Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 in verband met het mogelijk maken van gebieden waar een fatbike niet is toegestaan, opheffen algemeen bedelverbod en enkele technische wijzigingen gelet op de Opiumwet en Wet aanpak woonoverlast

De raad van de gemeente Amsterdam,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 januari 2026,

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet,

 

besluit:

Artikel I  

De Algemene Plaatselijke Verordening 2008 wordt als volgt gewijzigd:

 

A

 

In artikel 1.11, tweede lid, onderdeel c, komt ‘en 4.8’ te vervallen.

 

B

 

In artikel 2.1 wordt in de alfabetische volgorde een nieuwe definitie ingevoegd, luidende:

  • -

    fatbike: een fiets met trapondersteuning met banden breder dan 7 cm;

C

 

Artikel 2.7 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.
    • a.

      In het eerste lid wordt na ‘harddrugs’ ingevoegd ‘of daarop gelijkende waar’.

    • b.

      Het tweede lid komt te luiden:

      • 2.

        Het is verboden zich op of aan de weg op te houden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2, 2A of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.

D

 

Na artikel 2.17B Aanwezigheid medewerker met diploma sociale hygiëne op vervoermiddel wordt een nieuw artikel ingevoegd luidende:

 

Artikel 2.17C Fatbikes

Het is de bestuurder van een fatbike verboden zich op een fatbike te verplaatsen op door de burgemeester in het belang van de bescherming van de openbare orde of veiligheid aangewezen gebieden, wegen of weggedeelten.

 

E

 

Artikel 2.18A, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.

    De gebruiker of aan degene die de woning of daarbij behorend erf tegen betaling in gebruik geeft draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid daarvan geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

F

 

Artikel 2.21 komt te luiden:

 

Artikel 2.21 Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door de burgemeester ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

 

G

In Artikel 6.1 Strafbepaling wordt na ‘2.17A eerste lid,’ ingevoegd ‘2.17C,’

Artikel II  

De toelichting bij de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 wordt als volgt gewijzigd:

 

A

 

De toelichting op artikel 2.7A komt te vervallen.

 

B

 

Na de toelichting op artikel 2.17B wordt een tekst ingevoegd luidende:

 

2.17C Fatbikes

In dit artikel wordt het mogelijk gemaakt dat de burgemeester gebieden, wegen of weggedeelten aanwijst waar het eenieder verboden is om zich te verplaatsen op een fatbike. De grondslag om dergelijke gebieden aan te wijzen is het belang van de bescherming van de openbare orde of veiligheid. Elke gebiedsaanwijzing moet proportioneel zijn in de afweging van het belang, de omvang van het gebied en de duur van de aanwijzing. De doelstelling van deze bepaling is het voorkomen van hinderlijk gedrag en overlast door personen die zich in een gebied bevinden met een fatbike. De overlast bestaat uit gedrag met fatbikes dat gevaar, overlast of verstoring van de openbare orde veroorzaakt. Er is, zo blijkt uit vele meldingen, onder meer sprake van hinder en hard rijden op plekken door mensen op fatbikes.”

 

Uit artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat gemeenten hun bevoegdheid behouden om bij verordening regels te kunnen vaststellen ten aanzien van een onderwerp waarin de Wegenverkeerswet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen. Er is landelijk geen wettelijk onderscheid: Wettelijk gezien vallen fatbikes onder de regels voor e-bikes. De gekozen definitie van fatbikes is gebaseerd op bandendikte, zodat verschillende typen fatbikes onder de bepaling vallen.

 

C

 

De toelichting op artikel 2.18A Hinder in en om de woning komt te luiden:

 

Artikel 2.18A Hinder in en om de woning

1 Artikel 2.18A Hinder in en om de woning

Eerste lid. Het eerste lid bevat de norm (een zorgplicht) die elke gebruiker of ingebruikgever moet naleven. Deze zorgplicht is gericht tot degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt en degene die tegen betaling een woning in gebruik geeft. Deze bepaling kan gebruikt worden als omwonenden ernstige hinder ondervinden door gedrag van gebruikers van een woning. Bij ernstige hinder is sprake van dusdanige hinder dat omwonenden herhaaldelijk in hun woongenot worden aangetast. Het gaat dan bijvoorbeeld om geluidsoverlast waardoor bewoners meermaals onvoldoende nachtrust hebben, intimiderende of agressieve gedragingen van omwonenden of ernstige vervuiling van een woning waardoor omwonenden last hebben van stank. Het gaat om gevallen waarbij, naar het oordeel van de burgemeester, niet van omwonenden verwacht kan worden dat zij de hinder dulden of zelf oplossen, of waarbij het initiatief van omwonenden tot een oplossing te komen niet tot einde van de hinder heeft geleid.

 

Omdat in Amsterdam veel mensen op een kleine oppervlakte wonen is enige mate van hinder van omwonenden onontkoombaar. Zo kan een bewoner er last van hebben als andere omwonenden hard op de gemeenschappelijke trap lopen, jonge kinderen hebben die vroeg wakker zijn, overdag een instrument bespelen, kinderen die buiten spelen of een aantal keer per jaar een barbecue houden in de gemeenschappelijke binnentuin. Voor dergelijke gevallen is deze bepaling niet bedoeld. Bij reguliere burenconflicten, conflicten die passen bij het dicht bij elkaar wonen van veel mensen, is het aan de bewoners om daarvoor een oplossing te vinden. In die gevallen is sprake van een normaal maatschappelijk risico: enige mate van hinder is, hoe vervelend dat ook kan zijn voor de betrokkenen, onvoldoende aanleiding voor de overheid om op te treden.

 

Ook zal alleen van deze bepaling gebruik gemaakt worden indien er geen redelijke andere oplossing voorhanden is, zoals optreden door de verhuurder of VVE of minnelijk overleg tussen de gebruiker, de omwonenden en/of de gemeente. Het is aan het oordeel van de burgemeester of de hinder ernstig en aannemelijk is en of er een andere redelijke oplossing voorhanden is.

 

De gebruiker is de persoon die (hoe kortdurend ook) woonachtig is in de woning. Het artikel is gebaseerd op artikel 151d van de Gemeentewet.

 

Tweede lid. In dit lid zijn de categorieën gedragingen opgenomen die in ieder geval worden opgevat als ernstig hinderlijk gedrag, waarmee de bepaling voldoende kenbaar en voorzienbaar is. Bij vervuiling in en om de woning wordt dan bijvoorbeeld gedacht aan het niet verwijderen van afval of het in ernstige mate niet schoonhouden van de woning. Bij intimiderende uitingen of gedragingen wordt bijvoorbeeld gedacht aan schreeuwen en schelden, bedreigen met geweld, het bevuilen van een woning of het met regelmaat binnenkijken van andermans woning. Van gevaarzettend gedrag is sprake indien door gedragingen van gebruikers een gevaarlijke situatie bestaat, bijvoorbeeld brandgevaar.

 

Derde lid. In dit lid is de bevoegdheid van de burgemeester weergegeven om een last onder bestuursdwang op te leggen. Doorgaans zal de last in de vorm van een last onder dwangsom worden opgelegd (zie artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht). De last kan worden opgelegd aan de gebruiker van de woning (dat wil zeggen de veroorzaker van het hinderlijk gedrag) en aan de (ver)huurder of eigenaar van de woning. Het is aan het oordeel van de burgemeester of de last wordt opgelegd aan de gebruiker van de woning en/of aan de verhuurder/eigenaar van de woning. De last kan (ook) aan de verhuurder/eigenaar van de woning worden opgelegd in geval een verhuurder niet of niet voldoende optreedt tegen overlastgevende huurders of de overlast zelfs initieert, zoals een huisjesmelker die een treiterhuurder inzet. Ook biedt dit artikel een mogelijkheid om op te treden tegen de overlast die wordt veroorzaakt bij kortdurende verhuur van particuliere woningen. In het geval van vakantieverhuur ligt het niet voor de hand om de toeristen aan te spreken omdat deze binnen korte tijd vertrekken, maar is het meer zinvol om de verhuurder/eigenaar aan te spreken.

 

Een last onder bestuursdwang of dwangsom kan niet verder gaan dan het bewerkstelligen van het doel: de beëindiging van de hinder. Een last onder bestuursdwang kan bijvoorbeeld inhouden: het verbod om gedurende de nacht piano te spelen, het gebod om geen vuilnis in de gemeenschappelijke gang te laten staan of het verbod om bezoek te ontvangen in de woning. Per geval zal bij een last onder dwangsom het bedrag worden vastgesteld. De dwangsom kan bij een volgende overtreding worden geïnd.

 

Vierde lid. Een last onder bestuursdwang wordt enkel opgelegd indien de hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

 

Andere geschikte wijzen zijn bijvoorbeeld: gesprekken met bewoners, handhaving of beëindiging van de huurovereenkomst, maatregelen die kunnen worden opgelegd door een VVE zoals een boete of ontzegging of het inschakelen van bijvoorbeeld het Meldpunt Zorg en Woonoverlast. Dat betekent dat de maatregel vooral uitkomst zal bieden bij koopwoningen of in gevallen waarin de andere maatregelen niet tot een oplossing hebben geleid of niet waarschijnlijk tot een oplossing zullen leiden. Het is aan het oordeel van de burgemeester om te bepalen of een andere oplossing redelijkerwijs voorhanden is. Met deze bepaling is het ook mogelijk een tijdelijk huisverbod op te leggen (gelijk aan een huisverbod in de Wet tijdelijk huisverbod). Met het opleggen van een huisverbod kan voor rust tussen de omwonenden worden gezorgd.

 

D

 

De toelichting op artikel 2.21 Bedelarij komt te luiden:

 

Artikel 2.21 Bedelarij

Bedelarij is niet strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Wel kan bedelarij op opdringerige of agressieve wijze zorgen voor of bijdragen aan ernstige overlast. Daarom bevat artikel 2.21 de mogelijkheid voor de burgemeester om gebieden aan te wijzen waar een bedelverbod ter voorkoming of beëindiging van overlast in die gebieden geldt.

Artikel III  

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 18 februari 2026

De voorzitter

Femke Halsema

De raadsgriffier

Jolien Houtman

Toelichting  

In deze wijzigingsverordening worden twee technische aanpassingen gedaan aan artikelen die toezien op respectievelijk drugshandel en woonoverlast. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt een ‘fatbikeverbod’ in te voeren in bepaalde gebieden die de burgemeester aanwijst en wordt het algemene bedelverbod uit de APV opgeheven en vervangen voor de mogelijkheid gebieden aan te wijzen waar ter voorkoming en beindiging van overlast een bedelverbod geldt.

 

In de Opiumwet is een lijst 2A toegevoegd waarin (componenten van) designerdrugs staan opgenomen. De tekst van artikel 2.7 APV was al zo dat de handel in op drugs gelijkende waar, slaapmiddelen en dergelijke niet waren toegestaan, maar met de tekstuele wijziging is de APV in lijn met de Opiumwet.

 

Artikel 2.18A is de uitwerking van de WAWO, Wet aanpak woonoverlast. Om woonoverlast effectief aan te pakken is het nodig dat degene die een woning in gebruik geeft ook zorg draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid daarvan geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

 

Nieuw is het artikel over fatbikes. Net als voorheen de bierfiets is verboden in bepaalde gebieden geldt dat nu ook voor fatbikes, waarvan bestuurders in in bepaalde gebieden zoals parken veel overlast blijken te veroorzaken. Onverminderd het bepaalde in de Wegenverkeerswet en regels over verkeerstekens krijgen fatbikes een eigen definitie gebaseerd op de bandendikte. De fatbikes worden verboden in door de burgemeester aan te wijzen gebieden waar sprake is van overlast.

 

Het algemene bedelverbod dat in de APV staat is onverbindend gelet op jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens. In plaats van een algemeen verbod wordt daarom ook voor bedelarij de mogelijkheid aan de burgemeester verleend om gebieden aan te wijzen waar bedelarij verboden wordt ter voorkoming of beëindiging van overlast.

Naar boven