Gemeenteblad van Pijnacker-Nootdorp
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Pijnacker-Nootdorp | Gemeenteblad 2026, 84538 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Pijnacker-Nootdorp | Gemeenteblad 2026, 84538 | beleidsregel |
1e herziening Nota Sturing fysieke leefomgeving
Op 22 december 2022 heeft de gemeenteraad de Nota sturing fysieke leefomgeving (hierna: de Nota) vastgesteld. De Nota beschrijft op welke wijze in Pijnacker-Nootdorp de bestuurlijke sturing in de fysieke leefomgeving is vormgegeven. De Nota is opgebouwd op basis van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Voor elk van de kerninstrumenten wordt beschreven wat het instrument omvat, welke wettelijke procedure aan de orde is en hoe we hierbij in Pijnacker-Nootdorp de rolverdeling tussen gemeenteraad en college hebben vormgeven.
Medio 2025, anderhalf jaar na invoering van de Omgevingswet, is de Nota geëvalueerd. Deze evaluatie is opgenomen in bijlage 2. De resultaten van de evaluatie hebben op onderdelen geleid tot aanpassing van de afspraken zoals gemaakt in de Nota. In deze 1e herziening zijn de resultaten van de evaluatie verwerkt.
De Nota is opgebouwd op basis van de kerninstrumenten van de Omgevingswet; de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma, het omgevingsplan, en de omgevingsvergunning1. We geven voor elk van de kerninstrumenten een beschrijving wat het instrument omvat en welke wettelijke procedure aan de orde is. Vervolgens wordt bij elk instrument beschreven hoe we in Pijnacker-Nootdorp de rolverdeling tussen gemeenteraad en college vormgeven.
In 2022 zijn een aantal raadsbesluiten genomen om deze rolverdeling tot stand te brengen. Wanneer een aanpassing of een aanvulling van deze besluiten aan de orde is wordt dit expliciet vermeld in de tekst.
Relatie met participatiebeleid
De gemeente Pijnacker-Nootdorp hecht veel belang aan communicatie en participatie bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ook in de Omgevingswet speelt participatie een belangrijke rol.
De voorliggende Nota sturing fysieke leefomgeving gaat slechts op hoofdlijnen in op het thema participatie. Het beschrijft de plaats van participatie in het proces van elk instrument en het geeft het de rolverdeling weer die we bij een participatietraject hanteren.
Inwerkingtreding voorliggende 1e herziening
De voorliggende 1e herziening is vastgesteld door de gemeenteraad op 29 januari 2026. Deze wordt gepubliceerd en treedt de dag hierna in werking.
De voorliggende 1e herziening komt in de plaats van de Nota sturing fysieke leefomgeving die in december 2022 is vastgesteld door de gemeenteraad. De Nota uit 2022 wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van de voorliggende 1e herziening.
Tot 1 januari 2024 bestonden er talloze wetten en regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Deze wetten en regels zijn niet als een integraal stelsel ontworpen, maar het resultaat van een eerdere behoefte aan sturing over de diverse onderwerpen. Deze regels kenden verschillen in opbouw en terminologie waardoor een ingewikkeld geheel is ontstaan. Ook werden de regels niet meer geschikt geacht voor de maatschappelijke opgaven van nu. Dit vormde voor de Rijksoverheid de belangrijkste aanleiding om te komen met de Omgevingswet.
2.1 Verbeterdoelen Omgevingswet
Met de vernieuwing van het omgevingsrecht worden vier verbeterdoelen beoogd die vorm moeten krijgen in en door de implementatie van de wet:
Deze verbeterdoelen moeten leiden tot meer ruimte voor het lokale bestuur om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te beschermen én tevens het bieden van ruimte voor ontwikkelingen.
2.2 Kerninstrumenten in samenhang
Met de Omgevingswet zijn nieuwe kerninstrumenten geïntroduceerd. Voor de gemeente zijn dit de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma, het omgevingsplan, en de omgevingsvergunning. Deze kerninstrumenten bieden een samenhangend stelsel om sturing te geven aan de fysieke leefomgeving. Hieronder beschrijven we deze samenhang.
In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente de hoofdlijnen van haar beleid op lange termijn. Het is een strategische visie met daarin de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving.
De omgevingsprogramma’s dienen om het beleid van de omgevingsvisie nader vorm te geven en te komen tot concrete uitvoering. Programma’s kunnen een scala aan maatregelen bevatten van beleidsregels en financiële instrumenten tot communicatieplannen.
Het omgevingsplan vormt een juridisch bindend document waarmee de doelstellingen en ambities uit de omgevingsvisie mede worden bereikt. De onderbouwing van de keuzes in het omgevingsplan vloeit voort uit de omgevingsvisie en de omgevingsprogramma’s.
Met de omgevingsvergunning heeft de gemeente een instrument in handen om te beoordelen of initiatieven van derden passen binnen het omgevingsplan en/of binnen het gemeentelijk beleid zoals vormgegeven in omgevingsvisie en omgevingsprogramma.
De Omgevingswet verplicht gemeenten om een omgevingsvisie op te stellen. Dit is een integrale visie voor de lange termijn die betrekking heeft op de hele fysieke leefomgeving. Aangezien het een vormvrij document is, heeft de gemeente veel mogelijkheden om het document en het participatieproces in te richten op een manier die aansluit bij bestuurlijke ambities en past bij de inwoners en ondernemers.
3.1 Wettelijke procedure omgevingsvisie
De bevoegdheid voor het vaststellen van een omgevingsvisie ligt bij de gemeenteraad. De wet verplicht de raad om hierbij rekening te houden met de taken en bevoegdheden van andere overheden (artikel 2.2 Omgevingswet).
Participatie in het traject om te komen tot een omgevingsvisie geldt als een verplichting. In de visie moet worden beschreven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden bij de voorbereiding van de visie zijn betrokken, en welke resultaten dit heeft opgeleverd (artikel 10.7 Omgevingsbesluit). Aan de wijze waarop de gemeente participatie organiseert worden geen eisen gesteld.
Openbare voorbereidingsprocedure
Op de voorbereiding van de omgevingsvisie is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dat betekent dat het ontwerp gedurende een periode van zes weken ter inzage moet liggen met de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen.
Wanneer de omgevingsvisie het kader vormt voor projecten waarvoor een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, dan gelden daarvoor aanvullende regels.
Tegen de vaststelling van een omgevingsvisie staat geen beroep open (artikel 1, bijlage 2 Awb). Dit heeft te maken met het zelfbindende karakter van een omgevingsvisie. Inwoners en bedrijven zijn niet gebonden aan de inhoud van de omgevingsvisie, alleen het gemeentebestuur zelf dient zich te houden aan het beleid dat in de omgevingsvisie is geformuleerd.
3.2 Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp
Op 25 november 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050: “Verbonden met elkaar” vastgesteld. Overeenkomstig de door de raad vastgestelde kaders voor proces en participatie (startnotitie, januari 2019) heeft de visie stapsgewijs vorm gekregen. Daarbij heeft de samenleving voorafgaand aan het opstellen van het ontwerp van de Omgevingsvisie input geleverd en uitgebreid gereageerd op het ontwerp van de Omgevingsvisie.
Met de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 is gebruik gemaakt van alle kansen die de nieuwe wet biedt. Het is een strategische visie waarin alle ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de hele gemeente op de lange termijn staan. Alle betrokken belangen zijn met elkaar in samenhang bekeken en er is steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen en benutten van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Daarmee is ingespeeld op lokale behoeften.
De omgevingsvisie is het belangrijkste strategische document waarmee de gemeente(raad) stuurt op de lange termijn ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het is dan ook belangrijk dat we de hoofdlijnen van de omgevingsvisie vasthouden en samen aan de slag gaan met het realiseren van de doelstellingen en ambities. Inwoners, ondernemers en (maatschappelijke) partners rekenen erop dat we hiervoor staan, aan werken en mee werken. Daar staat tegenover dat de wereld snel verandert. Mede daarom biedt de omgevingsvisie ruimte flexibel om te gaan met nieuwe ontwikkelingen en deze steeds te bezien vanuit het kompas. Desondanks kunnen er ook redenen zijn de omgevingsvisie aan te passen.
Eind 2025 is de eerste monitor van de omgevingsvisie afgerond en ter informatie aangeboden aan de gemeenteraad. Daarin kijken we of we op de goede weg zijn. De monitor gaat niet alleen over de Omgevingsvisie, maar ook over de planMER en de omgevingsprogramma’s. Door in samenhang te kijken naar wat we willen bereiken (omgevingsvisie en planMER) en naar hoe we dat gaan bereiken (omgevingsprogramma) beslaat de monitor dan ook het gehele spectrum van beleidsontwikkeling. Dit doen we in toenemende mate en waar mogelijk gebaseerd op data.
De hierboven beschreven monitor kan worden gebruikt om te overwegen of en op welke punten de omgevingsvisie aangepast zou moeten worden.
Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken kunnen overheden omgevingsprogramma’s opstellen. In omgevingsprogramma’s formuleert de gemeente haar tactische beleid alsmede de maatregelen die leiden tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Die maatregelen kunnen van alles zijn. Denk aan beleidsregels en financiële instrumenten. Maar ook communicatie, convenanten, de uitvoering van projecten en het stellen van regels zijn onderdelen die in de omgevingsprogramma’s een plek kunnen krijgen.
Verplichte omgevingsprogramma’s
Voor gemeenten zijn er twee omgevingsprogramma’s verplicht gesteld: het programma geluid en het programma energie. Het programma geluid is verplicht wanneer je als gemeente deel uitmaakt van een agglomeratie van meer dan 100.000 inwoners. Pijnacker-Nootdorp is onderdeel van zo een agglomeratie.
Er kunnen nog andere verplichte omgevingsprogramma’s bij komen. Dit is het geval als er sprake is van een dreigende overschrijding van één of meer omgevingswaarden. Een omgevingswaarde is een kwaliteitsnorm die een overheid wil bereiken of die volgt uit Europese of andere internationale verplichtingen. De overheid moet haar taken en bevoegdheden zo inzetten dat de omgevingswaarden worden behaald. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij luchtkwaliteit. Rijk en provincie hebben de mogelijkheid om in respectievelijk het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de provinciale omgevingsverordening gemeenten te verplichten om een omgevingsprogramma op te stellen.
Onverplichte omgevingsprogramma’s
Gemeenten hebben de bevoegdheid om op eigen initiatief omgevingsprogramma’s op te stellen. De Omgevingswet noemt dit ‘onverplichte programma’s’. Deze omgevingsprogramma’s kunnen op verschillende wijze worden ingestoken: gebiedsgericht (bijvoorbeeld voor een transformatiegebied), sectoraal (bijvoorbeeld woonbeleid), of thematisch (bijvoorbeeld gericht op duurzaamheid of energietransitie).
4.1 Wettelijke procedure omgevingsprogramma
De bevoegdheid tot het vaststellen van gemeentelijke omgevingsprogramma’s ligt bij het college van burgemeester en wethouders (art. 3.4 Omgevingswet).
In het omgevingsprogramma moet worden beschreven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden bij de voorbereiding van het programma zijn betrokken, en welke resultaten dit heeft opgeleverd. Ook moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het lokale participatiebeleid (artikel 10.8 Omgevingsbesluit).
Participatie is op zicht niet verplicht, maar wanneer geen participatie wordt toegepast moet wel worden toegelicht waarom niet. Het is aan de gemeente om zelf te beslissen of, en zo ja, op welke wijze zij de participatie organiseert. Ook worden geen eisen gesteld aan de wijze waarop de gemeente participatie organiseert.
Openbare voorbereidingsprocedure
Op de voorbereiding van een verplicht omgevingsprogramma is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Dat betekent dat het ontwerp gedurende een periode van zes weken ter inzage moet liggen met de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen.
Wanneer het college een wijziging aanbrengt in een omgevingsprogramma kan het er voor kiezen om afdeling 3.4 Awb buiten toepassing te verklaren. Hierbij gelden wel enkele voorwaarden. Zo mogen de wijzigingen niet leiden tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu.
Wanneer een omgevingsprogramma het kader vormt voor projecten waarvoor een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, dan gelden daarvoor aanvullende regels.
Tegen de vaststelling van een omgevingsprogramma staat geen beroep open. (art 1, bijlage 2 Awb). Dit heeft te maken met het zelfbindende karakter van een omgevingsprogramma. Een omgevingsprogramma kan burgers en bedrijven stimuleren om die dingen te doen die helpen om de doelstellingen te halen. Er is echter geen sprake van direct toezicht of handhaving op een omgevingsprogramma. Alleen het bestuur zelf is gebonden aan het omgevingsprogramma.
Tegen die delen van een omgevingsprogramma die specifieke rechtsgevolgen hebben is wel beroep mogelijk. Dit geldt voor omgevingsprogramma’s die rechtstreeks toestemming geven voor activiteiten. Er wordt dan geen apart toestemmingsbesluit meer genomen voor die activiteit omdat het omgevingsprogramma zelf al die mogelijkheid geeft.
4.2 Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp
Naar een structuur van omgevingsprogramma’s
Zoals ook beschreven in de Omgevingsvisie 2050 “Verbonden met elkaar” werken we de komende jaren aan een structuur van omgevingsprogramma’s waarmee we de Omgevingsvisie verder uitwerken. Met deze programmastructuur borgen we dat de ambities en doelstellingen uit de Omgevingsvisie worden uitgewerkt in tactisch beleid en maatregelen gericht op ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving. Hiermee streven wij naar eenheid en samenhang van ons beleid. Ook moet deze structuur bijdragen aan de vindbaarheid van dit beleid voor inwoners en andere belanghebbenden.
Implementatieperiode van vijf jaar
In de omgevingsvisie staat dat wij het bestaande beleidskader in vijf jaar willen omzetten naar een samenhangend geheel van omgevingsprogramma’s. Dat gaat stap voor stap. Hierbij wordt waar mogelijk aangesloten bij ‘natuurlijke momenten’, bijvoorbeeld wanneer een beleidsplan of beheerplan moet worden herzien. De programmastructuur is daarbij flexibel en kan door het college aangepast worden als daar aanleiding voor is. De raad wordt hierover geïnformeerd. Na deze implementatieperiode is al het beleid voor de fysieke leefomgeving ondergebracht in de omgevingsvisie en in omgevingsprogramma’s.
Rolverdeling in de procedure van het omgevingsprogramma
De vaststelling van een omgevingsprogramma is een bevoegdheid van het college. Het college betrekt de gemeenteraad bij de totstandkoming en besluitvorming omtrent een omgevingsprogramma. Het college houdt hierbij rekening met de taken en bevoegdheden van de raad, en stemt waar nodig met de raad af. De raad geeft het college vooraf inhoudelijke en procesmatige kaders mee voor het opstellen van het omgevingsprogramma.
Hoewel niet wettelijk verplicht werken wij bij het opstellen van alle omgevingsprogramma’s conform afdeling 3.4 Awb. Daarbij gaan we uit van de onderstaande rolverdeling.
Het initiatief voor het opstellen van een omgevingsprogramma komt van het college. Het college besluit tot het opstellen van een omgevingsprogramma, en vraagt de gemeenteraad om kaders hiervoor vast te stellen Hiervoor stelt het college een concept kader stellende notitie op. Hierin staan inhoudelijke en procesmatige randvoorwaarden voor het opstellen van een omgevingsprogramma. Het gaat onder meer om de aanleiding, het doel en de ambities van het omgevingsprogramma, de scope en de planning, en de aanpak van de participatie. De raad stelt de kaderstellende notitie vast.
Het college draagt de verantwoordelijkheid voor de participatie rondom een omgevingsprogramma. De aanpak hierbij kan verschillen per omgevingsprogramma. Dit is afhankelijk van de relevante onderwerpen, stakeholders, doelstellingen, etc. De nog vast te stellen Nota Participatiebeleid is hiervoor de toekomstige leidraad. De participatieaanpak voor het opstellen van een omgevingsprogramma wordt vastgesteld in de kaderstellende notitie.
Het college stelt het ontwerp omgevingsprogramma op. In de kaderstellende notitie staat op welke wijze de raad hierbij wordt betrokken. Dit kan per omgevingsprogramma verschillen. Ook tijdens het proces van opstellen kan er een aanleiding zijn om de raad te betrekken. De besluitvorming over het ontwerp van een omgevingsprogramma ligt bij het college. De publicatie en terinzagelegging van het ontwerp omgevingsprogramma worden verzorgd door het college. Belangstellenden/belanghebbenden die hebben deelgenomen aan het participatieproces worden geïnformeerd. Via een informatienota informeert het college de raad. Het college informeert de gemeenteraad hierbij ook op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden bij de voorbereiding van het ontwerp zijn betrokken, en welke resultaten dit heeft opgeleverd. De raad heeft de mogelijkheid het ontwerp omgevingsprogramma te agenderen, en het college een reactie te geven.
Vaststelling wijziging omgevingsprogramma
De besluitvorming over het vaststellen van het omgevingsprogramma ligt bij het college. Het college geeft aan welke aanpassingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp omgevingsprogramma. Wanneer er zienswijzen zijn ingebracht op een ontwerpbesluit levert het college een nota op waarin de zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een beantwoording. De indieners van de zienswijzen worden geïnformeerd over het voorstel van het college. Via een informatienota informeert het college de raad over deze besluitvorming.
De financiële gevolgen van de besluitvorming worden meegewogen in de kadernota of programmabegroting. Na de besluitvorming verzorgt het college de publicatie en terinzagelegging van de wijziging van het omgevingsprogramma. Ook worden de indieners van zienswijzen persoonlijk geïnformeerd over het collegebesluit.
Afwijkende werkwijze bij ondergeschikte wijzigingen
De wet biedt de mogelijkheid om bij wijzigingen van ondergeschikte aard te kiezen voor een andere voorbereidingsprocedure dan 3.4 Awb. Mocht een dergelijke ondergeschikte wijziging aan de orde zijn dan zal het college de raad hierover tijdig informeren, alsmede over de procedure die hierbij wordt gevold.
Monitoring omgevingsprogramma’s
De op te stellen omgevingsprogramma’s zijn gericht op maatregelen. De mate waarin deze maatregelen bijdragen aan de beleidsdoelen uit de omgevingsvisie gaan we structureel monitoren. Zoals hiervoor genoemd willen we komen tot een terugkerend systeem van
monitoring van de omgevingsprogramma’s, in samenhang met monitoring van de omgevingsvisie.
Met het omgevingsplan hebben we één instrument met juridisch bindende regels voor de fysieke leefomgeving. Dit instrument is nog het meest te vergelijken met een bestemmingsplan, al is de reikwijdte van een omgevingsplan veel ruimer. Het omgevingsplan omvat ook regels op het gebied van geluid, trillingen, stof, stank waterkwaliteit en het kappen van bomen; om maar een paar voorbeelden te noemen. Deze regels kunnen worden gespecifieerd voor de verschillende delen van de gemeente.
Elke gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2024 een ‘tijdelijk omgevingsplan’ gekregen. Dit is ontstaan van rechtswege door samenvoeging van alle ruimtelijke regels uit bestaande instrumenten (zoals bestemmingsplannen) en de zogenoemde bruidsschat. De bruidsschat omvat een pakket aan rijksregels dat is gedecentraliseerd naar gemeentelijk niveau.
De regels uit het tijdelijke omgevingsplan en de regels over de fysieke leefomgeving die nu nog in de gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen moeten worden omgezet naar het nieuwe omgevingsplan. Hiervoor hebben gemeenten tot eind 2031 de tijd. Ook alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden in het nieuwe deel van het omgevingsplan opgenomen. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan zo stapsgewijs worden gewijzigd in het nieuwe omgevingsplan.
5.1 Wettelijke procedure omgevingsplan2
De basis voor de procedure voor vaststelling wordt gevormd door de Omgevingswet en de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de procedure van het omgevingsplan zijn verschillende stappen te onderscheiden. Deze worden hieronder beschreven.
De bevoegdheid tot het vaststellen van een omgevingsplan ligt bij de gemeenteraad. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid indien gewenst delegeren aan het college.
Kennisgeving opstellen omgevingsplan
Wanneer de gemeenteraad voornemens is om een omgevingsplan vast te stellen moet zij hiervan een kennisgeving publiceren (artikel 16.29 Omgevingswet). De kennisgeving moet onder andere gepubliceerd worden in het gemeenteblad (artikel 3:12 Awb). In de kennisgeving moet de gemeente in ieder geval aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
Bij de vaststelling van een omgevingsplan moet worden beschreven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, en ook wat met de resultaten is gebeurd. Daarnaast moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het lokale participatiebeleid.
Na de participatiefase brengt de gemeente een ontwerp-omgevingsplan in procedure. Van dit ontwerp wordt een kennisgeving geplaatst in het gemeenteblad (art. 16.29 Omgevingswet, artikel 3:12 Awb). Eenieder kan vervolgens binnen zes weken na publicatie van de kennisgeving een zienswijze indienen op dit ontwerp.
De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. Bij het vaststellen van het plan moet in de motivering worden ingegaan op de ingediende zienswijzen. Wanneer er geen zienswijzen zijn ingediend op een ontwerp-omgevingsplan moet het plan binnen vier weken na de terinzagelegging worden vastgesteld (artikel 3:18 lid 4 Awb). In alle andere gevallen geldt er geen deadline voor de behandeling.
De gemeente maakt de vaststelling van het omgevingsplan bekend in het gemeenteblad. Een wijziging van het omgevingsplan treedt vier weken na publicatie van de vaststelling in werking, tenzij de gemeenteraad in het vaststellingsbesluit een later tijdstip heeft opgenomen.
De gemeenteraad kan de bevoegdheid tot het vaststellen van het omgevingsplan delegeren aan het college. Aan deze delegatie kunnen voorwaarden worden verbonden. De delegatie en de eventuele voorwaarden moeten in een delegatiebesluit worden vastgelegd.
Tegen het vaststellingsbesluit kan door indieners van zienswijzen beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze beroepsmogelijkheid bestaat gedurende vier weken na publicatie van het vastgestelde omgevingsplan.
Degene die in beroep gaat kan bij de rechter een verzoek om voorlopige voorziening doen. Wanneer deze voorlopige voorziening wordt toegewezen leidt dit er toe dat de inwerkingtreding van een vastgesteld omgevingsplan geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort.
Voorbeschermingsregels (het voorbereidingsbesluit)
De gemeenteraad kan met een voorbereidingsbesluit regels opnemen in het omgevingsplan om een locatie of een gebied te beschermen tijdens de procedure die wordt doorlopen om te komen tot het wijzigen van een omgevingsplan. Dit zijn voorbeschermingsregels. Met deze regels voorkomt de gemeente dat in die periode ontwikkelingen of activiteiten plaatsvinden die komende vaststelling van het omgevingsplan in de weg staan. De gemeenteraad kan de bevoegdheid tot het stellen van voorbeschermingsregels delegeren aan het college.
De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na 1,5 jaar, of, als binnen die termijn het besluit tot vaststelling van het omgevingsplan is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop dat laatstgenoemde vaststellingsbesluit in werking treedt. Anders dan bij het vaststellen van een omgevingsplan geldt bij het vaststellen van voorbeschermingsregels géén voorbereidingsprocedure.
Integratie vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten
De Omgevingswet verplicht gemeenten om binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van een vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteit (lees: een ontheffing van het omgevingsplan), het omgevingsplan hiermee in overeenstemming te brengen (artikel 4.17 Omgevingswet). De wetgever heeft bepaald dat deze verplichting gaat gelden vanaf eind 2031. Gemeenten zijn evenwel vrij om eerder al over te gaan tot integratie van verleende vergunningen.
Wanneer een omgevingsplan voorziet in de inpassing van een vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteit is tegen dit deel van het omgevingsplan geen zienswijze meer mogelijk. De reden hiervoor is dat dubbele besluitvorming, met beroepsmogelijkheid, over een reeds vergunde activiteit niet wenselijk is. Mocht iemand een zienswijze indienen op een dergelijk onderdeel van een omgevingsplan dan dient deze niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.2 Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp
Hieronder wordt eerst ingegaan op het omzetten van het tijdelijke omgevingsplan in een nieuw omgevingsplan, zoals genoemd in de inleiding van dit hoofdstuk. Vervolgens wordt de wijze van werken beschreven voor het proces tot vaststelling van een omgevingsplan. Hierbij staat de rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college centraal.
Van tijdelijk naar nieuw omgevingsplan
Zoals genoemd heeft de gemeente bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-7-2022 een ‘tijdelijk omgevingsplan’ gekregen. Dit moet voor eind 2031 worden omgezet in een nieuw omgevingsplan. De omgevingsvisie (vastgesteld november 2021) en de omgevingsprogramma’s zijn sterk bepalend voor de inhoud en prioritering van het nieuwe omgevingsplan. De omzetting van het omgevingsplan wordt daarom op deze ontwikkelingen afgestemd.
Het college zal in 2026 de gemeenteraad informeren over het proces van omzetting van het tijdelijke naar het nieuwe omgevingsplan.
Rolverdeling in de procedure van het omgevingsplan
De vaststelling van een omgevingsplan is in beginsel een bevoegdheid van de gemeenteraad. Bij het tot stand komen van een omgevingsplan is het wenselijk (voorbereidende) handelingen te laten verrichten door het college. Hieronder beschrijven we per procedurestap de rolverdeling die we in Pijnacker-Nootdorp voorstellen om te komen tot vaststelling van een omgevingsplan.
Er zijn enkele specifieke situaties waarvoor we een afwijkende rolverdeling voorstellen. Deze situaties en de voorgestelde rolverdeling hierbij worden in paragraaf 5.3 beschreven.
Kennisgeving opstellen omgevingsplan
Het initiatief om te komen tot wijzigingen van het omgevingsplan komt vrijwel altijd van het college. Het college draagt ook de verantwoordelijkheid voor het participatietraject dat samenhangt met een omgevingsplan (zie volgende stap). In lijn hiermee is het gewenst dat het college ook de kennisgeving omtrent het opstellen van het omgevingsplan verzorgt.
De bevoegdheid ligt wettelijk gezien bij de gemeenteraad maar voor een praktische uitvoering is deze in 2022 gemandateerd aan het college. Het college zal de gemeenteraad actief informeren wanneer er een voornemen is om een omgevingsplan voor te bereiden. Dit is als een voorwaarde aan het mandaatbesluit verbonden.
Het college draagt verantwoordelijkheid voor de participatie rondom een omgevingsplan. De gemeenteraad wordt door het college geïnformeerd over de wijze waarop de participatie voor dit omgevingsplan wordt georganiseerd. Wanneer er sprake is van inloopavonden of andersoortige bijeenkomsten biedt het participatietraject raadsleden de mogelijkheid om actief informatie op te halen vanuit de samenleving om zo goed mogelijk invulling te kunnen geven aan hun rol.
Conform het participatiebeleid is de wijze waarom participatie wordt georganiseerd afhankelijk van omstandigheden zoals de aard en omvang van een beoogde ontwikkeling. Zo kan bij een eenvoudige technische omzetting van regels worden volstaan met informeren en is bij grootschaliger ontwikkelingen een intensievere wijze van participatie gewenst. Wij zullen daarom bij de wijziging van het omgevingsplan maatwerk toepassen, afgestemd op de inhoud van de wijziging.
De verantwoordelijkheid voor het participatieproces bij een omgevingsplan ligt zoals genoemd bij het college. Dit is ook het geval wanneer het omgevingsplan wordt opgesteld in verband met een private ontwikkeling. Het college kan dan de initiatiefnemer instrueren over het te volgen participatieproces, gezamenlijk een participatieproces doorlopen of het proces overnemen. Welke werkwijze wordt gevolgd zal afhangen van de specifieke omstandigheden rondom de betreffende ontwikkeling.
De besluitvorming over het ontwerp van een omgevingsplan ligt bij de gemeenteraad. Het college is belast met de voorbereiding van dit besluit. In de praktijk betekent het dat wij de gemeenteraad een voorstel doen om in te stemmen met het ontwerp-omgevingsplan en dit plan in procedure te brengen. Het college informeert de gemeenteraad hierbij ook op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden bij de voorbereiding van het ontwerp zijn betrokken, en welke resultaten dit heeft opgeleverd.
De publicatie en ter inzage legging van het ontwerpbesluit worden verzorgd door het college. Belangstellenden/belanghebbenden die hebben deelgenomen aan het participatieproces worden geïnformeerd over het voorstel van het college aan de gemeenteraad, en over het besluit van de gemeenteraad om het ontwerp-omgevingsplan (al dan niet) in procedure te brengen.
Ook de besluitvorming over het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan ligt bij de gemeenteraad. Net als in de ontwerpfase is het college belast met de voorbereiding van dit besluit. Het college doet hiertoe een voorstel aan de gemeenteraad. Onderdeel van het voorstel is onder andere een overzicht van de aanpassingen die zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerpbesluit.
Wanneer er zienswijzen zijn ingebracht op een ontwerpbesluit wordt door het college een nota opgeleverd waarin de zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een beantwoording. De indieners van de zienswijzen worden geïnformeerd over het voorstel aan de gemeenteraad en de mogelijkheid om voorafgaand aan de beeldvormende raadsvergadering in te spreken.
Na besluitvorming door de gemeenteraad verzorgt het college de publicatie en terinzagelegging van het omgevingsplan. Ook worden de indieners van zienswijzen persoonlijk geïnformeerd over het raadbesluit en de terinzagelegging.
Mocht er beroep worden aangetekend tegen een omgevingsplan dan zal het college de afhandeling hiervan verzorgen.
5.3 Afwijkende rolverdeling bij specifieke situaties
Er is een aantal situaties waarbij het logisch en gewenst is dat niet de gemeenteraad maar het college beslist over een omgevingsplan. Hieronder beschrijven we deze situaties en geven we een motivering waarom in deze specifieke situaties kan worden afgeweken van de bovengenoemde rolverdeling.
In 2022 heeft de gemeenteraad besloten over delegatie van bevoegdheden rondom de besluitvorming over het (ontwerp van) een omgevingsplan.
Geen zienswijzen op ontwerp-omgevingsplan
Zoals genoemd beslist de gemeenteraad over het ontwerp van een omgevingsplan. Wanneer op dit ontwerp geen zienswijzen worden ingediend moet deze wijziging van het omgevingsplan binnen vier weken na de ter inzage legging worden vastgesteld. Gezien de vergaderfrequentie van de gemeenteraad, de looptijd van een vergadercyclus en ook de aanlevertermijnen is het niet haalbaar binnen deze vier weken een raadsbesluit te (laten) nemen.
In de wetenschap dat de gemeenteraad al heeft besloten over het ontwerp van het omgevingsplan is in 2022 besloten de bevoegdheid voor het vaststellen van het omgevingsplan voor dergelijke situaties te delegeren aan het college.
Integratie onherroepelijke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten
Wanneer een omgevingsplan enkel en alleen betrekking heeft op het integreren van een vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt hier geen nieuwe (beleidsmatige) keuze in gemaakt. Het omvat eerder een administratieve aanpassing.
Uit oogpunt van efficiëntie en verlagen van de werkdruk van de gemeenteraad is in 2022 besloten deze administratieve handeling te delegeren aan het college. Het college krijgt daarmee de bevoegdheid om te beslissen over het ontwerp van dit omgevingsplan alsmede over de vaststelling van het plan.
Activiteiten die niet “adviesplichtig” zijn
Wanneer een voorgenomen activiteit strijdig is met het omgevingsplan zijn er twee verschillende procedures mogelijk om medewerking te verlenen aan de activiteit. Er kan worden gekozen voor een ontheffing in de vorm van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of voor een wijziging van het omgevingsplan. De keuze van de procedure ligt in beginsel bij de initiatiefnemer. Het college kan hierbij adviseren en stimuleren, maar niet sturen.
Met het vaststellen van het besluit “Lijst adviesplichtige ontwikkelingen” (zie hoofdstuk 6) heeft de gemeenteraad aangeven bij welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten hij bindend advies wenst te geven. Het is vanzelfsprekend dat wanneer een activiteit, gelet op de aard, omvang en locatie, adviesplichtig is, de gemeenteraad ook het orgaan is dat oordeelt over deze activiteit wanneer hiervoor een wijziging van het omgevingsplan aan de orde is.
In lijn hiermee is het voor de hand liggend dat bij activiteiten welke niet adviesplichtig zijn, de bevoegdheden omtrent het wijzigen van het omgevingsplan aan het college worden toegekend. Hiermee wordt de beslissingsbevoegdheid over een nieuwe ontwikkeling altijd afhankelijk van de inhoud van de ontwikkeling, en niet van de procedure die wordt gevolgd.
In 2022 is al besloten om in dergelijke situaties de bevoegdheid om te beslissen over het ontwerp van dit omgevingsplan alsmede over de vaststelling van het plan te delegeren aan het college. Nu er een nieuw besluit lijst adviesplichtige ontwikkelingen 2025 is opgesteld (zie paragraaf 6.2) is actualisering van het genomen delegatiebesluit noodzakelijk.
Activiteiten die passen in een wijzigingsbevoegdheid
Onze bestemmingsplannen kennen verschillende wijzigingsbevoegdheden. Deze geven het college de ruimte om in specifieke situaties met een eenvoudige procedure het bestemmingsplan aan te passen. Met het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheden heeft de gemeenteraad besloten welke activiteiten op elk van de betreffende locaties mogelijk zijn, en ook onder welke voorwaarden. De beoordeling of een activiteit voldoet aan deze voorwaarden ligt bij het college.
Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de vigerende bestemmingsplannen “bevroren”. Het is daarna niet meer mogelijk een dergelijke wijzigingsbevoegdheid toe te passen. Voor activiteiten waarvoor nu nog een wijzigingsprocedure volstaat is straks ofwel een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ofwel een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk3.
In 2021 is een inventarisatie uitgevoerd van de wijzigingsbevoegdheden die in de bestemmingsplannen zijn opgenomen. Met de betrokken eigenaren zijn gesprekken gevoerd over de planologische mogelijkheden en hun toekomstplannen. Op basis hiervan vermoeden wij dat er hooguit vier locaties zijn waar in de komende jaren medewerking wordt gevraagd aan een ontwikkeling die past binnen een nu nog vigerende wijzigingsbevoegdheid.
Om de proceduretijd voor deze initiatiefnemers te verkorten is in 2022 de bevoegdheid tot besluitvorming over een omgevingsplan in dergelijke situaties gedelegeerd aan het college. Dit betreft zowel besluitvorming over het ontwerp als over de vaststelling van het omgevingsplan.
Relatie met buitenplanse omgevingsplanactiviteit
In de lijst adviesplichtige ontwikkelingen (zie paragraaf 6.2) is opgenomen dat activiteiten waarvoor in een vastgesteld bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen niet adviesplichtig zijn. Hiermee wordt een consequente lijn gehanteerd ten aanzien van de afhandeling van deze activiteiten.
Voorbeschermingsregels (voorbereidingsbesluit)
Zoals hiervoor is beschreven in paragraaf 5.1 wordt een besluit tot het vaststellen van voorbeschermingsregels zonder openbare voorbereidingsprocedure genomen. Dit is vergelijkbaar met de procedure van een voorbereidingsbesluit onder de Wet ruimtelijke ordening. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om de bevoegdheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders (4.14, lid 5 Omgevingswet). Hiermee kan een nog snellere vaststelling van de voorbeschermingsregels worden bereikt. De gemeenteraad heeft hiertoe in 2022 ook besloten.
Het kan gebeuren dat een omgevingsplan een incorrectheid bevat. Het kan, omwille van duidelijkheid gewenst zijn deze te corrigeren. Gelet op de ondergeschiktheid c.q. kleinschaligheid hiervan is het voor de hand liggend het corrigerende omgevingsplan door het college te laten beslissen. De gemeenteraad heeft ook hiertoe in 2022 besloten.
Naar aanleiding van de evaluatie van de Nota in 2025 wordt voorgesteld in een aantal specifieke situaties bevoegdheden te delegeren aan het college.
Specifieke wijzigingen van de bruidsschat
Vanuit het Rijk krijgt de gemeente een aantal regels, de zogenoemde bruidsschat, die kan worden aangepast op de lokale situatie. In 2024 is met een wijziging van het omgevingsplan een aantal artikelen uit deze bruidsschat geschrapt. Inmiddels is duidelijk dat er meer artikelen zijn die geschrapt kunnen worden. Deze zijn opgenomen in bijlage 1. Met het schrappen van deze artikelen wordt een bijdrage geleverd aan één van de doelen van de Omgevingswet, te weten, het verminderen van de regeldruk waar mogelijk.
Specifieke wijzigingen omgevingsplan rondom NEN-normen
In de bruidsschat zijn verwijzingen naar een aantal NEN-normen opgenomen. De Rijksoverheid heeft gesignaleerd dat dit kan leiden tot knelpunten bij toekomstige wijziging van deze normen. Gemeenten hebben dan een plicht deze wijzigingen te publiceren, met de nodige werkzaamheden en kosten tot gevolg. Er is daarom een wijziging van de Omgevingsregeling en de AMvB’s in voorbereiding welke noodzaakt tot aanpassingen in de bruidsschat.
Een groot deel van de artikelen van de bruidsschat is inmiddels overgeheveld naar het nieuwe omgevingsplan. Deze artikelen komen daardoor in ons omgevingsplan twee keer voor; zowel in het tijdelijk deel als in het nieuwe deel. Hoewel op dit moment (september 2025) de benodigde aanpassingen nog niet in detail bekend zijn, weten we dat deze geen inhoudelijke gevolgen zullen hebben.
Beperkingengebied lokale spoorwegen
Door de MRDH is verzocht om het door haar vastgestelde beperkingengebied lokale spoorwegen op te nemen in het omgevingsplan. De MRDH heeft hiervoor een geometrische begrenzing en ook een set voorbeeldregels aangeleverd. Deze regels dienen te worden aangepast aan de opzet van ons omgevingsplan.
Op dit moment geldt er op basis van het overgangsrecht Omgevingswet al een beperkingengebied. Dit gebied is nu niet zichtbaar in het omgevingsplan. Door het beperkingengebied op te nemen in het omgevingsplan wordt het voor eenieder duidelijk waar de betreffende regels gelden.
De MRDH heeft verzocht om de wijziging van het omgevingsplan voor 1 januari 2026 vast te stellen. Gelet op de te verrichten werkzaamheden, de doorlooptijden van een procedure tot wijziging van het omgevingsplan is vaststelling voor de gewenste datum niet haalbaar; de MRDH is hiervan op de hoogte. Door de bevoegdheid tot besluitvorming over deze wijziging van het omgevingsplan te delegeren aan het college kan het proces tot vaststelling worden versneld.
Informatievoorziening gemeenteraad
Mocht het college gebruik maken van één van de bovenstaande gedelegeerde bevoegdheden om te besluiten over een (ontwerp)omgevingsplan dan wordt de gemeenteraad hierover geïnformeerd. Deze informatievoorziening is als voorwaarde aan de delegatie verbonden.
Initiatieven van burgers, bedrijven en overheden kunnen gevolgen hebben voor de leefomgeving. In het omgevingsplan legt de gemeente vast voor welke activiteiten daarom een vergunning noodzakelijk is, voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding, en welke activiteiten direct toelaatbaar zijn.
Wanneer een activiteit past in het omgevingsplan maar alleen toelaatbaar is met een omgevingsvergunning, dan spreken we over een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarnaast zijn er ook activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan. Mocht iemand voor een dergelijke activiteit een omgevingsvergunning aanvragen dan spreken we over een buitenplanse omgevingsplanactiviteit4.
6.1 Wettelijke procedure omgevingsvergunning
De afhandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen ligt bij het college. Het college draagt zorg voor een goede en zorgvuldige afhandeling van deze aanvragen.
De Omgevingswet kent voor de afhandeling van een aanvraag omgevingsvergunning twee verschillende procedures: de reguliere en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Hieronder worden deze twee procedures kort beschreven.
Reguliere voorbereidingsprocedure
De reguliere voorbereidingsprocedure (hoofdstuk 4 Awb) vormt in de Omgevingswet het uitgangspunt voor de afhandeling van omgevingsvergunningaanvragen; dus zowel voor de binnenplanse als voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De beslistermijn voor de reguliere procedure is in beginsel 8 weken. Het college kan deze termijn met maximaal 6 weken verlengen. Op het genomen besluit is vervolgens bezwaar, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State mogelijk.
Niet tijdig beslissen op een aanvraag kan niet leiden tot een omgevingsvergunning van rechtswege. Als de wettelijke termijn niet wordt gehaald is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing. Een aanvrager kan de gemeente in gebreke stellen waarna de gemeente aan de aanvrager een dwangsom verbeurt. Deze dwangsom kan oplopen tot een bedrag van€ 1.422,-.
Uitgebreide voorbereidingsprocedure
Voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten is in sommige situaties de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) van toepassing. Bij deze procedure dient het college binnen 6 maanden te beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Deze termijn kan met maximaal 6 weken worden verdaagd. Nadat het besluit is genomen is beroep bij de rechtbank en vervolgens ook hoger beroep bij de Raad van State mogelijk; bezwaar is niet aan de orde in deze procedure.
Ook voor de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt dat indien de wettelijke termijn niet wordt gehaald, de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Het niet tijdig beslissen op een aanvraag kan niet (meer) leiden tot een vergunning van rechtswege.
Wanneer de uitgebreide voorbereidingsprocedure?
Zoals genoemd vormt de reguliere voorbereidingsprocedure het uitgangspunt bij de afhandeling van verzoeken om omgevingsvergunning. Bij sommige buitenplanse omgevingsplanactiviteiten kan het college de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing verklaren. Voorwaarden hierbij zijn dat het moet gaan om:
Aan beide voorwaarden moet worden voldaan om de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing te kunnen verklaren. Indien maar aan één van de twee voorwaarden wordt voldaan is de reguliere procedure aan de orde. Hierop is één uitzondering. De uitgebreide procedure kan ook van toepassing worden verklaard indien een aanvrager heeft verzocht of vooraf heeft ingestemd met het toepassen van deze uitgebreide procedure.
Wanneer het college de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing wil verklaren dient de aanvrager in de gelegenheid te worden gesteld om voorafgaand aan dit besluit een zienswijze te kunnen geven op het voornemen.
De aanvrager van een omgevingsvergunning is verplicht om bij zijn aanvraag aan te geven of hij aan participatie heeft gedaan, en zo ja, hoe hij dit heeft gedaan en welke resultaten dit heeft opgeleverd. Een aanvrager is niet verplicht om aan participatie te doen. Het college mag een aanvraag dan ook niet weigeren of buiten behandeling laten omdat een aanvrager niet aan participatie heeft gedaan.
Op het bovenstaande geldt één uitzondering. De gemeenteraad kan gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aanwijzen waarbij participatie verplicht is voor een aanvraag om omgevingsvergunning. (artikel 16.55, lid 7 Omgevingswet). Als de aanvrager bij een dergelijke aanvraag niet aan participatie heeft gedaan kan het college de aanvraag buiten behandeling stellen. Het college moet de aanvrager wel eerst de gelegenheid geven het gebrek te herstellen.
Betrokkenheid andere bestuursorganen
Een omgevingsvergunning kan betrekking hebben op activiteiten waarbij andere (bestuurs)organen belangen hebben. Denk hierbij aan de rijksoverheid, de provincie, het hoogheemraadschap, de vervoersregio en de veiligheidsregio. In het Omgevingsbesluit heeft de wetgever geformuleerd in welke situaties welke van deze instanties advies en mogelijk ook instemmingrecht hebben. Het college is verplicht bij de beoordeling van een verzoek om omgevingsvergunning voor deze activiteiten de betreffende organen te betrekken.
Meestal is het college bevoegd gezag bij het nemen van een beslissing over omgevingsvergunningen. Er kan in specifieke gevallen sprake zijn van een ander gezag, bijvoorbeeld de provincie of het hoogheemraadschap. In een dergelijk geval is voor de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning een advies met instemming van burgemeester en wethouders noodzakelijk. Het betreffende bevoegd gezag kan in deze specifieke situaties de gevraagde omgevingsvergunning niet verlenen wanneer het college niet heeft ingestemd.
Het college kan deze instemming alleen verlenen of weigeren op dezelfde gronden als die gelden voor een omgevingsvergunning voor de betreffende activiteit. Er mogen derhalve geen aanvullende of mindere eisen aan worden verbonden.
De verantwoordelijkheid voor de besluitvorming over omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten ligt in beginsel bij het college. De gemeenteraad kan besluiten om advies te willen geven over omgevingsvergunningen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Het college moet een dergelijk advies van de gemeenteraad in acht nemen bij zijn beslissing (artikel 16.15a Omgevingswet).
De gemeenteraad heeft dezelfde adviesbevoegdheid in die gevallen waarbij het college niet als bevoegd gezag fungeert, maar als adviseur met instemmingsrecht. Ook hierbij geldt het college het advies van de gemeenteraad in acht moet nemen bij haar besluit over instemming (artikel 16.16 Omgevingswet).
6.2 Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp
Op basis van de wettelijke kaders is er voor de afhandeling van aanvragen omgevingsvergunning sprake van een duidelijke rolverdeling. Op enkele onderdelen is nog (aanvullende) besluitvorming door de gemeenteraad gewenst. Dit betreft de verplichte participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en het adviesrecht van de gemeenteraad.
Participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten
Zoals genoemd heeft de gemeenteraad de mogelijkheid gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan te wijzen waarbij participatie verplicht is voor de aanvrager.
Participatie kan kwaliteit verhogend werken en helpt bij het verkrijgen van draagvlak voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast kan de opbrengst van een participatietraject worden gebruikt om te beoordelen of er bedenkingen te verwachten zijn tegen een nieuwe ontwikkeling. Dit aspect is van belang voor het bepalen van de procedure die doorlopen moet worden voor de afhandeling van de aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit (reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure). De gemeenteraad heeft daarom in 2022 besloten alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan te wijzen als onderwerp waarbij participatie verplicht is.
De gemeenteraad heeft in 2022 besloten om advies te willen geven over omgevingsvergunningen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Daartoe heeft de raad de lijst adviesplichtige ontwikkelingen vastgesteld. Bij het samenstellen hebben de onderstaande overwegingen een belangrijke rol hebben gespeeld:
Onderscheid stedelijk gebied, landelijk gebied en glastuinbouwgebied
Zoals ook in de omgevingsvisie “Verbonden met elkaar” naar voren komt streeft Pijnacker-Nootdorp naar een duurzame ontwikkeling van de gehele gemeente, maar verdient het buitengebied hierbij speciale aandacht. Een ontwikkeling in de groengebieden, de oude linten en/of de buurtschappen kan een grotere impact hebben op de leefomgeving dan een soortgelijke ontwikkeling in één van de kernen. Daarom wordt in de lijst adviesplichtige ontwikkelingen onderscheid gemaakt tussen stedelijk en landelijk gebied.
Binnen Pijnacker-Nootdorp nemen de glastuinbouwgebieden een aparte plaats in. Het aantal ruimtelijke ontwikkelingen hier waarbij sprake is van strijd met het omgevingsplan is beperkt. Maar ze omvatten soms wel grote oppervlaktes. Daarom wordt voor deze gebieden een aparte categorie aangeduid. Hierbij gaan we uit van de gebiedsprofielen uit de omgevingsvisie.
Welke gebieden als stedelijk gebied, landelijk gebied en (glas)tuinbouwgebied worden aangemerkt is zichtbaar op de bijbehorende kaart. Deze geeft, op basis van de gebiedsprofielen uit de omgevingsvisie, een indeling voor de gehele gemeente.
Focus op ontwikkelingen met impact
In de lijst wordt de focus gelegd op ontwikkelingen met impact; ontwikkelingen die aanzienlijke gevolgen (kunnen) hebben op de fysieke leefomgeving. Dit zullen veelal -maar niet altijd- plannen zijn die een uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten doorlopen.
Bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure is er een langere beslistermijn aan de orde dan bij de reguliere voorbereidingsprocedure. Door in de lijst te focussen op ontwikkelingen met impact wordt indirect bijgedragen aan het voorkomen van termijnoverschrijdingen als gevolg van het adviesrecht.
De onderstaande lijst beoogt heldere criteria te geven voor ontwikkelingen waar de gemeenteraad een bindend advies over uit moet uitbrengen. De lijst is opgesteld als een positieve lijst, hiermee wordt expliciet duidelijk wanneer de gemeenteraad om advies wordt gevraagd. Vrijwel elk criterium is voorzien van een kwantitatieve begrenzing. Er wordt niet gewerkt op basis van subjectieve termen zoals “voldoende”, “in ruime mate”, of “veel”, waarbij verschillende interpretaties mogelijk zijn. Zodoende ontstaat een helder toetsingskader.
Uitzondering voor ontwikkeling passend binnen wijzigingsbevoegdheid
Het adviesrecht van de raad is niet van toepassing bij een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit wanneer de betreffende activiteit voldoet aan de voorwaarden van een wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in een door de gemeenteraad vastgesteld bestemmingsplan. Mocht een wijzigingsbevoegdheid zijn voorzien van kwalitatieve criteria, dan is de beoordeling of de ontwikkeling past aan het college.
De criteria die in de lijst zijn opgenomen vormen geen inhoudelijk toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek. Ze geven enkel de scheidslijn tussen wanneer er wel en wanneer er geen adviesrecht van de gemeenteraad aan de orde is
Voorgestelde aanpassingen besluit lijst adviesplichtige ontwikkelingen
In de evaluatie is naar voren gekomen dat het gewenst is het besluit lijst adviesplichtige ontwikkelingen op onderdelen aan te passen. De voorgestelde aanpassingen worden hieronder beschreven.
Uitzondering voor tweede aanvraag omgevingsvergunning bij een ‘geknipte bopa ’
De Omgevingswet introduceert de mogelijkheid om een ‘geknipte bopa’ aan te vragen. Dan wordt in de eerste omgevingsvergunning een planologisch kader geschapen (locatie, toegestane maximale goot- en bouwhoogte, toegestane functies). In een tweede vergunning wordt vervolgens meer invulling gegeven aan het bouwplan (bouwtekeningen, gevelaanzichten, etc.). Met het verlenen van de eerste omgevingsvergunning wordt het omgevingsplan niet gewijzigd. Daarom is ook de tweede aanvraag in strijd met het omgevingsplan.
Het adviesrecht is daarom niet van toepassing wanneer voor een ontwikkeling een tweede vergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, en deze ontwikkeling past binnen het planologische kader dat is ontstaan met de eerder verleende omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Uitzondering voor tijdelijke omgevingsvergunningen
In lijn met de wetgeving van voor invoering van de Omgevingswet is het adviesrecht niet van toepassing voor aanvragen voor een omgevingsvergunning van bepaalde tijd (= tijdelijke omgevingsvergunningen).
In de lijst staat: “Voor ontwikkelingen welke niet staan vermeld op de lijst kan het college de raad om advies vragen wanneer het college van oordeel is dat een ontwikkeling politiek of maatschappelijk gevoelig ligt.” Inmiddels is duidelijk dat een dergelijke “hardheidsclausule” niet mogelijk is. Het moet namelijk voor eenieder vooraf duidelijk zijn welk orgaan de definitieve beslissing neemt op een aanvraag omgevingsvergunning. Daarom wordt voorgesteld deze regel te schrappen.
Overige aanpassingen Lijst adviesplichtige ontwikkelingen
Naast de bovengenoemde aanpassingen zijn ook nog enkele kleine, meer redactionele, aanpassingen gewenst.
Voorstel voor een nieuw besluit
Hieronder volgt de integrale tekst van het voorgestelde nieuwe besluit. De bovenstaande aanpassingen zijn hierin verwerkt.
Artikel 1 - Gebiedsaanduiding conform bijlage
Artikel 2 - Voor de gehele gemeente
De gemeenteraad maakt gebruik van het adviesrecht voor een ontwikkeling die voldoet aan één of meer van de volgende criteria:
Artikel 3 - Specifiek voor stedelijk gebied
De gemeenteraad maakt gebruik van het adviesrecht voor een ontwikkeling gelegen in het stedelijk gebied die voldoet aan één of meer van de volgende criteria:
Artikel 4 - Specifiek voor het landelijk gebied
De gemeenteraad maakt gebruik van het adviesrecht voor een ontwikkeling gelegen in het landelijk gebied die voldoet aan één of meer van de volgende criteria:
Artikel 5 - Specifiek voor het glastuinbouwgebied
De gemeenteraad maakt gebruik van het adviesrecht voor een ontwikkeling gelegen in het glastuinbouwgebied die voldoet aan één of meer van de volgende criteria:
Artikel 6 - Geen advies gemeenteraad
De gemeenteraad maakt géén gebruik van het adviesrecht wanneer voor een ontwikkeling een tweede vergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, en deze ontwikkeling past binnen het planologische kader dat is ontstaan met de eerder verleende omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze regeling en nog niet zijn afgehandeld, zullen worden afgehandeld op basis van de regeling die van kracht was voor inwerkingtreding van deze regeling.
Kaart behorende bij lijst adviesplichtige ontwikkelingen 2025
Voor de afhandeling van een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit is in beginsel de reguliere voorbereidingsprocedure aan de orde. Deze kent een beslistermijn van 8 weken welke met maximaal 6 weken kan worden verlengd. Wanneer voor een dergelijke aanvraag het adviesrecht gemeenteraad van toepassing is, zal er bij de afhandeling vrijwel zeker sprake zijn van een overschrijding van de maximale beslistermijn.
Vanuit een oogpunt van goede dienstverlening is het ongewenst om een aanvrager lang te laten wachten op een beslissing. Zeker wanneer een termijn wordt overschreden die door de wetgever als maximum wordt gesteld. Daarom is het gewenst het proces rondom de buitenplanse omgevingsplanactiviteit met adviesrecht zo in te richten dat het risico van termijnoverschrijdingen beperkt is. Binnen Pijnacker-Nootdorp worden de volgende maatregelen genomen om de kans op termijnoverschrijdingen beperken:
Vooroverleg met de initiatiefnemer
De gemeente stimuleert initiatiefnemers om niet direct een formele aanvraag in te dienen, maar eerst met ons in gesprek te gaan over de wensen en de mogelijkheden die er zijn. Wij stimuleren daarom het indienen van principeverzoeken.
Op basis van een principeverzoek kan een beeld worden verkregen van de inhoud en ook de wenselijkheid van de door een initiatiefnemer bedachte ontwikkeling. Het indienen van een principeverzoek kan daarmee bijdragen aan een snellere afhandeling van een definitieve aanvraag (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit.
Voorspoedige behandeling ingekomen aanvraag
Zoals bij elke aanvraag omgevingsvergunning, streven we ook bij een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit naar een voorspoedige afhandeling van de aanvraag. Daartoe is een werkproces uitgelijnd waarin alle noodzakelijke (en veelal ook wettelijk verplichte stappen zijn opgenomen). Ook zijn op regionaal niveau afspraken gemaakt met ketenpartners over de afhandeling van aanvragen omgevingsvergunning waar wij elkaar bij nodig hebben. Uitgangspunt bij deze afspraken is een spoedige afhandeling van elke ingekomen aanvraag.
Snelle behandeling gemeenteraad
Raad en college hebben een werkproces afgesproken dat is gericht op een snelle besluitvorming door de gemeenteraad. Wanneer een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit compleet is wordt de gemeenteraad met een memo geïnformeerd over de ingediende aanvraag. Het memo geeft een korte beschrijving van de aanvraag, de benodigde procedure en de maand waarin het plan vermoedelijk wordt behandeld in de gemeenteraad. Deze vermoedelijke datum van behandeling wordt opgenomen op de raadsplanner.
Wanneer het raadsvoorstel met betrekking tot het adviesrecht (tenminste) acht dagen voor een raadsvergadering wordt aangeleverd wordt het voorstel in beginsel geagendeerd voor behandeling in deze raadsvergadering. Wanneer het voorstel wordt aangeboden voor een oordeelsvormende vergadering dan vindt de beeld – en oordeelsvorming over het voorstel in deze vergadering plaats. Wanneer het voorstel wordt aangeboden voor een besluitvormende vergadering dan vindt beeld-, oordeels- en besluitvorming over het voorstel in deze vergadering plaats.
Het college is verantwoordelijk voor de afhandeling van de aanvraag. Hierbij is het advies van de raad bindend voor het college. Wanneer de raad heeft besloten om positief of negatief te adviseren zal het collegebesluit conform het raadsbesluit zijn. Om de afhandeling te bespoedigen heeft het college de organisatie gemandateerd de benodigde besluitvorming te verzorgen.
6.3 Voorkeur procedure bij strijdige activiteiten
Wanneer een beoogde activiteit in strijd is met het omgevingsplan zijn er twee manieren om deze activiteit toch mogelijk te maken: door de activiteit te vergunnen als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of door het vaststellen van een omgevingsplan dat deze activiteit mogelijk maakt. Het college zal in beginsel kiezen voor het proces van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en niet voor een wijziging van het omgevingsplan. Het belangrijkste argument hiervoor is de kortere doorlooptijd van de procedure die doorlopen moet worden.
Wanneer er vanwege in de wet opgenomen redenen geen mogelijkheid is om medewerking te verlenen met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of wanneer een initiatiefnemer hier zelf om verzoekt, kiezen we voor wijziging van het omgevingsplan.
In deze Nota geven we voor elk van de nieuwe kerninstrumenten van de Omgevingswet een beschrijving wat het instrument omvat, welke procedures er mee samenhangen, en hoe we in de gemeente Pijnacker-Nootdorp de rolverdeling tussen gemeenteraad en college vorm willen geven. De beschreven werkwijze en rolverdeling wordt op dit moment gezien als het meest passend voor onze lokale situatie.
In de voorliggende nota zijn de resultaten verwerkt van de evaluatie die medio 2025, anderhalf jaar na invoering van de omgevingswet, heeft plaatsgevonden. Om de Nota actueel en werkbaar te houden wordt deze in 2029 opnieuw geëvalueerd.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 29 januari 2026.
Arjen van der Lugt
griffier
Björn Lughart
voorzitter
* Dit betreft een geamendeerd raadsbesluit.
Bijlage 1. Aanpassingen bruidsschat 2025
De volgende regels uit de Bruidsschat kunnen komen te vervallen:
Op 22 december 2022 heeft de gemeenteraad de Nota sturing fysieke leefomgeving vastgesteld (hierna: de Nota). De Nota beschrijft op welke wijze in Pijnacker-Nootdorp de bestuurlijke sturing in de fysieke leefomgeving is vormgegeven. De Nota is opgebouwd op basis van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Voor elk van de kerninstrumenten uit de Omgevingswet wordt beschreven wat het instrument omvat, welke wettelijke procedure aan de orde is en hoe we hierbij in Pijnacker-Nootdorp de rolverdeling tussen gemeenteraad en college vormgeven.
In de Nota is opgenomen dat twee jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet een evaluatie wordt uitgevoerd. Het initiatief voor de evaluatie ligt bij het college. De gemeenteraad zal worden gevraagd zich uit te spreken over de resultaten van de evaluatie en de eventuele vaststelling van een wijziging van de Nota.
Tijdens de oordeelsvormende raadsvergadering van 15 december 2022 heeft wethouder Van Straten toegezegd eerder een evaluatie te houden als de voorziene termijn (twee jaar na invoering) te dicht bij de gemeenteraadsverkiezingen komt. Gelet op de verkiezingen in voorjaar 2026 heeft het college ervoor gekozen de evaluatie nu voor te leggen.
Evaluatie over relatief korte periode
De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. De evaluatie overziet de periode vanaf dit moment tot en met juni 2025. De invoering van de Omgevingswet heeft geleid tot een stelselwijziging in het fysieke domein. Mede gelet hierop is een periode van anderhalf jaar na invoering relatief kort om uitspraken te kunnen doen. De evaluatie geeft een indruk, maar het is nog te vroeg om grootse conclusies te kunnen trekken.
De eerste indruk wordt voor een belangrijk deel bepaald door de strubbelingen die samenhangen met de invoering van de Omgevingswet. Zo waren er softwareproblemen waardoor het bijvoorbeeld lange tijd niet mogelijk was om meerdere omgevingsplannen gelijktijdig in procedure te brengen. Dat de invoering van de omgevingswet niet vlekkeloos verliep heeft in de media veel aandacht gekregen. Dit geluid heeft mogelijk geleid tot terughoudendheid bij initiatiefnemers. We zien namelijk dat het aantal aanvragen voor nieuwe ontwikkelingen die niet passen in het omgevingsplan laag is in vergelijking met de voorgaande jaren.
In de afgelopen anderhalf jaar is er evenwel voldoende ervaring opgedaan om nu te komen met een evaluatie en met voorstellen tot aanpassing van de Nota.
Opbouw van dit evaluatiedocument
De evaluatie is, net als de Nota zelf, opgebouwd op basis van de kerninstrumenten van de Omgevingswet (omgevingsvisie, omgevingsprogramma, omgevingsplan en omgevingsvergunning). Per instrument wordt beknopt samengevat wat in de Nota staat vermeld, worden de ervaringen en ontwikkelingen rondom het kerninstrument beschreven en worden voorstellen gedaan voor herziening van de Nota en de bijbehorende besluiten.
NB. De evaluatie wordt ook gebruikt om de Nota redactioneel te verbeteren. Deze redactionele aanpassingen hebben geen inhoudelijke gevolgen en worden daarom niet nader benoemd in dit evaluatiedocument.
Op 25 november 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050: “Verbonden met elkaar” vastgesteld. Met deze omgevingsvisie is gebruik gemaakt van alle kansen die de nieuwe wet biedt. Het is een strategische visie waarin alle ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de hele gemeente op de lange termijn staan. Alle betrokken belangen zijn met elkaar in samenhang bekeken en er is steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen en benutten van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Daarmee is ingespeeld op lokale behoeften.
In de Nota wordt aangekondigd dat het college na twee jaar 2022 de (uitvoering van de) omgevingsvisie wil gaan monitoren. Dat is een moment om te overwegen of en op welke punten de omgevingsvisie aangepast zou moeten worden.
2.1 Ervaringen en ontwikkelingen
Toen de omgevingsvisie werd opgesteld was het uitgangspunt dat de Omgevingswet op 1-1-2022 inwerking zou treden. Zoals bekend is deze wet uitgesteld en per 1-1-2024 inwerking getreden. Het college heeft daarom ook de monitoring uitgesteld. Eind 2025 wordt de eerste monitor ter informatie aan de gemeenteraad aangeboden.
Gelet op het bovenstaande wordt voorgesteld het hoofdstuk over de omgevingsvisie nu niet aan te passen. Wanneer een herziening van de omgevingsvisie aan de orde is, dan zal de werkwijze voor deze herziening nader moeten worden bepaald.
Rondom het instrument omgevingsprogramma sluit de Nota aan op de aankondigingen die in de Omgevingsvisie zijn gedaan. Zo wordt benoemd dat er een structuur van omgevingsprogramma’s wordt opgesteld en ernaar gestreefd wordt deze binnen vijf jaren te implementeren. Ook wordt in de Nota beschreven hoe het college de gemeenteraad wenst te betrekken bij het opstellen van omgevingsprogramma’s en wordt er ingegaan op de monitoring van de programma’s (gerelateerd aan monitoring van de omgevingsvisie).
3.1 Ervaringen en ontwikkelingen
Uitwerking structuur omgevingsprogramma’s
In de Omgevingsvisie is genoemd dat we het bestaande beleidskader voor de fysieke leefomgeving willen omzetten in een samenhangende structuur van omgevingsprogramma’s. Deze structuur is uitgewerkt met vijftien thematische en gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s. Er is gestart met de uitvoering hiervan.
Het gebiedsgerichte Omgevingsprogramma bedrijventerrein De Boezem is vastgesteld. Het ontwerp Omgevingsprogramma Groen in en om de Kernen is in 2025 ter inzage gelegd voor zienswijzen en wordt in het vierde kwartaal voorgelegd aan het college ter vaststelling. Daarnaast zijn de volgende omgevingsprogramma’s gestart1:
Ook is het Actieplan Geluid vastgesteld, dat in de omgevingswet geldt als een verplicht programma. Inmiddels is in de wet ook een verplicht programma opgenomen voor warmte. Met het bovengenoemde omgevingsprogramma Energie geven we hieraan invulling.
Waar de Omgevingsvisie uitgaat van vijf jaar, vraagt de implementatie van de omgevingsprogramma’s meer tijd. Dit heeft meerdere oorzaken. De invoering van de Omgevingswet is een ingrijpende verandering. Het raakt aan alle aspecten van de gemeentelijke organisatie die bezig is met de fysieke leefomgeving. Het kost tijd om de noodzakelijke en gewenste veranderingen door te voeren. De Omgevingswet biedt hiervoor ook ruimte met een overgangsperiode tot 2031.
In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de implementatie van de omgevingsprogramma’s een leerproces is. Wanneer straks enkele omgevingsprogramma’s zijn vastgesteld, wordt in de komende bestuursperiode wordt de aanpak verder ontwikkeld met college en raad. Hierbij staat de samenhang centraal met de andere kerninstrumenten van de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het omgevingsprogramma staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van het gehele werkende stelsel van de Omgevingswet.
Rolverdeling in de procedure van het omgevingsprogramma
Bij de lopende omgevingsprogramma’s heeft de raad vooraf een kaderstellende notitie vastgesteld. Daarmee heeft de raad inhoudelijke en procesmatige kaders meegegeven voor het opstellen van deze programma’s. De vaststelling van de omgevingsprogramma’s zelf is een collegebevoegdheid. Het college houdt hierbij rekening met de taken en bevoegdheden van de raad. De raad heeft immers het budgetrecht en is bevoegd tot het vaststellen van omgevingsplannen waar de programma’s in doorwerken.
Het college heeft de raad betrokken bij het opstellen en de besluitvorming van de omgevingsprogramma’s. Hierbij zijn verschillende werkwijzen toegepast. Enerzijds omdat elk omgevingsprogramma specifieke kenmerken heeft. Anderzijds omdat hiermee ervaring wordt opgedaan om het instrument verder te ontwikkelen. Bij de behandeling van de kaderstellende notities zijn door de raad veel vragen gesteld over de betrokkenheid van de raad. Ook bij de ter inzagelegging van het omgevingsprogramma zijn raadsvragen gesteld. Deze ervaringen worden meegenomen bij het opstellen van nieuwe omgevingsprogramma's .
Gelet op het bovenstaande wordt voorgesteld het hoofdstuk over het omgevingsprogramma nu niet aan te passen. De opgedane ervaringen kunnen aanleiding geven voor veranderingen in proces en inhoud van de omgevingsprogramma’s. Deze zullen op een later moment in de Nota moeten worden verwerkt.
Iedere gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2024 een ‘tijdelijk omgevingsplan’ gekregen. Dit moet voor eind 2031 zijn omgezet in een nieuw omgevingsplan. De Nota gaat kort in op het omzetten van het tijdelijke omgevingsplan in een nieuw omgevingsplan.
Daarnaast worden in de Nota voorstellen gedaan voor de rolverdeling tussen college en gemeenteraad in de procedure van het omgevingsplan. Dit betreft de mandatering en ook delegatie van bevoegdheden in enkele specifiek omschreven situaties. Zoals bijvoorbeeld de delegatie van de raadsbevoegdheid tot besluitvorming over de vaststelling van een omgevingsplan als er een ontwerp van een omgevingsplan ter inzage heeft gelegen en er geen zienswijzen op het ontwerpbesluit zijn ingediend.
4.1 Ervaringen en ontwikkelingen
De invoering van de Omgevingswet verliep landelijk niet geheel van een leien dakje. De landelijke software voor het maken en ook publiceren van omgevingsplannen was nog niet volledig. Zo was het lange tijd niet mogelijk om meerdere omgevingsplannen gelijktijdig in procedure te brengen. Dit probleem is pas in het tweede kwartaal van 2025 opgelost.
In 2019 zijn we gestart met het omgevingsplan voor de wijk Tolhek. Dit omgevingsplan vormt het casco van ons gemeentebrede omgevingsplan en geeft ook voor de woonwijk Tolhek een gedetailleerde invulling. Over het ontwerp van dit omgevingsplan is in september 2024 door de gemeenteraad besloten en is het plan in juni 2025 vastgesteld.
In 2024 zijn er enkele wijzigingen van het omgevingsplan in procedure gebracht. Dit betreft:
Over deze omgevingsplannen is door het college besloten op basis van de delegatiebesluiten die in de Nota zijn opgenomen.
Inmiddels zijn ambtelijke voorbereidingen getroffen voor enkele wijzigingen van het omgevingsplan. De gemeenteraad wordt door het college geïnformeerd zodra er zicht is op start van de participatie rondom elk van deze plannen.
Wij hebben bij het omgevingsplan Tolhek ervaren dat het werken op basis van de Omgevingswet op vele fronten anders is dan werken op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Onderwerpen die eenvoudig lijken, zoals het reguleren van de bouwmogelijkheid van bruggen, vragen nu veel meer tijd en ook afstemming met externe partijen.
Met het omgevingsplan Tolhek is Pijnacker-Nootdorp één van de eerste gemeenten die een uitgewerkt omgevingsplan heeft vastgesteld. We zijn één van de koplopers op landelijk niveau. Wij delen onze kennis en expertise met gemeenten in de regio en ook met de VNG. In juli 2025 heeft onze gemeente de ‘Aan de slag trofee” gewonnen. Hiermee zijn we door een vakjury geprezen voor ons omgevingsplan Tolhek, waarmee we een voorbeeld vormen voor andere gemeenten.
Dat we koploper zijn met een omgevingsplan maakt dat wij als (een van de) eerste gemeente knelpunten signaleren. Hierdoor zijn wij de partij die de knelpunten onder de aandacht brengt bij bijvoorbeeld VNG, hoogheemraadschap, provincie en softwareleverancier. Uitdagend, bevredigend, maar ook tijdrovend.
Hieronder beschrijven we enkele onderdelen waar een aanpassing van de Nota gewenst is.
Omzetten tijdelijk-nieuw omgevingsplan
In de Nota is aangekondigd dat het college een voorstel gaat doen voor de omzetting van tijdelijk naar definitief omgevingsplan. Wij hebben een dergelijk plan tot nu toe nog niet gemaakt. De genoemde problemen rondom de invoering van de Omgevingswet en de ervaringen met het omgevingsplan Tolhek (zie hiervoor) maakten het niet goed mogelijk om een realistische planning te geven.
Zoals genoemd wordt gewerkt aan enkele wijzigingen van het omgevingsplan. De ervaringen die we met deze plannen opdoen gebruiken we om een realistische planning te maken voor de omzetting van het tijdelijke omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan. Deze planning verwachten we in 2026 met de raad te delen. In deze planning nemen we tevens mee hoe we de onherroepelijke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verwerken in het omgevingsplan (zie ook paragraaf 5.2 van de Nota)
Werkafspraken informatievoorziening gemeenteraad
In de Nota staat: “Op dit moment is nog niet goed in te schatten hoeveel keer per jaar het college gebruik zal maken van één van de bovenstaande gemandateerde of gedelegeerde bevoegdheden. We kunnen ons voorstellen dat dit meerdere malen per jaar aan de orde zal zijn. Wij gaan graag met de raad en met de griffie in gesprek over hoe informatievoorziening richting de gemeenteraad het beste kan worden georganiseerd, zodat de raad het overzicht houdt van de lopende plannen en procedures.”
Gelet op het beperkte aantal procedures was er tot nu toe nog geen noodzaak om een werkwijze af te gaan spreken. Nu er meer procedures zullen gaan lopen groeit de wens om te komen tot afspraken. Wij gaan deze afspraken daarom concreet vormgeven.
Participatie bij wijziging van het omgevingsplan
In de Nota is opgenomen dat het college de participatie bij een wijziging van het omgevingsplan veelal zal organiseren op basis van een concept-ontwerp van het omgevingsplan. Het werken met een concept-ontwerp past echter niet in de systematiek van de Omgevingswet. De landelijke software voorziet niet in de mogelijkheid om een concept-ontwerp te publiceren. Ook zijn er landelijk geen voornemens om de software hier wel geschikt voor te maken. Daarom hebben we onze werkwijze aangepast.
Conform ons participatiebeleid is de wijze waarom participatie wordt georganiseerd afhankelijk van omstandigheden zoals de aard en omvang van een beoogde ontwikkeling. Daarom kiezen wij ervoor bij een eenvoudige technische omzetting van regels te volstaan met informeren en is bij grootschaliger ontwikkelingen een intensievere wijze van participatie gewenst. Wij zullen daarom bij de wijziging van het omgevingsplan maatwerk toepassen, afgestemd op de inhoud van de wijziging.
Delegatiebesluit m.b.t. specifieke wijzigingen van de bruidsschat
De gemeenteraad heeft de bevoegdheid tot besluitvorming over het vaststellen van een omgevingsplan, alsmede de bevoegdheid tot besluitvorming over het ontwerp van een omgevingsplan, gedelegeerd aan het college voor zover dit voorziet in aanpassing en/of het laten vervallen van artikelen uit de ‘Bruidsschat’. De betreffende artikelen zijn in een bijlage bij de Nota vermeld. Van deze bevoegdheid is, zoals hierboven genoemd, in 2024 gebruik gemaakt.
Inmiddels hebben wij een nieuwe lijst met gewenste aanpassingen van artikelen in de bruidsschat opgesteld (bijlage 2.). Gewenst is bij herziening van de Nota de bevoegdheid tot besluitvorming over deze aanpassingen te delegeren aan het college.
Delegatiebesluit m.b.t. specifieke wijzigingen omgevingsplan rondom NEN-normen
Met de bruidsschat zijn verwijzingen naar een aantal NEN-normen in het omgevingsplan opgenomen. Dit kan op termijn leiden tot knelpunten. Om deze reden is een wijziging van de Omgevingsregeling en AMvB’s in voorbereiding welke noodzaakt tot aanpassingen in de bruidsschat die is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Een groot deel van de artikelen van de bruidsschat zijn inmiddels overgeheveld naar het nieuwe omgevingsplan. Deze artikelen komen daardoor in ons omgevingsplan twee keer voor; zowel in het tijdelijk deel als in het definitieve deel.
Hoewel de benodigde aanpassingen nog niet in detail bekend zijn, weten we dat deze geen inhoudelijke gevolgen zullen hebben. Het zijn enkel technische aanpassingen. Daarom wordt voorgesteld de bevoegdheid tot besluitvorming over deze wijziging van het omgevingsplan te delegeren aan het college.
Delegatiebesluit m.b.t. beperkingengebied lokale spoorwegen
Op 5 februari 2025 heeft de Bestuurscommissie Vervoersautoriteit van de MRDH een beperkingengebied lokale spoorwegen vastgesteld. Bij brief van 17 maart 2025 heeft de MRDH de gemeenteraad verzocht om dit beperkingengebied op te nemen in ons omgevingsplan. De MRDH heeft hiervoor een geometrische begrenzing en ook een set voorbeeldregels aangeleverd. De regels dienen te worden aangepast aan de opzet van ons omgevingsplan. De brief van de MRDH is bijgevoegd (bijlage 3.).
Op dit moment geldt er op basis van het overgangsrecht Omgevingswet al een beperkingengebied. Dit gebied is nu niet zichtbaar in het omgevingsplan. Door het beperkingengebied op te nemen in het omgevingsplan wordt het voor eenieder duidelijk waar welke regels gelden.
De MRDH heeft verzocht om de wijziging van het omgevingsplan voor 1 januari 2026 vast te stellen. Gelet op de te verrichten werkzaamheden, de doorlooptijden van een procedure tot wijziging van het omgevingsplan is vaststelling voor de gewenste datum niet haalbaar; de MRDH is hiervan op de hoogte. Door de bevoegdheid tot besluitvorming over deze wijziging van het omgevingsplan te delegeren aan het college kan het proces tot vaststelling worden versneld.
De afhandeling van aanvragen voor omgevingsvergunning ligt bij het college. Het college draagt zorg voor een goede en zorgvuldige afhandeling van deze aanvragen. Wanneer een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die strijdig is met het omgevingsplan, dan kan de gemeenteraad een adviserende (maar evenwel bepalende) rol krijgen bij deze afhandeling. De Nota geeft een Lijst adviesplichtige ontwikkelingen waarin de betreffende activiteiten zijn opgesomd.
5.1 Ervaringen en ontwikkelingen
Aanvragen buitenplanse omgevingsplanactiviteit
In de periode vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet tot en met 30 juni 2025 zijn er 203 aanvragen omgevingsvergunning ingediend. Het overgrote deel van deze aanvragen was passend binnen het omgevingsplan. Er zijn 76 aanvragen omgevingsvergunning ingediend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Van deze aanvragen hebben er vier betrekking op een activiteit waarvan de gemeenteraad heeft aangegeven dat zij hier een bindend advies over wenst te geven2. Een overzicht van de aangevraagde bopa’s is opgenomen in bijlage 1.
Werkafspraken rondom adviesplichtige bopa’s
In het reglement van orde van de gemeenteraad is in artikel opgenomen hoe de raad wil omgaan met vergunningaanvragen voor adviesplichtige bopa’s. Deze regels zijn in april 2025 omgezet in een concrete werkwijze. Hiermee wordt de informatievoorziening richting de gemeenteraad verbeterd en wordt -waar mogelijk- gekomen tot een versnelde afhandeling van een aanvraag omgevingsvergunning.
Hieronder beschrijven we enkele onderdelen waar aanpassing van de Nota gewenst is.
In het reglement van orde van de gemeenteraad is opgenomen hoe de raad wil omgaan met vergunningaanvragen voor adviesplichtige bopa’s. Hiervoor is in april 2025 een werkproces afgesproken. De in de Nota opgenomen procesbeschrijving rondom het adviesrecht van de gemeenteraad wordt aangepast conform deze werkwijze.
De Omgevingswet introduceert de mogelijkheid om een ‘geknipte bopa’ aan te vragen. Dan wordt in de eerste omgevingsvergunning een planologisch kader geschapen (locatie, toegestane maximale goot- en bouwhoogte, toegestane functies). In een tweede vergunning wordt vervolgens meer invulling gegeven aan het bouwplan (gevelaanzichten, etc.). Met het verlenen van de eerste omgevingsvergunning wordt het omgevingsplan niet gewijzigd. Daarom is ook de tweede vergunningsaanvraag in strijd met het omgevingsplan. Wanneer de beoogde ontwikkeling waar de vergunningen voor worden gevraagd staat vermeld op de Lijst adviesplichtige ontwikkelingen zal deze bij een ‘geknipte bopa’ tot tweemaal toe ter advisering aan de raad moeten worden voorgelegd. Dit leidt tot extra doorlooptijd en bestuurlijke drukte.
Voorgesteld wordt af te spreken dat bij een geknipte bopa voor de tweede aanvraag omgevingsvergunning geen advies van de raad noodzakelijk is.
Tijdelijke omgevingsvergunningen
Soms wordt er een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een bepaalde tijd (= een tijdelijke omgevingsvergunning). De Nota doet geen uitspraak over de rolverdeling college-raad bij de afhandeling van deze aanvragen, dit is wel gewenst.
Voorgesteld wordt, in lijn met de wetgeving van voor invoering van de Omgevingswet, de bevoegdheid tot het verlenen van tijdelijke omgevingsvergunningen geheel bij het college te laten en derhalve het adviesrecht hierop niet van toepassing te verklaren.
Overige aanpassingen Lijst adviesplichtige ontwikkelingen
De Nota geeft een Lijst adviesplichtige ontwikkelingen waarin is opgesomd bij welke ontwikkelingen de gemeenteraad gebruik wenst te maken van het adviesrecht. In deze Lijst is de volgende aanpassingen gewenst:
Daarnaast is in de Lijst opgenomen dat “Voor ontwikkelingen welke niet staan vermeld op de lijst kan het college de raad om advies vragen wanneer het college van oordeel is dat een ontwikkeling politiek of maatschappelijk gevoelig ligt.” Inmiddels is duidelijk dat een dergelijke “hardheidsclausule” niet mogelijk is. Het moet voor eenieder vooraf duidelijk zijn welk orgaan de definitieve beslissing neemt op een aanvraag omgevingsvergunning. Daarom wordt voorgesteld deze regel te schrappen.
Voorkeur voor bopa in plaats van omgevingsplan
Wanneer een beoogde activiteit in strijd is met het omgevingsplan kan hieraan op meerdere manieren medewerking worden verleend. In de Nota worden in paragraaf 6.3 voorkeuren uitgesproken voor de keuze van de procedure. Samengevat had het de voorkeur om wanneer een bopa met een reguliere procedure mogelijk is deze reguliere procedure toe te passen. In alle andere gevallen is de voorkeur te kiezen voor een wijziging van het omgevingsplan. Hierbij is de voorkeur voor gebruik van een verzamelplan uitgesproken.
De eerdergenoemde problemen rondom de invoering van de Omgevingswet maakten dat we ons in 2024 genoodzaakt voelden om aan strijdige ontwikkelingen medewerking te gaan verlenen met een bopa, ook wanneer de uitgebreide voorbereidingsprocedure aan de orde zou zijn. In gesprekken met initiatiefnemers is gebleken dat ook zij veelal een voorkeur hebben voor een bopa boven de wijziging van het omgevingsplan. Het voornaamste argument hierbij is de snelheid waarmee een bopa kan worden afgehandeld; de proceduretijd is korter dan bij een wijziging van het omgevingsplan. Daarnaast speelt ook de onbekendheid met het omgevingsplan een rol. Het in de Nota genoemde argument voor het werken met een omgevingsplan (= flexibiliteit richting de aanvrager) wordt weinig herkend.
Gelet hierop kiezen wij er de komende jaren voor om -waar mogelijk- te werken met buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Ook wanneer hierbij de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden toegepast. Wanneer er door in de wet gestelde redenen geen mogelijkheid is om aan een ontwikkeling medewerking te verlenen met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of wanneer een initiatiefnemer hier zelf om verzoekt, kiezen we voor wijziging van het omgevingsplan. In de Nota wordt de bovengenoemde voorkeur opgenomen.
BIJLAGE 1. Overzicht aangevraagde bopa’s
NB. Bovenstaande tabel geeft de omschrijving van de ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd. Niet van de strijdigheid met het omgevingsplan. Een voorbeeld: Bij het bouwplan voor het bouwen van een woning kan op de locatie een woning zijn toegestaan maar is er bijvoorbeeld strijd met het omgevingsplan vanwege de overschrijding van een hoogtemaat.
Van deze aanvragen is bij de volgende ontwikkelingen sprake van adviesrecht van de gemeenteraad:
De aanvraag voor het eerstgenoemde bouwplan is op enig moment ingetrokken. De overige bouwplannen zijn/worden ter advisering aan de gemeenteraad voorgelegd.
BIJLAGE 2. Gewenste aanpassingen Bruidsschat
De volgende regels uit de Bruidsschat kunnen komen te vervallen:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-84538.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.