderlijke en aanmerkelijke investering ter uitbreiding van het door de desbetreffende netbeheerder beheerde net.

Per soort tarief wordt voorts bepaald waarover het tarief mag worden berekend, bij wie het tarief in rekening mag worden gebracht en wat de tariefdrager is. Een belangrijk uitgangspunt van de tariefsystematiek betreft verder de in artikel 25b, eerste lid, van dit wetsvoorstel neergelegde beginsel van de «netwerkservice», waarmee ook in andere landen met een geliberaliseerde elektriciteitsmarkt wordt gewerkt. Dit houdt in dat een transportdienst wordt geleverd voor een specifiek aansluitpunt op het net. Dit leidt tot een tarief dat gerelateerd is aan een bepaalde netgebruiker en niet aan de afstand tussen het aansluitpunt waarop de elektriciteit op het net wordt ingevoed en het aansluitpunt waarop de stroom van het net wordt gehaald. Dit zogenaamde «point tariff» of «postzegeltarief» is dus onafhankelijk van de transportafstand en van de partij waarmee de afnemer een contract heeft gesloten. Ook hebben afnemers met het eenmaal per contract betalen van dit tarief toegang tot het gehele binnenlandse elektriciteitsnet.

6. Voorstellen voor voorwaarden voor uitvoering van het netbeheer

Ook voor de voorwaarden voor uitvoering van het netbeheer dient door de netbeheerders een voorstel te worden gedaan aan de directeur van dienst. Artikel 26 van dit wetsvoorstel regelt waarop de voorwaarden betrekking hebben die netbeheerders hanteren, zowel jegens afnemers als jegens elkaar. Het gaat hierbij om voorwaarden voor het netbeheer: het in werking hebben van de netten, de transport- en aansluitdiensten, de in- en uitvoer, het meten van transportgegevens en de uitwisseling van deze gegevens, de systeemdiensten, de gebiedsindeling en de regeling van samenwerking tussen netbeheerders.

Een belangrijk doel van het reguleren van de tarieven en voorwaarden is het bereiken van evenwicht tussen enerzijds een goede kwaliteit van de transportvoorziening en anderzijds een doelmatige bedrijfsvoering van de netbeheerders. Te allen tijde dient ervoor te worden gewaakt dat een druk op de hoogte van de tarieven zou leiden tot het doen van concessies aan de vereiste kwaliteit van de voorziening. Daarentegen moet ook worden voorkomen dat er sprake is van onnodig hoge kwaliteit die leidt tot onevenredige kosten. De directeur van de dienst zal zorgvuldig toezien op het juiste evenwicht tussen kosten en kwaliteit.

7. Programma-verantwoordelijkheid

Een afzonderlijk onderwerp binnen de voorwaarden is de programma-verantwoordelijkheid. De achtergrond daarvan is de volgende.

De landelijk netbeheerder dient in technisch opzicht steeds te zorgen voor de handhaving van de energiebalans. In economisch opzicht heeft hij evenwel geen taak en mag hij ook geen werkzaamheden verrichten die verband houden met het afstemmen van de vraag naar elektriciteit en het aanbod daarvan in economische zin, dus tegen zo laag mogelijke kosten voor de afnemer.

In beginsel is iedere afnemer programma-verantwoordelijk. Hij kan in theorie het beste weten hoe de programma's voor productie of verbruik op een dag eruit zien, omdat hij weet wat hij nodig heeft. Omdat netbeheerders moeten weten hoeveel elektriciteit iedere afnemer nodig heeft en dus naar hem verstuurd moet krijgen, onderscheidenlijk produceert en op het net invoedt, zullen zij daarover voortdurend geïnformeerd moeten worden. Afnemers zullen daarom worden verplicht om dagelijks energie- en transportprogramma's voor de volgende dag op te stellen of te laten opstellen en deze te zenden aan de landelijke netbeheerder respectievelijk de overige netbeheerders op wier net zij zijn aangesloten. Bovendien zijn deze afnemers in financiële zin aansprakelijk voor het geval dat hun feitelijke elektriciteitsafname of -productie afwijkt van de door hen opgegeven, verwachte afname of productie.

Het zal evenwel duidelijk zijn dat het strikt uitvoeren van het uitgangspunt dat iedere afnemer programma-verantwoordelijk is, tot een onwerkbare situatie zou leiden. De meeste afnemers hebben feitelijk geen inzicht in hun elektriciteitsverbruik of -productie op elk moment van een dag en zullen ook geen behoefte hebben aan de administratieve rompslomp van het zenden van de programma's. Daarom is in dit wetsvoorstel in ieder geval voor de beschermde afnemers bepaald dat deze niet programma-verantwoordelijk zijn. De vergunninghouders die aan hen leveren hebben die verantwoordelijkheid. In de praktijk zijn de distributiebedrijven reeds onder de oude wet belast met het dagelijks afstemmen van energievraag en -aanbod, zodat hun wat dat betreft niets nieuws gevraagd wordt. Vrije afnemers krijgen wel programma-verantwoordelijkheid, maar kunnen met derden – andere afnemers, leveranciers of handelaren – overeenkomen dat deze verantwoordelijkheid op hen overgaat.

Als een derde de programma-verantwoordelijkheden van een grote groep afnemers overneemt, kan dat grote financiële voordelen hebben. De programma-verantwoordelijkheid houdt immers ook de aansprakelijkheid in voor de kosten, verbonden aan de afwijking van de programma's door een grotere of kleinere feitelijke elektriciteitsafname dan opgegeven. Derden die voor een grote groep afnemers de programma-verantwoordelijkheid uitvoeren, kunnen gemakkelijker evenwicht in de energiebalans bereiken doordat eventuele overschotten bij sommige afnemers wegvallen tegen eventuele tekorten bij anderen. Per saldo zal door dit uitmiddelen van overschotten en tekorten voor degene die de programma-verantwoordelijkheden heeft overgenomen slechts een geringe onevenwichtigheid plaatsvinden. De kosten daarvan zijn veel lager dan de kosten die voor alle afnemers zouden ontstaan als zij zelf de programma-verantwoordelijkheid zouden uitvoeren. Is het dus in beginsel voordelig voor afnemers om hun programma-verantwoordelijkheden te clusteren, voor degene die deze overneemt kan het ook voordelig zijn. Hij zal immers een prijs berekenen voor het overnemen van de verantwoordelijkheid, gebaseerd op de verwachte mate van onevenwichtigheid. Blijkt hij evenwel beter in staat de totale hoeveelheid te transporteren of te leveren elektriciteit te taxeren, dan betaalt hij minder voor de onevenwichtigheid en maakt hij winst. In de toekomst zal het uitvoeren van programma-verantwoordelijkheid een normale marktactiviteit worden waarvan de prijzen in concurrentie ontstaan.

De hierboven genoemde financiële voordelen moeten ook kunnen toekomen aan vergunninghouders die ten behoeve van beschermde afnemers programma-verantwoordelijkheid hebben. Zij kunnen deze verantwoordelijkheid ook overdragen om bijvoorbeeld de daaraan verbonden kosten te verminderen. Een overdracht van de programma-verantwoordelijkheid door een vergunninghouder kan ook ingegeven zijn door de omstandigheid dat de vergunninghouder deel uitmaakt van een concern waarin een ander bedrijf de programma-verantwoordelijkheid voor het gehele concern moet kunnen uitvoeren.

Voor de interimperiode tot 2001 zal een enigszins aangepaste regeling van de programma-verantwoordelijkheid gelden, omdat het om technische redenen niet mogelijk is vanaf het moment van inwerkingtreding van de Elektriciteitswet 1998 alle vrije afnemers en vergunninghouders als programma-verantwoordelijke te laten functioneren. De benodigde informatietechnologie kan namelijk niet onmiddellijk worden geleverd. Er zal daarom worden gestart met een beperkt aantal programma-verantwoordelijken. Dat aantal wordt vastgesteld door de directeur van de dienst, die daarbij overlegt met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Het aantal zal tijdens de interimperiode toenemen. De snelheid waarmee en de voorwaarden waaronder nieuwe programma-verantwoordelijken zich kunnen aanmelden, zal door de directeur van de dienst worden bepaald.

8. Vaststellen van tariefstructuren, tarieven en voorwaarden

Gezien het belang van de tariefstructuren voor alle netgebruikers dienen de netbeheerders over hun voorstellen daarvoor overleg te voeren met representatieve organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt. Daaronder moeten vooral (vertegenwoordigers van) afnemers, leveringsbedrijven en handelaren gerekend worden, aangezien zij allen een duidelijk belang hebben bij de opzet van het netbeheer (nettoegang). Om voldoende gewicht aan dit overleg toe te kennen, dienen de netbeheerders aan te geven wat zij met de inbreng van de organisaties hebben gedaan. De directeur van de dienst moet rekening houden met de uitkomsten van het overleg bij de vaststelling van de tariefstructuren en voorwaarden.

Het wetsvoorstel voorziet in een uitgewerkte regeling ten aanzien van de vaststelling van de tariefstructuren, tarieven en voorwaarden. Er wordt bepaald binnen welke termijnen de voorstellen moeten worden ingediend. Als de gezamenlijke netbeheerders niet tijdig met een voorstel voor de tariefstructuren of voorwaarden komen, kunnen individuele netbeheerders daarvoor voorstellen doen. Doen ook zij dat niet tijdig, dan kan de directeur van de dienst de tariefstructuren of voorwaarden daarvan uit eigen beweging vaststellen. Ten aanzien van de wijziging van tarief- structuren en voorwaarden gelden gelijke regels. Daarbij is bepaald dat de wijziging kan worden geïnitieerd door de landelijk netbeheerder, een deel van de overige netbeheerders of de directeur van de dienst. Ten aanzien van de vaststelling van de tarieven gelden eenvoudiger regels, aangezien het daar gaat om een besluit op voorstellen die alleen door de individuele netbeheerders kunnen worden ingediend.

Als de directeur van de dienst van oordeel is dat voorstellen niet aan de wettelijke eisen voldoen, stelt hij de netbeheerders eerst zelf in de gelegenheid om met wijzigingen te komen. Wanneer de netbeheerders niet, of niet op tijd, de gevraagde wijzigingen indienen, kan de directeur zelf de voorstellen gewijzigd vaststellen. Uiteindelijk staat voor partijen bezwaar en beroep open volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht.

9. Boekhouding van de netbeheerder

De regels die gesteld worden aan de inrichting van de boekhouding van de netbeheerder, zijn er vooral op gericht om de boekhouding van de onafhankelijke netbeheerder voor de uitvoering van de wettelijke taken, bedoeld in artikel 16 van de wet, te onderscheiden van de boekhouding voor de activiteiten die netbeheerders op grond van artikel 17 van de wet mogen uitvoeren. Ook moet rekening gehouden worden met artikel 14 van de elektriciteitsrichtlijn. De boekhoudingsregels zijn in het bijzonder van belang voor de «benchmarking» ten behoeve van het bepalen van de hoogte van de efficiencykorting.

Voor de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers zijn in de Regeling leveringsvergunning Elektriciteitswet 1998, vastgesteld op grond van artikel 48 van de wet, nadere eisen gesteld ten aanzien van de boekhouding.

10. Levering van elektriciteit

Ten aanzien van de levering aan beschermde afnemers worden in dit wetsvoorstel uitgewerkte bepalingen gegeven voor het vaststellen van de leveringstarieven voor beschermde afnemers, de gegarandeerde vergoeding voor opwekking door beschermde afnemers en bepaalde producenten en de daarvoor geldende mutatiesystematiek.

Beschermde afnemers betalen het leveringstarief naast het tarief voor nettoegang. Over de hoogte van de leveringstarieven voor beschermde afnemers is tijdens de Tweede-Kamer-behandeling van de ontwerp-Elektriciteitswet 1998 in artikel 40 van die wet bepaald dat beschermde afnemers geen nadeel mogen ondervinden van hun tijdelijke gebrek aan vrijheid om een leverancier te kiezen. Dit betekent dat de Minister van Economische Zaken bij het vaststellen van de tarieven voor de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers rekening houdt met de tariefontwikkelingen op de vrije markt. De directeur van de dienst zal deze tariefbesluiten voorbereiden.

Artikel 51 van de wet bepaalt dat beschermde afnemers, voor zover het kleinschalige waterkracht-, warmte-kracht- en biomassa-installaties betreft, en producenten van zonne- en windenergie tot een vermogen van 8 MW onder bepaalde voorwaarden recht hebben op een gegarandeerde vergoeding van de vergunninghouders voor de elektriciteit die zij opwekken. In dit wetsvoorstel (Artikel I, onderdeel U) is dit uitgewerkt voor een gegarandeerde vergoeding voor opwekking aan de hand van een aantal uitgangspunten. De vergoeding wordt gebaseerd op een eenvoudige, landelijk uniforme systematiek, die geen verband houdt met de wijze van opwekking. Bij de uitwerking van de gegarandeerde vergoeding wordt zo nauw mogelijk aangesloten bij de regeling voor het leveringstarief. Door de vaste relatie tussen gegarandeerde vergoeding voor opwekking en het leveringstarief, is geen apart mutatiebeleid nodig voor de gegarandeerde vergoeding voor opwekking. Wel zal een korting worden toegepast op de leveringstarieven, die steeds voor een periode van een jaar wordt vastgesteld. De korting zal in beginsel overeenkomen met de gemiddelde toegevoegde waarde die de vergunninghouders realiseren bij de levering van elektriciteit. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de waarde die vergunninghouders realiseren door de vraag naar en het aanbod van elektriciteit af te stemmen.

11. De dienst als kamer binnen de Nma

In het wetsvoorstel wordt vastgelegd dat de dienst (Dte) een kamer is binnen de Nederlandse mededingingsautoriteit. Dit vergt een beperkte aanpassing van de Elektriciteitswet 1998, die de Dte en de Nma nu nog beschouwt als nevengeschikte toezichthouders.

Het vorige kabinet constateerde, naar aanleiding van het MDW-rapport «Zicht op toezicht» (rapport-Visser), dat de zogenaamde kamer-modaliteit in de elektriciteitssector voor de hand ligt, gelet op de positie van de dienst en de verwevenheid met het algemene mededingingstoezicht. De Minister van Economische Zaken zou nagaan of de Dte een kamer van de Nma kan worden (kamerstukken II 1997/98, 24 036, nr. 73H). Hierop is tijdens de parlementaire voorbereiding van de Elektriciteitswet 1998 ook aangedrongen (zie bv. kamerstukken II 1997/98, 25 621, nr. 38).

Thans wordt voorgesteld de positie van de dienst als kamer in de Elektriciteitswet 1998 vast te leggen. Dit voorstel is in lijn met het rapport-Visser; de dienst als kamer biedt sterkere garanties voor consistent mededingingstoezicht dan de dienst als «eigenstandige» toezichthouder, terwijl ook in de kamer voldoende specifiek toezicht kan worden uitgeoefend. In dit geval wordt de consistentie met het algemene mededingingstoezicht dus niet bereikt doordat de Nma zelf toezicht houdt op specifieke regels, maar doordat een kamer binnen de Nma daarmee wordt belast.

De dienst maakt als kamer deel uit van de Nma. De directeur van de kamer heeft eigen bevoegdheden op grond van de Elektriciteitswet 1998, maar is ondergeschikt aan de directeur-generaal van de Nma. De directeur-generaal staat aan het hoofd van de Nma en dus ook van de kamer. Uiteraard is het de directeur-generaal die de taken en bevoegdheden op grond van de Mededingingswet uitoefent.

Uit de hiërarchische relatie, die wordt vastgelegd in artikel 5, vloeit voort dat de directeur-generaal de werkzaamheden van de kamer aanstuurt, in beleidsmatige en beheersmatige zin. De beleidsmatige relatie komt tot uiting in aanwijzingen die de directeur-generaal kan geven met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden door de directeur, voor zover het bevoegdheden betreft waarbij mededingingsbegrippen worden uitgelegd (artikel 8). De beheersmatige relatie komt tot uiting in de aansturing op het terrein van bijvoorbeeld personeel en financiën, ook ingeval de kamer belast is met andere dan mededingingstaken.

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de werkzaamheden van zowel de Nma als de kamer (artikel 6). Zij hebben eigen wettelijke taken en bevoegdheden, maar de minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven. Vastgelegd wordt dat de minister de directeur-generaal van de Nma consulteert alvorens een aanwijzing aan de kamer wordt gegeven. De consultatie bevordert een zorgvuldige aansturing van de kamer en houdt verband met de verantwoordelijkheid van de Nma voor consistentie in de uitvoering van het mededingingsbeleid. Het spreekt vanzelf dat de directeur-generaal van de Nma de minister op de hoogte zal moeten stellen van de aanwijzingen die hij aan de dienst heeft gegeven. De minister kan Nma en dienst ook om advies vragen over de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden. Daarbij wordt met name gedacht aan de levering aan beschermde afnemers en de daarbij te hanteren leveringsvoorwaarden. Wanneer de Nma een zelfstandig bestuursorgaan wordt, zal ook de kamer meegaan naar de zbo-status.

12. Ontheffing van de plicht een netbeheerder aan te wijzen

In artikel 15 van de wet is de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken vastgelegd om eigenaren van netten waarop een beperkt aantal afnemers aangesloten is of zal worden, een ontheffing te verlenen van de plicht om een netbeheerder aan te wijzen. De bedoeling van deze bevoegdheid is om recht te doen aan bijzondere situaties die zich kunnen voordoen op netten met een beperkt aantal afnemers. Het aanwijzen van een netbeheerder zou kunnen betekenen dat de bijzondere kenmerken van het net zouden moeten worden aangepast, indien deze niet passen binnen de voorwaarden die de netbeheerders met elkaar zijn overeenkomen.

Aan het verlenen van een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Het is hierbij niet de bedoeling om deze voorschriften volledig gelijk te stellen aan de eisen die op grond van de wet aan netbeheerders worden gesteld. Wel zullen de te stellen voorschriften tot doel hebben zo veel mogelijk dezelfde keuzevrijheid en bescherming te waarborgen voor vragers en aanbieders van elektriciteit die zijn aangesloten op een «particulier» elektriciteitsnet. Daarbij kan ook gedacht worden aan criteria op het gebied van de bedrijfszekerheid en de veiligheid. De voorschriften worden per geval apart bepaald, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het desbetreffende net.

13. Afwikkeling verplichtingen elektriciteitsproductiesector

Het huidige stelsel van openbare elektriciteitsvoorziening berust op een model van nauwe samenwerking tussen de vier elektriciteitsproductiebedrijven die een productievergunning hebben ingevolge de Elektriciteitswet 1989 en hun gezamenlijke dochter N.V. Sep. In het kader van de tussen die bedrijven geldende overeenkomst van samenwerking zijn door hen langlopende verplichtingen aangegaan. Voor die verplichtingen zijn de productiebedrijven in hun onderlinge verhouding en in hun verhouding tot de N.V. Sep gezamenlijk draagplichtig. Als gevolg van de liberalisering en de daarbij gemaakte keuze van bedrijven en hun aandeelhouders om geen grootschalig productiebedrijf te vormen, dienen de productiebedrijven hun draagplicht voor investerings- en leveringsovereenkomsten onderling te verdelen. Met het oog daarop zijn in dit wetsvoorstel overgangsbepalingen opgenomen. Deze voorzien ook in de regeling van dekking van een deel van de niet-marktconforme kosten uit het tarief voor elektriciteitstransport. De bepalingen zijn opgesteld met inachtneming van het overleg dat met de elektriciteitsproductiebedrijven is gevoerd over de afwikkeling van bestaande (niet-marktconforme) verplichtingen van de elektriciteitssector. Dit overleg en het resultaat daarvan zijn toegelicht in de brief van 27 oktober 1998 aan de Tweede Kamer over de structuurverandering in de elektriciteitssector (kamerstukken II 1998/99, 25 097, nr. 24).

De maatregelen zijn op grond van de Europese elektriciteitsrichtlijn ter beoordeling aangemeld bij de Europese Commissie.

Voor de uitwerking van het overlegresultaat dienen de overheid en de productiebedrijven beide maatregelen te treffen. De wettelijke regeling geeft invulling aan de beoogde maatregelen van de overheid. Eind februari 1999 mag redelijkerwijs verwacht worden dat de productiebedrijven voldoende concreet resultaat bereikt zullen hebben met betrekking tot de door hen te treffen regeling waardoor de bestaande verplichtingen onderling worden verdeeld en afgewikkeld. Indien dat concrete resultaat dan evenwel ontbreekt, zullen zonodig bij nota van wijziging op dit wetsvoorstel nadere voorzieningen worden getroffen waarmee verzekerd wordt dat alle elementen van de thans beoogde oplossing alsnog gerealiseerd kunnen worden. De mogelijkheid bestaat dat de bedrijven krachtens de wet worden verplicht deel te nemen aan een door de Minister van Economische Zaken vast te stellen of aan te wijzen regeling. De materiële grondslag daarvoor ligt in de omstandigheid dat de productiebedrijven enerzijds als vergunninghouder ingevolge de Elektriciteitswet 1989 belast zijn of zijn geweest met de zorg voor de openbare elektriciteitsvoorziening en dat zij anderzijds uit hoofde van de overeenkomst van samenwerking in hun onderlinge verhouding en in hun verhouding tot de N.V. Sep gezamenlijk draagplichtig zijn voor investeringen en overeenkomsten die zijn aangegaan in het kader van die overeenkomst. Op deze wijze worden voorwaarden gesteld aan de besluitvorming door de bedrijven maar blijft de verantwoordelijkheid voor de besluitvorming over de onderlinge verdeling van de gezamenlijke boedel in beginsel in handen van hen zelf.

14. Ontvangen reacties op het ontwerp-Elektriciteitsbesluit

Ten aanzien van het ontwerp-Elektriciteitsbesluit heeft een aantal organisaties en bedrijven commentaar aan de Tweede Kamer gezonden. Het betreft de Consumentenbond, de Sep, EnergieNed, Gamog, de Vereniging voor Energie, Milieu en Water, de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie, de Vereniging van Afvalverwerkers, het Productschap Tuinbouw, de Stichting Groene Elektriciteitsproducenten en het Landelijk Medezeggenschapsplatform Energiedistributiebedrijven. Deze bedrijven en organisaties zijn ook in de gelegenheid gesteld hun reactie mondeling nader toe te lichten. De belangrijkste kritiekpunten waren de volgende.

Een aantal organisaties tekende bezwaar aan tegen de cascadesystematiek voor de het transporttarief. Als argumenten werden onder meer aangevoerd dat deze systematiek de ontwikkeling van warmtekracht-eenheden belemmert en ertoe leidt dat verbruikers die van producenten in hun eigen regio stroom inkopen aan transport over het hele net meebetalen. Evenwel is voor het cascadestelsel gekozen, omdat ervaring in andere landen uitwijst dat het voor het totstandkomen van een goede marktwerking op nationaal niveau essentieel is dat alle producenten, ongeacht hun grootte, dezelfde transporttarieven hebben. Door middel van het cascadestelsel en het postzegeltarief worden alle afnemers op dezelfde wijze behandeld. Zodoende wordt ook bij grote productieenheden het tarief niet bepaald aan de hand van de vraag of een afnemer dichtbij of veraf is aangesloten. Het zijn derhalve de productiekosten en niet de transportkosten die de marktprijs bepalen.

Sep verzocht om bijzondere regels om recht te doen aan de positie van de landelijk netbeheerder en de functie van het landelijk hoogspanningsnet. Op zichzelf is het juist dat de landelijk netbeheerder in de Elektriciteitswet 1998 een bijzondere rol heeft en dat de hoogspanningsnetten met name met het oog op de betrouwbaarheid zijn gebouwd. Ook netten op lagere spanningsniveaus hebben echter een betrouwbaarheidsfunctie, terwijl het koppelnet de afgelopen jaren juist steeds minder een zuivere betrouwbaarheidsfunctie heeft gekregen. In toenemende mate vinden namelijk bulktransporten van elektriciteit over het koppelnet plaats. Als gevolg van de toenemende marktwerking wordt verwacht dat deze ontwikkeling zich versneld zal doorzetten: steeds meer zal het koppelnet een functie vervullen bij het mogelijk maken van concurrentie en de daarbij behorende transporten op nationaal en Europese schaal. Een helder onderscheid tussen de betrouwbaarheidsfunctie de transportfunctie is hierdoor steeds minder goed te maken. Eenduidige regulering van netten en elektriciteitstransport op hogere en lagere spanningsniveaus leidt bovendien tot een gelijkwaardige marktpositie voor alle aangeslotenen. Transparante en eenduidige tarieven geven marktpartijen duidelijkheid en ondersteunen daarmee de marktwerking in de elektriciteitssector.

EnergieNed wenste alle kosten die buiten de invloedssfeer van de bedrijven liggen in de starttarieven voor het tarieftoezicht mee te nemen, maar het is in het licht van het tarieftoezicht onvermijdelijk dat de kosten die behoren tot het normale ondernemersrisico buiten de starttarieven moeten worden gehouden. Wat betreft de opmerking van EnergieNed over de aanleg van aansluitingen door anderen dan de energiebedrijven, is van belang dat de thans geldende en onder de nieuwe regels vast te stellen technische voorwaarden helder maken aan welke betrouwbaarheidseisen de aansluitingen moeten voldoen.

De Stichting Groene Elektriciteitsproducenten pleitte voor aanvullende maatregelen om de ontwikkeling van duurzame elektriciteit te bevorderen, onder andere in de sfeer van de tarieven. Voor dit doel is echter in de Elektriciteitswet 1998 reeds het systeem van de groenestroomcertificaten opgenomen. Dat systeem voor een marktconforme ontwikkeling van duurzame elektriciteit leidt ertoe dat transporttarieven niet voor andere doeleinden dan voor het transport van elektriciteit worden gebruikt.

15. Gevolgen voor bedrijfsleven en uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Dit wetsvoorstel heeft directe gevolgen voor de huidige netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, de Sep, en de huidige 23 elektriciteitsdistributiebedrijven. De laatste kunnen op grond van de wet netbeheerder en vergunninghoudende leverancier worden. Daarnaast heeft dit wetsvoorstel gevolgen voor andere bedrijven, namelijk de afnemers, waaronder zowel eindverbruikers als producenten moeten worden verstaan. Hierna worden de belangrijkste bedrijfseffecten aangegeven, waarbij een invulling in vier categorieën wordt gehanteerd. Daarna vindt een beoordeling plaats op het punt van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Wat de bedrijfseffecten betreft is in de eerste plaats van belang de nieuwe tariefstructuur van de netwerktarieven (aansluittarief, transporttarief en systeemtarief), het leveringstarief, de gegarandeerde vergoeding voor opwekking door beschermde afnemers en bepaalde producenten van zonne- en windenergie, en de mutatie van de tarieven. Deze tariefstructuur verandert sterk ten opzichte van de huidige systematiek. Tot 2001 zal echter nog de huidige systematiek voor de opbouw van het transporttarief en van het leveringstarief gehandhaafd blijven. In deze overgangsperiode tot 31 december 2000 zullen de tarieven in beginsel nominaal gelijk zijn aan de tarieven van 1996. Dit betekent dat voor transport en levering aan beschermde afnemers de inkomsten vergelijkbaar blijven met de huidige situatie. Tijdens de overgangsperiode zal de korting worden bepaald waardoor onderlinge verschillen in tarieven van netbeheerders en vergunninghoudende leveranciers vóór 2003 zullen worden teruggebracht tot objectief verklaarbare verschillen. Bij de bepaling van de korting zullen de gevolgen voor afnemers zwaar meewegen. Uiteindelijk mogen alleen de netwerktarieven nog verschillen tussen de netbeheerders, gelet op regionale objectiveerbare factoren, zoals bodemgesteldheid en aansluitdichtheid.

Vanaf 2001 zal het systeem van tariefmutatie en benchmarking van kracht worden. Voor de netbeheerders en vergunninghoudende leveranciers betekent dit dat niet langer de stijging van kosten als uitgangspunt zal gelden, maar dat de prestaties van de bedrijven onderling en internationaal vergeleken zullen worden. Bij het vaststellen van de efficiencykortingen zal rekening worden gehouden met een redelijke vergoeding voor het geïnvesteerde vermogen van de netbeheerders en vergunninghouders. Dit biedt ook zekerheid, omdat de efficiencykortingen steeds voor een periode van drie tot vijf jaar zullen worden vastgesteld. Daarbij volgt uit artikel 41, eerste lid, in dit wetsvoorstel dat de beschermde afnemers mee moeten delen in de efficiencyvoordelen die de vergunninghouders weten te realiseren.

Voor de gegarandeerde vergoeding voor elektriciteitsopwekking door beschermde afnemers, alsmede door producenten van zonne- en windenergie tot een vermogen van 8 MW is de verwachting dat deze vergelijkbaar zal zijn met de huidige vergoeding die zelfopwekkers van de distributiebedrijven ontvangen. De vergoeding kan wel een lichte verschuiving van kosten tussen bedrijven tot gevolg hebben omdat de huidige terugleververgoeding gedifferentieerder is en onder meer rekening houdt met wijze van opwekking.

De tweede wijziging die bedrijfseffecten zal hebben, betreft de systeemdiensten. Omdat de landelijk netbeheerder een eigenstandige functie krijgt en niet meer de economische dispatch mag uitvoeren, zullen systeemdiensten worden geëxpliciteerd. Daartoe wordt een nieuw systeem ontwikkeld om de balans op het netwerk te garanderen, de regeling van de programma-verantwoordelijkheid. Tot 2001 zal er slechts een beperkt aantal programma-verantwoordelijken zijn, omdat de benodigde computerprogrammatuur nog ontwikkeld moet worden. Daarna zal iedere afnemer, niet zijnde een beschermde afnemer, en iedere vergunninghouder programma-verantwoordelijk zijn. De kosten, gemoeid met het in balans houden van het net, worden toegerekend aan de programma-verantwoordelijken. Naar mate het verschil tussen gecontracteerde hoeveelheid en daadwerkelijke afname groter is, zullen zij hiervoor een hogere rekening krijgen. Het systeem van programma-verantwoordelijkheid is een extra prikkel voor afnemers en vergunninghouders om zo goed mogelijk vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Doen zij dat, dan kan dat voor hen financiële voordelen hebben ten opzichte van het huidige omslagstelsel. Voor de overige systeemdiensten zullen de afnemers gaan betalen naar rato van hun elektriciteitsverbruik.

In de derde plaats is van belang voor de bedrijfseffecten dat voorwaarden voor toegang tot het net worden gesteld. Inhoudelijk zullen deze voorwaarden naar verwachting niet veel verschillen van de huidige voorwaarden: de kern is dat de elektriciteitsvoorziening veilig, betrouwbaar en doelmatig blijft. Verschillen kunnen voortvloeien uit het feit dat de voorwaarden transparanter en voor een ieder kenbaar zullen worden. Ook ten aanzien van de bestaande aansluitingen verandert er weinig voor afnemers. Bij nieuwe aansluitingen zullen de netbeheerders, waar mogelijk, meer concurrentie kunnen ondervinden, omdat afnemers ook andere bedrijven opdracht kunnen geven om kabels te leggen en meters te plaatsen. De daadwerkelijke aansluiting op het net blijft voorbehouden aan de netbeheerder. Het hangt van de netbeheerder af of iets zal veranderen: als hij scherp kan aanbieden, zullen de afnemers blijven kiezen voor een door hem verzorgde aansluiting. Zodoende zullen de afnemers profiteren van de concurrentie.

In de vierde plaats worden eisen gesteld aan de boekhouding van de netbeheerder. Deze eisen zijn bedoeld voor de onderlinge vergelijking van de bedrijven ten behoeve van de benchmarking voor de mutatie van de netwerktarieven. Het bekendmaken van deze eisen valt zoveel mogelijk samen met de juridische en administratieve afscheiding van het netbeheer van levering, productie en andere activiteiten van de elektriciteitsbedrijven. Daardoor kunnen de netbeheerders anticiperen op deze regels voor de structuur van de boekhouding en de eisen direct verwerken in de administratie die zij voor de nieuwe bedrijven opzetten. De kosten hiervan zijn lager dan wanneer dit niet samen zou gaan.

Ten slotte moet wat de bedrijfseffecten gewezen worden op de mogelijkheid van het verlenen van een ontheffing van de eis een netbeheerder aan te wijzen. Een klein deel van de afnemers beheert ook zelf een elektriciteitsnet. Omdat het disproportioneel zou zijn om hen te verplichten tot het aanwijzen van een netbeheerder, kunnen zij een ontheffing krijgen, zodat onnodige lasten voor hen worden voorkomen.

Ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel kan worden opgemerkt dat het wetsvoorstel de transparantie vergroot van de voorwaarden aan en tarieven voor de toegang tot het net en voor levering. Onderwerpen die in het verleden op verschillende plaatsen of impliciet waren geregeld, zullen op papier worden vastgelegd en gepubliceerd. Daarbij geeft het wetsvoorstel de directeur van de dienst en de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid de tarieven en voorwaarden voor respectievelijk nettoegang en levering vast te stellen, waarbij zij gemotiveerd kunnen afwijken van de voorstellen die de elektriciteitsbedrijven hebben gedaan. Dat is een verschil met de Elektriciteitswet 1989, waarbij de Minister van Economische Zaken de voorstellen voor elektriciteitstarieven goedkeurde en niet bevoegd was de voorstellen te wijzigen. Verder is vastgelegd dat representatieve organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt betrokken moeten zijn bij de totstandkoming van de voorstellen van netbeheerders. De directeur van de dienst zal bij het vaststellen van de tariefstructuren en voorwaarden rekening houden met de uitkomst van het overleg tussen afnemers, leveranciers, handelaren en netbeheerders.

De handhaving van het wetsvoorstel vloeit voort uit de Elektriciteitswet 1998. Bij deze bestuursrechtelijke handhaving heeft de directeur van de dienst een belangrijke rol, aangezien hij en zijn ambtenaren toezien op de naleving van de wet. Strafrechtelijke handhaving vindt plaats op grond van de Wet economische delicten. Voor geschillen ten aanzien van de toegang tot het net en de levering van elektriciteit is ten slotte voorzien in geschillenbeslechting door de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit. Een en ander leidt naar mijn oordeel tot voldoende waarborgen voor handhaafbare regelgeving.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdeel A

Aan artikel 1 worden de eerste plaats vier begrippen toegevoegd die van belang zijn voor de uitleg van een aantal artikelen in dit wetsvoorstel. Daarnaast wordt het tweede lid gewijzigd.

Thans is in artikel 1, tweede lid, van de wet bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur een afnemer kan worden aangewezen «die uitsluitend ingevolge de technische aard van zijn bedrijfsuitoefening beschikt over verscheidene aansluitingen». In het wetsvoorstel worden deze afnemers zelf aangewezen, zodat geen algemene maatregel van bestuur meer nodig zal zijn. Er worden drie groepen rechtspersonen aangewezen, namelijk de rechtspersonen die een onderneming drijven voor openbaar personen- en goederenvervoer waarbij de voertuigen met gebruikmaking van elektrische energie worden voortbewogen (trein, metro, tram en trolley), de rechtspersonen die de openbare verlichting en verkeersregelinstallaties beheren, en de rechtspersonen die zorgen voor riolering, bemaling, waterzuivering of transport en distributie van water. Bij deze activiteiten wordt elektriciteit geleverd op vele aansluitpunten, elk met een relatief lage aansluitwaarde. Evenwel kan het totaal aan die rechtspersonen beschikbaar gesteld vermogen groot zijn. Vanwege het uitgangspunt dat aansluitingen niet bij elkaar opgeteld mogen worden voor de bepaling of een afnemer vrij is, terwijl de desbetreffende rechtspersonen materieel gesproken groot genoeg zijn om als vrije afnemer aangemerkt te kunnen worden, bestaat een discrepantie met vergelijkbare bedrijven. Daarom wordt een uitzondering voor deze rechtspersonen gemaakt. Als voorwaarde is daarbij gesteld dat het totaal van het beschikbaar gesteld vermogen meer moet zijn dan 2 MW, zodat de vergelijkbaarheid met andere vrije afnemers gegarandeerd blijft. Ook wordt geëist dat de desbetreffende rechtspersoon uitsluitend ingevolge de technische aard van de bedrijfsuitoefening beschikt over verscheidene aansluitingen.

Onderdelen B, C en D

Artikel 5

In het eerste lid wordt vastgelegd dat de dienst als kamer deel uitmaakt van de Nma. Hieruit blijkt ook dat de directeur-generaal van de Nma de leiding heeft over de kamer. De directeur-generaal stuurt de directeur (en de kamer) aan, in beleidsmatige en beheersmatige zin.

Artikel 6

Het eerste lid geeft aan dat de directeur van de dienst zijn wettelijke taken en bevoegdheden uitoefent onder verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken. De minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven. Van een bijzondere aanwijzingsbevoegdheid zal geen sprake meer zijn wanneer de dienst de status van zelfstandig bestuursorgaan verkrijgt.

Het tweede lid bepaalt dat de minister, alvorens een aanwijzing te geven aan de dienst, de directeur-generaal van de Nma consulteert.

Artikel 8

In het voorgestelde artikel 8 wordt het zogenaamde overeenstemmingsvereiste vervangen door een explicitering van de aanwijzingsbevoegdheid van de directeur-generaal van de Nma. Volgens de huidige wet dient de directeur overeenstemming te bereiken met de directeur-generaal over de uitleg van mededingingsbegrippen. Op grond van dit wetsvoorstel wordt de directeur hiërarchisch ondergeschikt aan de de directeur-generaal; de directeur-generaal kan aanwijzingen geven aan de directeur. De aanwijzingen zijn publiekrechtelijke rechtshandelingen die tot belangrijkste (rechts)gevolg hebben dat de directeur deze moet opvolgen en ten uitvoer brengen.

Artikel 8 geeft aan dat de aanwijzingen van de directeur-generaal zien op bevoegdheden van de directeur waarbij hij mededingingsbegrippen uitlegt. Uiteraard kan ook binnen de nieuwe constructie worden vastgesteld dat dergelijke besluiten de instemming van de directeur-generaal behoeven. In het bijzonder kan dit artikel van toepassing zijn bij de vaststelling van de tariefstructuren, tarieven en voorwaarden, voor zover daarin mededingingsrelevante aspecten aan de orde zijn. Bovendien kan het artikel worden toegepast indien de directeur van de dienst zijn bevoegd op grond van het voorgestelde artikel 24b toepast, omdat met die bevoegdheid de mededinging op de desbetreffende netten kan worden beperkt. Eventueel zou in een dergelijk geval ook de Minister van Economische Zaken op grond van het voorgestelde artikel 6 een aanwijzing kunnen geven.

Onderdeel E

Het eerste lid bevat een regeling van een vrijstelling van de plicht voor het aanwijzen van een netbeheerder. Deze vrijstelling is ongewijzigd overgenomen uit de wet. In het tweede lid wordt een nieuwe regeling gegeven voor een ontheffing van die aanwijzingsplicht. Door dit wetsvoorstel worden alle criteria met betrekking tot de verlening van de ontheffing neergelegd in artikel 15. Geen ontheffing behoeft te worden aangevraagd door een eigenaar van elektriciteitsverbindingen waarop slechts de eigenaar zelf is aangesloten. Dergelijke «netten» worden voor de toepassing van de regels voor het netbeheer aangemerkt als installaties zolang slechts de eigenaar daarop is aangesloten. Krijgt ook een derde een aansluiting op die verbindingen, dan wordt het net wel als zodanig aangemerkt. Dan moet de eigenaar een ontheffing aanvragen op grond van het voorgestelde artikel 15, tweede lid, of anders een netbeheerder aanwijzen.

Het nieuwe tweede lid geeft een aantal criteria voor het verlenen van een ontheffing, waarbij enige discretionaire ruimte bestaat voor de Minister van Economische Zaken. Het gaat daarbij om de volgende gevallen.

In de eerste plaats wordt bepaald dat een ontheffing verleend kan worden als het net bestemd is voor de elektriciteitsvoorziening van de neteigenaar of ter ondersteuning van zijn centrale bedrijfsproces. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan Schiphol, waar het net is bedoeld voor het functioneren van de luchthaven, alle ondersteunende functies daarbij inbegrepen.

Het tweede criterium is dat een ontheffing verleend kan worden als een aantal rechtspersonen samenwerken om op het terrein waar zij gevestigd zijn een goede, en met name een duurzame en energiebesparende, energiehuishouding tot stand te brengen die afwijkt van de voorziening op het algemene net.

Een derde, alternatief criterium is dat de kwaliteit van het net afwijkt van het algemene net. Dit is bijvoorbeeld het geval op het terrein van Hoogovens, waar een net is aangelegd dat andere kwaliteitseisen heeft dan het openbare net, omdat op een aantal plaatsen een grotere betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening gewenst wordt geacht. Schiphol biedt als het om deze afwijking gaat ook een goed voorbeeld, omdat het daar aangelegde net driemaal zo betrouwbaar is als het openbare net.

Ten slotte kan een ontheffing worden verleend als een samenwerkingsovereenkomst gesloten wordt met de netbeheerder van het net waarop een «particulier net» is aangesloten, en het net toegankelijk is voor afnemers. Bovendien is dan vereist dat degene die de ontheffing aanvraagt geen netbeheerder is of in een groepsmaatschappij met een netbeheerder verbonden is. Het laatste criterium betekent ook dat het een energiebedrijf niet is toegestaan om enerzijds een dochtermaatschappij als netbeheerder aan te wijzen en anderzijds zelf deel te nemen of een dochtermaatschappij te laten deelnemen in het beheer van een bedrijfsterrein met een eigen net, waarvoor het een ontheffing aanvraagt.

Een ontheffing wordt verleend onder voorschriften. Niet wordt bepaald wat die voorschriften zullen inhouden, aangezien dat van geval tot geval bezien moet worden. Wel is het essentieel dat de ontwikkeling van de marktwerking ook op de netten waarvoor een ontheffing is verleend, wordt gewaarborgd. Het vierde lid is op dit punt niet aangepast. Het vijfde lid is wel aangepast: het niet meer voldoen aan de voorwaarden voor de verlening van een ontheffing kan thans ook grond zijn voor de intrekking van de ontheffing.

Onderdelen F, G, H, I, L, O, P, R, S, T, V, W, Z, AA en GG

De wijzigingen betreffen verwijzingen naar artikelen die worden aangepast in dit wetsvoorstel. De onderdelen O en AA hebben bovendien betrekking op het verbeteren van enkele verwijzingen in de wet.

Onderdeel F, onder 1 en 2, is mede ingegeven door een opmerking van het kamerlid Van Dijk tijdens de mondelinge behandeling van de ontwerp-Elektriciteitswet 1998 in de Eerste Kamer (Handelingen I 1997/98, blz. 1821–1822). Overeenkomstig zijn suggestie wordt thans in artikel 16 uitdrukkelijk aangegeven dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van de systeemdiensten. Deze netbeheerder moet de vraag naar en het aanbod van elektriciteit in evenwicht houden overeenkomstig de technische voorwaarden, bedoeld in het voorgestelde artikel 26 (onderdeel K).

Wat de toevoeging in onderdeel F, onder 4 en 5, betreft, merk ik op dat het anderen dan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is toegestaan landsgrensoverschrijdende netten aan te leggen. Artikel 16, derde lid, van de wet wordt in dat opzicht aangevuld om dit expliciet mogelijk te maken. Evenwel moet het beheer van alle landsgrensoverschrijdende netten in één hand worden gebracht, namelijk die van de landelijk netbeheerder. Daarom wordt artikel 16 aangevuld met een bepaling dat dergelijke netten beheerd moeten worden door deze netbeheerder.

Onderdeel J

Artikel 24a

Het voorgestelde artikel regelt de omgang met beperking in de transportcapaciteit van de door netbeheerders beheerde netten. Het uitgangspunt is in het eerste lid neergelegd: het is de netbeheerder niet toegestaan transportcapaciteit voor langere tijd ter beschikking te houden van een bepaalde afnemer. Het doel hiervan is het voorkomen dat bepaalde afnemers transportcapaciteit «opkopen» door deze voor zichzelf te reserveren, daardoor een transportknelpunt creëren en de daarmee ontstane schaarste te gelde maken door deze ruimte aan de hoogste bieder te verkopen. Het reserveren van ruimte op het net zou feitelijk betekenen dat afnemers de goede uitvoering van de taak van de netbeheerder kunnen verhinderen door zelf beperkingen op de toegang tot het net te creëren. Gelet hierop mag de netbeheerder dus geen transportcapaciteit voor een bepaalde afnemer reserveren. Hij zal voor korte tijdsruimten transportcapaciteit op evenredige wijze moeten toedelen op basis van de door partijen aangevraagde ruimte voor transport.

Op dit uitgangspunt worden twee uitzonderingen gemaakt. In de eerste plaats moet transport van elektriciteit worden uitgevoerd indien dat noodzakelijk is voor de hulp en bijstand, waarbij in het bijzonder gedacht moet worden aan internationale bijstand in het kader van de UCPTE. Daarvoor is een zekere reservering van de transportcapaciteit van met name landsgrensoverschrijdende netten noodzakelijk. Overigens geldt die reservering alleen voor «noodzakelijk» transport, dat wil zeggen om storingen in de voorziening in een ander land op te heffen. Het is gebruikelijk dat op een later tijdstip een hoeveelheid elektriciteit wordt teruggetransporteerd die gelijk is aan de vanuit Nederland geleverde stroom. Een dergelijke transport moet worden aangemerkt als «niet-noodzakelijk», zodat daarvoor de hoofdregel geldt en de terug te transporteren stroom slechts wordt getransporteerd wanneer daarvoor capaciteit beschikbaar is.

De tweede uitzondering op de hoofdregel wordt gemaakt voor bepaalde internationale verbindingen. Indien de Minister van Economische Zaken voor de transportverbinding met Noorwegen dan wel de directeur van de dienst voor de andere internationale verbindingen een besluit heeft genomen, waarbij reservering van de capaciteit tot een bepaalde omvang en voor een bepaalde tijdsduur wordt toegestaan, moet de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet die dergelijke verbindingen beheert, uitvoering geven aan dat besluit. De toelichting op artikel 24b gaat hierop verder in.

Het tweede lid van artikel 24a geeft aan wat de netbeheerder moet doen in het geval van transportbeperkingen. Concreet betekent deze bepaling dat hij van de totale transportcapaciteit de op grond van het eerste lid gereserveerde capaciteit moet aftrekken. Daarna moet hij de overblijvende capaciteit in beginsel op evenredige wijze verdelen over de verzoekers om transport.

Artikel 24b

Omdat degene die het landsgrensoverschrijdend net heeft aangelegd op grond van het in onderdeel F voorgestelde artikel 16, zesde lid, de beheersmacht over dat net verliest, moet er voorzien worden in een regeling om de met de aanleg gemoeide investeringen terug te verdienen. Afgezien van de mogelijkheid dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet aan degene die het net heeft aangelegd een vergoeding geeft voor het gebruik van het net, geeft artikel 24b een bijzondere regeling met betrekking tot de verdeling van de beschikbare transportcapaciteit. Degene die het net heeft aangelegd en de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet kunnen op grond van dat artikel aan de directeur van de dienst om een bijzondere regeling ten aanzien van de toegang tot het net verzoeken. De directeur van de dienst kan daarbij bepalen dat een deel van de transportcapaciteit van het desbetreffende net wordt gereserveerd voor de aanvrager of door hem aangegeven derden. Evenwel mag deze reservering niet onevenredig lang durend zijn. Daarom wordt in het tweede lid van dit artikel het belang om de investering terug te verdienen gezet naast of tegenover de belangen dat het net voor derden toegankelijk is en dat het landsgrensoverschrijdend handelsverkeer wordt bevorderd. Zodoende zal de directeur van de dienst kunnen bepalen dat voor een beperkte periode en voor een deel van de totale capaciteit door hem aangewezen marktpartijen een voorrangsrecht hebben om van een verbinding gebruik te maken. Hij kan daarbij bovendien tarieven en voorwaarden stellen die afwijken van de tarieven en voorwaarden die op grond van de artikelen 25 tot en met 27a worden gesteld voor netbeheerders. Een dergelijke regeling voorkomt dat de aanleg van dergelijke verbindingen wordt belemmerd doordat er te grote risico's aan zijn verbonden. Om bovendien te voorkomen dat de capaciteitsregeling mededingingsbeperkende effecten zou hebben, dient de directeur van de dienst in overleg te treden met de directeur-generaal van de Nma.

Indien tussen lidstaten in het kader van de Europese Unie afspraken worden gemaakt over bij internationaal elektriciteitstransport te hanteren tarieven en voorwaarden, kunnen ter uitvoering daarvan op voordracht van de Minister van Economische Zaken regels worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur (artikel 64). Terzake van die tarieven en voorwaarden bestaat in het algemeen de mogelijkheid voor de minister om een aanwijzing te geven aan de directeur van de dienst.

Onderdeel K

Artikel 25

De tariefstructuur heeft betrekking op het aansluittarief, het transporttarief en het systeemtarief. Voor elk van deze tarieven geldt een andere systematiek. Het aansluittarief is een tarief, dat een afnemer – een producent, een netbeheerder of een verbruiker van elektriciteit – die een aansluiting op een net wenst, moet betalen. Het transporttarief is de prijs die telkens als elektriciteit wordt getransporteerd, door degene die de elektriciteit ontvangt en verbruikt moet worden betaald. Het systeemtarief is het tarief dat afnemers moeten betalen voor het ter beschikking stellen van systeemdiensten door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, dat wil zeggen de diensten die bedoeld zijn om de betrouwbaarheid en veiligheid van de elektriciteitsvoorziening te waarborgen.

Andere soorten tarieven dan deze drie zijn in het kader van het netbeheer niet toegestaan. Dat wil niet zeggen dat de netbeheerder geen andere tarieven in rekening mag brengen voor andere activiteiten dan het netbeheer, maar deze tarieven worden niet gereguleerd, omdat deze activiteiten plaatsvinden in de context van volledige concurrentie. De Mededingingswet biedt een afdoende regeling voor dit deel van de markt.

De algemene voorwaarden die netbeheerders zullen stellen aan het verlenen van toegang tot het net, worden niet vastgesteld door de directeur van de dienst. In dit verband moet gedacht worden aan voorwaarden als betalingstermijnen, het beleid met betrekking tot het verbreken van aansluitingen in verband met wanbetaling, het behandelen van klachten over de nettoegang of andere serviceverlening. Bij het beoordelen van de aanwijzing van de netbeheerders zal worden nagegaan of bij het opstellen van deze voorwaarden consumentenorganisaties in voldoende mate zijn of zullen worden betrokken.

Artikel 25a

Het aansluittarief heeft volgens het eerste lid uitsluitend betrekking op «het verbreken van het net van de desbetreffende netbeheerder om een fysieke verbinding van de installatie van een afnemer met dat net tot stand te brengen, het installeren van voorzieningen om het net van de desbetreffende netbeheerder te beveiligen en het tot stand brengen van een verbinding tussen de plaats waar het net verbroken is en de voorzieningen om het net te beveiligen». Deze beschrijving maakt duidelijk dat de aansluiting beperkt moet worden opgevat: het gaat om wat bij elke aansluiting gebeurt, namelijk het maken van de verbinding tussen de «knip» in het net, dat wil zeggen het verbreken van een elektriciteitsleiding om een andere leiding daarmee te verbinden, het aanbrengen van voorzieningen om het net te beveiligen en het maken van een verbinding tussen de knip en de beveiligingsvoorzieningen. Diepe aansluitkosten worden niet in rekening gebracht. Omdat voor de berekening van het aansluittarief wordt uitgegaan van de standaardaansluitingen die in de praktijk worden gehanteerd, worden eventuele extra's die nodig zijn om bijzondere aansluitingen mogelijk te maken (bijvoorbeeld het plaatsen van transformatoren) niet gereguleerd. Afhankelijk van de omvang van de aansluiting kunnen verschillende componenten per aansluiting geïdentificeerd worden, die vertaald kunnen worden in tariefcomponenten. Het is gezien deze praktijk niet mogelijk en ook niet nodig om een eenvormige tariefdrager voor het aansluitttarief te formuleren.

De beveiligingsvoorziening is het punt waarop een installatie in elektrische zin van het net kan worden gescheiden. De plaats van de beveiliging is afhankelijk van de lokale omstandigheden en wordt in overleg met de afnemer bepaald. Het plaatsen van transformatoren tussen de ene leiding en de andere of het leggen van een leiding tussen het bestaande net en de installatie van de afnemer, valt hier niet onder. In beginsel kan immers een transformator of een leiding vanuit een installatie van een afnemer tot aan de beveiligingsvoorzieningen door iedereen worden geplaatst; de netbeheerder heeft terzake geen monopolie, maar is op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel e, van de wet gerechtigd ook deze werkzaamheden uit te voeren tot en met de meter van de afnemer. Artikel 17, onderdeel a, van de wet laat dat toe. Echter, het verbreken van het net om daar een afnemer op aan te sluiten en het maken van de beveiliging, zijn wel taken die zijn voorbehouden aan de netbeheerder, omdat het uitvoeren van zo'n aansluiting onmiddellijk gevolgen heeft voor de integriteit en het functioneren van het door hem beheerde net.

Het tweede lid schrijft voor dat elke afnemer die een aansluiting krijgt, het tarief moet betalen. Het aansluittarief zal grotendeels een éénmalig karakter hebben. Het is uiteraard mogelijk dat het verschuldigde bedrag in termijnen wordt afbetaald. Slechts voor onderhoudswerkzaamheden en bijzonder complexe installaties is een periodiek terugkerende tariefcomponent toegestaan, mits deze transparant wordt vormgegeven en deze gerelateerd is aan feitelijk geleverde diensten. Deze activiteiten die onafhankelijk zijn van het gebruik van het elektriciteitsnet en het elektriciteitstransport, worden dan ook niet in het transporttarief, maar in de jaarlijkse component van het aansluittarief ondergebracht.

Artikel 25b

In het eerste lid is het beginsel van de netwerkservice neergelegd: het tarief is onafhankelijk van de plaats van opwekking van de elektriciteit en van de aansluiting waar de elektriciteit op het Nederlandse net is gebracht. Voor de uitvoerbaarheid van het tariefsysteem is dit noodzakelijk, omdat onmogelijk kan worden nagegaan waar de elektriciteit die een afnemer feitelijk ontvangt, zijn oorsprong vindt.

Een aspect van dit beginsel dat niet is neergelegd in artikel 25b, maar dat zal worden uitgewerkt in het voorstel voor de tariefstructuren die de gezamenlijke netbeheerders opstellen, is het cascadestelsel. Dit stelsel houdt het volgende in. Getransporteerde elektriciteit wordt ontvangen op een bepaalde transporttrap, dat wil zeggen een bepaald spanningsniveau. Er zijn in beginsel vijf transporttrappen, namelijk 380/220 kV (het hoogspanningsnet), 150/110 kV, 50/25 kV, 20/10 kV en minder dan 10 kV. Het transporttarief zal per transporttrap worden berekend, waarbij wordt uitgegaan van het cascadestelsel. Dat betekent dat in het tarief voor iedere transporttrap mede zijn begrepen de tarieven voor het transport van elektriciteit over de hogere transporttrappen. Het cascadestelsel brengt tot uitdrukking dat voor de aflevering van elektriciteit op een bepaald spanningsniveau de andere spanningsniveaus ook nodig waren. In de weg van producent naar afnemer zal immers de elektriciteit in veel gevallen omhoog en omlaag worden getransformeerd om het transport over een lange afstand via het hoogspanningsnet mogelijk te maken.

Het tweede lid bepaalt dat het tarief in rekening wordt gebracht bij de ontvangende afnemer. De rechtvaardiging daarvoor is gelegen in de volgende overweging. Als het cascadestelsel wordt gehanteerd, betalen afnemers die elektriciteit op lagere spanningsniveaus ontvangen, meer voor het transport dan afnemers die elektriciteit van het hoogspanningsnet afnemen. Als hetzelfde zou gelden voor producenten die elektriciteit op het net invoeden, zou een drempel worden opgeworpen voor de ontwikkeling van een vrije elektriciteitsmarkt. Immers, hoe lager de producenten de door hen opgewekte elektriciteit invoeden op het net, des te hoger zou het transporttarief worden dat zij moeten betalen. Kleinschalige elektriciteitsproductie (warmte-krachtinstallaties) en duurzame elektriciteitsopwekking zouden daardoor worden achtergesteld ten opzichte van grootschalige productie, die veelal op de hoogste spanningsniveaus invoedt.

In het derde lid wordt bepaald dat de tariefdrager voor het transportafhankelijke deel van het transporttarief door de Minister van Economische Zaken wordt vastgesteld vóór 1 juli 1999. De tariefdrager voor het transportonafhankelijke deel (het vastrecht) wordt al wel geregeld. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is overwogen om de tariefdrager voor het transportafhankelijke element van het transporttarief uit te drukken in een bedrag per getransporteerde hoeveelheid elektriciteit in kWh. Een dergelijke tariefdrager houdt rekening met de hoeveelheid getransporteerde elektriciteit, niet met de daarbij benodigde transportcapaciteit in kW. Thans geldt als tariefdrager voor het transporttarief een combinatie van kW en kWh.

Er is een aantal voordelen verbonden aan de keuze voor de kWh als tariefdrager. Een kWh-transporttarief is rechtstreeks gekoppeld aan de hoeveelheid elektriciteit die een afnemer transporteert en daarmee aan het feitelijk gebruik dat van de elektriciteitsnetten wordt gemaakt. Het stimuleert daardoor een economisch gebruik van het netwerk. Dit blijkt bijvoorbeeld bij de productie van duurzame energie. Als het waait, kan een windmolen veel energie opwekken, maar bij windstil weer levert de molen niets op. Indien per beschikbaar gesteld vermogen (kW) zou worden betaald, wordt de producent steeds afgerekend op de piekbelasting. Bij een kWh-tarief daarentegen gaat het om feitelijk getransporteerde elektriciteit. Verder maakt een kWh-tarief het moeilijk om in gecontracteerde of gereserveerde transportcapaciteit te handelen. Omdat handel in transportcapaciteit moet worden tegengegaan (vergelijk de toelichting op artikel I, onderdeel J, artikel 24a), is het kWh-tarief ook uit dat oogpunt verkieslijk. Ook ondersteunt een kWh-tarief de werking van de beurs, waarin niet in transportcapaciteit, maar in te leveren hoeveelheden elektriciteit wordt gehandeld. Ten slotte sluit een kWh-tarief voor transport aan bij het kWh-tarief dat in artikel 25c wordt voorgesteld voor het tarief voor de systeemdiensten.

Als nadeel van een kWh-tarief kan worden aangevoerd dat een dergelijke tariefdrager onvoordelig kan uitwerken voor grootverbruikers als over alle voor hen getransporteerde kWh's hetzelfde tarief dient te worden betaald. Op zichzelf laat het vaststellen van de kWh als tariefdrager echter onverlet dat netbeheerders hiermee rekening houden en een degressief tarief voorstellen.

In het overleg met Sep, EnergieNed en VEMW tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel is gebleken dat deze partijen meer tijd wensen om de voor- en nadelen van de verschillende tariefdragers te kunnen beoordelen. Deze wens is aldus ingewilligd dat in dit wetsvoorstel de tariefdrager nog niet wordt vastgesteld, maar dat wel aan de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid wordt gegeven om de tariefdrager vóór 1 juli 1999 – mits uiteraard het wetsvoorstel voor die datum tot wet is verheven – vast te stellen.

Wat het transportonafhankelijke deel van het transporttarief betreft moet gedacht worden aan kosten die onafhankelijk zijn van de getransporteerde hoeveelheid elektriciteit, maar die wel direct met dat transport van elektriciteit verband houden. De omvang van deze kosten hangt samen met het aantal handelingen die de netbeheerder per afnemer van de transportdiensten moet verrichten, los van het transport van elektriciteit. Gedacht kan worden aan handelen als het beschikbaar stellen van de meter en de meteropname, de verbruiksadministratie, de debiteurenadministratie en de incasso.

Het vierde lid geeft de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde afnemers of bepaalde soorten transport van elektriciteit andere, de eerste drie leden van het artikel aanvullende, eisen te stellen. Met name kan hierbij gedacht worden aan een bijzondere tariefstructuur voor invoer, uitvoer en doorvoer. Omdat de tariefstelling sterk afhankelijk is van de tariefstelling in de andere lidstaten van de Europese Unie, zal de directeur van de dienst bij de vaststelling van de tarieven, en met name die voor invoer, uitvoer en doorvoer, zoveel mogelijk aansluiten bij de internationale trends en de uitkomsten van het overleg dat in internationaal en communautair kader plaatsvindt. Daarbij moet hij streven naar tarieven die geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van het internationale handelsverkeer met betrekking tot elektriciteit. Ook moet discriminatie tussen verschillende afnemers worden voorkomen.

Artikel 25c

Systeemdiensten worden verricht door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Deze diensten zijn noodzakelijk voor het waarborgen van een veilig, betrouwbaar en doelmatig elektriciteitstransport. De systeemdiensten kunnen worden onderscheiden in twee soorten diensten. Het gaat enerzijds om de inrichting van het elektriciteitsnet op een zodanige wijze dat de elektriciteitsvoorziening niet in gevaar komt als een of meer productie-installaties of netten uitvallen. Ook het zoveel mogelijk voorkomen en oplossen van grootschalige storingen door het aanhouden van reserve- en regelvermogen en het handhaven van black-start-voorzieningen, nodig voor het opstarten van de elektriciteitsvoorziening na een storing, moet hiertoe worden gerekend. Anderzijds is het nodig de energiebalans op het net te handhaven: op ieder moment moeten de afwijkingen tussen opgegeven en gerealiseerde energieprogramma's worden opgeheven, waarbij een verrekening moet plaatsvinden tussen de systeembeheerder en de programma-verantwoordelijken.

Gelet hierop moet ook onderscheid gemaakt worden tussen het tarief voor de systeemdiensten in enge zin en de prijs voor het handhaven van de energiebalans door middel van het systeem van programma-verantwoordelijkheid. Het eerstgenoemde tarief voor het verrichten van de systeemdiensten in enge zin heeft betrekkingen op voorzieningen die voor iedere afnemer die op het net is aangesloten, zijn getroffen, ongeacht het feitelijke gebruik dat van de voorzieningen wordt gemaakt. Het gaat met name om het beschikbaar houden van reserve- en regelvermogen en van black-start-voorzieningen. In zekere zin heeft dit tarief het karakter van een verzekering. Er is geen reden waarom één soort afnemer, namelijk de zelfopwekkers, niet zou hoeven te betalen voor deze verzekering waarvan zij evengoed profiteren als de andere afnemers.

De prijs voor het handhaven van de energiebalans heeft een andere functie. Het gaat daarbij niet zozeer om de vergoeding van gemaakte kosten, maar om een prikkel voor afnemers om zich te gedragen overeenkomstig de door of voor hen opgestelde programma's. Daarbij is er wel een verschil tussen zelfopwekkers die slechts incidenteel gebruik maken van het net en afnemers die altijd via het net elektriciteit ontvangen: eerstgenoemden zullen slechts incidenteel geconfronteerd worden met afwijkingen van hun programma's en zijn daardoor aanzienlijk minder verschuldigd voor het handhaven van de energiebalans. Deze prijs wordt niet gereguleerd als een tarief dat door de directeur van de dienst wordt vastgesteld. Wel wordt in de voorwaarden met betrekking tot de systeemdiensten (zie artikel 26, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid) de prijssystematiek en de hoogte van de prijs voor de afwijking van de energieprogramma's neergelegd, zodat de directeur van de dienst langs die weg toezicht houdt op de prijs.

De kosten, verbonden aan deze systeemdiensten zullen dus gelijkmatig verdeeld worden over een ieder die van de voorzieningen profijt heeft, omdat het profijt niet geïndividualiseerd kan worden. Dat betekent dan ook dat alle eindverbruikers, ook de zelfopwekkers die slechts incidenteel gebruik maken van het net als hun eigen elektriciteitsproductie ontoereikend is, moeten bijdragen aan deze «verzekering». Uitsluitend in die gevallen waarin de voor eigen verbruik producerende afnemer geen aansluiting heeft op een net dat wordt beheerd door een netbeheerder (een zogenaamd «eilandbedrijf»), is het redelijk dat niet wordt meebetaald aan de systeemdiensten, omdat deze afnemer ook geen voordeel daarvan kan hebben. Ook zullen producenten over het eigen verbruik van hun opwekeenheden uiteraard geen systeemtarief verschuldigd zijn. Een generator heeft namelijk elektriciteit nodig om elektriciteit te kunnen produceren en dit eigen verbruik wordt door de generator zelf geproduceerd, zodat het net daarbij in het geheel niet te pas komt. Bovendien zullen netbeheerders zelf over de elektrische energie, die zij moeten inkopen om netverliezen te compenseren, geen systeemtarief verschuldigd zijn. Overigens zal de omvang van de systeemdiensten en de mate van ondeelbaarheid in de komende jaren nader worden bezien.

Het derde lid bepaalt waarover het tarief voor de systeemdiensten wordt berekend, dat wil zeggen wat de tariefdrager van de systeemdiensten is. De tariefdrager, een bedrag per verbruikte hoeveelheid elektriciteit in kWh, is gerelateerd aan het daadwerkelijke profijt dat afnemers hebben van de systeemdiensten. De systeemdiensten zullen bij eindverbruikers in rekening worden gebracht. Ook zogenaamde «zelfopwekkers» betalen derhalve systeemdiensten over de door henzelf verbruikte kWh's. Wel is er de mogelijkheid dat producenten, als gevolg van uitkomsten van internationaal overleg, alsnog een tarief voor systeemdiensten gaan betalen over de netto productie. Ook dit geldt voor zelfopwekkers. In dat geval zal de tariefdrager niet betrekking hebben op hoeveelheden verbruikte elektriciteit, maar op hoeveelheden opgewekte elektriciteit (vierde lid, tweede volzin).

Artikel 26

Dit artikel geeft als het ware de inhoudsopgave van de «technische» voorwaarden voor de uitvoering van het netbeheer, die van belang zijn in de verhouding tussen netbeheerders en afnemers en netbeheerders onderling. Deze voorwaarden lijken enigszins op algemene voorwaarden in de zin van het Burgerlijk Wetboek waarnaar de netbeheerders verwijzen in hun overeenkomsten met afnemers. Het verschil is evenwel dat de voorwaarden worden vastgesteld op een publiekrechtelijke grondslag en dat het de netbeheerders niet is toegestaan daarvan ten gunste of ten koste van afnemers af te wijken. Zij zijn immers op grond van de artikelen 23 en 24 van de wet verplicht deze voorwaarden te hanteren. Bovendien is de inhoud van de voorwaarden anders, namelijk primair technisch van aard.

De voorwaarden zullen door de gezamenlijke netbeheerders worden uitgewerkt in drie handboeken, namelijk een zogenaamde netwerkcode, meetcode en systeemcode. In vergelijking met het ontwerp-Elektriciteitsbesluit dat op basis van de wet zou worden vastgesteld, geeft artikel 26 geen gedetailleerde inhoudsopgave van die handboeken. Een dergelijke mate van detail verdraagt zich moeilijk met het algemene karakter van een wet. Mocht nadere detaillering nodig zijn, dan zal die in overleg tussen de directeur van de dienst en de gezamenlijke netbeheerders tot stand worden gebracht.

Artikel 26 geeft een niet-limitatieve opgave van de inhoud van de voorwaarden. Het bepaalt wat geregeld moet worden, niet hoe dat moet, omdat het primair de verantwoordelijkheid van de terzake deskundige netbeheerders is om deugdelijke technische eisen te stellen voor de uitvoering van de taken die de wet aan hen opdraagt. Daarbij zullen zij ook interne kwaliteitsstandaards stellen en naleven. De directeur van de dienst ziet op de juiste invulling van die verantwoordelijkheid toe door de voorwaarden vast te stellen na een gedegen afweging in het licht van het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening en van het bevorderen van de ontwikkeling van het handelsverkeer op de elektriciteitsmarkt.

Wat de voorwaarden ten aanzien van het meten betreft merk ik in algemene zin op dat de meetfunctie in het verlengde van de taak met betrekking tot het netbeheer als een monopolie kan worden beschouwd. Dat geldt niet voor het installeren van een meter, want de wet merkt dat aan als een vrije activiteit. Het is wel noodzakelijk dat een meter aan kwaliteitseisen voldoet (bijvoorbeeld de eisen op grond van het Besluit kilowattuurmeters, dat is vastgesteld op grond van de IJkwet) en ook dat iedere netgebruiker bij de meting op dezelfde wijze wordt behandeld. Daarnaast zijn de meetgegevens zelf van belang vanwege hun commerciële waarde. Op grond van de artikelen 19 en 45 van de wet mogen de meetgegevens niet aan derden worden gegeven, behoudens voor zover het de uitwisseling van gegevens over beschermde afnemers betreft, waar netbeheerders en vergunninghoudende leveranciers wel kunnen samenwerken. Verder kan de Wet persoonsregistraties van toepassing zijn op de verwerking van de gegevens.

De gebiedsindeling van de netbeheerders maakt duidelijk in welke regio welke netbeheerder opereert en dus verantwoordelijk is voor een betrouwbaar transport van elektriciteit. Het kan voorkomen dat in sommige gebieden geen netbeheerder is, omdat daar een net ligt dat wordt beheerd door iemand die een ontheffing heeft op grond van artikel 15 van de wet. Indien in een bepaald gebied nog geen net ligt, valt dat gebied in beginsel onder de netbeheerder die in de omliggende regio het netbeheer uitoefent. De gezamenlijke netbeheerders kunnen wat het laatste betreft onderling anders afspreken.

De samenwerking van de netbeheerders houdt in de eerste plaats in dat zij gezamenlijke voorstellen voor tariefstructuren en voorwaarden moeten indienen. In de tweede plaats moeten zij dagelijks samenwerken om onder alle omstandigheden de goede werking van het elektriciteitsnet waarborgen. Het netbeheer door de ene netbeheerder dient aan te sluiten op het netbeheer door de andere. Deze samenwerking bevordert de interoperabiliteit van de netten alsmede het netbeheer op een objectieve, niet discriminerende wijze in de zin van artikel 7 van richtlijn nr. 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (PbEG 1997, L 27) (hierna: de elektriciteitsrichtlijn).

Bijzondere aandacht vraagt het netbeheer in buitengewone omstandigheden. Omdat de elektriciteitsvoorziening van cruciaal belang is voor de Nederlandse economie, moeten hierover goede afspraken gemaakt worden. Thans hebben elektriciteitsbedrijven reeds voorzieningen getroffen voor buitengewone omstandigheden, die verder gaan dan het verouderde Besluit bescherming gas- en elektriciteitsbedrijven, dat na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, als dit tot wet is verheven, kan worden ingetrokken. De bepaling heeft ook betrekking op onderwerpen als het millenniumprobleem, waarvoor de elektriciteitsbedrijven thans voor hun sector oplossingen zoeken.

Een bijzondere regeling is opgenomen in het tweede lid ten aanzien van de programma-verantwoordelijkheid. In het algemeen deel van de toelichting is daarop reeds ingegaan. Bij de uitwerking van het systeem van programma-verantwoordelijkheid in de voorwaarden kan worden bepaald wat de programma-verantwoordelijkheid concreet inhoudt, welke prijssystematiek wordt gehanteerd voor de vaststelling van de prijs die moet worden betaald voor het afwijken van de energieprogramma's, hoe de financiële aansprakelijkheid eruit ziet voor het niet voldoen aan de opgegeven programma's en welke privaatrechtelijke sancties er zijn als de financiële afrekening van onevenwichtigheden in de energiebalans niet wordt voldaan.

Artikel 26a

Nadat de tariefstructuren en voorwaarden de eerste maal na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn vastgesteld, gelden zij in beginsel voor onbepaalde tijd, uiteraard totdat zij op voorstel van de gezamenlijke netbeheerders door de directeur van de dienst worden ingetrokken en vervangen door nieuwe structuren en voorwaarden. Tussentijdse wijziging is ook mogelijk. Daarbij is voorzien in twee mogelijkheden:

1. de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet of een derde van de overige netbeheerders kunnen aan de gezamenlijke netbeheerders een gemotiveerd verzoek doen om de geldende structuren en voorwaarden aan te passen (eerste lid);

2. de directeur van de dienst kan een ontwerp-besluit tot wijziging van de structuren en voorwaarden opstellen waarover hij de gezamenlijke netbeheerders hoort (tweede lid).

De bevoegdheid tot het doen van een wijzigingsverzoek is aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet toegekend, gezien zijn bijzondere wettelijke regietaak en zijn functie als systeembeheerder (artikel 16, tweede lid, van de wet). Daarnaast is het nodig om een substantiële minderheid van de netbeheerders een zelfde bevoegdheid te geven. Mochten de gezamenlijke netbeheerders het tot hen gerichte verzoek niet overnemen of zelfs niet behandelen, dan hebben de verzoekers op grond van artikel 26d van het wetsvoorstel het recht om hun individuele voorstellen aan de directeur van de dienst te zenden. Deze is dan verplicht daarover een oordeel te geven na het inschakelen van een of meer adviseurs, hetzij door een besluit tot wijziging van de tariefstructuren of voorwaarden vast te stellen, dan wel door te weigeren een dergelijk besluit te nemen.

De directeur van de dienst kan ambtshalve overgaan tot wijziging van de tariefstructuren en voorwaarden. Hij is dan verplicht de gezamenlijke netbeheerders te horen over het ontwerp-besluit. Zij hebben twaalf weken de tijd om hun zienswijze over het besluit kenbaar te maken (artikel 26c, derde lid, van het wetsvoorstel). Voor de directeur van de dienst kan onder meer aanleiding bestaan om een wijziging te initiëren indien hij in het kader van zijn toezichtfunctie, al dan niet op basis van informatie van afnemers, tot de overtuiging komt dat de structuren en voorwaarden op onderdelen aanscherping of verandering behoeven. Ook de uitkomsten van het eerdergenoemde internationale overleg kan een aanleiding tot wijziging zijn.

Artikel 26b

De eis dat met representatieve organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt (afnemers, leveranciers, handelaren) moet worden overlegd, is bedoeld om zoveel mogelijk draagvlak te krijgen voor de tariefstructuren en voorwaarden, zodat de uitvoering daarvan zo min mogelijk controverses oproept. Bovendien geeft het bereiken van overeenstemming de directeur van de dienst enige mate van zekerheid dat de structuren en voorwaarden niet onredelijk bezwarend zijn voor een van de marktpartijen. Daarbij is wel van belang dat de representativiteit van de uitgenodigde organisaties is gegarandeerd. De directeur van de dienst zal er actief op toezien dat het overleg tussen netbeheerders en organisaties van voldoende kwaliteit is en dat afnemers, leveranciers en handelaren voldoende mogelijkheden hebben om hun zienswijze naar voren te brengen. Hij zal daarbij vooral aandacht kunnen besteden aan het verslag van het overleg dat de netbeheerders moeten doen in hun voorstellen voor tariefstructuren en voorwaarden. In beginsel is het overigens aan de netbeheerders overgelaten om de organisaties uit te nodigen.

Artikel 26c

Dit artikel betreft de verschillende termijnen waarbinnen de voorstellen of het commentaar op een ontwerp-wijzigingsbesluit moeten worden ingediend. Voor de eerste maal dat de tariefstructuren en voorwaarden worden vastgesteld, worden kortere termijnen gesteld voor de indiening van de voorstellen dan voor latere voorstellen tot wijziging. De rechtvaardiging daarvoor is dat netbeheerders thans reeds bezig zijn met het inrichten van de voorstellen. Mocht het desalniettemin niet mogelijk blijken op tijd een gezamenlijk voorstel in te dienen bij de directeur van de dienst, dan kunnen de individuele netbeheerders binnen vier weken afzonderlijke voorstellen aan hem voorleggen.

Artikel 26d

Indien de gezamenlijke netbeheerders niet in staat zijn een gezamenlijk voorstel te zenden aan de directeur van de dienst binnen de termijn van vier weken die in artikel 26c, eerste lid, respectievelijk van twaalf weken, die in artikel 26c, tweede lid, is voorgeschreven, heeft iedere netbeheerder het recht een voorstel voor de tariefstructuren of voorwaarden aan de directeur van de dienst te zenden. Zij hebben daarvoor vier weken de tijd. In die tijd hoeven zij geen overleg te plegen met organisaties van afnemers. In plaats daarvan dient de directeur van de dienst advies te vragen van één of meer onafhankelijke adviseurs over de binnengekomen voorstellen.

Artikel 26e

De directeur van de dienst heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van de tariefstructuren. Deze bevoegdheid wordt genormeerd doordat wordt voorgeschreven dat hij de belangen van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening en van de bevordering van de ontwikkeling van het handelsverkeer op de elektriciteitsmarkt in acht moet nemen. Bovendien moet hij de voorstellen van de netbeheerders en de uitkomsten van het overleg met organisaties van afnemers, leveranciers en handelaren in acht nemen en zwaar laten meewegen in zijn oordeelsvorming. Dit betekent in de praktijk dat hij weliswaar kan afwijken van de voorstellen, maar dat hij, als er overeenstemming bereikt is tussen netbeheerders en afnemers, alleen kan afwijken als hij daarvoor dringende redenen en een goede motivering heeft. Het is dus niet de bedoeling dat de directeur van de dienst het werk van de netbeheerders gaat overdoen, maar wel dat hij erop toeziet dat de structuren redelijk zijn. Hij moet ze zodanig vaststellen dat ze in overeenstemming zijn met de Elektriciteitswet 1998. Ook moet hij acht slaan op de Mededingingswet.

Voor de vaststelling van de voorwaarden gelden volgens het tweede lid nadere eisen die verband houden met artikel 7 van de elektriciteitsrichtlijn. Artikel 7 van de elektriciteitsrichtlijn eist notificatie van een voorstel met betrekking tot de voorwaarden op grond van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204; hierna: de notificatierichtlijn). Deze notificatie zal geschieden onder verantwoordelijkheid van de directeur van de dienst. Bovendien wordt in de elektriciteitsrichtlijn als algemene criteria voor de voorwaarden geformuleerd dat zij de interoperabiliteit van de netten garanderen en objectief en niet discriminerend zijn. Notificatie is noodzakelijk, omdat de voorwaarden technische voorschriften in de zin van de notificatierichtlijn bevatten. Deze technische voorschriften zouden een handelsbelemmerend effect kunnen hebben. Daarom is voorgeschreven dat alle technische voorwaarden die de lidstaten van de Europese Unie met betrekking tot het netbeheer stellen, in ontwerp aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan de andere lidstaten gemeld moeten worden. Zij kunnen dan bezien of de voorwaarden geen onnodige belemmeringen opwerpen. Ook voor de interoperabiliteit van de netten, dat wil zeggen het ongestoord in technische zin kunnen uitvoeren van het internationale netbeheer, is afstemming noodzakelijk. In het kader van de notificatie geldt op grond van artikel 9 van de notificatierichtlijn een «standstill-periode» van in ieder geval drie maanden, welke verlengd wordt als de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de lidstaten van de Europese Unie uitvoerig gemotiveerde meningen inbrengen tegen de voorstellen.

Als de voorstellen voor tariefstructuren en voorwaarden naar het oordeel van de directeur van de dienst niet juist zijn, zou hij in beginsel de tariefstructuren en voorwaarden kunnen vaststellen onder het aanbrengen van de door hem nodig geachte wijzigingen. Het is met de oog op de uitvoerbaarheid evenwel verstandig de netbeheerders een korte tijd gelegenheid te geven de voorstellen op de onderdelen waartegen de directeur van de dienst bezwaar heeft, aan te passen. Het derde lid geeft daarvoor een voorziening. De termijn voor aanpassing is niet lang, namelijk slechts twee weken, omdat het niet de bedoeling is opnieuw een uitgebreid onderhandelingsproces te starten. Gedurende deze termijn wordt evenwel de besluitvormingstermijn voor de directeur van de dienst opgeschort overeenkomstig artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Zijn de gezamenlijke netbeheerders niet van zins de gevraagde wijzigingen aan te brengen en stelt de directeur van de dienst de structuren of voorwaarden vast met de wijzigingen naar zijn inzichten, dan is het in voorkomend geval aan de netbeheerders om in bezwaar en beroep te trachten alsnog hun gelijk te krijgen.

Artikel 26f

Dit artikel regelt in aanvulling van artikel 26e de vaststelling van de tariefstructuren en voorwaarden nadat de termijnen, bedoeld in de artikelen 26c en 26d, zijn verstreken. Daarbij gelden de criteria van artikel 26e.

Artikel 26g

De besluiten betreffende de vaststelling van de tariefstructuren en de voorwaarden zijn van belang voor alle afnemers. Het is daarom redelijk om voor te schrijven dat zij in een algemeen verkrijgbaar, officieel publicatieblad worden gepubliceerd, te weten de Staatscourant. Bovendien moeten de netbeheerders de besluiten ter inzage leggen voor alle afnemers in hun kantoren. Zij kunnen tevens besluiten de structuren en voorwaarden ter beschikking te stellen langs elektronische wijze, bijvoorbeeld via Internet.

Artikel 27

De voorstellen met betrekking tot de tarieven moeten inzicht geven in de voor de desbetreffende netbeheerder geldende tarieven en de voor de tariefmutatie van belang zijnde omstandigheden. De aansluit-, transport- en systeemtarieven worden jaarlijks vastgesteld, zodat ook jaarlijks tijdig de tariefvoorstellen moeten worden gezonden aan de directeur van de dienst. Gekozen is voor de datum van 1 oktober, zodat daarna nog drie maanden de tijd is om de tarieven voor het volgende jaar vast te stellen. Mocht dat niet voldoende zijn, dan gelden op grond van artikel 27b, tweede lid, van dit wetsvoorstel de bestaande tarieven totdat de nieuwe tarieven in werking treden.

In het tweede lid is een voorziening opgenomen om bij de vaststelling van de tarieven rekening te kunnen houden met incidentele, grootschalige investeringen. Dergelijke investeringen kunnen zich met name voordoen bij de netten met een hoog spanningsniveau. Het gaat daarbij nadrukkelijk niet om normale uitbreidingsinvesteringen waarvan de jaarlijkse lasten van deze investeringen worden verrekend in de «gewone» tarieven die desbetreffende netbeheerder heeft voorgesteld. Voor deze uitzonderlijke investeringen kan de netbeheerder door middel van dit lid in het voorstel aangeven dat een verhoging van het tarief nodig is en kan de directeur van de dienst deze verhoging vaststellen.

Artikel 27a

De directeur van de dienst stelt de tarieven vast aan de hand van een formule. De eerste maal worden de netwerktarieven vastgesteld met inachtneming van Artikel IV van dit wetsvoorstel, waarbij zij zijn gebaseerd op het prijsniveau van 1996. Ten opzichte van dit tariefniveau zijn correcties denkbaar, indien kan worden aangetoond dat er sinds 1996 sprake is geweest van belangrijke kostenstijgingen die hun oorzaak vinden buiten de invloedssfeer van de betrokken bedrijven dan wel van investeringen die voldoen aan het criterium van artikel 27, tweede lid. Ook een structurele verandering in renteniveaus als gevolg van een gewijzigd risicoprofiel van de onderneming en de invoering van de euro kunnen hieronder vallen.

In het eerste lid is de mutatieformule opgenomen die werkt vanaf 1 januari 2001. De vast te stellen tarieven worden aangeduid met de factor pt, de door de directeur van de dienst in het daaraan voorafgaande jaar vastgestelde tarieven met pt-1. De invulling van een belangrijke factor in de formule, namelijk de korting ter bevordering van de doelmatige bedrijfsvoering door netbeheerders, is voorbehouden aan de directeur van de dienst. Deze factor zal kunnen verschillen voor de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet enerzijds en de overige netbeheerders anderzijds. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de brandstofprijsontwikkeling die van invloed is op de hoeveelheden energie die netbeheerders inkopen ten behoeve van het compenseren van netverliezen, van reserve- en regelvermogen en van het handhaven van het vereiste spanningsniveau in de netten. Voor de vaststelling van de efficiencykorting dient de directeur de procedure, bedoeld in het derde lid, te volgen.

Artikel 27b

Dit artikel regelt de inwerkingtreding en gelding van de tarieven. Ook wordt geëist dat de tarieven voor een ieder ter inzage worden gelegd. Desgewenst kan de netbeheerder de tarieven ook in elektronische vorm openbaar maken.

Artikel 27c

Een helder ingerichte boekhouding is voor de directeur van de dienst van essentieel belang voor een effectief toezicht. Bovendien is het noodzakelijk om de kostenontwikkeling bij de verschillende netbeheerders te kunnen vergelijken. Daarvoor moeten wel dezelfde maatstaven worden aangehouden. Dit artikel geeft, in aanvulling op de normen die in het boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn gesteld, het algemene kader voor de inrichting van de boekhouding.

Onderdelen M en N

De bepalingen met betrekking tot de in- en uitvoer van elektriciteit zijn voorzien van sanctiemogelijkheden. De achtergrond van deze bepaling is de volgende. Voor de ontwikkeling van de elektriciteitsmarkt is het van belang dat partijen na een verzoek snel inzicht hebben in de mogelijkheid om te importeren danwel te exporteren. Het zou de handel in elektriciteit onnodig belemmeren als voordat een verzoek tot invoer of uitvoer wordt gehonoreerd, steeds een uitputtende en gedetailleerde verificatie van de gegevens in het verzoek zou plaatsvinden. Het is daarom wenselijk om controle achteraf uit te voeren, die in het bijzonder nodig kan zijn als er twijfels zijn over de daadwerkelijke herkomst of bestemming in Nederland van de geïmporteerde elektriciteit. Door controle achteraf kan de inhoud van een verzoek voor inof uitvoer relatief eenvoudig zijn, zodat er voor de verzoeker en voor de beoordelaar van de verzoeken, de landelijk netbeheerder, zo min mogelijk administratieve lasten ontstaan. Voor de beoordeling van het verzoek is wel noodzakelijk dat zowel de afnemer die de elektriciteit ontvangt als de herkomst van de elektriciteit bekend is. Voor de reciprociteitsregeling is het immers van doorslaggevend belang of de afnemer in Nederland een «in aanmerking komende afnemer» in de zin van de richtlijn zou zijn in het land van herkomst van de elektriciteit. Intermediairs zoals handelaren of de elektriciteitsbeurs, zullen daarom bij het doen van een invoerverzoek aan de landelijk netbeheerder aannemelijk moeten maken dat ze aan deze centrale eis van de reciprociteitsregels voldoen. Het sluitende bewijs daarvan kan achteraf van hen verlangd worden, met name als het vermoeden bestaat dat er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden. Hetzelfde geldt voor afnemers die elektriciteit invoeren uit een ander land dan de buurlanden België en Duitsland. Het is voor de landelijk netbeheerder eenvoudig om snel te controleren of elektriciteit uit België of Duitsland komt, maar indien de elektriciteit uit een verder gelegen land afkomstig is, moet rekening gehouden worden met doorvoer. Het is dan aan de afnemer om desgevraagd achteraf te bewijzen dat de elektriciteit werkelijk uit het door hem opgegeven land afkomstig is.

Indien bij de controle achteraf blijkt dat door de verzoeker onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt zijn over de herkomst en de bestemming van de in te voeren elektriciteit, moet, voor zover dat nog mogelijk is, het elektriciteitstransport gestaakt worden en de desbetreffende overeenkomst vernietigd worden. Vernietiging kan plaatsvinden door een tot de wederpartij bij de overeenkomst gerichte (buitengerechtelijke) verklaring. Bovendien is er dan aanleiding om volgende verzoeken van desbetreffende verzoeker nauwkeurig te bezien, waarbij overgegaan moet worden tot controle vooraf. De verzoeker wordt dan bij het volgende verzoek geconfronteerd met de verplichting vooraf schriftelijk te bewijzen waar de elektriciteit wordt opgewekt en voor wie de elektriciteit bestemd is. Indien de onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt in het kader van een verzoek om een ontheffing als bedoeld in artikel 32, kan het grond zijn voor intrekking van de ontheffing. Op deze wijze wordt bereikt dat degene die de reciprociteitsregels tracht te ontlopen, daarvan weinig voordeel zal hebben, doordat de beoordeling van volgende verzoeken om in- of uitvoer aan zware eisen onderhevig zal zijn.

Onderdeel Q

Artikel 40

Voor de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers, alsmede voor de «teruglevering» van elektriciteit, opgewekt door beschermde afnemers en bepaalde producenten, stelt de Minister van Economische Zaken de tarieven, respectievelijk de vergoeding vast. De daarbij gehanteerde systematiek lijkt op die welke wordt toegepast bij de tarieven voor de toegang tot het net, al zijn er verschillen. Een belangrijk verschil is dat de leveringstarieven landelijk uniform zullen zijn na afloop van de interimperiode die tot 2001 zal duren. Eventuele verschillen tussen de leveranciers, samenhangend met verschillende kostenposten voor inkoop of diensten met betrekking tot de levering (de toegevoegde waarde die een leverancier realiseert), zijn in principe niet noodzakelijk. Mogelijke ondoelmatigheden in de elektriciteitslevering zullen moeten worden weggewerkt, opdat zo laag mogelijke leveringstarieven kunnen worden vastgesteld.

Het tweede en derde lid geven aan hoe de tariefvoorstellen moeten worden uitgewerkt. Het betreft daarbij de uniforme tariefstructuur van de leveringstarieven en de toegestane ruimte daarbinnen, waarbij zaken aan de orde zijn als de keuze van de tariefdrager, het onderscheiden van tariefperiodes, bijvoorbeeld een nacht- en een dagtarief, en het onderscheiden van gebruikspatronen die afhankelijk zijn van het soort afnemer (bijvoorbeeld huishoudens, kleine bedrijven, grote bedrijven). Deze tariefstructuur houdt met name rekening met mogelijkheden om afnamepatronen zodanig te beïnvloeden dat zich een doelmatige elektriciteitsvoorziening ontwikkelt.

Net als bij de tariefdrager voor het transporttarief is voor de tariefdrager van het leveringstarief bepaald dat het leveringsafhankelijke element daarvan door de Minister van Economische Zaken zal worden vastgesteld vóór 1 juli 1999. De tariefdrager voor het leveringsonafhankelijke element van het leveringstarief (het vastrecht) wordt wel bepaald, namelijk een bedrag in guldens. Leveringsonafhankelijke kosten zijn kosten die onafhankelijk zijn van de geleverde hoeveelheid elektriciteit, maar die wel direct met de levering van elektriciteit verband houden. De omvang van deze kosten hangt samen met het aantal handelingen die de vergunninghouder per beschermde afnemer moet verrichten, los van de levering van elektriciteit. Gedacht moet worden aan de handelingskosten met betrekking tot de verbruiksadministratie, de debiteurenadministratie, de incasso, de klantenservice en de voorlichting over energielevering en -verbruik.

Artikel 41

De eerste maal worden de leveringstarieven vastgesteld met inachtneming van artikel V van dit wetsvoorstel, waarbij zij gebaseerd worden op het prijsniveau van 1996. Ten opzichte van dit tariefniveau zijn correcties denkbaar, indien kan worden aangetoond dat er sinds 1996 sprake is geweest van belangrijke kostenstijgingen die hun oorzaak vinden buiten de invloedssfeer van de betrokken bedrijven, dan wel andere bijzondere factoren die een afwijking van het prijsniveau van 1996 rechtvaardigen.

Het eerste lid bevat de criteria voor het vaststellen van de tarieven na 1 januari 2001. De Minister van Economische Zaken moet rekening houden met het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening, waaronder begrepen het belang van beschermde afnemers om tegen redelijke voorwaarden verzekerd te zijn van de levering van elektriciteit. Deze redelijke voorwaarden houden onder meer in dat de druk op de tarieven niet zodanig kan zijn dat de dienstverlening aan beschermde afnemers daar onder lijdt. Ook moet bij de vaststelling van de tarieven rekening gehouden worden met het effect van een doelmatige bedrijfsvoering door vergunninghouders, waaronder de inkoop van elektriciteit en van energiebronnen bestemd voor de opwekking daarvan begrepen worden. Ten slotte wordt een mutatieformule uitgewerkt.

De mutatieformule houdt rekening met de inkoopkosten en de tarieven voor de diensten met betrekking tot de levering van elektriciteit. Ten aanzien van de inkoop wordt een efficiencykorting toegepast. Ten aanzien van de leveringsdiensten wordt die korting eveneens toegepast, zij het dat daar ook rekening wordt gehouden met de inflatie, uitgedrukt in de consumentenprijsindex voor alle huishoudens. Bovendien wordt de korting ten aanzien van de inkoop periodiek, zo nodig per kwartaal, berekend, omdat rekening gehouden moet worden met brandstofkosten, die kunnen fluctueren. In een beleidsregel van de Minister van Economische Zaken zullen de prestatie-indicatoren, nodig voor de vaststelling van de efficiencykorting op grond van het tweede lid, worden neergelegd.

Artikel 41a

Net zoals in artikel 27b van dit wetsvoorstel ten aanzien van de besluiten met betrekking tot de nettarieven is bepaald, wordt in artikel 41a de gelding van de leveringstarieven voorgeschreven. Ook wordt geeïst dat de vergunninghouders een exemplaar van de voor hem geldende tarieven en vergoeding voor een ieder ter inzage leggen in hun kantoren. Desgewenst kan een vergunninghouder overgaan tot het op elektronische wijze beschikbaar stellen van zijn tariefbladen. In het vierde lid wordt daaraan toegevoegd dat de vergunninghouder ook de tariefstructuren, tarieven en voorwaarden van de netbeheerders die werkzaam zijn in het gebied waarin hij aan beschermde afnemers levert, ter inzage moet leggen. Deze regel is gebaseerd op de gedachte dat de vergunninghouder voor beschermde afnemers het eerste aanspreekpunt is voor alles wat met de levering en het transport van elektriciteit samenhangt.

Onderdeel R

Artikel 52

De vergoeding voor de levering van elektriciteit, opgewekt op een wijze als bedoeld in artikel 51 van de wet, is direct gerelateerd aan het leveringstarief. Daarom moet een voorstel met betrekking tot deze vergoeding gelijktijdig met een voorstel voor de leveringstarieven aan de Minister van Economische Zaken gezonden worden.

Artikel 52a

Als uitgangspunt voor de vaststelling van de vergoeding wordt het leveringstarief genomen, waar een korting op wordt toegepast die gelijk is aan de toegevoegde waarde die een vergunninghouder realiseert bij de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers. Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan de interne kosten die de vergunninghouder maakt, maar ook aan de waarde die hij toevoegt door vraag naar en aanbod van elektriciteit op elkaar af te stemmen. Het ligt dus voor de hand de vergoeding te verminderen met deze toegevoegde waarde. Zij maken immers deze kosten niet.

Artikel 52b

De regeling ten aanzien van de gelding van de vergoeding en de ter inzage legging van de tariefbladen is conform de vergelijkbare regelingen voor de nettarieven en leveringstarieven.

Onderdeel X en Artikel II

Gezien het grote financiële belang van de besluiten met betrekking tot de herstructurering van de elektriciteitsproductiesector en de afwikkeling van de niet-marktconforme investeringen uit het verleden, wordt voorzien in de mogelijkheid van beroep in twee instanties tegen deze besluiten. Daarbij wordt als rechter in eerste instantie de rechtbank te Arnhem aangewezen.

Onderdeel Y

Voorgesteld wordt artikel 64 van de wet aan te vullen met de grondslag voor een algemene maatregel van bestuur in geval er een EG-richtlijn tot stand komt met betrekking tot de tarieven en voorwaarden voor transport of levering van elektriciteit. Op de vaststelling van deze amvb is de voorhangprocedure van artikel 61, tweede lid, van de wet van toepassing.

Onderdelen BB en CC

De artikelen 71, tweede lid, en 72, vierde lid, van de wet worden redactioneel enigszins aangepast om recht te doen aan de interpretatie van deze artikelen, zoals die tijdens de mondelinge behandeling van de ontwerp-Elektriciteitswet 1998 is gegeven door het Eerste-Kamerlid Loudon (Handelingen I 1997/98, blz. 1778–1779). Deze interpretatie houdt in dat voor iedere wijziging met betrekking tot de eigendom van een net of van aandelen in een producent, netbeheerder of vergunninghouder de instemming van de Minister van Economische Zaken vereist is. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om de vervreemding van aandelen of om emissie van aandelen. De voorgestelde wijzigingen leiden ertoe dat duidelijk is dat zowel bij vervreemding als bij emissie de instemming onthouden kan worden, indien de vervreemding of emissie ertoe leidt dat aandelen of netten in andere handen komen.

Onderdeel EE

Artikel 75

Onderdeel b heeft betrekking op de tussen de vier elektriciteitsproductiebedrijven en de N.V. Sep op 22 mei 1986 gesloten en op 15 oktober 1990 gewijzigde overeenkomst van samenwerking. De N.V. Sep is de aangewezen vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Elektriciteitswet 1989.

Artikelen 76 en 77

Verplichtingen van de elektriciteitsproductiesector die in het verleden binnen de sectorale samenwerkingstructuur zijn aangegaan, moeten afgewikkeld worden. Dat betekent dat de productiebedrijven hun gezamenlijke financiële draagplicht en uitvoeringsplicht voor aangegane investeringen en overeenkomsten onderling dienen te verdelen. De bedrijven zullen daardoor de overeenkomst van samenwerking in de huidige vorm beëindigen. De artikelen 76 en 77 beogen de daarvoor vereiste besluitvorming als volgt te ondersteunen en te structureren.

De overeenkomst van samenwerking van de productiesector dient tot 1 januari 2001 in stand gehouden en nageleefd te worden. Tevens blijft de tussen de productiesector en de distributiesetcor bestaande leveringsovereenkomst in stand tot de in die overeenkomst voorziene einddatum van 1 januari 2001. Daarmee wordt gedurende de jaren van overgang naar de nieuwe marktstructuur de stabiliteit en zekerheid geboden die zowel vanuit het oogpunt van voorzieningszekerheid als vanuit het belang van een adequate verdeling van niet-marktconforme kosten van de sector gewenst is. Ten aanzien van beide overeenkomsten bestaat de mogelijkheid dat zij gedurende de resterende looptijd aanpassing ondergaan. Op grond van het derde en vierde lid van artikel 76 kunnen partijen daartoe een gezamenlijk verzoek richten tot de Minister van Economische Zaken. Deze beoordeelt een verzoek in het licht van hetgeen vereist is voor een goede afwikkeling van de bestaande verplichtingen.

Op de vier productiebedrijven en de N.V. Sep rust ingevolge artikel 77 een inhoudelijke resultaatsverplichting tot het onderling verdelen van bestaande verplichtingen. Uit de door hen tot stand te brengen bindende regeling dient per verplichting duidelijk te zijn welk productiebedrijf verantwoordelijk is voor de uitvoering daarvan en verplicht is tot het dragen van de daaraan verbonden financiële gevolgen. Teneinde zeker te stellen dat tijdig adequate besluitvorming over de afwikkeling van bestaande verplichtingen plaatsvindt, behoeft de regeling de instemming van de Minister van Economische Zaken.

Op deze wijze worden duidelijke voorwaarden gesteld aan de besluitvorming door de vier elektriciteitsproductiebedrijven en de N.V. Sep, maar blijft de verantwoordelijkheid voor die besluitvorming in beginsel in handen van hen zelf. Daardoor zijn zij in de gelegenheid invulling te geven aan de principe-overeenstemming over de afwikkeling van bestaande verplichtingen die op 16 oktober 1998 is bereikt tussen de vier productiebedrijven en de N.V. Sep en de Minister van Economische Zaken.

Met het oog op het belang van een betrouwbare elektriciteitsvoorziening en gelet op de sterke behoefte aan duidelijkheid voor partijen op de elektriciteitsmarkt, dient het overgangsregime tijdig vast te staan. Gelet op dit algemeen belang, voorziet de wet er tevens in dat zonodig een regeling aan partijen kan worden opgelegd. Artikel 77, vierde en vijfde lid, geeft de mogelijkheid dat de Minister van Economische Zaken een afwikkelingsregeling oplegt aan de productiebedrijven en de N.V. Sep. Gegeven de bijzondere aard en complexiteit van het geheel van bestaande verplichtingen zal over die regeling door drie adviseurs advies worden uitgebracht. Over de beoogde aanwijzing van adviseurs zullen de bedrijven gehoord worden, teneinde rekening te kunnen houden met hun gerechtvaardigde belangen.

Artikel 77a

Een deel van de niet-marktconforme kosten van de elektriciteitsproductiesector zal worden gedekt door middel van een daartoe bestemde toeslag op het tarief dat verschuldigd is voor het transport van elektriciteit. Het gaat hierbij om kosten die zijn verbonden aan de invoer van elektriciteit en gas uit hoofde van langlopende overeenkomsten die de N.V. Sep in het verleden heeft gesloten met Electricité de France, Preussen Elektra, Vereinigte Elektrizitätswerke Westfalen en het Noorse bedrijf Statoil, alsmede om de zogenaamde Power Exchange Agreement met het Noorse bedrijf Statkraft. Voor de kosten verbonden aan de verplichtingen als bedoeld in de onderdelen b en c – de experimentele kolenvergassingsinstallatie «Demkolec» te Buggenum en de warmteleveringscontracten van de productiesector – was in artikel 75 van de Elektriciteitswet 1998 al een bijdrage uit het transporttarief voorzien.

De wijze van berekening van niet-marktconforme kosten en van de daarvoor vast te stellen toeslag die bestemd is ter dekking van die kosten worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Op die amvb is de voorhangprocedure van artikel 61, eerste en tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 van toepassing. De Minister van Economische Zaken zal de toeslag vaststellen door toepassing van de regels van die amvb. De toeslag zal worden gerelateerd aan de ontwikkeling van marktprijzen voor basislast elektriciteit en gas. In de brief van 27 oktober 1998 aan de Tweede Kamer over de structuurverandering in de elektriciteitssector is dit nader toegelicht (kamerstukken II 1998/99, 25 097, nr. 24).

Artikel 77b

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is op grond van de Elektriciteitswet 1998 belast met het beheer van landsgrensoverschrijdende verbindingen voor het transport van elektriciteit, waaronder ook wordt verstaan de aanleg van dergelijke verbindingen. Het beheer van de landelijk netbeheerder strekt zich ook uit over de aanleg en het gebruik van de kabel voor het transport van elektriciteit tussen Noorwegen en Nederland. De N.V. Sep heeft met het Noorse bedrijf Statnett reeds een overeenkomst gesloten tot aanleg van die kabel. Tegen deze achtergrond is geregeld dat het door de landelijk netbeheerder in rekening te brengen tarief voor het transport van elektriciteit mede zal dienen ter dekking van de kosten van de aanleg van deze kabel. In het tweede lid is als overgangsmaatregel de mogelijkheid geregeld dat de capaciteit van de Noorse kabel bij voorrang kan worden bestemd voor de uitvoering van een deel van de leveringsovereenkomst tussen de N.V. Sep en Statkraft die is gesloten in samenhang met de overeenkomst tot aanleg van de kabel.

Artikel 77c

Voor de vaststelling van de in artikel 77a bedoelde algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling dient onder meer inzicht te bestaan in de ontwikkeling van marktprijzen van elektriciteit en gas. De voor de dekking van niet-marktconforme kosten bestemde toeslag op het transporttarief zal immers mede worden gerelateerd aan de ontwikkeling van marktprijzen voor basislast elektriciteit en gas. Daarom is bepaald dat de Minister van Economische Zaken of door hem gemachtigde personen – waarmee onder meer accountants zijn beoogd – inzage kunnen nemen in zakelijke gegevens en bescheiden van partijen op de elektriciteitsmarkt. Tot die partijen behoort ook de in ontwikkeling zijnde elektriciteitsbeurs, die als handelaar in de zin van dit artikel wordt aangemerkt.

Het weigeren van tijdige medewerking aan inzage is als economisch delict strafbaar.

Artikel III

In het algemeen deel van de toelichting is reeds uiteengezet dat het noodzakelijk is enige tijd te werken met een beperkt aantal programma-verantwoordelijken in verband met de voorbereidingen die de sector moet treffen voor een meer uitgebreid systeem van programma-verantwoordelijkheid. Daaarbij moet vooral worden gedacht aan het ontwikkelen van benodigde software. Op grond van het eerste lid worden als programma-verantwoordelijke in de periode tot en met 31 december 2000 in ieder geval aangewezen vergunninghoudende leveranciers en de producenten die vergunninghouders waren onder de Elektriciteitswet 1989. Voorts kan een afnemer, leverancier of handelaar als programma-verantwoordelijke optreden indien deze als zodanig is aanvaard door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet.

Voor het aantal programma-verantwoordelijken stelt de directeur van de dienst, in overleg met deze netbeheerder, tot 31 december 2000 een plafond vast dat hij moet publiceren in de Staatscourant. Voor het eerste jaar waarin het systeem werkt moet gedacht worden aan een totaal aantal van ongeveer veertig, de vergunninghouders en producenten daarbij inbegrepen. Bij de vermelding van het plafond moet dan tevens worden aangegeven hoe het aantal programma-verantwoordelijken verdeeld zal worden over de gegadigden, waarbij in ieder geval geen sprake mag zijn van ongerechtvaardigde bevoordeling van één van de groepen. Concreet betekent dat bijvoorbeeld dat voorkomen moet worden dat alleen producenten of alleen bestaande leveranciers als programma-verantwoordelijken worden geaccepteerd. Bovendien zal er de eerste jaren slechts één programma-verantwoordelijke per concern kunnen zijn. Het is niet wenselijk dat een energiebedrijf zowel een programma-verantwoordelijke vergunninghouder als een of meer andere programma-verantwoordelijke dochtermaatschappijen heeft zolang niet iedereen programma-verantwoordelijkheid kan uitvoeren. Nieuwkomers op de elektrici- teitsmarkt dienen immers ook toegelaten te worden. Ook de elektriciteitsbeurs zal voor programma-verantwoordelijkheid in aanmerking komen.

Artikel IV

Ten behoeve van de overgang van het tariefsysteem op grond van de Elektriciteitswet 1989 naar het nieuwe tariefsysteem, is voor de eerste twee jaren na inwerkingtreding van die wet gekozen voor een oplossing die elektriciteitsbedrijven in staat de overgang ook feitelijk gestalte te geven. Voor het eerste jaar, 1999, zullen door de bedrijven maximum-eindverbruikerstarieven worden vastgesteld op grond van de Elektriciteitswet 1989. Deze tarieven moeten worden goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken. Bij de opstelling van deze tarieven zal reeds een splitsing in netwerk- en leveringstarieven overeenkomstig dit wetsvoorstel worden gemaakt.

Het is op grond van het eerste lid van dit artikel de bedoeling dat de tarieven voor 1999 blijven gelden tot 1 januari 2000, zodat er voor netbeheerders geen gebroken boekjaren ontstaan. Zij moeten dus op 1 oktober 1999 voor het eerst de tariefvoorstellen indienen volgens de regels van dit wetsvoorstel, dat dan naar verwachting tot wet zal zijn verheven.

Artikel V

Ten aanzien van de leveringstarieven en, daaraan gerelateerd, de terugleververgoeding gelden vergelijkbare maatregelen en overwegingen als in de toelichting op artikel III is gesteld ten aanzien van de nettarieven.

Artikel VI

Thans kunnen op grond van artikel 15 van de Elektriciteitswet 1998 ontheffingen worden verleend voor de verplichting een netbeheerder aan te wijzen. In dit wetsvoorstel wordt die bepaling gewijzigd. Daardoor bestaat de kans dat op grond van de bestaande regeling een ontheffing is verleend die op grond van de nieuwe regeling niet of niet in deze vorm verleend zou zijn. Het moet dan mogelijk zijn de ontheffing in te trekken. Na intrekking dient de eigenaar van het net óf een nieuwe ontheffing aan te vragen, óf een netbeheerder voor het net aan te wijzen, een en ander conform de artikelen 10 tot en met 15 van de (gewijzigde) Elektriciteitswet 1998. Omdat de desbetreffende eigenaar reeds een bijdrage betaald heeft voor de verlening van de oorspronkelijke ontheffing, zou het niet fair zijn hem nogmaals te laten betalen voor een nieuwe ontheffing of instemming met een aanwijzing, die nodig is geworden doordat de wettelijke regeling terzake is gewijzigd.

Artikel VII

Gezien de omvangrijke wijziging die dit wetsvoorstel in de Elektriciteitswet 1998 wordt aangebracht wordt omwille van de leesbaarheid van die wet voorzien in een tekstplaatsing van de gewijzigde wet, waarbij de artikelen, hoofdstukken en paragrafen zo nodig vernummerd kunnen worden.

Artikel VIII

Voor zover de artikelen 34 tot en met 37 van de Elektriciteitswet 1989 met betrekking tot de invoer van elektriciteit in de Elektriciteitswet 1989 niet stroken met de elektriciteitsrichtlijn, moeten zij vanaf het moment dat de richtlijn geïmplementeerd moet zijn (19 februari 1999), zo worden geïnterpreteerd dat er geen strijd ontstaat met die richtlijn. Voor het overige moeten zij buiten toepassing worden gelaten. Het is omwille van de rechtszekerheid nodig om deze artikelen zo spoedig mogelijk nadat dit wetsvoorstel tot wet is verheven en in het Staatsblad is geplaatst, te laten vervallen.

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink

Naar boven