Gemeenteblad van Haarlemmermeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Haarlemmermeer | Gemeenteblad 2026, 313281 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Haarlemmermeer | Gemeenteblad 2026, 313281 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De gemeenteraad van Gemeente Haarlemmermeer
gelezen het besluit van burgemeester en wethouders d.d. {datum (maand voluit geschreven)}
gelet op:
De artikelen 2.4 en 4.1, eerste lid van de Omgevingswet, artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit en artikel 2.12, vierde lid Besluit activiteiten leefomgeving,
(gereserveerd voor eventuele zienswijzen)
Overwegende dat:
(gereserveerd)
Besluit;
De wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Badhoevedorp oostrand’ zoals opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
Dit besluit treedt in werking {datum (maand voluit geschreven) OF vier weken na bekendmaking van het definitief besluit.
Dit besluit wordt aangehaald als: wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Badhoevedorp oostrand’.
Aldus vastgesteld door Gemeente Haarlemmermeer, {datum (maand voluit geschreven)}
De voorzitter,
De raadsgriffier,
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, gelden voor Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22 .
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die gelden voor Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22 .
[Vervallen]
B
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
C
Hoofdstuk 13 wordt geplaatst na hoofdstuk 4. Hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor dit omgevingsplan gelden de begripsbepalingen in Bijlage I .
Als een begripsbepaling in een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkt van een in Bijlage I opgenomen begripsbepaling, dan geldt de begripsbepaling in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor die regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Als een begripsbepaling in een ter plaatse geldend TAM-omgevingsplan afwijkt van een in Bijlage I opgenomen begripsbepaling, dan geldt de begripsbepaling in het TAM-omgevingsplan voor die regels in het TAM-omgevingsplan.
Titel 1.2 gaat over:
de onderdelen van dit omgevingsplan die gelden in de gebiedsaanwijzingen die in titel 1.2 zijn genoemd; en
de verhouding van dit omgevingsplan ten opzichte van andere regelgeving.
In de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer 2032 gelden de volgende onderdelen van dit omgevingsplan:
In aanvulling op artikel 1.3, eerste lid, geldt ter plaatse van de gebiedsaanwijzing geluidzone - industrie bestemmingsplan van het tijdelijk deel omgevingsplan het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden-Oost, uitsluitend wat betreft de in dat bestemmingsplan opgenomen aanduiding ‘geluidzone-industrie’ en de regels daarover in artikel 43.1 van dat bestemmingsplan.
In de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer - tijdelijk deel nog niet vervallen geldt het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
In aanvulling op artikel 1.4, eerste lid, geldt in de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer - tijdelijk deel nog niet vervallen ook:
hoofdstuk 1;
uit hoofdstuk 4 alleen artikel 4.13, artikel 4.14, artikel 4.15, eerste lid onder j, artikel 4.15, tweede lid, onder g, artikel 4.16, eerste lid, onder j, en afdeling 4.1.10;
uit hoofdstuk 5 alleen afdeling 5.1.1, met uitzondering van artikel 5.11, en paragraaf 5.2.2.15, paragraaf 5.2.2.25, enafdeling 5.2.11;
hoofdstuk 12; en
hoofdstuk 22.
D
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op duurzame ontwikkeling, de leefbaarheid van de gemeente en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Artikel 2.1, eerste lid geldt niet als uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk beperkter is.
E
Hoofdstuk 14 wordt geplaatst na hoofdstuk 3. Hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 4.1.1.1 gaat over het verrichten van activiteiten aan of bij een hoogspanningsverbinding.
De regels in paragraaf 4.1.1.1 hebben als doel het beschermen van de werking van een hoogspanningsverbinding.
Artikel 4.3 Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding
Bij het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied hoogspanningsverbinding wordt voldaan aan paragraaf 5.2.1.1.
Paragraaf 4.1.1.2 gaat over het verrichten van activiteiten aan of bij een rioolleiding.
De regels in paragraaf 4.1.1.2 hebben als doel het beschermen van de werking van een rioolleiding.
Artikel 4.6 Beschermingsgebied rioolleiding
Bij het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied rioolleiding wordt voldaan aan paragraaf 5.2.1.2
Paragraaf 4.1.1.3 gaat over het verrichten van activiteiten aan of bij een waterkering
De regels in paragraaf 4.1.1.3 hebben als doel het beschermen van de werking van een waterkering.
Artikel 4.9 Beschermingsgebied waterkering
Bij het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterkering wordt voldaan aan paragraaf 5.2.1.3
Paragraaf 4.1.1.4 gaat over het verrichten van activiteiten aan of bij een waterleiding
De regels in paragraaf 4.1.1.4 hebben als doel het beschermen van de werking van een waterleiding.
Artikel 4.12 Beschermingsgebied waterleiding
Bij het verrichtenvan activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterleiding wordt voldaan aan paragraaf 5.2.1.4
Afdeling 4.1.2 gaat over het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer 2032.
De regels in afdeling 4.1.2 hebben als doelen:
het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
het beschermen van het uiterlijk van een bouwwerk; en
het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer 2032.
Bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer 2032 wordt voldaan aan:
In afwijking van 4.16, eerste lid, wordt bij een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen voldaan aan:
Bij het bouwen van een overig bouwwerk in de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer 2032 wordt voldaan aan:
Afdeling 4.1.4 gaat over het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij cultureel erfgoed.
Afdeling 5.2.4 gaat ook over het verrichten van activiteiten die archeologische waarden raken.
De regels in afdeling 4.1.4 hebben als doelen:
het behouden en beschermen van cultureel erfgoed; en
het behouden en beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
Bij het bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, dat geen bouwwerk is of een werkzaamheid in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied archeologische waarden wordt voldaan aan:
Er is een gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk, waarin onroerende zaken aanwezig zijn die een
gemeentelijk monument zijn en die zijn opgenomen in bijlage [X] Gemeentelijke monumenten.
Bij het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk, wordt voldaan aan:
Bij het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk - bij een monument wordt voldaan aan:
Paragraaf 4.1.7.1 gaat over het bouwen van activiteiten in de nabijheid van een buisleiding voor gevaarlijke stoffen.
De regels in paragraaf 4.1.7.1 hebben als doelen:
Artikel 4.24 Aanwijzing belemmeringengebied belemmeringengebied - belemmeringengebied buisleiding voor gevaarlijke stoffen
Er is een gebiedsaanwijzing belemmeringengebied buisleiding voor gevaarlijke stoffen, als bedoeld in artikel 5.18 en artikel 5.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin wordt voldaan aan paragraaf 5.2.7.1.
Paragraaf 4.1.7.1 gaat over activiteiten in de nabijheid van een installatie voor het regelen en meten van aardgas
De regels in paragraaf 4.1.7.2 hebben als doel het waarborgen van de veiligheid in de omgeving van een installatie voor het regelen en meten van aardgas.
Artikel 4.27 Aanwijzing veiligheidszone - installatie voor het regelen en meten van aardgas
Er is een gebiedsaanwijzing ter voldoening aan artikel 5.6 en artikel 5.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin wordt voldaan aan paragraaf 5.2.7.2.
Paragraaf 4.1.7.3 gaat over het bouwen van bouwwerken in de omgeving van een buisleiding voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
De regels in paragraaf 4.1.7.3 hebben als doel het waarborgen van de veiligheid in de omgeving van een buisleiding voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
Artikel 4.30 Aanwijzing voorschriftengebied - brandvoorschriftengebied
Er is een gebiedsaanwijzing brandvoorschriftengebied, als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarin wordt voldaan aan paragraaf 5.2.7.3.
Paragraaf 4.1.7.4 gaat over het bouwen van bouwwerken in de omgeving van een weg of een spoorweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
De regels in paragraaf 4.1.7.4 hebben als doel het waarborgen van de veiligheid in de omgeving van een weg of een spoorweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zoals aangewezen in de Regeling Basisnet.
Artikel 4.33 Aanwijzing voorschriftengebied - explosievoorschriftengebied
Er is een gebiedsaanwijzing , als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin wordt voldaan aan Paragraaf 5.2.7.4.
Afdeling 4.1.8 gaat over de voor geluidgevoelige gebouwen geldende hogere waarden voor geluid als bedoeld in artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet.
De regels in afdeling 4.1.8 hebben als doel het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor geluidgevoelige gebouwen waarvoor hogere waarden voor geluid gelden als bedoeld in artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet wordt voldaan aan afdeling 5.2.8
Paragraaf 4.1.10.1 gaat over het verrichten van activiteiten in verband met bodembeheer.
De regels in paragraaf 4.1.10.1 hebben als doel het beschermen van de kwaliteit van de bodem.
Bij het verrichten van activiteiten in verband met bodembeheer wordt voldaan aan afdeling 5.2.11 .
Afdeling 4.1.11 gaat over het verrichten van activiteiten met betrekking tot natuur en landschap.
De regels in afdeling 4.1.11 hebben als doelen:
het beschermen van natuurwaarden;
het realiseren en beschermen van een natuurnetwerk;
het beschermen van landschappelijke waarden; en
het realiseren van een hoge kwaliteit van openbaar toegankelijk gebied.
Er is een gebiedsaanwijzing bebouwingscontour houtkap, als bedoeld in artikel 11.111, tweede lid onder aanhef en onder a. van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarin wordt voldaan aan paragraaf 5.2.12.1.
Bij het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied molen wordt voldaan aan paragraaf 5.2.12.2.
Er is een gebiedsaanwijzing beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland waarin natuurgebieden en natuurverbindingen zijn opgenomen als bedoeld in subparagraaf 6.5.2.1 van de Provinciale Omgevingsverordening.
Bij het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland, wordt voldaan aan paragraaf 5.2.12.3
Afdeling 4.1.12 gaat over activiteiten die de activiteiten met gebruiksruimte, bedoeld in artikel 4.58, ondersteunen.
De regels in afdeling 4.1.12 hebben als doelen:
het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;
het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan wonen;
het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu; en
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.
Bij het verrichten van activiteiten ter functionele ondersteuning van de activiteit met gebruiksruimte die aan een locatie is toebedeeld, wordt voldaan aan afdeling 5.2.13.
Afdeling 4.1.13 gaat over activiteiten op wegen, water en overige gronden in de openbare ruimte.
De regels in afdeling 4.1.13 hebben als doelen:
het waarborgen van de veiligheid;
het bevorderen van de verkeersveiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het behoeden van de staat en werking van de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water;
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur in openbaar toegankelijk gebied voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van infrastructuur;
het beheren van watersystemen;
het bevorderen van de toegankelijkheid van openbaar toegankelijk gebied;
het beschermen van het aanzien van openbaar toegankelijk gebied;
het beperken van hinder in openbaar toegankelijk gebied;
het bevorderen van de kwaliteit en het gebruik van openbaar toegankelijk gebied; en
het aanleggen en beheren van voldoende parkeergelegenheid.
Er is een gebiedsaanwijzing bebouwingscontour jacht als bedoeld in artikel 11.71, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarin wordt voldaan aan paragraaf 5.2.12.2.
Bij het verrichten van activiteiten in openbaar toegankelijk gebied in de vorm van wegen, water en groen wordt voldaan aan afdeling 5.2.13.
Afdeling 4.1.14 gaat over het voorzien in parkeergelegenheid voor personenauto’s bij het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 4.58.
De regels in afdeling 4.1.14 hebben als doel te voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor personenauto’s.
Bij het gebruik van gronden en bouwwerken voor activiteiten als bedoeld als bedoeld in artikel 4.58 wordt bij het parkeren van personenauto’s voldaan aan afdeling 5.2.14
Afdeling 4.1.16 gaat over het gebruiken van woonruimte.
De regels in afdeling 4.1.16 hebben als doelen:
Bij het gebruiken van woonruimte wordt voldaan aan afdeling 5.3.13.
Titel 4.2 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor de volgende activiteiten met gebruiksruimte:
Afdeling 4.2.2 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken in de gebiedsaanwijzing gebiedstype bedrijventerrein .
De regels in afdeling 4.2.2 hebben als doelen:
het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;
het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten, anders dan wonen;
het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
het kunnen gebruiken en beheren van erven en terreinen bij een hoofdgebouw.
In de gebiedsaanwijzing gebiedstype bedrijventerrein kunnen de volgende activiteiten worden verricht:
bedrijfsactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.3;
detailhandelsactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.5;
dienstverleningsactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.6;
horeca-activiteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.7;
kantooractiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.8;
maatschappelijke activiteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.9;
sportactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.12; en
wonen als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.13.
Afdeling 4.2.3 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken in de gebiedsaanwijzing gebiedstype buitengebied .
De regels in afdeling 4.2.3 hebben als doelen:
het waarborgen van een economisch sterke agrarische sector en een vitaal buitengebied
het bieden van mogelijkheden voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijfsactiviteiten;
het bevorderen van zorgvuldig gebruik van land, bodem en water;
het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
het kunnen gebruiken en beheren van erven en terreinen bij een hoofdgebouw.
In de gebiedsaanwijzing gebiedstype buitengebied kunnen de volgende activiteiten worden verricht:
agrarische activiteiten als wordt voldaan aan afdeling 5.3.2.
Afdeling 4.2.4 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken in de gebiedsaanwijzing gebiedstype kantorenterrein .
De regels in afdeling 4.2.7 hebben als doelen:
het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;
het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten, anders dan wonen;
het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu;
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
het kunnen gebruiken en beheren van erven en terreinen bij een hoofdgebouw.
In de gebiedsaanwijzing gebiedstype kantorenterrein kunnen de volgende activiteiten worden verricht:
Afdeling 4.2.7 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken in de gebiedsaanwijzing gebiedstype woongebied.
De regels in Afdeling 4.2.4 hebben als doelen:
In de gebiedsaanwijzing gebiedstype woongebied, kunnen de volgende activiteiten worden verricht:
wonen als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.13;
bedrijfsactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.3;
culturele activiteiten en ontspanningsactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.4;
detailhandelsactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.5;
dienstverleningsactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.6;
horeca-activiteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.7;
kantooractiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.8;
maatschappelijke activiteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.9;
recreatie-activiteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.11; en
sportactiviteiten als wordt voldaan aan Afdeling 5.3.12.
F
Afdeling 5.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 5 gaat over het bouwen van een bouwwerk, thematische activiteiten en gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte.
Hoofdstuk 5 gaat over thematische activiteiten als bedoeld in titel 4.1 en over gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in titel 4.2.
Een onderdeel in hoofdstuk 5 geldt alleen als dat in hoofdstuk 4 is bepaald. Alleen titel 5.1 geldt altijd.
In afwijking van artikel 5.1, tweede lid, geldt in titel 5.1 het artikel 5.11 niet in de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer - tijdelijk deel nog niet vervallen.
In afwijking van artikel 5.1, tweede lid, geldt paragraaf 5.2.2.15, paragraaf 5.2.2.25, en afdeling 5.2.11 in de gebiedsaanwijzing Haarlemmermeer - tijdelijk deel nog niet vervallen zonder dat dit in hoofdstuk 4 is bepaald.
De regels in Hoofdstuk 5 hebben als doelen:
a. het waarborgen van de veiligheid;
b. het beschermen van de gezondheid;
c. het beschermen van het milieu;
d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
e. het beschermen van het uiterlijk van een bouwwerk;
f. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en
g. het beschermen van de kwaliteit van de bodem.
het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu;
het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
het beschermen van het uiterlijk van een bouwwerk;
het beschermen van de kwaliteit van de bodem;
het behoud van cultureel erfgoed;
het beschermen van de natuur en het beheer van natuurgebieden;
het waarborgen van de kwaliteit van bouwwerken;
het beschermen van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheer van infrastructuur;
het beheer van watersystemen en het beschermen van de waterkerende functie van elementen;
het beheer en gebruik van het grondwater; en
het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in Artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
Aan Hoofdstuk hoofdstuk 4, hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in Hoofdstuk hoofdstuk 5 of hoofdstuk 6 anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit omgevingsplan aan de locatie toegedeelde functies.
Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten en een bouwwerk in stand te houden en te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit omgevingsplan gestelderegels over bouwen.
Degene die een activiteit als bedoeld in Hoofdstuk hoofdstuk 5 of hoofdstuk 6 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, bedoeld in Artikel artikel 5.2, en de oogmerken, bedoeld in hoofdstuk 5 , is verplicht:
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit niet te verrichten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit niet te verrichten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
De plicht, bedoeld in Artikel artikel 5.5, eerste lid, houdt in ieder geval in dat blootstelling aan verontreiniging van de bodem door gebruikers van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zoveel mogelijk wordt voorkomen.
De plicht, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, houdt voor het gebruik van bouwwerken in ieder geval in dat:
degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren;
degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren, waarbij onder overlast en hinder in elk geval wordt verstaan:
Artikel 5.5, zesde lid, geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.5, zesde lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het
Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.5, eerste lid, geldt niet voor de nadelige gevolgen van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht van Artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de specifieke zorgplicht van Artikel artikel 22.44 al geldt.
Een bouwwerk wordt niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Degene die een activiteit verricht, kan alleen met toestemming vooraf voor het verrichten hiervan een andere methode of techniek toepassen dan staat in de algemene regels in Hoofdstuk 5hoofdstuk 5 staat of in maatwerkvoorschriften die op grond van Hoofdstuk 5hoofdstuk 5 zijn gesteld. Die andere methode of techniek is gelijkwaardig aan die van de algemene regels in hoofdstuk 5 of de maatwerkvoorschriften.
Voor het verkrijgen van toestemming als bedoeld in artikel 5.7Artikel 5.6,eerste lid eerste lid, wordt een aanvraag bij het bevoegd gezag ingediend.
Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de methode of techniek, bedoeld in het artikel 5.7Artikel 5.6,eerste lid eerste lid, gelijkgesteld kan worden aan de voorwaarden in de algemene regels of maatwerkvoorschriften.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 ter bescherming van de doelen, bedoeld in artikel 5.2.
Als op grond van een meldingsplicht een melding wordt gedaan of als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, worden die ondertekend en voorzien van:
Als de naam of het adres, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, onder c, wijzigt, wordende gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt als degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Als een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 5 of in hoofdstuk 6 geheel of gedeeltelijk samenvalt met een andere activiteit waarvoor op grond van het omgevingsplan regels gelden, dan gelden die regels voor die andere activiteit ook, tenzij anders is bepaald.
Bij regels over activiteiten worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten, tenzij in artikel 5.11, tweede lid, anders is bepaald:
afstanden loodrecht;
hoogten vanaf het afgewerkt aansluitend terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, die niet nodig zijn voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;
maten buitenwerks, waarbij uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing blijven; en
voor de toepassing van artikel 5.11, eerste lid, onderdeel b wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een perceelsgrens, gemeten aan de kant waar het afgewerkt aansluitend terrein het hoogst is.
Bij regels over activiteiten worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
afstand tussen bouwwerken onderling en tot perceelgrenzen: de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinste is;
bouwhoogte van een hoofdgebouw, bedrijfsgebouw of bedrijfswoning: de bouwhoogte wordt vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een hoofdgebouw, bedrijfsgebouw of bedrijfswoning, met uitzondering van verticaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter, gemeten;
brutovloeroppervlak: het brutovloeroppervlak is de bebouwde oppervlakte van iedere afzonderlijke bouwlaag van een gebouw bij elkaar opgeteld, inclusief de bijzondere bouwlagen.
dakhelling: de dakhelling is de kleinste hoek langs het hellend dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
goothoogte van een gebouw: de goothoogte wordt vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot of de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel gemeten, waarbij de goot van dakkapellen, topgevels, trappenhuizen, liftkokers, schoorstenen en andere gelijksoortige bouwdelen buiten beschouwing worden gelaten;
inhoud van een gebouw: de inhoud wordt tussen de onderzijde van de laagstgelegen vloer, de buitenzijde van de (denkbeeldige) gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen gemeten, met uitzondering van uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter;
lengte en breedte van een gebouw: de lengte en breedte worden tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de (denkbeeldige) gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren) gemeten, met uitzondering van horizontaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter;
oppervlakte van een gebouw: de oppervlakte wordt tussen de (denkbeeldige) buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk gemeten, met uitzondering van horizontaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter;
verticale diepte van een gebouw: de verticale diepte wordt vanaf het peil tot de onderkant van de vloer van de onderste bouwlaag met inbegrip van een bijzondere bouwlaag gemeten;
peil:
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst is het peil de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst is het peil de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
voor een bouwwerk op een viaduct of brug is het peil de hoogte van de kruin van het viaduct of de brug ter plaatse van het bouwwerk;
in afwijking van de onderdelen 1 tot en met 3 geldt voor een bouwwerk ter plaatse van het water dat het peil het zomerpeil of vaste peil is; en
in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 4 is het peil de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
breedte van de Ringvaart: de breedte is grootste afstand loodrecht op de oevers, of op de oever en de gemeentegrens van Haarlemmermeer, in geval en voor zover de Ringvaart buiten de begrenzing van de gemeente Haarlemmermeer ligt;
breedte van een steiger: de breedte is de afmeting van een steiger loodrecht op de oeverlijn;
hoogte van een steiger: de hoogte wordt vanaf de bovenzijde van het beloopbare deel tot aan het plaatselijk geldende zomerpeil of vaste peil van het water;
lengte van een steiger: de lengte is de afmeting van de steiger parallel aan de oeverlijn;
hoogte van een meerpaal en aanmeervoorziening: de hoogte wordt vanaf het hoogste punt tot aan het plaatselijk geldende zomerpeil of vaste peil van het water gemeten;
hoogte van een transparante omheining en hijs- en bootliftinstallatie op een steiger: de hoogte wordt vanaf de bovenzijde van het beloopbare deel van de steiger tot het hoogste punt gemeten;
hoogte van een windturbine: de hoogte wordt vanaf het peil tot aan de as van de windturbine gemeten;
ashoogte van een windturbine: de ashoogte wordt vanaf het peil tot aan het hart van de rotor-as van de windturbine gemeten; en
tiphoogte van een windturbine: de tiphoogte wordt vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wiek van de windturbine gemeten.
In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt onder zomerpeil of vaste peil van het water verstaan het zomerpeil of vaste peil zoals dat is vastgelegd door het bevoegd gezag in het geldende peilbesluit, met dien verstande dat indien sprake is van een dynamisch zomerpeil er wordt uitgegaan van de geldende bovengrens van dat zomerpeil.
In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 worden de volgende uitstekende bouwonderdelen van een gebouw beschouwd als van ondergeschikte aard: antennes, schoorstenen, bewassingsinstallaties, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, overstekende daken en naar hun aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
Een omgevingsnorm geldt alleen in het geometrisch afgebakende gebied waarin deze is opgenomen.
G
Voor afdeling 5.2.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied hoogspanningsverbinding.
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in paragraaf 5.2.1.1 als oogmerk het beschermen van de werking van de hoogspanningsverbinding.
In het werkingsgebied beschermingsgebied hoogspanningsverbinding – 50 kV ondergronds kan:
In het werkingsgebied beschermingsgebied hoogspanningsverbinding – 150 kV ondergronds kan:
Subparagraaf 5.2.1.1.2 gaat over het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied hoogspanningsverbinding.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied hoogspanningsverbinding een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.18.
Het verbod in artikel 5.17, eerste lid, geldt niet als het om het bouwenvan een hoogspanningsverbinding met daarbij behorende voorzieningen gaat. Hiervoor gelden wel onverminderd de regels over bouwen in afdeling 5.2.2.
Artikel 5.17, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat geen hoogspanningsverbinding of daarbij behorende voorziening is en dat bouwwerk een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwt of verandert, waarbij geldt dat:
Bij het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, blijft afdeling 5.2.2 onverminderd gelden.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, wordt alleen verleend als het om het bouwenvan een bouwwerk gaat dat geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de hoogspanningsverbinding.
In aanvulling op artikel 5.18, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de beheerder van de hoogspanningsverbinding en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Subparagraaf 5.2.1.1.3 gaat over het uitvoeren van werkzaamheden of van werken in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied hoogspanningsverbinding.
Onder werken worden geen bouwwerken verstaan.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied hoogspanningsverbinding een of meer van de volgende werkzaamheden of werken uit te voeren:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen of ophogen van gronden en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
het permanent opslaan van goederen; en
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.21.
Artikel 5.20, eerste lid, geldt niet als het om het uitvoeren van werkzaamheden of werken voor het realiseren of beheren van een hoogpanningsleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat.
Artikel 5.20, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken die het normale onderhoud en beheer voor andere ter plaatse toegedeelde functies betreffen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de hoogspanningsverbinding.
In aanvulling op artikel 5.21, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf advies aan de beheerder van de hoogspanningsverbinding en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Paragraaf 5.2.1.2 gaat over het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied rioolleiding.
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in paragraaf 5.2.1.2 als oogmerk het beschermen van de werking van de rioolleiding.
In het werkingsgebied beschermingsgebied rioolleiding - maximaal 1.500 mm kan:
Subparagraaf 5.2.1.2.2 gaat over het bouwenvan een bouwwerkin de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied rioolleiding.
Het is verboden zonder omgevingsvergunningin het gebiedsaanwijzing beschermingsgebied rioolleiding een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.28.
Het verbod in artikel 5.27, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een rioolleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat. Hiervoor gelden wel onverminderd de regels over bouwen in afdeling 5.2.2.
Artikel 5.27, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat geen rioolleiding of daarbij behorende voorziening is en dat bouwwerk een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwt of verandert, waarbij geldt dat:
Bij het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.27, derde lid, blijft afdeling 5.2.2 onverminderd gelden.
Een omgevingsvergunningvoor het bouwen als bedoeld artikel 5.27, eerste lid wordt alleen verleend als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de rioolleiding.
In aanvulling op artikel 5.28, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de beheerder van de rioolleiding en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Subparagraaf 5.2.1.2.3 gaat over het uitvoeren van werkzaamheden of van werken in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied rioolleiding.
Onder werken worden geen bouwwerken verstaan.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het verboden zonder omgevingsvergunning in het gebiedsaanduiding beschermingsgebied rioolleiding een of meer van de volgende werkzaamheden of werken uit te voeren:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen of ophogen van gronden en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
het permanent opslaan van goederen; en
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.31.
Artikel 5.30, eerste lid, geldt niet als het om het uitvoeren van werkzaamheden of werken voor het realiseren of beheren van een rioolleiding met daarbij behorende voorzieningen als bedoeld in artikel 5.24 gaat.
Artikel 5.30, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken die het normale onderhoud en beheer voor andere ter plaatse toegedeelde functies betreffen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de rioolleiding.
In aanvulling op artikel 5.31, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf advies aan de beheerder van de rioolleiding en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Paragraaf 5.2.1.3 gaat over het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterkering.
In de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterkering kan een waterkering met de daarbij behorende voorzieningen worden gerealiseerd en beheerd.
Als een ander onderdeel in dit omgevingsplan dan afdeling 5.2.1 in strijd is met paragraaf 5.2.1.3 dan gaat het onderdeel in deze paragraaf voor.
In aanvulling op artikel 5.34, eerste lid, gaat een regel voor de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterkering voor op een regel voor een andere beschermingsgebied in afdeling 5.2.1 als deze in strijd met elkaar zijn.
Artikel 5.34, eerste lid, geldt niet voor een onderdeel dat in afdeling 5.2.7 staat.
Subparagraaf 5.2.1.3.2 gaat over het bouwen van een bouwwerkin de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterkering.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterkering een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.37.
Artikel 5.36, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een waterkering met daarbij behorende voorzieningen gaat. Hiervoor gelden wel onverminderd de regels over bouwen in afdeling 5.2.2.
Artikel 5.36, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat geen rioolleiding of daarbij behorende voorziening is en dat bouwwerk een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwt of verandert, waarbij geldt dat:
Bij het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.36, derde lid, blijft afdeling 5.2.2 onverminderd gelden.
Een omgevingsvergunningvoor het bouwen als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterkering.
In aanvulling op artikel 5.37, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies aan de beheerder van de waterkering en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Subparagraaf 5.2.1.3.3 gaat over het uitvoeren van werkzaamheden of van werken in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterkering.
Onder werken worden geen bouwwerken verstaan.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterkering een of meer van de volgende werkzaamheden of werken uit te voeren:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen of ophogen van gronden en aanleggen van drainage; en
het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.39, eerste lid, wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.40.
Artikel 5.39, eerste lid, geldt niet als het om het uitvoeren van werkzaamheden of werken gaat voor het aanleggen of beheren van een waterkering met daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 5.39, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken die het normale onderhoud en beheer voor andere ter plaatse toegedeelde functies betreffen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.39, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterkering.
In aanvulling op artikel 5.40, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf advies aan de beheerder van de waterkering en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Paragraaf 5.2.1.4 gaat over het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterleiding.
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in paragraaf 5.2.1.4 als oogmerk het beschermen van de werking van de waterleiding.
In het werkingsgebied beschermingsgebied waterleiding – kleiner dan 1.200 mm kan:
In het werkingsgebied beschermingsgebied waterleiding - maximaal 1.500 mm kan:
Subparagraaf 5.2.1.4.2 gaat over het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterleiding.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterleiding een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.47.
Het verbod in artikel 5.46, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een waterleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat. Hiervoor gelden wel onverminderd de regels over bouwen in afdeling 5.2.2.
Artikel 5.46, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat geen waterleiding of daarbij behorende voorziening is en dat bouwwerk een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwt of verandert, waarbij geldt dat:
Bij het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.46, derde lid, blijft afdeling 5.2.2 onverminderd gelden.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, wordt alleen verleend als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterleiding.
In aanvulling op artikel 5.47, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de beheerder van de waterleiding en betrekt dit advies bij het te nemen besluit
Subparagraaf 5.2.1.4.3 gaat over het uitvoeren van werkzaamheden of van werken in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterleiding.
Onder werken worden geen bouwwerken verstaan.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied waterleiding een of meer van de volgende werkzaamheden of werken uit te voeren:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
het permanent opslaan van goederen;
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.49, eerste lid, wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.50.
Artikel 5.49, eerste lid, geldt niet als het om het uitvoeren van werkzaamheden of werken voor het realiseren of beheren van een waterleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat.
Artikel 5.49, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken die het normale onderhoud en beheer voor andere ter plaatse toegedeelde functies betreffen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.49, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de waterleiding.
In aanvulling op artikel 5.49, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf advies aan de beheerder van de waterleiding en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
H
Afdeling 5.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
I
Voor paragraaf 5.2.2.1 worden veertien paragrafen ingevoegd, luidende:
Afdeling 5.2.2gaat over:
het bouwen van een bijbehorend bouwwerk; en
het bouwen van een overig bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.1 gaat ook over de rooilijnen, de bebouwingsgrenzen en het straatpeil bij het bouwen van een bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.2 gaat ook over aansluiting op distributienetwerken voor nutsvoorzieningen.
Paragraaf 5.2.2.3 gaat ook over voorwaarden voor bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten.
Onder het bouwen van een bouwwerk wordt ook verstaan het uitbreiden of veranderen van een bouwwerk en het in stand houden van een bouwwerk.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk voor de ruimtelijke kenmerken van dat bouwwerk, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing;
en het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteiten op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; en
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 5.53 eerste lid voldoen de tekeningen aan de volgende voorwaarden:
de schaal is niet kleiner dan:
uit een situatietekening met een noordpijl blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen;
een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende gegevens:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk voor de uiterlijke kenmerken van dat bouwwerk, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft:
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 5.54, voldoen de tekeningen aan de volgende voorwaarden:
de schaal is niet kleiner dan:
1:1000, als het gaat om een situatietekening;
1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;
1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging;
1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht; en
1:1, 1:2 of 1:5 als het gaat om een detailtekening;
een detailtekening is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering;
uit een situatietekening met een noordpijl blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen;
een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende gegevens:
Paragraaf 5.2.2 gaat over het voorzien in aansluitingen op de distributienetten van nutsvoorzieningen bij het verrichten van bouwactiviteiten.
Een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk is aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als: de aansluitafstand maximaal 100 meter is;
of de aansluitafstand groter is dan 100 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 meter.
Artikel 5.56, eerste lid geldt niet voor het bouwen van een woning in opdracht van een particulier of een drijvend bouwwerk.
Een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk is aangesloten op het distributienet voor gas als:
artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet voor de aansluiting geldt; en
de aansluitafstand maximaal 40 meter is, of de aansluitafstand groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter.
Artikel 5.57, eerste lid geldt niet voor het bouwen van een woning in opdracht van een particulier of een drijvend bouwwerk.
Een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden is aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:
het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk nog niet is bereikt; en
de aansluitafstand maximaal 40 meter is, of de aansluitafstand groter is dan 40 meter en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter.
Een gelijkwaardige maatregelvoor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
Artikel 5.58, eerste lid en artikel 5.58, tweede lid, gelden niet voor het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied gelden.
Een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk is aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand:
maximaal 40 meter is; of
groter dan 40 meter is en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 meter.
Een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater ligt door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het gebouwerf of eigen terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zo dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:
Bij maatwerkvoorschrift kan als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, aanwezig is waarop kan worden aangesloten, in ieder geval worden bepaald op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoervan huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem nodige perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het gebouwerf of eigen terrein wordt aangelegd.
Bij maatwerkvoorschrift kan, als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool kan worden gebracht, in ieder geval worden bepaald op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool nodige perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het gebouwerf of eigen terrein wordt aangelegd.
Bij maatwerkvoorschrift kan in ieder geval worden bepaald of, en zo ja, welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het gebouwerf of eigen terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Paragraaf 5.2.2.3 gaat over voorwaarden bij het bouwen van een bouwwerk voor de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten.
Een bouwwerk heeft een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of artikel 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 5.63, eerste lid, is niet van toepassing indien de benodigde bluswatervoorziening een capaciteit moet hebben van maximaal 30m3/h vanaf aankomst eerste tankautospuit en maximaal 240m3/h binnen 30 minuten na opschaling en maximaal 480m3/h binnen 60 minuten na opschaling.
Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg, die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Artikel 5.64, eerste lid geldt niet:
voor een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van maximaal 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van maximaal 50 m2;
voor een lichte industriefunctie als het gaat om het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van maximaal 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
als de toegang van het bouwwerk op maximaal 10 meter van een openbare weg ligt; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
Tenzij in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:
een breedte van minimaal 4,5 meter;
een verharding over een breedte van minimaal 3,25 meter die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van minimaal 14.600 kilogram;
een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van minimaal 4,2 meter; en
een doeltreffende afwatering.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 5.64, derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zijn opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig waarmee een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
Artikel 5.65, eerste lid, geldt niet:
voor een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van maximaal 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van maximaal 50 m2;
voor een lichte industriefunctie als het gaat om het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van maximaal 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in Artikel 3.129 of Artikel 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als geen brandweeringang aanwezig is, de afstand tussen een opstelplaats en een toegang van het bouwwerk is maximaal 40 meter.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 5.64, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Indien op een bouwwerk artikel 5.63, vierde lid, en artikel 5.64, eerste lid, van toepassing zijn en de brandweeringang of toegang van dit bouwwerk is gelegen op een afstand groter dan 140 meter van de openbare weg, moet er een tweede opstelplaats aanwezig zijn (ten behoeve van een watertankwagen) op maximaal 100 meter vanaf de opstelplaats zoals bedoeld in artikel 5.65, eerste lid.
Paragraaf 5.2.2.5 gaat over de ruimtelijke kenmerken van een gebouw.
Paragraaf 5.2.2.5 gaat niet over de uiterlijke kenmerken van een gebouw. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.13 en paragraaf 5.2.2.14.
Paragraaf 5.2.2.5 gaat niet over een woonwagen. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.11.
Paragraaf 5.2.2.5 gaat niet over een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
Paragraaf 5.2.2.5 gaat niet over het bouwen van een gebouw dat een bijbehorend bouwwerk is en waarvoor paragraaf 5.2.2.7 of paragraaf 5.2.2.8 geldt.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken bij het bouwen van een gebouw wordt verleend als is voldaan aan artikel 5.69, artikel 5.70 en artikel 5.71.
Als een gebouw een woning is, is er maximaal 1 woning per bouwperceel.
In afwijking van artikel 5.69, tweede lid, worden gestapelde woningen gebouwd in het werkingsgebied woningen gestapeld.
In afwijking van artikel 5.69, tweede lid, is op de met de omgevingsnorm woningen grondgebonden - aantal aangegeven gronden, het aantal grondgebonden woningen maximaal het aangegeven aantal.
In afwijking van artikel 5.69, tweede lid, is op de met de omgevingsnorm woningen gestapeld - aantal aangegeven gronden, het aantal gestapelde woningen maximaal het aangegeven aantal.
In afwijking van artikel 5.69, tweede lid, is op de met de omgevingsnorm woningen - aantal aangegeven gronden, het aantal grondgebonden woningen en gestapelde woningen samen maximaal het aangegeven aantal.
Op de met de omgevingsnorm gebouw - goothoogte aangegeven gronden, is de goothoogte van een gebouw maximaal de aangegeven hoogte.
Op de met de omgevingsnorm gebouw - bouwhoogte aangegeven gronden, is de bouwhoogte van een gebouw maximaal de aangegeven hoogte.
Op de met de omgevingsnorm bouwwerken - bebouwingspercentage aangegeven gronden, is de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken per bouwperceel maximaal het aangegeven percentage van de oppervlakte van die gronden.
In aanvulling op artikel 5.69, negende lid, is op de met de omgevingsnorm bouwwerken - bebouwingspercentage met maximaal aantal m2 aangegeven gronden, de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken per bouwperceel maximaal het aangegeven percentage van de oppervlakte van die gronden, en daarbij maximaal de aangegeven oppervlakte in m2.
Op de met de omgevingsnorm bouwwerken - aantal m2 aangegeven gronden, is de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken maximaal de aangegeven oppervlakte.
Artikel 5.69, negende lid, en artikel 5.69, achtste lid, gelden niet voor een vrijstaand bijbehorend gebouw bij een woning. Hiervoor gelden paragraaf 5.2.2.7 en paragraaf 5.2.2.8.
Artikel 5.69, eerste lid, is niet verplicht niet in openbaar toegankelijk gebied bij het bouwen van een gebouw dat een speelvoorziening is.
Artikel 5.69, eerste lid, is niet verplicht in openbaar toegankelijk gebied bij het bouwen van een gebouw dat voor verkeersafwikkeling is.
Artikel 5.69, eerste lid, is niet verplicht in de gebiedsaanwijzing recreatie.
In afwijking van artikel 5.69, eerste lid, kan in het werkingsgebied tuin een gebouw dat een speelvoorziening is, worden gebouwd.
De bouwhoogte van een gebouw als bedoeld in artikel 5.70, eerste lid, artikel 5.70, tweede lid, artikel 5.70, derde lid en artikel 5.70, vierde lid is maximaal 4 meter.
De opppervlakte van een gebouw als bedoeld in artikel 5.70, eerste lid, artikel 5.70, tweede lid, artikel 5.70, derde lid en artikel 5.70, vierde lid is maximaal 10 m2.
Op de met de omgevingsnorm bedrijfsgebouw - afstand achter voorkant aangegeven gronden, is de afstand van een bedrijfsgebouw tot de voorkant van de bedrijfswoning minimaal de aangegeven afstand achter de voorkant van die bedrijfswoning.
Op de met de omgevingsnorm hoofdgebouw - afstand tot zijdelingse perceelsgrens aangegeven gronden, is de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal de aangegeven afstand.
Op de met de omgevingsnorm gebouw - afstand tot zijdelingse perceelsgrens aangegeven gronden, is de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal de aangegeven afstand.
In het werkingsgebied gebouw – Lijndenhof Oost – kantoor is de afstand tussen een gebouw met zelfstandige kantooractiviteiten en een ander gebouw met zelfstandige kantooractiviteiten minimaal 13 meter.
Paragraaf 5.2.2.6 gaat over de ruimtelijke kenmerken van een gebouw.
Paragraaf 5.2.2.6 gaat niet over de uiterlijke kenmerken van een gebouw. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.13 en aragraaf 5.2.2.14.
Paragraaf 5.2.2.6 gaat niet over een woonwagen. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.11.
Paragraaf 5.2.2.6 gaat niet over een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
Paragraaf 5.2.2.6 gaat niet over het bouwen van een gebouw dat een bijbehorend bouwwerk is en waarvoor paragraaf 5.2.2.7 en paragraaf 5.2.2.8 geldt.
Paragraaf 5.2.2.6 gaat niet over het bouwen van een gebouw waarvoor paragraaf 5.2.2.5 geldt.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van artikel 5.69, eerste lid, anders dan bedoeld in artikel 5.70. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken van een gebouw wordt alleen worden verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.74 of artikel 5.77.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw met een hogere goothoogte te bouwen dan de op de met de omgevingsnorm gebouw - goothoogte aangegeven gronden aangegeven hoogte. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken van een gebouw wordt alleen worden verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.75 of artikel 5.77.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw met een hogere bouwhoogte te bouwen dan de op de met de omgevingsnorm gebouw - bouwhoogte aangegeven gronden aangegeven hoogte. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken van een gebouw wordt alleen worden verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.75 of artikel 5.77.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer oppervlakte aan bouwwerken te bouwen dan het op de met de omgevingsnorm bouwwerken - bebouwingspercentage aangegeven gronden aangegeven percentage. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken van een gebouw wordt alleen worden verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.76.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.73, eerste lid, voor het voor een deel of volledig buiten het werkingsgebied 'bouwvlak' bouwen van een gebouw, wordt verleend als:
het geen agrarisch bedrijfsgebouw is;
de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen buiten de gebiedsaanwijzing ‘bouwvlak’ op de locatie maximaal 20 m2 is;
de goothoogte maximaal 3 meter is;
de bouwhoogte maximaal 5 meter is;
als het stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
het in het straat- en bebouwingsbeeld past; en
het geen onevenredig beperkingen voor aangrenzende percelen geeft.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.73, eerste lid, voor het in de gebiedsaanwijzing agrarisch voor een deel of volledig buiten de gebiedsaanwijzing ‘bouwvlak’ bouwen van een gebouw, wordt verleend als het een schuilhut voor vee is, waarbij geldt dat:
In aanvulling op artikel 5.74, tweede lid, wordt een omgevingsvergunning ook verleend als:
het een agrarisch bedrijfsgebouw is dat hoort bij een volwaardig agrarisch bedrijf;
het plaatsen in de gebiedsaanwijzing ‘bouwvlak’ niet mogelijk of niet doelmatig is;
het plaatsen buiten de gebiedsaanwijzing ‘bouwvlak’ nodig is voor een volwaardige bedrijfsvoering;
de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen buiten de gebiedsaanwijzing ‘bouwvlak’ op deze locatie maximaal 150 m² is;
de goothoogte maximaal 4 meter is;
de bouwhoogte maximaal 6 meter is;
het gebouw niet ligt tussen de naar de openbare weg gekeerde grens van de gebiedsaanwijzing ‘bouwvlak’ en de openbare weg;
het stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
het in het bebouwingsbeeld past;
het geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft; en
het past binnen het landschappelijk karakter.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.73, eerste lid, voor het in het werkingsgebied gebouwen – buiten bouwvlak – afwijking De Veldpost bouwen van een gebouw voor een deel of volledig buiten de gebiedsaanwijzing ‘bouwvlak’, wordt verleend als:
de gezamenlijke oppervlakte van alle gebouwen, inclusief de oppervlakte van gebouwen in de gebiedsaanwijzing ‘bouwvlak’, maximaal
2.500 m2 is;
de bouwhoogte maximaal 10 m is;
het stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is;
het geen onevenredig beperkingen voor aangrenzende percelen geeft.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.73, tweede lid, en artikel 5.73, derde lid, voor het afwijken van de goothoogte en het afwijken van de bouwhoogte bij het bouwen van een gebouw wordt verleend als:
het in het werkingsgebied Sloterweg 259 ligt;
de afwijking maximaal 4 meter is;
de vergroting plaatsvindt voor de uitbreiding van het aantal hotelkamers;
het in het straat- en bebouwingsbeeld past;
het geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.73, vierde lid voor het afwijken van het bebouwingspercentage tot 100% bij het bouwen van een gebouw, wordt verleend als:
het in het werkingsgebied bebouwingspercentage – afwijking tot 100% ligt;
het stedenbouwkundig aanvaardbaar is; en
het geen onevenredige beperkingen voor de aangrenzende percelen geeft.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.73, eerste lid, artikel 5.73, tweede lid, artikel 5.73, derde lid, en artikel 5.73, vierde lid, bij het bouwen van een gebouw wordt ook verleend als:
in geringe mate tot maximaal 2 meter van een bouwgrens wordt afgeweken en dit nodig is door een kennelijk meetverschil tussen werkelijke toestand van het terrein en de begrenzing van de in het omgevingsplan geografisch vastgelegde werkingsgebieden en gebiedsaanwijzingen;
met maximaal 25% wordt afgeweken van de maximale bouwhoogte van een gebouw voor:
een plaatselijke verhoging, zoals een schoorsteen, een luchtkoker, een liftkoker of een lichtkap; en
de totale oppervlakte van een vergroting op dat gebouw maximaal 50% van de oppervlakte van de bovenste verdiepingsvloer is; of
met maximaal 10% wordt afgeweken van:
In aanvulling op artikel 5.77, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken bij het
bouwen van een gebouw alleen verleend als het ook:
Paragraaf 5.2.2.7 gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.7 gaat over de ruimtelijke kenmerken van een bijbehorend bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.7 gaat niet over de uiterlijke kenmerken van een bijbehorend bouwwerk. Hiervoor geldt paragraaf
5.2.2.13en paragraaf 5.2.2.14.
Paragraaf 5.2.2.7 gaat niet over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.11.
Paragraaf 5.2.2.7 gaat niet over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een woonschip.
Paragraaf 5.2.2.7 gaat niet over het bouwen van een een recreatief nachtverblijf.
Paragraaf 5.2.2.7 gaat niet over een bijbehorend bouwwerk als in de omgevingsvergunning voor het bouwen van het hoofdgebouw staat dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te herstellen.
Paragraaf 5.2.2.7 gaat niet over een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
Als bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk voldaan wordt aan de ruimtelijk kenmerken, bedoeld in paragraaf 5.2.2.7 is geen omgevingsvergunning nodig voor de ruimtelijke kenmerken.
Artikel 5.69, eerste lid, is niet verplicht als het gebouw een bijbehorend bouwwerk is.
In aanvulling op artikel 5.80, eerste lid, geldt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied ook artikel 5.81 en artikel 5.82.
In aanvulling op artikel 5.80, eerste lid, geldt voor het bouwen in het voorerfgebied ook artikel 5.81 en artikel 5.83.
Bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk blijft het aantal woningen gelijk.
Op de met de omgevingsnorm bijbehorend gebouw - goothoogte aangegeven gronden, is de goothoogte van een bijbehorend gebouw maximaal de aangegeven hoogte.
Op de met de omgevingsnorm bijbehorend gebouw - bouwhoogte aangegeven gronden, is de bouwhoogte van een bijbehorend gebouw maximaal de aangegeven hoogte.
Op de met de omgevingsnorm bouwwerken - bebouwingspercentage aangegeven gronden, is de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken op een bouwperceel maximaal het aangegeven aandeel van de oppervlakte van die gronden.
Op de met de omgevingsnorm bouwwerken - aantal m2 aangegeven gronden, is de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken maximaal de aangegeven oppervlakte.
In aanvulling op artikel 5.81 , vierde lid is op de met de omgevingsnorm bouwwerken - bebouwingspercentage met maximaal aantal m2 aangegeven gronden, de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken op een bouwperceel maximaal het aangegeven percentage van de oppervlakte van die gronden, en daarbij maximaal de aangegeven oppervlakte in m2.
Als de inhoud van een onderdeel van artikel 5.81 meer mogelijk maakt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk dan artikel 5.82 of artikel 5.83 dan geldt het onderdeel in artikel 5.81 aanvullend op artikel 5.82 en artikel 5.83.
Als de inhoud van een onderdeel van artikel 5.81 minder mogelijk maakt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk dan artikel 5.82 of artikel 5.83 dan geldt artikel 5.82 of artikel 5.83 aanvullend op artikel 5.81.
In aanvulling op artikel 5.81 geldt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied dat:
het op de grond staat;
als het achtererfgebied grenst aan openbaar toegankelijk gebied:
geen minimale afstand tot het openbaar toegankelijk gebied geldt als het bijbehorend bouwwerk bij een woning hoort; of
een minimale afstand van 1 meter tot het openbaar toegankelijk gebied geldt als het bijbehorend bouwwerk niet bij een woning hoort;
voor zover het op maximaal 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw staat het aan artikel 5.82, derde lid, of artikel 5.82, zesde lid, voldoet;
voor zover het op meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw staat het aan artikel 5.82, vierde lid, of artikel 5.82, zesde lid, voldoet;
de oppervlakte aan artikel 5.82, zevende lid of artikel 5.82, achtste lid voldoet;
voor zover het op meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw staat het functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw is;
voor zover een deel tot en met 4 meter en een deel op meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw staat zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is in aanvulling op artikel 5.82, eerste lid, onder f, ook het deel tot en met 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw;
een verblijfsgebied, bij meer dan één bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag ligt; en
het geen dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte heeft.
Artikel 5.82, eerste lid, onder f, geldt niet voor een bijbehorend bouwwerk bij een vrijstaande of een twee-aan-een-geschakelde woning.
Als het bijbehorend bouwwerk op maximaal 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw staat, geldt dat:
de bouwhoogte maximaal 5 meter is; en
deze niet hoger is dan 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw.
Voor zover het bijbehorend bouwwerk op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw staat, geldt dat:
de bouwhoogte maximaal 3 meter is; of
het bouwwerk:
een bouwhoogte van maximaal 3 meter vermeerderd met 0,47 x de afstand van de daknok tot de perceelsgrens, tot maximaal 5 meter heeft;
een goothoogte van maximaal 3 meter heeft; en
2 of meer schuine dakvlakken met een hellingshoek van maximaal 55 graden heeft.
In afwijking van artikel 5.82, eerste lid onder a, kan een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bouwwerk worden gebouwd, waarbij deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn.
In afwijking van artikel 5.82, derde lid en artikel 5.82, vierde lid geldt voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning met een bebouwingsgebied groter dan 300 m2 dat:
De totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied is maximaal:
als hetbebouwingsgebied maximaal 100 m2 is: 50% van dat bebouwingsgebied;
als het bebouwingsgebied groter is dan 100 m2 en maximaal 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2;
als het bebouwingsgebied groter is dan 300 m2 en het hoofdgebouw geen woning is: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2 tot een maximum van 150 m2; en
als het bebouwingsgebied groter is dan 300 m2 en het hoofdgebouw een woning is: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2 tot een maximum van 250 m2.
In aanvulling op artikel 5.82, zevende lid, geldt in het werkingsgebied bijbehorend bouwwerk - voorerfgebied en achtererfgebied bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, dat de gronden waarover de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken wordt berekend ook het voorerfgebied omvat, voor zover het voorerfgebied binnen het werkingsgebied ligt.
In afwijking van artikel 5.82, eerste lid, onder i, kan een dakterras wel op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning worden gebouwd, als:
de afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter is; en
de hoogte van de balustrade maximaal 1,2 meter is ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.
Bij toepassing van artikel 5.82, negende lid, telt de balustrade niet mee voor het bepalen van de bouwhoogte, bedoeld in artikel 5.82.
In aanvulling op artikel 5.81 geldt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied dat:
het gebouwd is aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
het op de grond staat;
de diepte maximaal 1,2 meter is gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw ;
de afstand tot de perceelsgrens met openbaar gebied minimaal 1 meter is;
de breedte maximaal 65% van de breedte van de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw is;
het niet hoger is dan 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; en
het geen dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte heeft.
In aanvulling op artikel 5.81 geldt bij het bouwen van een bijbehorend gebouw dat een woning verbindt met een ander bijbehorend bouwwerk dat in het voorerfgebied voor de voorkant van de woning ligt, dat:
het gebouwd is aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
het op de grond staat;
de diepte maximaal 2,5 meter is;
de breedte maximaal de breedte van het andere bijbehorend bouwwerk is;
het niet hoger dan 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw is;
het plat afgedekt is; en
het geen dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte heeft.
In afwijking van artikel 5.83, eerste lid, onder g, kan een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning worden gebouwd, als:
het ligt in voorerfgebied achter de voorkant van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
de afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 2 meter is;
de hoogte van de balustrade maximaal 1,2 meter ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras is; en
het ligt in een gebied dat of het is een bouwwerk dat in de beleidsnota ‘Nota uiterlijk van bouwwerken’ of de opvolger daarvan is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen regels over de uiterlijke kenmerken van bouwwerken gelden.
Bij toepassing van artikel 5.83, derde lid, onder c, telt de balustrade niet mee voor het bepalen van de bouwhoogte, bedoeld in artikel 5.83, eerste lid, onder f.
In aanvulling op artikel 5.82, geldt in het werkingsgebied bijbehorend bouwwerk - voorerfgebied en achtererfgebied bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied achter de voorkant van de woning, dat:
het bijbehorend bouwwerk minimaal 1 meter achter de voorkant van het oorspronkelijke hoofdgebouw staat;
in aanvulling op artikel 5.82, zevende lid, de gronden waarover de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken wordt berekend ook het voorerfgebied omvat, voor zover het voorerfgebied binnen het werkingsgebied ligt;
de maximale bouwhoogte geldt zoals deze volgt uit artikel 5.82, derde lid, artikel 5.82, vierde lid of artikel 5.82, zesde lid;
als artikel 5.83,eerste lid, meer mogelijk maakt voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk dan artikel 5.83, vijfde lid, dan geldt artikel 5.83, eerste lid.
Een bijbehorend bouwwerk dat een bedrijfswoning is, wordt alleen in het werkingsgebied bedrijfswoning gebouwd.
In het werkingsgebied bedrijfswoning wordt maximaal 1 bedrijfswoning gebouwd.
Als de inhoud van een onderdeel van dit artikel in strijd is met een onderdeel van artikel 5.82 of artikel 5.83 gaat het onderdeel in dit artikel voor.
In afwijking van artikel 5.84, tweede lid, is op de met de omgevingsnorm bedrijfswoningen - aantal aangegeven gronden, het aantal bedrijfswoningen maximaal het aangegeven aantal.
Artikel 5.81, eerste lid, geldt niet voor een bedrijfswoning.
Bij het bouwen van een bouwwerk bij een bedrijfswoning geldt dat:
het bouwwerk functioneel verbonden is met een bedrijfswoning;
als het een aanbouw bij de bedrijfswoning is, deze niet hoger is dan 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning en maximaal 5 meter is;
als het een aanbouw bij de bedrijfswoning is, deze maximaal 3 meter diep is, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel van de bedrijfswoning of het denkbeeldige verlengde daarvan;
als het een vrijstaand bouwwerk is, de bouwhoogte maximaal 5 meter is;
de goothoogte maximaal 3 meter is; en
de totale oppervlakte van bouwwerken bij een bedrijfswoning maximaal 70 m2 is.
Als de inhoud van een onderdeel van artikel 5.85 in strijd is met een onderdeel van artikel 5.82 of artikel 5.83 gaat het onderdeel in dit artikel voor.
Artikel 5.81, tweede, geldt niet als een bijbehorend bouwwerk bij een woning een woning voor mantelzorg is.
Een bijbehorend bouwwerk bij een woning dat een woning voor mantelzorg is, staat in het achtererfgebied.
Als een bijbehorend bouwwerk bij een woning dat een woning voor mantelzorg is, wordt gebouwd, geldt als dit bouwwerk niet voldoet aan artikel 5.82, zevende lid, dat het bijbehorende bouwwerk:
Artikel 5.82, eerste lid, onder f, en artikel 5.82, eerste lid, onder g, gelden niet voor een woning voor mantelzorg.
In afwijking van artikel 5.79 is het in het werkingsgebied bijbehorende bouwwerken - niet bouwen verboden een bijbehorend bouwwerk te bouwen.
In afwijking van artikel 5.79 is het in het werkingsgebied bijbehorende gebouw - niet bouwen verboden een bijbehorend gebouw te bouwen.
In het werkingsgebied tuin gelden artikel 5.81, artikel 5.82 en artikel 5.83 niet en zijn de gronden uitgesloten van de berekening van de maximaal te bebouwen oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken als bedoeld in artikel 5.82, zevende lid.
Bij het bouwen van een ondergronds bouwwerk geldt dat:
hier volgens dit omgevingsplan ook boven de grond kan worden gebouwd;
de verticale bouwdiepte maximaal 4 meter is; en
op de ondergrondse bouwlaag verblijfsgebied kan liggen.
In afwijking van artikel 5.88, eerste lid, onder b, is op de met de omgevingsnorm bijbehorend bouwwerk - verticale bouwdiepte aangegeven gronden, de verticale diepte maximaal de aangegeven bouwdiepte.
Bij het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of in een naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlak van een woning geldt dat:
het een plat dak heeft;
de hoogte gemeten vanaf de voet van de dakkapel maximaal 1,75 meter is;
de onderzijde meer dan 0,5 meter en maximaal 1 meter boven de dakvoet ligt;
de bovenzijde meer dan 0,5 meter onder de daknok ligt; en
de zijkanten meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak liggen.
Op de met de omgevingsnorm gebouw - afstand tot zijdelingse perceelsgrens aangegeven gronden, is de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal de aangegeven afstand, ook als het een bijbehorend bouwwerk is.
Op de met de omgevingsnorm bijbehorend gebouw - afstand tot zijdelingse perceelsgrens aangegeven gronden, is de afstand van een bijbehorend gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal de aangegeven afstand.
Als een ander onderdeel in dit omgevingsplan in strijd is met de afstand van de omgevingsnorm, bedoeld in artikel 5.90, eerste lid, of artikel 5.90, tweede lid, dan gaat het onderdeel in artikel 5.90 voor.
Paragraaf 5.2.2.8 gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.8 gaat over de ruimtelijke kenmerken van een bijbehorend bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.8 gaat niet over de uiterlijke kenmerken van een bijbehorend bouwwerk. Hiervoor gelden paragraaf 5.2.2.13 en paragraaf 5.2.2.14.
Paragraaf 5.2.2.8 gaat niet over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.11.
Paragraaf 5.2.2.8 gaat niet over het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woonschip.
Paragraaf 5.2.2.8 gaat niet over een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk af te wijken van de maximale bouwhoogte, bedoeld in artikel 5.81, vierde lid, artikel 5.82, derde lid, artikel 5.82, vierde lid, en artikel 5.82, zesde lid. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.93 of Artikel 5.98.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk af te wijken van de maximale goothoogte, bedoeld in artikel 5.81, derde lid, artikel 5.82, vierde lid en artikel 5.82, zesde lid. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.94 of artikel 5.98.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied af te wijken van artikel 5.83, eerste lid. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.96, eerste lid of artikel 5.98.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied af te wijken van artikel 5.83, tweede lid. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.96, tweede lid, of artikel 5.98.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk af te wijken van het maximale bebouwingspercentage, bedoeld artikel 5.96, negende lid, en artikel 5.81, vijfde lid. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.97 of artikel 5.98.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk onder de grond te bouwen dat afwijkt van artikel 5.88. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.98
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakopbouw of een ander zelfde soort uitbreiding van een woning te bouwen dat afwijkt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bouwgrens. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.98.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.95, eerste lid, of artikel 5.98.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.92, eerste lid voor het afwijken van de maximale bouwhoogte bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk met een plat dak wordt verleend als:
het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is;
het hoofdgebouw waaraan aangebouwd wordt een woning is ;
de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 6 meter is;
het bijbehorend bouwwerk in het straat- en bebouwingsbeeld past; en
als het bijbehorend bouwwerk geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.92, eerste lid, voor het afwijken van de maximale bouwhoogte bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk met een kap wordt verleend als:
het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is;
het hoofgebouw waaraan aangebouwd wordt een woning is;
de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 7 meter is;
het bijbehorend bouwwerk in het straat- en bebouwingsbeeld past; en
het bijbehorend bouwwerk geen onevenredig beperkingen voor aangrenzende percelen geeft.
Artikel 5.93, eerste lid, en artikel 5.93, tweede lid, gelden niet in het werkingsgebied Groenezoom 1.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.92, tweede lid, voor het afwijken van de goothoogte bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een woning wordt verleend:
in het werkingsgebied bijbehorend bouwwerk - Groenezoom 1;
als het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is;
de goothoogte van maximaal 4 meter is;
als het een plat dak heeft;
als het in het straat- en bebouwingsbeeld past; en
als het geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.92, zevende lid, voor het afwijken van de maximale bouwhoogte bij het bouwen van een dakopbouw of een andere zelfde soort uitbreiding bij een woning, wordt verleend als:
het bouwwerk niet op een ander bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst en het een standaardoptie is; of
het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk in hetzelfde dakvlak van een identiek woontype, waarbij in dat dakvlak maximaal één vergunde variant van dat bouwwerk aanwezig is, en:
het geen onevenredige afbreuk aan de woonsituatie doet.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.92, zevende lid, voor het afwijken van de maximale goothoogte bij het bouwen van een dakopbouw of een andere zelfde soort uitbreiding van een woning, wordt verleend als een bijbehorend bouwwerk:
niet op een ander bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst en het een standaardoptie is; of
het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk in hetzelfde dakvlak van een identiek woontype, waarbij in dat dakvlak maximaal één vergunde variant van dat bouwwerk aanwezig is, en:
het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld;
het bouwwerk geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft;
geen onevenredige afbreuk aan de woonsituatie doet;
geen onevenredige afbreuk aan de verkeersveiligheid doet; en
geen onevenredige afbreuk aan de sociale veiligheid doet.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.92, derde lid, voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw in het voorerfgebied, wordt verleend als het:
bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk bij een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing;
in het straat- en bebouwingsbeeld past;
geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft;
geen onevenredige afbreuk aan de woonsituatie doet;
geen onevenredige afbreuk aan de verkeersveiligheid doet; en
geen onevenredige afbreuk aan de sociale veiligheid doet.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.92, vierde lid, voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning in de vorm van een verbinden bouwwerk aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw in het voorerfgebied wordt verleend als:
het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk bij een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing;
in het straat- en bebouwingsbeeld past;
geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft;
geen onevenredige afbreuk aan de woonsituatie doet;
geen onevenredige afbreuk aan de verkeersveiligheid doet; en
geen onevenredige afbreuk aan de sociale veiligheid doet.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.92, vijfde lid, voor het afwijken van het bebouwingspercentage tot 100% bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, wordt verleend als dat:
het in het werkingsgebied bebouwingspercentage - afwijking tot 100% ligt;
in het straat- en bebouwingsbeeld past; en
het geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 5.92 wordt ook verleend als:
in geringe mate tot maximaal 2 meter van een bouwgrens wordt afgeweken en dit nodig is door een kennelijk meetverschil tussen werkelijke toestand van het terrein en de verbeelding;
de maximale bouwhoogte van een gebouw met maximaal 25% wordt verhoogd voor een plaatselijke verhoging, zoals een schoorsteen, een luchtkoker, een liftkoker of een lichtkap, en hierdoor de totale oppervlakte van de vergroting op dat gebouw maximaal 50% van de oppervlakte van de bovenste verdiepingsvloer is; of
met maximaal 10% van de in dit omgevingsplan aangegeven percentages, maten of oppervlakten wordt afgeweken.
In aanvulling op artikel 5.98, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk alleen verleend als het ook:
Paragraaf 5.2.2.9 gaat over het bouwen van een overig bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.9 gaat over de ruimtelijke kenmerken van een een overig bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.9 gaat niet over de uiterlijke kenmerken van een een overig bouwwerk. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.13 en paragraaf 5.2.14.
Paragraaf 5.2.2.9 gaat niet over het bouwen van een gebouw. Hiervoor gelden paragraaf 5.2.2.5 en paragraaf 5.2.2.6.
Paragraaf 5.2.2.9 gaat niet over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hiervoor gelden paragraaf 5.2.2.7 en paragraaf 5.2.2.8.
Paragraaf 5.2.2.9 gaat niet over het bouwen van een overig bouwwerk bij een woonwagen. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.11.
Paragraaf 5.2.2.9 gaat niet over het bouwen van een overig bouwwerk bij een woonschip
Paragraaf 5.2.2.9 gaat niet over een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
In Artikel 5.105 en artikel 5.104 wordt onder bestaande steiger, bestaande aanmeervoorziening of bestaande meerpaal bij de Ringvaart verstaan:
een steiger, aanmeervoorziening of meerpaal die op 29 december 2015 al bestond;
een steiger, aanmeervoorziening of meerpaal die op of na 29 december 2015 is gebouwd volgens een voor 29 december 2015 verleende vergunning;
en steiger, aanmeervoorziening of meerpaal die op of na 29 december 2015 is gebouwd volgens een voor 29 december 2015 aangevraagde, maar hierna verleende vergunning.
Als bij het bouwen van een overig bouwwerk voldaan wordt aan de ruimtelijk kenmerken, bedoeld in paragraaf 5.2.2.9, is geen omgevingsvergunning nodig voor de ruimtelijke kenmerken.
Bij het bouwen van een overig bouwwerk dat niet bij een woning hoort, geldt dat de bouwhoogte maximaal 6 meter is.
Bij het bouwen van een overig bouwwerk dat bij een woning hoort, geldt dat:
het ligt in het achtererfgebied en een bouwhoogte van maximaal 3 meter heeft; of
het een zwembad, een bubbelbad of een soortgelijke voorziening, of een vijver is.
In afwijking van artikel 5.101, eerste lid, is op de met de omgevingsnorm overig bouwwerk – bouwhoogte aangegeven gronden, de bouwhoogte van een overig bouwwerk maximaal de aangegeven hoogte.
Op de met de omgevingsnorm bouwwerken - bebouwingspercentage aangegeven gronden, is de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken op die gronden maximaal het aangegeven aandeel van de oppervlakte van die gronden.
Op de met de omgevingsnorm bouwwerken - aantal m2 aangegeven gronden, is de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken maximaal de aangegeven oppervlakte.
In aanvulling op artikel 5.101, vierde, is op de met de omgevingsnorm bouwwerken - bebouwingspercentage met maximaal aantal m2 aangegeven gronden, de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken op een bouwperceel maximaal het aangegeven aandeel van de oppervlakte van die gronden, en daarbij maximaal de aangegeven oppervlakte in m2 .
In afwijking van artikel 5.101, eerste lid, is de bouwhoogte van terrasafscheidingen en windschermen bij horeca-activiteiten maximaal 1,5 meter.
Artikel 5.101 geldt niet bij het bouwen van een erfafscheiding of een perceelafscheiding. Hiervoor geldt artikel 5.102.
Artikel 5.101 geldt niet bij het bouwen van een steiger, een vlonder of een daaraan gelijk te stellen bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een aanmeervoorziening of meerpaal. Hiervoor gelden artikel 5.103, artikel 5.104, en artikel 5.105.
Bij het bouwen van een erfafscheiding of perceelafscheiding die niet bij een woning hoort, geldt dat de hoogte meer dan 1 meter en maximaal 2 meter is.
Bij het bouwen van een erfafscheiding of perceelafscheiding bij een woning , geldt dat:
deze achter de voorkant van een woning staat;
de hoogte meer dan 1 meter en maximaal 2 meter is; en
voor zover de erfafscheiding of perceelafscheiding in het voorerfgebied achter de voorkant van een woning staat, deze bestaat uit gaaswerk bevestigd aan palen en uitsluitend bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.
Artikel 5.102, tweede lid, sub d, geldt niet in het werkingsgebied bijbehorend bouwwerk – voorerfgebied en achtererfgebied.
In afwijking van artikel 5.102, tweede lid, sub c, is op de met de omgevingsnorm erfafscheiding – hoogte aangegeven gronden de hoogte van een erfafscheiding of perceelafscheiding maximaal de aangegeven hoogte.
In afwijking van artikel 5.102, tweede lid, sub c, is op de met de omgevingsnorm erfafscheiding - geluidwering - hoogte de maximale hoogte van een erfafscheiding die ook een geluidwering is maximaal de aangegeven hoogte.
Bij het bouwen van een steiger, een vlonder, of een daaraan gelijk te stellen overig bouwwerk, geldt dat:
Artikel 5.103, eerste lid, geldt alleen voor een overig bouwwerk als bedoeld in dat lid, dat niet in de Ringvaart ligt.
In afwijking van artikel 5.103 geldt bij het bouwen van een vlonder of een daaraan gelijk te stellen overig bouwwerk, in het werkingsgebied vlonder - Groenezoom1 dat:
er per perceel waarop een woning staat maximaal 1 vlonder, is;
de hoogte van het bouwwerk maximaal 0,6 meter is;
de breedte van het bouwwerk maximaal 1,5 meter is;
de lengte van het bouwwerk maximaal 5 meter is;
de oppervlakte van het bouwwerk maximaal 7,5 m2 is;
de afstand van het bouwwerk tot de denkbeeldig doorgetrokken zijdelingse perceelsgrens minimaal 1,25 meter is; en
op of aan het bouwwerk niet gebouwd wordt.
Bij het bouwen van een steiger voor particulier gebruik in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers geldt dat:
deze aan de Haarlemmermeerse zijde van de Ringvaart alleen wordt gebouwd:
deze aan de tegenover Haarlemmermeer gelegen zijde van de Ringvaart alleen wordt gebouwd:
een perceel waarop een woning staat maximaal 1 steiger of 1 aanmeervoorziening heeft;
deze parallel en aansluitend aan de oever wordt gebouwd;
de hoogte maximaal 0,6 meter is;
op of aan een steiger niet gebouwd wordt, met uitzondering van een transparante omheining of een hijs- of bootliftinstallatie met een hoogte van maximaal 1,1 meter;
de maatvoering hiervan maximaal:
de afstand hiervan tot de denkbeeldig doorgetrokken zijdelingse perceelsgrens minimaal 1,25 meter is; en
de onderlinge afstand tussen een steiger of aanmeervoorziening minimaal 2,5 meter is.
Bij het bouwen van een aanmeervoorziening voor particulier gebruik in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers geldt dat:
deze aan de Haarlemmermeerse zijde van de Ringvaart alleen wordt gebouwd:
deze aan de tegenover Haarlemmermeer gelegen zijde van de Ringvaart alleen wordt gebouwd:
een perceel waarop een woning staat maximaal 1 steiger of 1 aanmeervoorziening heeft;
deze parallel en aansluitend aan de oever wordt gebouwd;
deze bestaat uit maximaal 4 palen en maximaal 6 meter lang is als de breedte van de watergang minimaal 20 meter en maximaal 50 meter is, en maximaal 10 meter lang is als de breedte van de watergang meer dan 50 meter is;
de minimale afstand hiervan tot de denkbeeldig doorgetrokken zijdelingse perceelsgrens 1,25 meter is; en
de onderlinge afstand tussen een steiger of aanmeervoorziening minimaal 2,5 meter is.
Bij het bouwen van een meerpaal voor particulier gebruik in werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers geldt dat:
Bij het bouwen van een horecasteiger in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers geldt dat:
deze alleen tegenover een bijbehorende horeca-activiteit aan de Ringdijk wordt gebouwd;
deze parallel en aansluitend aan de oever wordt gebouwd;
de hoogte maximaal 0,6 meter is;
op of aan de horecasteiger niet gebouwd wordt, met uitzondering van een transparante omheining of een hijs-of bootliftinstallatie met een hoogte van maximaal 1,1 meter;
de afstand hiervan tot de denkbeeldig doorgetrokken zijdelingse steiger minimaal 1,25 meter is;
de onderlinge afstand tussen een horecasteiger en/of een aanmeervoorziening minimaal 2,5 meter is;
de lengte hiervan maximaal gelijk is aan de breedte van het perceel met de horeca-activiteit, verminderd met de aan te houden zijdelingse afstand tot de perceelsgrenzen, met een maximum van 25 meter; en
de breedte maximaal 2 meter is.
Bij het bouwen van een passantensteiger, een recreatiesteiger of een aanmeervoorziening voor openbaar gebruik in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers geldt dat:
deze niet tegenover een perceel waarop een woning staat, worden gebouwd;
de hoogte van een passantensteiger of een recreatiesteiger maximaal 1 meter is; en
op of aan de passantensteiger of recreatiesteiger niet wordt gebouwd, met uitzondering van een transparante omheining van maximaal 1,1 meter hoog;
Bij het bouwen van een steiger of een aanmeervoorziening voor bedrijfsactiviteiten in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers geldt dat:
deze alleen worden gebouwd voor bedrijfsactiviteiten in de vorm van een hulp- of handelsbedrijf dat watersport of waterrecreatie ondersteunt en geen jachthaven is, of worden gebouwd voor kleinschalige detailhandelsactiviteiten voor watersport;
deze niet tegenover een perceel waarop een woning staat worden gebouwd;
deze parallel en aansluitend aan de oever wordt gebouwd;
de hoogte van de steiger maximaal 0,6 meter is;
op of aan de steiger niet gebouwd wordt, met uitzondering van een transparante omheining of een hijs- of bootliftinstallatie met een hoogte van maximaal 1,1 meter;
de afstand hiervan tot de denkbeeldig doorgetrokken zijdelingse perceelsgrens minimaal 1,25 meter is;
de aanmeervoorziening bestaat uit maximaal 4 palen en maximaal 6 meter lang is als de breedte van de watergang minimaal 20 meter en maximaal 50 meter is, en maximaal 10 meter lang is als de breedte van de watergang meer dan 50 meter is;
de onderlinge afstand tussen een steiger of een aanmeervoorziening minimaal 2,5 meter is;
de lengte van de steiger maximaal gelijk is aan de breedte van het perceel met de bedrijfsactiviteiten, verminderd met de aan te houden zijdelingse afstand tot de perceelsgrenzen, met een maximum van 25 meter; en
de breedte van de steiger maximaal 2 meter is.
In het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - bijzondere steigers geldt dat:
een bestaande steiger, een bestaande aanmeervoorziening of een bestaande meerpaal geheel of gedeeltelijk kan worden vervangen voor het gebruik voor botenverhuur, een campingbedrijf of scouting, waarbij de oorspronkelijke afmetingen en situering worden aangehouden;
voor de doorvaart of geleiding van de scheepvaart in de Ringvaart meerpalen en aanmeervoorzieningen kunnen worden gebouwd
In het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers beperkt toegestaan geldt dat:
een horecasteiger voor een horeca-activiteit aan de overzijde van de Ringdijk kan worden gebouwd, waarbij Artikel 5.105, vierde, van overeenkomstige toepassing is;
een passantensteiger of een recreatiesteiger kan worden gebouwd, waarbij Artikel 5.105, vijfde, van overeenkomstige toepassing is;
een bestaande steiger, een bestaande aanmeervoorziening of een bestaande meerpaal is toegestaan;
voor de doorvaart of geleiding van de scheepvaart in de Ringvaart meerpalen en aanmeervoorzieningen kunnen worden gebouwd.
De afmetingen en situering in artikel 5.105 voor een steiger of aanmeervoorziening in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers gelden niet voor een bestaande steiger, een bestaande aanmeervoorziening en een bestaande meerpaal.
In afwijking van artikel 5.105, eerste lid, geldt in de gebiedsaanwijzing sport bij het bouwen van een ballenvanger dat de bouwhoogte maximaal 12 meter is.
In afwijking van artikel 5.105, eerste lid, geldt in de gebiedsaanwijzing sport bij het bouwen van een mast of een lichtmast voor een sportactiviteit dat de bouwhoogte maximaal 20 meter is.
In afwijking van artikel 5.105, eerste lid, geldt in openbaar toegankelijk gebied bij het bouwen van een bergbezinkbassin dat de verticale bouwdiepte maximaal 4 meter is.
In het werkingsgebied tuin gelden artikel 5.101, eerste lid, artikel 5.101, tweede lid, artikel 5.101, derde lid, artikel 5.101, vierde lid, artikel 5.101, vijfde lid, artikel 5.101, zesde lid, en artikel 5.102 niet.
Paragraaf 5.2.2.10 gaat over het bouwen van een overig bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.10 gaat over de ruimtelijke kenmerken van een overig bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.10 gaat niet over de uiterlijke kenmerken van een overig bouwwerk. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.13 en paragraaf 5.2.2.14.
Paragraaf 5.2.2.10 gaat niet over het bouwen van een gebouw. Hiervoor gelden paragraaf 5.2.2.5 en paragraaf 5.2.2.6.
Paragraaf 5.2.2.10 gaat niet over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hiervoor gelden paragraaf 5.2.2.7 en paragraaf 5.2.2.8.
Paragraaf 5.2.2.10 gaat niet over het bouwen van een overig bouwwerk bij een woonwagen. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.11.
Paragraaf 5.2.2.10 gaat niet over het bouwen van een overig bouwwerk bij een woonschip.
Paragraaf 5.2.2.10 gaat niet over een activiteit die wordt uitgevoerd in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken een steiger of een meerpaal te bouwen in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers , waarbij wordt afgeweken van de maten, afmetingen, oeversituering, aantallen of zijdelingse afstanden als bedoeld in artikel 5.105. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.109 en artikel 5.112.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken bij het bouwen van een overig bouwwerk af te wijken van het maximale bebouwingspercentage, bedoeld artikel 5.101, vierde lid. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.110 of artikel 5.112
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken bij het bouwen van een overig bouwwerk af te wijken van het maximale oppervlakte, bedoeld in artikel 5.101, vijfde lid en in artikel 5.101, zesde lid. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.112.
Het is het verboden zonder omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken voor een overig bouwwerk af te wijken:
van de bouwhoogte die in dit omgevingsplan is aangegeven;
van een percentage die in dit omgevingsplan is aangegeven; of
van de maat of oppervlakte dat of die in dit omgevingsplan is aangegeven.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.112.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.108, eerste lid, voor het bouwen van een steiger, aanmeervoorziening of meerpaal wordt verleend als:
In aanvulling op artikel 5.109, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf advies aan de waterbeheerder en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.108, tweede lid voor het afwijken van het bebouwingspercentage tot 100% bij het bouwen van een overig bouwwerk wordt verleend als het:
het in het werkingsgebied bebouwingspercentage - afwijking tot 100% ligt;
in het straat- en bebouwingsbeeld past; en
geen onevenredige beperkingen voor aangrenzende percelen geeft.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.108, derde lid voor het afwijken van de oppervlakte bij het bouwen van een overig bouwwerk wordt verleend als het:
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.108 voor het bouwen van een overig bouwwerk wordt verleend als:
in geringe mate tot maximaal 2 meter van een bouwgrens wordt afgeweken en dit nodig is door een kennelijk meetverschil tussen werkelijke toestand van het terrein en de verbeelding;
de bouwhoogte tot maximaal 10 meter wordt vergroot;
de bouwhoogte van een overig bouwwerk voor een civiel kunstwerk tot maximaal 40 meter wordt vergroot;
het gaat om een erfafscheiding op grond die wordt toegevoegd aan een bouwperceel waarop een woning staat, voor het gebruik voor wonen of als tuin:
op de nieuwe perceelsgrens aan de achterzijde van het achtererf;
die maximaal 2 meter hoog is; en
als het geen perceel bij een hoekwoning is;
het gaat om erfafscheiding op grond die wordt toegevoegd aan een perceel waarop een woning staat met een hoekwoning, voor het gebruik voor wonen of als tuin:
op de nieuwe perceelsgrens aan de achterzijde van het achtererf binnen de denkbeeldige lijn langs de zijgevel van het hoofdgebouw naar de achtererfgrens; en
die maximaal 2 meter hoog is; of
met maximaal 10% van:
het maximum van een percentage dat in dit omgevingsplan is aangegeven; of
de maat of de oppervlakte die in dit omgevingsplan is aangegeven.
In aanvulling op artikel 5.112, eerste lid, wordt een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken bij het bouwen van een overig bouwwerk alleen verleend als het ook:
Paragraaf 5.2.2.11 gaat over het bouwen van een woonwagen, een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen en een overig bouwwerk bij een woonwagen.
Paragraaf 5.2.2.11 gaat over de ruimtelijke kenmerken van een woonwagen, een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen en een overig bouwwerk bij een woonwagen.
Paragraaf 5.2.2.11 gaat niet over de uiterlijke kenmerken van een woonwagen, een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen of een overig bouwwerk bij een woonwagen. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.13 en paragraaf 5.2.2.14.
Paragraaf 5.2.2.11 gaat niet over een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
Het is verboden een woonwagen te bouwen als bedoeld in artikel 5.116 zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
Een terrein voor woonwagens kan alleen worden gerealiseerd in het werkingsgebied woonwagen.
In aanvulling op artikel 5.115 kan een woonwagen alleen worden gebouwd in het werkingsgebied woonwagen - bouwvlak .
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - aantal aangegeven gronden, is het aantal woonwagens maximaal het aangeven aantal.
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - onderlinge afstand aangegeven gronden, is de onderlinge afstand tussen woonwagens minimaal de aangegeven afstand.
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - afstand tot perceelsgrens aangegeven gronden, is de afstand van een woonwagen tot de perceelsgrens minimaal de aangegeven afstand.
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - oppervlakte gebouwen gezamenlijk aangegeven gronden, is de gezamenlijke oppervlakte van een woonwagen met een bijbehorend gebouw maximaal de aangegeven oppervlakte.
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - bouwhoogte aangegeven gronden, is de bouwhoogte van de woonwagen maximaal de aangegeven hoogte.
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - goothoogte aangegeven gronden, is de goothoogte van woonwagen maximaal de aangegeven hoogte.
Een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen kan alleen worden gebouwd in het werkingsgebied woonwagen.
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - oppervlakte gebouwen gezamenlijk aangegeven gronden, is de gezamenlijke oppervlakte van een woonwagen met bijbehorende gebouwenmaximaal de aangegeven oppervlakte.
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - bouwhoogte bijbehorend bouwwerk aangegeven gronden, is de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen maximaal de aangegeven hoogte.
Op de met de omgevingsnorm woonwagen - goothoogte bijbehorend bouwwerk aangegeven gronden, is de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bij een woonwagen maximaal de aangegeven hoogte
Een overig bouwwerk bij een woonwagen kan alleen worden gebouwd in het werkingsgebied woonwagen.
De hoogte van een erfafscheiding of perceelafscheiding is meer dan 1 meter en maximaal 2 meter.
De hoogte van een ander overig bouwwerk dan bedoeld in artikel 5.118, tweede lid, is maximaal 3 meter.
Paragraaf 5.2.2.13 gaat over het bouwen van een bouwwerk. Hieronder wordt ook het in stand houden van een
bouwwerk verstaan.
Paragraaf 5.2.2.13 gaat over de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.13 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij een gemeentelijk monument. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.2.5.
Paragraaf 5.2.2.13 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht.
Paragraaf 5.2.2.13 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij een provinciaal monument.
Paragraaf 5.2.2.13 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij een rijksmonument.
Paragraaf 5.2.2.13 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij werelderfgoed.
Als bij het bouwen van een bouwwerk voldaan wordt aan artikel 5.121, artikel 5.122, artikel 5.123, artikel 5.124, artikel 5.125, artikel 5.126, en artikel 5.127, is geen omgevingsvergunning nodig voor de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk.
Bij het bouwen van een bouwwerk gelden geen eisen voor de uiterlijke kenmerken hiervan als het:
een tijdelijk bouwwerk is dat geen seizoengebonden bouwwerk is;
in een volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan aangewezen gebied ligt waarvoor geen redelijke eisen over het uiterlijk van bouwwerken gelden;
een volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan aangewezen bouwwerk is waarvoor geen redelijke eisen van welstand gelden.
In aanvulling op artikel 5.121 gelden bij het bouwen van een bouwwerk gelden geen eisen voor de uiterlijke kenmerken als het gaat om een kozijn, een kozijninvulling of een gevelpaneel van een hoofdgebouw dat een woning is, als het ligt in of aan:
de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van de woning; of
een gevel van een bijbehorend bouwwerk, als die gevel in voorerfgebied ligt.
In aanvulling op artikel 5.121 gelden bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied en dat voldoet aan paragraaf 5.2.2.7 geen eisen voor de uiterlijke kenmerken hiervan:
als het op de grond staat of als het tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bouwwerk wordt gebouwd, deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn;
als het wordt geplaatst op minimaal 1 meter afstand van openbaar toegankelijk gebied;
als de bouwhoogte maximaal 5 meter is;
als een verblijfsgebied, bij meer dan één bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag ligt; en
als het geen dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte heeft.
De minimale afstand genoemd in artikel 5.123 eerste lid, sub b, geldt niet als het een bijbehorend bouwwerk bij een woning is.
Artikel 5.123, eerste lid, onder e, geldt niet als het een dakterras is op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw dat een woning is, als:
In aanvulling op artikel 5.121 gelden bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied bij een woning geen eisen voor de uiterlijke kenmerken hiervan als:
het wordt gebouwd aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
het op de grond staat;
de diepte maximaal 1,2 meter is gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
de afstand tot de perceelsgrens van een niet-particulier gebouwerf minimaal 1 meter is;
de breedte maximaal 65% van de breedte van de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw is; en
het niet hoger dan 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw is.
In aanvulling op artikel 5.121 gelden bij het bouwen van een bijbehorend gebouw dat een woning verbindt met een ander bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied geen eisen voor de uiterlijke kenmerken als:
het wordt gebouwd aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
het op de grond staat;
de diepte maximaal 2,5 meter is;
de breedte maximaal de breedte van het andere bijbehorend bouwwerk is;
het niet hoger dan 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw is; en
het plat afgedekt is.
In aanvulling op artikel 5.121 gelden bij het bouwen van een ondergronds bouwwerk geen eisen voor de uiterlijke kenmerken hiervan, ook als de ondergrondse bouwlaag een verblijfsgebied is.
In aanvulling op artikel 5.121 gelden bij het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of in een naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlak van een hoofdgebouw dat een woning is, geen eisen voor de uiterlijke kenmerken hiervan als:
het een plat dak heeft;
de hoogte gemeten vanaf de voet van de dakkapel maximaal 1,75 meter is;
de onderzijde meer dan 0,5 meter en maximaal 1 meter boven de dakvoet ligt;
de bovenzijde meer dan 0,5 meter onder de daknok ligt; en
de zijkanten meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak liggen.
In aanvulling op artikel 5.121 gelden bij het bouwen van een erfafscheiding of perceelafscheiding bij een gebouw geen eisen voor de uiterlijke kenmerken hiervan als:
de hoogte meer dan 1 meter en maximaal 2 meter is;
deze op een gebouwerf staat; en
deze achter de lijn staat die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
In aanvulling op artikel 5.121 gelden bij het bouwen van een erfafscheiding of perceelafscheiding bij een hoofdgebouw dat een woning is, in het voorerfgebied achter de voorkant van de woning, geen aanvullende eisen voor de uiterlijke kenmerken hiervan als:
de hoogte meer dan 1 meter en maximaal 2 meter is;
deze op gebouwerf staat; en
dit een haag ondersteunende constructie is die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.
Het uiterlijk van een bestaand bouwwerk is niet in ernstige mate in strijd met regels over het uiterlijk van een bouwwerk, beoordeeld volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan.
Artikel 5.128, eerste lid, geldt niet voor een in de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen over het uiterlijk van bouwwerken gelden.
Artikel 5.128, eerste lid, geldt niet voor een bestaand bouwwerk dat:
In aanvulling op artikel 5.120 geldt bij een te bouwen bouwwerk waarvoor volgens dat artikel geen omgevingsvergunning voor de uiterlijke kenmerken is vereist, dat het uiterlijk niet in ernstige mate in strijd is met regels over het uiterlijk van een bouwwerk, beoordeeld volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan.
Artikel 5.129, eerste lid, geldt niet voor een in de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen over het uiterlijk van bouwwerken gelden.
Paragraaf 5.2.2.14 gaat over het bouwen van een bouwwerk. Hieronder wordt ook het in stand houden van een bouwwerk verstaan.
Paragraaf 5.2.2.14 gaat over de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk.
Paragraaf 5.2.2.14 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij een gemeentelijk monument. Hiervoor geldt paragraaf 5.2.4.4.
Paragraaf 5.2.2.14 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht.
Paragraaf 5.2.2.14 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij een provinciaal monument.
Paragraaf 5.2.2.14 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij een rijksmonument.
Paragraaf 5.2.2.14 gaat niet over het bouwen in, aan, op of bij werelderfgoed.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor de uiterlijk kenmerken een bouwwerk te bouwen, als niet voldaan wordt aan artikel 5.121, artikel 5.122, artikel 5.123, artikel 5.124, artikel 5.126 en artikel 5.127. Een omgevingsvergunning voor de uiterlijke kenmerken wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.132.
Een omgevingsvergunning voor de uiterlijke kenmerken voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.131 wordt verleend als het voldoet aan de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan.
In aanvulling op artikel 5.132, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de Commissie Omgevingskwaliteit en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Als het bevoegd gezag bij het te nemen besluit afwijkt van het advies, bedoeld in artikel 5.132, tweede lid, wordt de reden voor afwijking in de motivering bij het besluit vermeld.
In afwijking van artikel 5.132, tweede lid, wordt geen schriftelijk advies gevraagd als dit volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan niet nodig is.
J
Paragraaf 5.2.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Paragraaf 5.2.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Paragraaf 5.2.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
M
Paragraaf 5.2.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
N
Paragraaf 5.2.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Paragraaf 5.2.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Paragraaf 5.2.2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Paragraaf 5.2.2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Paragraaf 5.2.2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Paragraaf 5.2.2.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Paragraaf 5.2.2.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
U
Paragraaf 5.2.2.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
V
Paragraaf 5.2.2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Artikel 5.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.2.145.2.2.15 gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
In Paragraaf paragraaf 5.2.2.145.2.2.15 wordt onder sanerende maatregel verstaan:
a. sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of Paragraaf 5.2.11.2; of
b. sanering waarvoor artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet geldt en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van Artikel 5.7, tweede lid, onder a.
sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of paragraaf 5.2.11.2; of
sanering waarvoor artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet geldt en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van artikel 5.133, tweede lid, onder a.
Y
Artikel 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder melding een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin hiervan te melden.
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
c. de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht;
d. de dagtekening; en
e. als sprake is van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht;
de dagtekening; en
als sprake is van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.137, tweede lid, Artikel 5.137, derde lid, en Artikel 5.137, vierde lid: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
In aanvulling op Artikel 5.115.137, tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.
In aanvulling op Artikel 5.85.134, tweede lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
Artikel 5.85.134, vierde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat:
a. de locatie onverdacht is; of
b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.13, derde lid, niet rechtvaardigen.
De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in:
a. PDF-formaat; en
b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 5.85.134 geldt niet als voor het bouwen een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.105.136 nodig is.
Z
Artikel 5.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als op grond van Artikel 5.85.134 een melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag, wordt die ondertekend en voorzien van:
a. de aanduiding van de activiteit;
b. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht;
c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en
d. de dagtekening.
Als het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in Artikel 5.95.135, eerste lid, onder b, of de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.95.135, eerste lid, onder c, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag.
AA
Het opschrift van artikel 5.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
Artikel 5.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt als de aanvraag gaat over een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als ook:
a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem:
1°. niet wordt overschreden; of
2°. wordt overschreden maar aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen; en
b. het bevoegd gezag van oordeel is dat:
1°. er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of
2°. als er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld in Artikel 5.11, eerste lid, onder a, sub 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem:
het bevoegd gezag van oordeel is dat:
er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of
als er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld in Artikel 5.137, eerste lid, onder a, sub 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als:
a. voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of
b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
1°. 59 µg/kg ds bij PFOS;
2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of
bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
In afwijking van Artikel 5.115.137, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
In afwijking van Artikel 5.115.137, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en:
a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en
b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.
CC
Artikel 5.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor Artikel 5.115.137, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, geldt, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen:
a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en
b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor Artikel 5.115.137, eerste lid, aanhef en onder b sub 2, geldt, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat:
a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht;
b. een dampdichte laag wordt aangebracht;
c. een afdeklaag wordt aangebracht; of
d. de grond wordt ontgraven.
Als aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in Artikel 5.125.138, tweede lid, wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht.
DD
Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op Artikel artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en
c. als de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving,wordt overschreden: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.137, tweede lid, Artikel 5.137, derde lid, en Artikel 5.137, vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en
als de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving,wordt overschreden: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
In aanvulling op Artikel 5.135.139, eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.
In aanvulling op Artikel 5.135.139, eerste lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
Artikel 5.135.139, derde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat:
a. de locatie onverdacht is; of
b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.13, derde lid, niet rechtvaardigen.
De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in:
a. PDF-formaat; en
b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
EE
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
II
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJ
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Het opschrift van paragraaf 5.2.2.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Paragraaf 5.2.2.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Het opschrift van artikel 5.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OO
Het opschrift van artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Artikel 5.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.27 onder a, sub 3⁰, is niet van toepassing bij een woning.
Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning dat voldoet aan de eisen in Artikel 22.27, aanhef en onder a, sub 1⁰, 2⁰, 4⁰ en 5⁰, en dat voorzien is van een dakterras dat voldoet aan de volgende eisen:
In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van die woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 22.27, onder c, sub 1⁰, is niet van toepassing bij een woning.
In aanvulling op Artikel 22.27, aanhef en onder f, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter;
op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en
haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.
In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant, bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m;
niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw.
In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de gevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk bij een woning, als die gevel is gelegen in het voorerfgebied.
In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden;
niet meer dan één bouwlaag;
niet dieper dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein.
In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in het achtererfgebied;
niet hoger dan 5 m;
de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond;
een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en wordt voldaan aan de eisen bedoeld in Artikel 5.165.142, tweede lid en Artikel 5.165.142, derde lid; en
voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.165.142, negende lid.
Artikel 5.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.165.142 geldt niet voor een activiteit die wordt verricht:
RR
Artikel 5.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een woning, en die in strijd is met dit omgevingsplan, de omgevingsvergunning ook verleend als:
het bouwwerk niet op een bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst;
het gaat om een standaardoptie; of
het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk in hetzelfde dakvlak van een identiek woontype, waarbij in dat dakvlak maximaal één vergunde variant van dat bouwwerk aanwezig is, en
1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en
2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een verbindend bouwwerk als bedoeld in 5.165.142, zesde lid, van het omgevingsplan of een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 5.165.142, zevende lid en die in strijd is met dit omgevingsplan, de vergunning verleend als:
SS
Artikel 5.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a, sub 3⁰, gestelde eis niet bij woningen.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1°. voorzien van een plat dak;
2°. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
3°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
4°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
5°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erfafscheiding of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat;
haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen aan de oorspronkelijke gevel van de woning;
op de grond staand;
diepte niet meer dan 2,50 m;
breedte maximaal de breedte van het andere bijbehorend bouwwerk;
niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw;
voorzien van een plat dak.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk, gelegen in het voorerfgebied bij een woning als voldaan wordt aan de volgende eisen:
gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m;
niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan een activiteit die betrekking heeft op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, als die gevel is gelegen in voorerfgebied.
In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in artikel 22.36, onder a, sub 2⁰, onder ii gestelde eis niet voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken die worden gebouwd bij een vrijstaande of een twee-aan-een-geschakelde woning.
In afwijking van Artikel 22.36, aanhef en onder a, sub 3⁰, onder iii, bedraagt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied groter dan 300 m²: niet meer dan 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 250 m².
In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a sub 6°, gestelde eis voor zover deze ziet op dakterrassen niet als het dakterras voldoet aan de volgende eisen:
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m;
hoogte niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras.
In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden;
oppervlakte niet meer dan 50 m²;
niet meer dan één bouwlaag
diepte niet meer dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein bedoeld in artikel 2.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tot aan het laagste punt van het ondergrondse gebouw;
er geen functie Waterstaat beschermingszone is toegedeeld of gelijksoortige functies die als doel hebben de waterkering te beschermen.
In aanvulling op Artikel 22.36, is in ieder geval ook in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in het achtererfgebied;
de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond;
een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en als wordt voldaan aan de eisen bedoeld in Artikel 5.165.142, tweede lid , Artikel 5.165.142, derde lid,Artikel 5.195.145 negende lid en Artikel 5.195.145, tiende lid;
voor zover bovengronds gelegen zijn de eisen, bedoeld in Artikel 22.36, onder a, onder 1° tot en met 4°, en Artikel 5.195.145, zevende lid, en Artikel 5.195.145, achtste lid, van overeenkomstige toepassing; en
voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.165.142, negende lid, en elfde.
TT
Artikel 5.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.195.145 geldt niet voor een activiteit die wordt verricht:
UU
Artikel 5.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.195.145, eerste lid, vierde lid, vijfde lid, zevende lid, achtste lid, elfde lid en twaalfde lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
1°. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
2°. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3°. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
4°. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
5°. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
6°. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
7°. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
8°. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
9°. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
10°. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
11°. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
12°. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
13°. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
VV
Het opschrift van afdeling 5.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Na afdeling 5.2.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Afdeling 5.2.4 gaat over het verrichten van activiteiten in, op, aan en bij cultureel erfgoed.
Afdeling 5.2.4 gaat ook over het verrichten van activiteiten die archeologische waarden raken.
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in afdeling 5.2.4 als oogmerk:
het beschermen van cultureel erfgoed en de omgeving hiervan;
het beschermen van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; en
het behouden en beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
Paragraaf 5.2.4.2 gaat over het verrichten van activiteiten die archeologische waarden raken in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied archeologische waarden.
In aanvulling op artikel 5.2 en artikel 5.149 hebben de regels in paragraaf 5.2.4.2 als oogmerk het beschermen van de archeologische waarden.
In de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied archeologische waarden worden de archeologische waarden bij het verrichten van activiteiten beschermd.
Als de inhoud van een ander onderdeel in dit omgevingsplan dan paragraaf 5.2.4.2 in strijd is met een onderdeel in paragraaf 5.2.4.2 dan gaat het onderdeel in deze paragraaf voor.
Subparagraaf 5.2.4.2.2 gaat over het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied archeologische waarden.
Het is verboden in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied archeologische waarden te bouwen.
Het verbod in artikel 5.155 geldt niet in het werkingsgebied beschermingsgebied archeologische waarde 4 als:
bij het bouwen van een bouwwerk aan afdeling 5.2.2 is voldaan;
een archeologisch rapport is verstrekt waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; en
uit het archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden door het bouwen:
In afwijking van artikel 5.156, eerste lid, geldt artikel 5.156, eerste lid, onder b en c, niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat:
Het verbod in artikel 5.155, geldt niet in het werkingsgebied beschermingsgebied archeologische waarde 6 als:
bij het bouwen van een bouwwerk aan afdeling 5.2.2 is voldaan;
een archeologisch rapport is verstrekt waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; en
uit het archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden door het bouwen:
In afwijking van artikel 5.157, eerste lid, geldt artikel 5.157, eerste lid, onder b en c, niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat:
Subparagraaf 5.2.4.2.3 gaat over het uitvoeren van werkzaamheden of van werken in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied archeologische waarden.
Onder werken worden geen bouwwerken verstaan.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied archeologische waarden een of meer van de volgende werkzaamheden of werken uit te voeren:
het ontgronden, afgraven, egaliseren en diepploegen van gronden;
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen als:
het verlagen of verhogen van het waterpeil;
het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
het aanbrengen van drainage; en
het aanleggen van leidingen.
Van een verwachte verstoring als bedoeld in artikel 5.159, eerste lid, onder b, sub 2, is in ieder geval sprake als de afstand tussen funderingspalen kleiner is dan:
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.159, eerste lid, wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.160.
Artikel 5.159, eerste lid, geldt niet in het werkingsgebied beschermingsgebied archeologische waarde 4 als het om het uitvoeren van werkzaamheden of werken gaat:
Artikel 5.159, eerste lid, geldt niet in het werkingsgebied beschermingsgebied archeologische waarde 6 als het om werkzaamheden of werken gaat:
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.159, eerste lid, wordt verleend als:
met een archeologisch rapport is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
een archeologisch rapport is verstrekt waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; en
uit het archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden door het bouwen:
niet worden geschaad; of
kunnen worden geschaad maar dit kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorschriften en beperkingen te verbinden:
Paragraaf 5.2.4.4 gaat over het verrichten van de volgende activiteiten in, aan, of op eengemeentelijk monument in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk :
het beschadigen van een gemeentelijk monument;
het verstoren van een gemeentelijk monument;
het verplaatsen van een gemeentelijk monument;
het slopen van een gemeentelijk monument;
het in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument;
het gebruiken van een gemeentelijk monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht;
het uitvoeren van werkzaamheden in, aan of op een gemeentelijk monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht;
het bouwen in, aan of op een gemeentelijk monument; en
het bouwen bij een gemeentelijk monument;
Paragraaf 5.2.4.4 gaat ook over het bouwen aan of bij een gemeentelijk monument in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk - bij een monument .
Als de inhoud van een ander onderdeel in dit omgevingsplan dan artikel 5.164 en artikel 5.165 in strijd is met een onderdeel in artikel 5.164 en artikel 5.165 dan gaat het onderdeel in artikel 5.164 en artikel 5.165 voor
Het is verboden in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk het onderhoud aan een gemeentelijk monument na te laten dat voor het in stand houden daarvan noodzakelijk is.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk een activiteit als bedoeld in artikel 5.161, eerste lid, a. tot en met h., te verrichten. Een omgevingsvergunning voor de activiteit wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.165.
Artikel 5.164, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van normaal onderhoud, voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt.
Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.164, eerste lid wordt verleend als:
In aanvulling op artikel 5.165, eerste lid, geldt bij het slopen van een gemeentelijk monument, dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk wordt gebouwd.
In aanvulling op artikel 5.165, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de Commissie Omgevingskwaliteit en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Als het bevoegd gezag bij het te nemen besluit afwijkt van het advies, bedoeld in artikel 5.165, derde lid, wordt de reden voor afwijking in de motivering bij het besluit vermeld.
Het is verboden zonder omgevingsvergunningvoor de ruimtelijke kenmerken in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk - bij een monument een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.167.
Artikel 5.166, eerste lid, geldt niet voor het vervangen, vernieuwen of veranderen van een bouwwerk bij een gemeentelijk monument, als voldaan wordt aan afdeling 5.2.2., en:
het bestaande bouwwerk een legaal bouwwerk is;
de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid; en
het bouwvolume niet wordt uitgebreid.
Artikel 5.166, eerste lid, geldt niet voor het bouwen van een overig bouwwerk bij een gemeentelijk monument, als voldaan wordt aan afdeling 5.2.2., en dat overig bouwwerk:
een zwembad, een bubbelbad of een soortgelijke voorziening, of een vijver, bij een woning is;
een sport- of speeltoestel anders dan alleen voor particulier gebruik is, dat:
een erf- of perceelafscheiding is, waarbij geldt dat:
de hoogte meer dan 1 meter en maximaal 2 meter is;
deze in functionele relatie met een gebouw op het perceel staat; en
deze achter de lijn ligt die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied loopt; en
een buisleiding is en het geen buisleiding als bedoeld in artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is.
Artikel 5.166, eerste lid, geldt niet voor het bouwen van een overig bouwwerk bij een gemeentelijk monument in het achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, als voldaan wordt aan afdeling 5.2.2. en dat overig bouwwerk:
een silo is; of
een ander bouwen dat niet hoger dan 2 meter is.
Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken als bedoeld in artikel 5.166, eerste lid, wordt alleen verleend als dit het monument niet ontsiert en de beleving, de waardering en het aanzicht van het gemeentelijk monument en het zicht op het gemeentelijk monument zich daar niet tegen verzet.
In aanvulling op artikel 5.167, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de Commissie Omgevingskwaliteit en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Als het bevoegd gezag bij het te nemen besluit afwijkt van het advies, bedoeld in artikel 5.167, tweede lid, wordt de reden voor afwijking in de motivering bij het besluit vermeld.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor de uiterlijk kenmerken in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk - bij een monument een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.169.
Artikel 5.168, eerste lid, geldt niet voor het bouwen van een bouwwerk bij een gemeentelijk monument, als:
het een tijdelijk bouwwerk is dat geen seizoengebonden bouwwerk is;
het in een volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan aangewezen gebied ligt waarvoor geen redelijke eisen over het uiterlijk van bouwwerken gelden; of
het een volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan aangewezen bouwwerk is waarvoor geen redelijke eisen van welstand gelden.
In aanvulling op artikel 5.168, tweede lid, geldt Artikel 5.168, eerste lid, niet voor het vervangen, vernieuwen of veranderen van een bouwwerk bij een gemeentelijk monument, als:
het bestaande bouwwerk een legaal bouwwerk is;
de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid; en
het bouwvolume niet wordt uitgebreid.
In aanvulling op artikel 5.168, tweede lid, geldt artikel 5.168, eerste lid, niet bij het bouwen van een overig bouwwerk bij een gemeentelijk monument, als:
het is een zwembad, een bubbelbad of een soortgelijke voorziening, of een vijver, bij een woning is;
het is een sport- of speeltoestel anders dan alleen voor particulier gebruik is, dat:
het is een erf- of perceelafscheiding is, waarbij geldt dat:
de hoogte meer dan 1 meter en maximaal 2 meter is;
deze in functionele relatie met een gebouw op het perceel staat; en
deze achter de lijn ligt die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied loopt; of
het een buisleiding is en het geen buisleiding als bedoeld in artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is.
In aanvulling op artikel 5.168, tweede lid, geldt artikel 5.168, eerste lid, niet bij het bouwen van een overig bouwwerk bij een gemeentelijk monument in het achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, als:
Een omgevingsvergunning voor de uiterlijke kenmerken voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.168 wordt verleend als het voldoet aan de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan.
In aanvulling op artikel 5.169, eerste lid vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de Commissie Omgevingskwaliteit en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Als het bevoegd gezag bij het te nemen besluit afwijkt van het advies, bedoeld in artikel 5.169, tweede lid, wordt de reden voor afwijking in de motivering bij het besluit vermeld.
In afwijking van artikel 5.169, tweede lid, wordt geen schriftelijk advies gevraagd als dit volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan niet nodig is.
Het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk - bij een monument is niet in ernstige mate in strijd met regels over het uiterlijk van een bouwwerk, beoordeeld volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan.
Artikel 5.170, eerste lid, geldt niet voor een in de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen over het uiterlijk van bouwwerken gelden.
Artikel 5.170, eerste lid geldt niet voor een bestaand bouwwerk dat:
een tijdelijk bouwwerk is; en
geen seizoensgebonden bouwwerk is.
Bij een te bouwen bouwwerk in de gebiedsaanwijzing monument - gemeentelijk - bij een monument waarvoor geen omgevingsvergunning voor de uiterlijke kenmerken is vereist, geldt dat het uiterlijk niet in ernstige mate in strijd is met regels over het uiterlijk van een bouwwerk, beoordeeld volgens de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan.
Artikel 5.170, eerste lid, geldt niet voor een in de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020’ of de opvolger daarvan, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen over het uiterlijk van bouwwerken gelden.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Bij een aanvraag, bedoeld in artikel 5.172 eerste lid dat een bouwactiviteit is, voldoen de tekeningen in aanvulling op artikel 5.53 tweede lid aan de volgende voorwaarden:
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 5.172, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 5.172, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, in aanvulling op artikel 5.53 en artikel 5.54 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 5.172, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
de volgende tekeningen:
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 5.172 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 5.173 , 5.174, 5.175 en 5.176 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
De artikelen 5.172, 5.173 , 5.174, 5.175, 5.176 en 5.177 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
XX
Afdeling 5.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Gereserveerd]
[Vervallen]
YY
Het opschrift van afdeling 5.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Het opschrift van afdeling 5.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Na afdeling 5.2.6 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:
Paragraaf 5.2.7.1 gaat over het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing belemmeringengebied buisleiding voor gevaarlijke stoffen.
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in paragraaf 5.2.7.1 als oogmerk:
In het werkingsgebied belemmeringengebied aardgasleiding – 4.000 kPa en 204 mm kan:
In het werkingsgebied belemmeringengebied aardgasleiding – 6.620 kPa en 325 mm kan:
In het werkingsgebied belemmeringengebied brandstofleiding (geen gas) – 4.000 kPa en 407 mm kan:
Als een ander onderdeel in dit omgevingsplan dan afdeling 5.2.7 in strijd is met paragraaf 5.2.7.1 gaat het onderdeel in deze paragraaf voor.
Als een ander onderdeel in afdeling 5.2.7 dan een regel voor een aardgasleiding in strijd is met een regel voor een aardgasleiding, dan gaat de regel voor de aardgasleiding voor.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het in de gebiedsaanwijzing belemmeringengebied buisleiding voor gevaarlijke stoffen verboden om de gebruiksfunctie van een bestaand niet kwetsbaar gebouw of beperkt kwetsbaar gebouw te wijzigen naar een gebruiksfunctie als kwetsbaar gebouw of zeer kwetsbaar gebouw.
Subparagraaf 5.2.7.1.2 gaat over het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing belemmeringengebied buisleiding voor gevaarlijke stoffen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing belemmeringengebied buisleiding voor gevaarlijke stoffen een bouwwerk te bouwwerk. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.186.
Het verbod in artikel 5.185, eerste lid, geldt niet in het belemmeringengebied aardgasleiding – 4.000 kPa en 204 mm als het om het bouwen van een aardgasleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat. Hiervoor gelden wel onverminderd de regels over bouwen in afdeling 5.2.2.
Het verbod in artikel 5.185, eerste lid, geldt niet in het belemmeringengebied aardgasleiding – 6.620 kPa en 325 mm als het om het bouwen van een aardgasleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat. Hiervoor gelden wel onverminderd de regels over bouwen in afdeling 5.2.2.
Het verbod in artikel 5.185, eerste lid, geldt niet in het belemmeringengebied brandstofleiding (geen gas) – 4.000 kPa en 407 mm als het om het bouwen van een aardgasleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat. Hiervoor gelden wel onverminderd de regels over bouwen in afdeling 5.2.2.
Artikel 5.185, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat geen buisleiding voor gevaarlijke stoffen of een daarbij behorende voorziening is, als dat bouwwerk een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwt of verandert, waarbij geldt dat:
Bij het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.185, vijfde lid, blijft afdeling 5.2.2 onverminderd gelden.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.185, eerste lid, wordt alleen verleend als het om een bouwwerk gaat dat:
geen zeer kwetsbaar gebouw is;
geen kwetsbaar gebouw is; en
geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de buisleiding(en) en het leidingtransportnet;
In aanvulling op artikel 5.186, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de beheerder(s) van de buisleiding(en) en betrekt het advies bij het te nemen besluit.
Subparagraaf 5.2.7.1.3 gaat over het uitvoeren van werkzaamheden of van werken in de gebiedsaanwijzing belemmeringengebied buisleiding voor gevaarlijke stoffen.
Onder werken worden geen bouwwerken verstaan.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing belemmeringengebied buisleiding voor gevaarlijke stoffen een of meer van de volgende werkzaamheden of werken uit te voeren:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
het permanent opslaan van goederen; en
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.188, eerste lid, wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.189.
Artikel 5.188, eerste lid, geldt niet in het belemmeringengebied aardgasleiding – 4.000 kPa en 204 mm als het om het bouwen van een aardgasleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat.
Artikel 5.188, eerste lid, geldt niet in het belemmeringengebied aardgasleiding – 6.620 kPa en 325 mm als het om het bouwen van een aardgasleiding met daarbij behorende voorzieningen gaat.
Artikel 5.188, eerste lid, geldt niet in het belemmeringengebied brandstofleiding (geen gas) – 4.000 kPa en 407 mm als het om het bouwen van een brandstofleiding (geen gas) met daarbij behorende voorzieningen gaat.
Artikel 5.188, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken die het normale onderhoud en beheer voor andere ter plaatse toegedeelde functies betreffen.
Artikel 5.188, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten.
Artikel 5.188, eerste lid geldt niet voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwactiviteit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.188, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de buisleiding(en) voor gevaarlijke stoffen.
In aanvulling op artikel 5.188, eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf advies aan de beheerder van de leiding(en) en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.
Paragraaf 5.2.7.2 gaat over het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing veiligheidszone - installatie voor het regelen en meten van aardgas.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing veiligheidszone - installatie voor het regelen en meten van aardgas een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.192.
Artikel 5.191, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een installatie voor het regelen en meten van aardgas met daarbij behorende voorzieningen gaat. De andere regels over bouwen in afdeling 5.2.2 blijven ook onverminderd gelden.
Artikel 5.191, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat:
dat geen installatie voor het regelen en meten van aardgas of daarbij behorende voorziening is;
dat een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwt of verandert;
waarbij de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid;
waarbij de hoogte niet wordt vergroot; en
waarbij de bestaande fundering wordt gebruikt.
Bij het bouwenvan een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.191, derde lid, blijft afdeling 5.2.2 onverminderd gelden.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.191, wordt alleen verleend als het om het
bouwen van een bouwwerk gaat dat:
geen beperkt kwetsbaar gebouw is;
geen kwetsbaar gebouw is; en
geen zeer kwetsbaar gebouw is.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het in de gebiedsaanwijzing veiligheidszone - installatie voor het regelen en meten van aardgas verboden om de gebruiksfunctie van een bestaand niet kwetsbaar gebouw of beperkt kwetsbaar gebouw te wijzigen naar een gebruiksfunctie als kwetsbaar gebouw of zeer kwetsbaar gebouw.
Paragraaf 5.2.7.3 gaat over het bouwen van bouwwerken in de gebiedsaanwijzing brandvoorschriftengebied.
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in paragraaf 5.2.7.3 als oogmerk:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing brandvoorschriftengebied, een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.197.
Artikel 5.196, eerste lid, geldt niet als het om een overig bouwwerk gaat.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.196, eerste lid, wordt alleen verleend als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat:
geen zeer kwetsbaar gebouw is;
geen kwetsbaar gebouw is;
geen beperkt kwetsbaar gebouw is; of
voldaan wordt aan artikel 4.90 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In afwijking van artikel 5.196, eerste lid, kan vergunning worden verleend voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, als:
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het in de gebiedsaanwijzing brandvoorschriftengebied verboden om de gebruiksfunctie van een bestaand niet kwetsbaar gebouw of beperkt kwetsbaar gebouw te wijzigen naar een gebruiksfunctie als kwetsbaar gebouw of zeer kwetsbaar gebouw.
Paragraaf 5.2.7.4 gaat over het bouwen van bouwwerken in de gebiedsaanwijzing explosievoorschriftengebied .
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in paragraaf 5.2.7.4 als oogmerk:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing explosievoorschriftengebied , een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.200.
Artikel 5.201, eerste lid, geldt niet als het om een overig bouwwerk gaat.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.201, lid, wordt alleen verleend als het om het bouwen van een bouwwerkgaat dat:
geen zeer kwetsbaar gebouw is;
geen kwetsbaar gebouw is;
geen beperkt kwetsbaar gebouw is; of
voldaan wordt aan artikel 4.90 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In afwijking van artikel 5.202, eerste lid, kan vergunning worden verleend voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, als:
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het in de gebiedsaanwijzing explosievoorschriftengebied verboden om de gebruiksfunctie van een bestaand niet kwetsbaar gebouw of beperkt kwetsbaar gebouw te wijzigen naar een gebruiksfunctie als kwetsbaar gebouw of zeer kwetsbaar gebouw.
Afdeling 5.2.8 gaat over de voor geluidgevoelige gebouwen geldende hogere waarden voor geluid als bedoeld in artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet in het werkingsgebied geluidgevoelig gebouw - hogere waarde.
Afdeling 5.2.8 gaat alleen over geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
Op de met de omgevingsnorm geluidgevoelig gebouw - waarde geluid aangegeven locatie, is de waarde voor geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op een bestaand geluidgevoelig gebouw, maximaal de aangegeven waarde.
In aanvulling op artikel 5.205, eerste lid, geldt in het werkingsgebied waarde geluid - nadere plaatsbepaling een nadere plaatsbepaling waar de waarde, bedoeld in artikel 5.205, eerste lid, alleen geldt. De nadere plaatsbepaling staat in bijlage IV.
In aanvulling op artikel 5.205, eerste lid, en artikel 5.205, tweede lid, is artikel 3.23 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
BBB
Afdeling 5.2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
CCC
Afdeling 5.2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
DDD
Het opschrift van afdeling 5.2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEE
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
III
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRR
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUU
Het opschrift van paragraaf 5.2.10.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVV
Het opschrift van artikel 5.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
Artikel 5.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Landbouw - Natuur is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Wonen is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Wonen voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De gebiedsaanwijzing Bodemfunctieklasse Industrie is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Industrie voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
XXX
Artikel 5.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.2 gaat over het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In Paragraaf 5.2.11.2 wordt verstaan onder:
a. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
b. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
c. gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet.
grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet.
YYY
Artikel 5.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving vindt bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de locatie van het gebouw.
Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in de tabel in Artikel artikel 5.255.209, derde lid, opgenomen vluchtige stoffen.
|
Vluchtige stoffen
|
|
a. Aromatische verbindingen:
|
|
Benzeen |
|
Ethylbenzeen |
|
Tolueen |
|
Xylenen (som) |
|
b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:
|
|
monochlooretheen (vinylchloride) |
|
dichloormethaan |
|
1,1-dichloorethaan |
|
1,2-dichloorethaan |
|
1,1-dichlooretheen |
|
1,2-dichlooretheen (som) |
|
dichloorpropanen (som) |
|
trichloormethaan (chloroform) |
|
1,1,1-trichloorethaan |
|
1,1,2-trichloorethaan |
|
trichlooretheen (tri) |
|
tetrachloormethaan (tetra) |
|
tetrachlooretheen (per) |
ZZZ
Artikel 5.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond niet herschikt onder een afdeklaag als:
a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid, opgenomen mobiele stoffen; of
b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
1. 59 µg/kg ds bij PFOS;
2. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
3. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in artikel 5.210, derde lid, opgenomen mobiele stoffen; of
bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
Artikel 5.265.210, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor de in de tabel in artikel 5.210Artikel 5.26,derde lid derde lid, opgenomen mobiele stoffen.
|
Mobiele stoffen |
|
a. Aromatische verbindingen:
|
|
Benzeen |
|
Ethylbenzeen |
|
Tolueen |
|
Xylenen (som) |
|
b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:
|
|
monochlooretheen (vinylchloride) |
|
dichloormethaan |
|
1,1-dichloorethaan |
|
1,2-dichloorethaan |
|
1,1-dichlooretheen |
|
1,2-dichlooretheen (som) |
|
dichloorpropanen (som) |
|
trichloormethaan (chloroform) |
|
1,1,1-trichloorethaan |
|
1,1,2-trichloorethaan |
|
trichlooretheen (tri) |
|
tetrachloormethaan (tetra) |
|
tetrachlooretheen (per) |
|
c. Overige stoffen:
|
|
Minerale olie |
AAAA
Het opschrift van artikel 5.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBB
Artikel 5.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in Artikel 5.255.209, eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door:
a. fysieke belemmeringen in de bodem; of
b. de grote diepte van de verontreiniging.
CCCC
Artikel 5.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.3 gaat over het verrichten van nazorg als:
a. bij het saneren een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht;
b. bij het saneren een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift op artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; of
c. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet zijn genomen.
bij het saneren een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht;
bij het saneren een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift op artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; of
tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet zijn genomen.
DDDD
Het opschrift van artikel 5.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEE
Paragraaf 5.2.11.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.4 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In Paragraaf paragraaf 5.2.11.4 wordt verstaan onder:
a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.
Artikel 5.325.216, eerste lid, geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
Artikel 5.325.216, eerste lid, geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 5.325.216 verstrekt.
Artikel 5.335.217, eerste lid, geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.335.217, eerste lid, worden verstrekt in:
a. PDF-formaat; en
b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel artikel 5.325.216, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
a. 59 µg/kg ds bij PFOS;
b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
FFFF
Artikel 5.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.5 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In Paragraaf paragraaf 5.2.11.5 wordt verstaan onder:
a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
GGGG
Artikel 5.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven wordt in aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.
Artikel 5.385.222, eerste lid, geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
Artikel 5.385.222, eerste lid, geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
HHHH
Het opschrift van artikel 5.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIII
Artikel 5.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste 4 weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in Artikel 5.385.222, verstrekt.
De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.405.224, eerste lid, worden verstrekt in:
a. PDF-formaat; en
b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101 als het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
JJJJ
Artikel 5.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel artikel 5.385.222, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
KKKK
Het opschrift van artikel 5.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLL
Artikel 5.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft.
Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel artikel 5.435.227, eerste lid, worden gescheiden opgeslagen.
MMMM
Artikel 5.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als:
a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.44, derde lid, opgenomen mobiele stoffen; of
b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
1°. 59 µg/kg ds bij PFOS;
2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden overschreden voor de in de tabel in artikel 5.228, derde lid, opgenomen mobiele stoffen; of
bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
Artikel 5.445.228, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.
|
Mobiele stoffen
|
|
a. Aromatische verbindingen:
|
|
Benzeen |
|
Ethylbenzeen |
|
Tolueen |
|
Xylenen (som) |
|
b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:
|
|
monochlooretheen (vinylchloride) |
|
dichloormethaan |
|
1,1-dichloorethaan |
|
1,2-dichloorethaan |
|
1,1-dichlooretheen |
|
1,2-dichlooretheen (som) |
|
dichloorpropanen (som) |
|
trichloormethaan (chloroform) |
|
1,1,1-trichloorethaan |
|
1,1,2-trichloorethaan |
|
trichlooretheen (tri) |
|
tetrachloormethaan (tetra) |
|
tetrachlooretheen (per) |
|
c. Overige stoffen:
|
|
Minerale olie |
NNNN
Artikel 5.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.6 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3.
Graven in bodem als bedoeld in Artikel artikel 5.455.229, eerste lid, omvat ook:
a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;
b. het tijdelijk opslaan van grond; en
c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
Artikel 5.455.229, eerste lid, geldt niet voor:
a. het graven in de waterbodem;
b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of
c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
het graven in de waterbodem;
het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of
het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
In Paragraaf 5.2.11.6wordt verstaan onder:
a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en
partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
OOOO
Artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.465.230, eerste lid, geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
In afwijking van Artikel artikel 5.465.230, tweede lid, kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van Paragraaf paragraaf 5.2.11.7.
Artikel 5.465.230, tweede lid, geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
Artikel 5.465.230 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
PPPP
Artikel 5.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het voorafgaand vooronderzoek ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.
Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in:
a. PDF-formaat; en
b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 5.475.231 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
QQQQ
Artikel 5.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het werkingsgebied informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur wordt bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in dat werkingsgebied waarbij grond wordt afgevoerd direct na beëindiging van het kleinschalig graven gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt over:
a. de begrenzing van de activiteit;
b. de data waarop de activiteit is verricht; en
c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
RRRR
Artikel 5.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.475.231, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van het kleinschalig graven.
SSSS
Artikel 5.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel artikel 5.505.234, eerste lid, worden gescheiden opgeslagen.
TTTT
Artikel 5.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.
In afwijking van Artikel artikel 5.515.235, eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.
UUUU
Artikel 5.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Artikel 5.515.235, eerste lid, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
a. 59 µg/kg ds bij PFOS;
b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
VVVV
Het opschrift van artikel 5.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
Artikel 5.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.7 gaat over het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als het bodemvolume waarin wordt gegraven maximaal 25 m3 is.
Kleinschalig graven in bodem als bedoeld in Artikel artikel 5.545.238, eerste lid, omvat ook:
a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;
b. het tijdelijk opslaan van grond; en
c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
Artikel 5.545.238, eerste lid, geldt niet voor:
a. het graven in de waterbodem;
b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of
c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
het graven in de waterbodem;
het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of
het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
In Paragraaf paragraaf 5.2.11.7 wordt verstaan onder:
a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en
d. afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming.
interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en
afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming.
XXXX
Artikel 5.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.545.238, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven wordt voorafgaand aan het kleinschalig graven een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht.
Artikel 5.555.239, eerste lid, geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.
In afwijking van Artikel 5.555.239, tweede lid, kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend bodemonderzoek. In dat geval gelden wel alle overige regels van Paragraaf 5.2.11.7 voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Artikel 5.555.239, tweede lid, geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
Artikel 5.555.239 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
YYYY
Artikel 5.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als het gaat om afvoer van grond of als het kleinschalig graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
b. de verwachte datum van het begin van de activiteit;
c. de verwachte duur ervan; en
d. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in Artikel 5.64, gaan verrichten.
de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
de verwachte datum van het begin van de activiteit;
de verwachte duur ervan; en
de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in Artikel 5.248, gaan verrichten.
Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.
Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in:
a. PDF-formaat; en
b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Direct na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 5.565.240 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval geldt Artikel 5.575.241.
ZZZZ
Artikel 5.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het werkingsgebied informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur wordt bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur waarbij grond wordt afgevoerd direct na beëindiging van het kleinschalig graven gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt over:
a. de begrenzing van de activiteit;
b. de data waarop de activiteit is verricht; en
c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
AAAAA
Artikel 5.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De gegevens en bescheiden, bedoeld in Artikel 5.565.240, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
BBBBB
Het opschrift van artikel 5.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Artikel 5.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.605.244, eerste lid, worden gescheiden opgeslagen.
DDDDD
Artikel 5.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.
In afwijking van Artikel 5.615.245, eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.
EEEEE
Artikel 5.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Artikel 5.615.245, eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als:
a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.625.246, derde lid, opgenomen mobiele stoffen; of
b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:
1°. 59 µg/kg ds bij PFOS;
2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of
3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
Artikel 5.625.246, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor deze stoffen niet worden overschreden.
|
Mobiele stoffen
|
|
a. Aromatische verbindingen:
|
|
Benzeen |
|
Ethylbenzeen |
|
Tolueen |
|
Xylenen (som) |
|
b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:
|
|
monochlooretheen (vinylchloride) |
|
dichloormethaan |
|
1,1-dichloorethaan |
|
1,2-dichloorethaan |
|
1,1-dichlooretheen |
|
1,2-dichlooretheen (som) |
|
dichloorpropanen (som) |
|
trichloormethaan (chloroform) |
|
1,1,1-trichloorethaan |
|
1,1,2-trichloorethaan |
|
trichlooretheen (tri) |
|
tetrachloormethaan (tetra) |
|
tetrachlooretheen (per) |
|
c. Overige stoffen:
|
|
Minerale olie |
FFFFF
Het opschrift van artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGG
Het opschrift van artikel 5.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHH
Het opschrift van artikel 5.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIII
Het opschrift van artikel 5.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJ
Artikel 5.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 5.665.250 verricht neemt maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
KKKKK
Het opschrift van artikel 5.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLL
Artikel 5.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
De melding bevat:
a. de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast;
b. de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid;
c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die gaat over de toe te passen staalslakken;
d. de herkomst van de staalslakken;
e. de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast;
f. de dimensionering van het werk waarvoor de staalslakken worden toegepast;
g. de onderbouwing van de functionaliteit van het werk;
h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en
i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of oppervlaktewater dat nabij ligt significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
Artikel 5.695.253, tweede lid, onder b tot en met i, geldt niet als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
MMMMM
Artikel 5.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grondstabilisatie is verboden, zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.
Artikel 5.705.254, eerste lid, geldt niet voor toepassingen op een oppervlakte van minder dan 1000 m2m2.
De melding bevat:
a. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt;
b. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid;
c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die gaat over het stabilisaat;
d. de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen;
e. de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast;
f. de dimensionering van de stabilisatie;
g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie;
h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en
i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toevoegen van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of oppervlaktewater dat nabij ligt, beïnvloeden of op een andere manier in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.
Artikel 5.705.254, derde lid, onder b tot en met i, geldt niet als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
Ten minste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
NNNNN
Artikel 5.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als op grond van Artikel 5.695.253 of Artikel 5.705.254 een melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag, wordt die ondertekend en voorzien van:
a. de aanduiding van de activiteit;
b. het adres waar de activiteit wordt verricht, of bij het ontbreken van een adres de relevante kadastrale gegevens;
c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en
d. de dagtekening.
Als de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.715.255, eerste lid, onder c, wijzigt, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag.
OOOOO
Na afdeling 5.2.11 worden vier afdelingen ingevoegd, luidende:
Paragraaf 5.2.12.1 gaat over de bebouwingscontour houtkap.
In de gebiedsaanwijzing bebouwingscontour houtkap gelden regels over houtopstanden uit afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet.
Paragraaf 5.2.12.2 gaat over het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied molen .
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in paragraaf 5.2.12.2 als oogmerken:
Subparagraaf 5.2.12.2.2 gaat over het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied molen .
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied molen een
bouwwerk te bouwen, als:
op een afstand tot 100 meter van het middelpunt van de molen: het bouwwerk hoger is dan de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen; en
op een afstand van 100 meter tot 400 meter van het middelpunt van de molen: de bouwhoogte van het bouwwerk hoger is dan de toegestane hoogte H(x) zoals aangegeven in artikel 5.262, tweede lid.
De toegestane hoogte H(x) wordt berekend met de gegevens uit de tabel in artikel 5.262, zesde lid, volgens de volgende formule:
H(x) = x/n + (0,2*z) + peilverschil
H(x) = de toegestane hoogte in meters van een bouwwerk op afstand x
x = afstand van een bouwwerk tot de molen in meters
n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie
z= askophoogte van de molen in meters
peilverschil = maaiveld molen – maaiveld bouwlocatie (in meters ten opzicht van NAP).
In aanvulling op artikel 5.262, eerste lid, geldt dat de bouwhoogte van het bouwwerk niet hoger is dan de bouwhoogte op grond van de regels in afdeling 5.2.2.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels over bouwen in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.263.
Het verbod in artikel 5.262, eerste lid, geldt niet als het gaat om het bouwen van een bouwwerk:
dat een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwt of verandert;
waarbij de bouwhoogte niet wordt vergroot; en
de plek van het nieuwe bouwwerk ligt op dezelfde plek als het bestaand legaal bouwwerk
Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.262 wordt alleen verleend als het om het bouwen van een bouwwerk gaat als:
de windvang en het zicht op de molen door het bouwwerk niet verder worden beperkt, omdat de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt door andere aanwezige bouwwerken; of
het toepassen van de hoogtebeperking, bedoeld in artikel 5.262, eerste lid, de belangen in verband met het te bouwen bouwwerk onevenredig zou schaden.
Subparagraaf 5.2.12.3.1 gaat over het verrichten van activiteiten in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland.
In aanvulling op artikel 5.2 hebben de regels in subparagraaf 5.2.12.3.1 als oogmerk:
het beschermen en behouden van de kwaliteit van het Natuurnetwerk Nederland;
het beschermen en behouden van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland;
het beschermen en behouden van de samenhang tussen de verschillende gebieden van het Natuurnetwerk Nederland; en
het beschermen en behouden van de ecologische kernkwaliteiten.
In de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland wordt natuur aangelegd en beheerd.
Subparagraaf 5.2.12.3.2 gaat over het bouwen van een bouwwerk in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland een bouwwerk te bouwen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als naast de regels in afdeling 5.2.2 ook is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.270.
Artikel 5.269, eerste lid, geldt niet als het om het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gaat dat ten dienste staat van de ecologische kernkwaliteiten. Afdeling 5.2.2 blijft wel onverminderd gelden.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.269 in het werkingsgebied beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland - natuurverbinding, wordt verleend als de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor het beheer en de aanleg van de ecologische kernkwaliteiten, waaronder wordt verstaan:
een moerasverbinding in veengebied die bestaat uit bloemrijke (riet)ruigtes, boezemrietland en grasdijken, die een veilig leefgebied en een veilige migratieroute vormen voor de doelsoorten en doelgemeenschappen;
een netwerk van brede watergangen en oeverstroken met aanliggende moerassen en open water die een veilig leefgebied en een veilige migratieroute vormen voor de doelsoorten en doelgemeenschappen; en
een netwerk van natte verbindingen met natuurlijke oevers, brede moerassen en een goede waterkwaliteit, en aangrenzende natuurlijke groenstroken die een veilig leefgebied en een veilige migratieroute vormen voor de doelsoorten en de doelgemeenschappen.
Het bevoegd gezag kan vragen om een rapport van een ecologisch deskundige waaruit blijkt dat geen sprake is van nadelige gevolgen als bedoeld in artikel 5.270, eerste lid.
Subparagraaf 5.2.12.3.3 gaat over uitvoeren van werkzaamheden of van werken in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland.
Onder werken worden geen bouwwerken verstaan.
In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het verboden zonder omgevingsvergunning in de gebiedsaanwijzing beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland een of meer van de volgende werkzaamheden of werken uit te voeren:
het aanbrengen van verhardingen;
het aanleggen van verharde en halfverharde wegen en paden;
grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het ontginnen, verlagen, afgraven, diepploegen, woelen en mengen van gronden;
het aanleggen, verdiepen, verbreden of dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
het aanbrengen of planten van bomen of andere houtopstanden;
het verwijderen, kappen of beschadigen van bomen of andere houtopstanden hoger dan 1,50 meter;
het verwijderen van oevervegetaties; en
het aanbrengen van drainage.
Een omgevingsvergunning voor de werkzaamheden of werken wordt alleen worden verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.273.
Artikel 5.272, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken voor het beschermen en behouden van de ecologische kernkwaliteiten.
Artikel 5.272, eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken die het normale onderhoud en beheer voor andere ter plaatse toegedeelde functies betreffen.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken als bedoeld in artikel 5.272 in het werkingsgebied beschermingsgebied Natuurnetwerk Nederland - natuurverbinding, wordt verleend als de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor het beheer en de aanleg van de ecologische kernkwaliteiten, waaronder wordt verstaan:
een moerasverbinding in veengebied die bestaat uit bloemrijke (riet)ruigtes, boezemrietland en grasdijken, die een veilig leefgebied en een veilige migratieroute vormen voor de doelsoorten en doelgemeenschappen;
een netwerk van brede watergangen en oeverstroken met aanliggende moerassen en open water die een veilig leefgebied en een veilige migratieroute vormen voor de doelsoorten en doelgemeenschappen; en
een netwerk van natte verbindingen met natuurlijke oevers, brede moerassen en een goede waterkwaliteit, en aangrenzende natuurlijke groenstroken die een veilig leefgebied en een veilige migratieroute vormen voor de doelsoorten en de doelgemeenschappen.
Het bevoegd gezag kan vragen om een rapport van een ecologisch deskundige waaruit blijkt dat geen sprake is van nadelige gevolgen als bedoeld in artikel 5.273, eerste lid.
Afdeling 5.2.13 gaat over een ondersteunende activiteit aan een activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 4.58.
Onder ondersteunende activiteit wordt verstaan een activiteit die bedoeld is voor het ondersteunen van een andere activiteit die op grond van dit omgevingsplan op de locatie is toegelaten.
Afdeling 5.2.13 geldt niet voor wonen als bedoeld in artikel 4.58, onder l.
Een ondersteunende activiteit bij een activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in Artikel 4.58 kan worden verricht als:
ondersteunende activiteiten maximaal 25% van het totale bruto vloeroppervlak zijn, met een maximum van 150 m2;
de openingstijden van de ondersteunende activiteit binnen die van de hoofdactiviteit vallen;
de toegang alleen via de hoofdingang van de hoofdactiviteit plaatsvindt; en
het laden, lossen en parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
In afwijking van artikel 5.275, eerste lid, onder b, kan een ondersteunende activiteit in de vorm van een sportactiviteit bij een maatschappelijke activiteit ook worden verricht buiten de openingstijden van de maatschappelijke activiteit.
Paragraaf 5.2.14.1 gaat over de bebouwingscontour jacht.
In de gebiedsaanwijzing bebouwingscontour jacht geldt artikel 11.71, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Paragraaf 5.2.14.2 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken in openbaar toegankelijk gebied in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - wegen.
De gronden in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - wegen kunnen worden gebruikt voor de volgende activiteiten:
het aanleggen en gebruiken van wegen, woonstraten en woonerven;
het aanleggen en gebruiken van openbaar groen;
het aanleggen en gebruiken van fiets- en voetpaden en overige voorzieningen voor langzaam verkeer;
het aanleggen en gebruiken van bruggen, duikers, paden en bermen en van taluds die tot de weg behoren en van waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken;
het aanleggen en gebruiken van water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
het afvoeren en opvangen van water;
het aanleggen en gebruiken van kabels en leidingen;
het aanleggen en gebruiken van nutsvoorzieningen;
het realiseren en gebruiken van speelvoorzieningen;
het uiten van kunst;
het uiten van reclame;
het aanleggen en gebruiken van parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van geluidwerende voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van luchtkwaliteitsschermen.
Paragraaf 5.2.14.3 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken in openbaar toegankelijk gebied in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - water.
Paragraaf 5.2.14.3 gaat niet over het gebruik van steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen in de Ringvaart. Hiervoor geldt Paragraaf 5.2.14.4.
In het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - water kunnen de gronden worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van duikers, bermen en van taluds die tot de weg behoren en van waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken;
het aanleggen en gebruiken van water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bruggen voor langzaam verkeer;
het aanleggen en gebruiken van steigers, aanmeervoorzieningen, meerpalen en vlonders;
het afvoeren en opvangen van water;
het aanleggen en gebruiken van kabels en leidingen;
het aanleggen en gebruiken van nutsvoorzieningen;
het uiten van kunst; en
het uiten van reclame.
Paragraaf 5.2.14.4 gaat over het gebruik van steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen in openbaar toegankelijk gebied in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart.
In het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart worden voor de doorvaart of geleiding van de scheepvaart voorzieningen gerealiseerd en beheerd in de vorm meerpalen en aanmeervoorzieningen.
In aanvulling op artikel 5.283, eerste lid, geldt in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers , dat:
een steiger wordt gebruikt als particuliere steiger, horecasteiger, passantensteiger of recreatiesteiger, of voor bedrijfsactiviteiten in de vorm van een hulp- of handelsbedrijf dat watersport of waterrecreatie ondersteunt en geen jachthaven is, of voor kleinschalige detailhandelsactiviteiten voor watersport;
een aanmeervoorziening of meerpaal wordt gebruikt als particuliere aanmeervoorziening of voor bedrijfsactiviteiten in de vorm van een hulp- of handelsbedrijf dat watersport of waterrecreatie ondersteunt en geen jachthaven is, of voor kleinschalige detailhandelsactiviteiten voor watersport;
In aanvulling op artikel 5.283, eerste lid, geldt in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - steigers beperkt toegestaan, dat een steiger wordt gebruikt als horecasteiger, passantensteiger of recreatiesteiger.
In aanvulling op artikel 5.283, eerste lid, geldt in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart - bijzondere steigers, dat een steiger, een aanmeervoorziening of een meerpaal wordt gebruikt voor botenverhuur, een camping of scouting.
In het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - Ringvaart is het verboden:
op een locatie waar een horeca-activiteit plaatsvindt aan te meren met een vaartuig; of
aan te meren met een vaartuig waar activiteiten worden verricht in de vorm van een seksbedrijf.
Paragraaf 5.2.14.5 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken in openbaar toegankelijk gebied in het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - groen.
In het werkingsgebied openbaar toegankelijk gebied - groen kunnen de gronden worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van openbaar groen;
het aanleggen en gebruiken van verhardingen voor in- en uitritten;
het aanleggen en gebruiken van fiets- en voetpaden en overige voorzieningen voor langzaam verkeer;
het aanleggen en gebruiken van parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van duikers, paden en bermen en van waterstaatkundige en civieltechnische (kunst) werken;
het afvoeren en opvangen van water;
het aanleggen en gebruiken van water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van kabels en leidingen;
het aanleggen en gebruiken van nutsvoorzieningen;
het realiseren en gebruiken van speelvoorzieningen;
het uiten van kunst;
het uiten van reclame;
het aanleggen en gebruiken van geluidwerende voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van luchtkwaliteitsschermen.
Afdeling 5.2.15 gaat over het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid voor personenauto’s bij het gebruik van gronden en bouwwerken voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.284, eerste lid.
Als op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning nodig is voor het wijzigen van het gebruik van de gronden of bouwwerken of voor het bouwen, geldt voor het parkeren van personenauto’s op die locatie dat:
Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan aan het Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 (herziening 2025) of de daarna geldende regeling waarin de parkeernormen zijn vastgelegd.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik of voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.288, eerste lid worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.
Aan een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik of voor het bouwen als bedoeld in artikel 5.288, eerste lid, kunnen voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van voldoende parkeergelegenheid te waarborgen.
PPPPP
Afdeling 5.2.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
QQQQQ
Afdeling 5.2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRR
Afdeling 5.2.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSS
Het opschrift van afdeling 5.2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTT
Het opschrift van paragraaf 5.2.15.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUU
Het opschrift van paragraaf 5.2.15.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVV
Het opschrift van afdeling 5.2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWW
Afdeling 5.2.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Gereserveerd]
[Vervallen]
XXXXX
Afdeling 5.2.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYY
Na afdeling 5.2.18 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
ZZZZZ
Na titel 5.2 wordt een titel ingevoegd, luidende:
Titel 5.3 gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken voor:
Titel 5.3 geldt niet voor het verrichten van activiteiten in de vorm van een seksbedrijf.
Titel 5.3 gaat niet over voorwaarden voor milieubelastende activiteiten. Hiervoor geldt afdeling 5.2.11 en afdeling 22.3.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot activiteit met gebruiksruimte, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 5.292 , eerste lid voldoen de tekeningen aan de volgende voorwaarden:
de schaal is niet kleiner dan 1:1000, als het gaat om een situatietekening;
de schaal is niet kleiner dan 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening;
uit een situatietekening met een noordpijl blijkt de oriëntatie van (het bouwwerk op) het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Afdeling 5.3.2 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor agrarische activiteiten in de gebiedsaanwijzing .
Afdeling 5.3.2 gaat ook over het gebruik van gronden en bouwwerken voor nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf.
Als bij agrarische activiteiten wordt voldaan aan de regels in afdeling 5.3.2 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing agrarisch kunnen agrarische activiteiten met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering worden verricht.
Artikel 5.295, eerste lid, geldt niet voor agrarische activiteiten voor:
In aanvulling op artikel 5.295 eerste lid, kunnen de gronden waarop agrarische activiteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van een bijbehorende tuin;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende paden;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water- en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen.
Paragraaf 5.3.3.1 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten in de gebiedsaanwijzing bedrijf
Paragraaf 5.3.3.1 gaat niet over:
activiteiten die een risicobron zijn als bedoeld in afdeling 5.1.van en bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in paragraaf 5.4.5 van en Bijlage VIII bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
activiteiten in de vorm van een verkooppunt van motorbrandstoffen;
activiteiten in de vorm van een garagebedrijf; en-
activiteiten in de vorm van een datacenter.
Als bij het verrichten van bedrijfsactiviteiten wordt voldaan aan de regels in paragraaf 5.3.3.1 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing bedrijf bedraagt het gebruik voor bijbehorende kantooractiviteiten maximaal 30% van het brutovloeroppervlak van de bedrijfsactiviteiten. Hierbij geldt een maximum van 500 m2.
In afwijking van Artikel 5.298, eerste lid, is op de met de bedrijf - brutovloeroppervlak bijbehorend kantoor aangegeven gronden het gebruik voor bijbehorende kantooractiviteiten maximaal het aangegeven aantal m2.
In de gebiedsaanwijzing bedrijf kunnen de gronden waarop bedrijfsactiviteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van een bijbehorende tuin;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende wegen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende fiets- en voetpaden;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen.
In het werkingsgebied bedrijf – categorie 1 kunnen bedrijfsactiviteiten worden verricht tot maximaal bedrijfscategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in bijlage III.
In het werkingsgebied bedrijf – categorie 2 kunnen bedrijfsactiviteiten worden verricht tot maximaal bedrijfscategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in bijlage III.
In het werkingsgebied bedrijf – categorie 3.1 kunnen bedrijfsactiviteiten worden verricht tot maximaal bedrijfscategorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in bijlage III.
In het werkingsgebied bedrijf – categorie 3.2 kunnen bedrijfsactiviteiten worden verricht tot maximaal bedrijfscategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in bijlage III.
In het werkingsgebied bedrijf – categorie 4.1 kunnen bedrijfsactiviteiten worden verricht tot maximaal bedrijfscategorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in bijlage III.
In het werkingsgebied bedrijf – categorie 4.2 kunnen bedrijfsactiviteiten worden verricht tot maximaal bedrijfscategorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in bijlage III.
In het werkingsgebied bedrijf - uitsluitend opslag van weg- en waterbouwmaterialen kunnen alleen bedrijfsactiviteiten worden verricht in de vorm van opslag van weg- en waterbouwmaterialen.
In het werkingsgebied bedrijf - met uitzondering van opslag kunnen alleen bedrijfsactiviteiten worden verricht in de vorm van opslag.
In het werkingsgebied bedrijf - uitsluitend nutsvoorzieningen kunnen alleen bedrijfsactiviteiten worden verricht in de vorm van nutsvoorzieningen.
In het werkingsgebied bedrijf – nutsvoorzieningen – uitsluitend installatie voor het regelen en meten van aardgas kunnen alleen bedrijfsactiviteiten worden verricht in de vorm van een gasontvangstation.
In het werkingsgebied Lijndenhof Oost – brutovloeroppervlak is het brutovloeroppervlak van de bedrijfsactiviteiten, de horeca-activiteiten, de zelfstandige kantooractiviteiten en het parkeren in een gebouw, samen maximaal 65.000 m2.
In het werkingsgebied Lijndenhof West – brutovloeroppervlak is het brutovloeroppervlak van de bedrijfsactiviteiten, horeca-activiteiten, en parkeren in een gebouw, samen maximaal 55.000 m2.
In het werkingsgebied Lijndenhof Oost – begane grond alleen bijbehorend kantoor worden op de begane grond alleen bijbehorende kantooractiviteiten verricht.
In het werkingsgebied Lijndenhof West – begane grond alleen bijbehorend kantoor worden op de begane grond alleen bijbehorende kantooractiviteiten verricht.
Paragraaf 5.3.3.2 gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten in de gebiedsaanwijzing bedrijf.
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning bij het verrichten van bedrijfsactiviteiten af te wijken van de categorie-indeling in artikel 5.299, eerste lid, artikel 5.299, tweede lid, artikel 5.299, derde lid, artikel 5.299, vierde lid, artikel 5.299, vijfde lid, en artikel 5.299, zesde lid. Een omgevingsvergunning voor het verrichten van de bedrijfsactiviteiten wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.303.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bedrijfsactiviteiten te verrichten die een risicobron zijn als bedoeld in afdeling 5.1 van en bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een omgevingsvergunning voor het verrichten van de bedrijfsactiviteiten wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.303.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.302, eerste lid, wordt verleend als:
de bedrijfsactiviteiten maximaal één categorie hoger ingeschaald zijn dan ter plaatse is aangewezen; of
de bedrijfsactiviteiten niet voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in Bijlage III, en naar soort en omvang vergelijkbaar zijn met de ter plaatse aangewezen categorie; en
de bedrijfsactiviteiten geen risicobron zijn als bedoeld in afdeling 5.1 van en bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 5.302, eerste lid, wordt ook verleend als de bedrijfsactiviteiten in het werkingsgebied bedrijf – categorie extra afwijken liggen en:
de bedrijfsactiviteiten maximaal twee categorieën hoger ingeschaald zijn dan ter plaatse aangewezen; of
de bedrijfsactiviteiten niet voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in Bijlage III,, en deze naar soort en omvang vergelijkbaar zijn met de ter plaatse aangewezen categorie; en
de bedrijfsactiviteiten geen risicobron zijn als bedoeld in afdeling 5.1 van en bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In aanvulling op artikel 5.302, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de bij de bedrijfsactiviteiten behorende plaatsgebonden risicocontour niet over een zeer kwetsbaar gebouw, een kwetsbaar gebouw, een beperkt kwetsbaar gebouw, een kwetsbare locatie of een beperkt kwetsbare locatie komt te liggen.
Paragraaf 5.3.3.1 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor bijzondere bedrijfsactiviteiten in de gebiedsaanwijzing bedrijf - bijzonder .
Onder bijzondere bedrijfsactiviteiten wordt in paragraaf 5.3.3.1 verstaan:
activiteiten in de vorm van een verkooppunt van motorbrandstoffen; en
activiteiten in de vorm van een garagebedrijf.
Als bij het verrichten van bijzondere bedrijfsactiviteiten wordt voldaan aan de regels in paragraaf 5.3.3.1is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing bedrijf - bijzonder bedraagt het gebruik voor bijbehorende kantooractiviteiten maximaal 30% van het brutovloeroppervlak van de bedrijfsactiviteiten. Hierbij geldt een maximum van 500 m2.
In afwijking van artikel 5.306, eerste lid, is op de met de omgevingsnorm bedrijf - bijzonder - brutovloeroppervlak bijbehorend kantoor aangegeven gronden het gebruik voor bijbehorende kantooractiviteiten maximaal het aangegeven aantal m2.
In de gebiedsaanwijzing bedrijf - bijzonder kunnen de gronden waarop bedrijfsactiviteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende wegen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende fiets- en voetpaden;
het aanleggen en gebruiken van parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van nutsvoorzieningen.
In het werkingsgebied bedrijf – bijzonder – motorbrandstoffen kunnen bedrijfsactiviteiten worden verricht in de vorm van opslag en verkoop van motorbrandstoffen zonder LPG.
In het werkingsgebied bedrijf - bijzonder - garage kunnen bedrijfsactiviteiten worden verricht tot maximaal bedrijfscategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bedoeld in Bijlage III, in de vorm van een garagebedrijf.
In het werkingsgebied bedrijf – bijzonder – Nieuwemeerdijk 163 kunnen uitsluitend bedrijfsactiviteiten worden verricht in de vorm van het stallen en verkopen van auto’s door een garagebedrijf dat aan de Nieuwemeerdijk 163 is gevestigd.
Paragraaf 5.3.3.4 gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten in de gebiedsaanwijzing bedrijf - bijzonder .
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning bij het verrichten van bedrijfsactiviteiten af te wijken van de categorie-indeling in artikel 5.307, tweede lid. Een omgevingsvergunning voor het verrichten van de bedrijfsactiviteiten wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in Artikel 5.310.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bedrijfsactiviteiten te verrichten die een risicobron zijn als bedoeld in afdeling 5.1 van en bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een omgevingsvergunning voor het verrichten van de bedrijfsactiviteiten wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.310.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.309, eerste lid, wordt verleend als:
de bedrijfsactiviteiten maximaal één categorie hoger ingeschaald zijn dan ter plaatse is aangewezen; of
de bedrijfsactiviteiten niet voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bedoeld in Bijlage III, en naar soort en omvang vergelijkbaar zijn met de ter plaatse aangewezen categorie; en
de bedrijfsactiviteiten geen risicobron zijn als bedoeld in afdeling 5.1 van en bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In aanvulling op artikel 5.310, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de bij de bedrijfsactiviteiten behorende plaatsgebonden risicocontour niet over een zeer kwetsbaar gebouw, een kwetsbaar gebouw, een beperkt kwetsbaar gebouw, een kwetsbare locatie of een beperkt kwetsbare locatie komt te liggen.
Afdeling 5.3.4 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige culturele activiteiten en ontspanningsactiviteiten in de gebiedsaanwijzing cultuur en ontspanning.
In afdeling 5.3.4 wordt onder zelfstandige culturele activiteiten en ontspanningsactiviteiten verstaan activiteiten die gericht zijn op cultuur, spel, vermaak en ontspanning waaronder:
het faciliteren van podiumkunsten;
het exploiteren van een museum;
het exploiteren van een muziekschool;
het exploiteren van een dansschool;
het exploiteren van een of meer spel- en speelruimten;
het uitoefenen van een themamarkt;
het uitoefenen van een hobbymarkt;
het exploiteren van een oefenruimte;
het exploiteren van een creativiteitscentrum;
het exploiteren van een kinderboerderij; en
het verhuren van een of meer zalen.
Afdeling 5.3.4 gaat niet over:
het exploiteren van een bioscoop;
het exploiteren van een casino; en
het exploiteren van een speelautomatenhal.
Als bij het verrichten van een zelfstandige culturele activiteit of een ontspanningsactiviteit wordt voldaan aan de regels in Afdeling 5.3.4 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing cultuur en ontspanning kunnen zelfstandige culturele activiteiten en ontspanningsactiviteiten worden verricht.
Artikel 5.313, eerste lid, geldt niet voor een zelfstandige culturele activiteit en ontspanningsactiviteit in de vorm van een kinderboerderij. Hiervoor geldt artikel 5.314.
In de gebiedsaanwijzing cultuur en ontspanning kunnen de gronden waarop de culturele activiteiten en ontspanningsactiviteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van een bijbehorende tuin;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen.
In het werkingsgebied cultuur en ontspanning – kinderboerderij kunnen activiteiten worden verricht in de vorm van een kinderboerderij.
Artikel 5.313, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Op de met de omgevingsnorm maatschappelijk - cultuur en ontspanning - oppervlakte aangegeven gronden is het brutovloeroppervlak van maatschappelijke activiteiten, culturele activiteiten en ontspanningsactiviteiten samen, maximaal de aangegeven oppervlakte.
Afdeling 5.3.5 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige detailhandelsactiviteiten in de gebiedsaanwijzing detailhandel .
Als bij het verrichten van detailhandelsactiviteiten wordt voldaan aan de regels in afdeling 5.3.5 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing detailhandel kunnen zelfstandige detailhandelsactiviteiten worden verricht.
In de gebiedsaanwijzing detailhandel kunnen de gronden waarop de detailhandelsactiviteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen
Op de met de omgevingsnorm detailhandel - oppervlakte aangegeven gronden is het brutovloeroppervlak voor zelfstandige detailhandelsactiviteiten maximaal de aangegeven oppervlakte.
In het werkingsgebied detailhandel – uitsluitend op de begane grond, worden detailhandelsactiviteiten alleen verricht op de begane grond.
Afdeling 5.3.6 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige dienstverleningsactiviteiten in de gebiedsaanwijzing dienstverlening .
Als bij dienstverleningsactiviteiten wordt voldaan aan de regels in afdeling 5.3.6 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing dienstverlening kunnen zelfstandige dienstverleningsactiviteiten worden verricht.
In de gebiedsaanwijzing dienstverlening kunnen de gronden waarop de dienstverleningsactiviteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen.
Op de met de omgevingsnorm dienstverlening - oppervlakte aangegeven gronden, is het brutovloeroppervlak van dienstverlenende activiteiten maximaal de aangegeven oppervlakte.
Afdeling 5.3.7 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige horeca-activiteiten in de gebiedsaanwijzing horeca .
Afdeling 5.3.7 wordt verstaan onder horeca-activiteiten van:
categorie 1: zelfstandige horeca-activiteiten die hoofdzakelijk gericht zijn op het verstrekken van eten en alcoholvrije dranken aan bezoekers en werknemers van winkelgebieden, kantoor- en bedrijventerreinen, toeristisch-recreatieve gebieden en dergelijke in de vorm van een ijssalon, lunchroom, snackbar, koffie- of theehuis en andere naar aard en invloed op de omgeving hiermee gelijk te stellen horeca-activiteiten; en
categorie 2: zelfstandige horeca-activiteiten die hoofdzakelijk gericht zijn op het verstrekken van alcoholhoudende dranken, maaltijden en het bieden van gelegenheid om te luisteren naar mechanische muziek in de vorm van een bar, restaurant en andere naar aard en invloed op de omgeving hiermee gelijk te stellen horeca- activiteiten.
Als bij een horeca-activiteit wordt voldaan aan de regels in afdeling 5.3.7 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing horeca kunnen de gronden waarop de zelfstandige horeca-activiteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van een bijbehorende tuin;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken bijbehorende nutsvoorzieningen.
In het werkingsgebied horeca – categorie 1 kunnen horeca-activiteiten worden verricht tot maximaal categorie 1.
In het werkingsgebied horeca – categorie 2 kunnen horeca-activiteiten worden verricht tot maximaal categorie 2
In het werkingsgebied horeca – hotel kunnen horeca-activiteiten worden verricht in de vorm van een hotel.
In het werkingsgebied horeca-activiteiten – uitsluitend op de begane grond, worden de toegelaten horeca-activiteiten alleen verricht op de begane grond.
Op de met de omgevingsnorm horeca - categorie 2 - maximum oppervlakte aangegeven gronden, is het bruto vloeroppervlak van horeca van categorie 2 maximaal het aangegeven aantal m2.
Op de met de omgevingsnorm horeca - hotel - maximum aantal kamers aangegeven gronden, is het aantal kamers van het hotel maximaal het aangegeven aantal.
In het werkingsgebied Lijndenhof Oost – hotel geldt:
er is maximaal 1 hotel;
het brutovloeroppervlak van het hotel is maximaal 14.500 m2 ; en
het brutovloeroppervlak voor parkeren in een gebouw is maximaal 6.500 m2.
In het werkingsgebied Lijndenhof Oost – brutovloeroppervlak is het brutovloeroppervlak van de horeca-activiteiten, de bedrijfsactiviteiten, de zelfstandige kantooractiviteiten en het parkeren in een gebouw, samen maximaal 65.000 m2.
In het werkingsgebied Lijndenhof West – fastfoodrestaurant geldt:
In het werkingsgebied Lijndenhof West – brutovloeroppervlak is het brutovloeroppervlak van de horeca-activiteiten, de bedrijfsactiviteiten, de kantooractiviteiten en het parkeren, samen maximaal 55.000 m2.
Afdeling 5.3.8 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantooractiviteiten in de gebiedsaanwijzing kantoor.
Als bij een kantooractiviteit wordt voldaan aan de regels in afdeling 5.3.8 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing kantoor kunnen zelfstandige kantooractiviteiten worden verricht.
In de gebiedsaanwijzing kantoor kunnen de gronden waarop de zelfstandige kantooractiviteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van een bijbehorende tuin;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen.
In het werkingsgebied kantoor – uitsluitend op de begane grond worden zelfstandige kantooractiviteiten alleen verricht op de begane grond.
In het werkingsgebied Lijndenhof Oost - kantoor is het brutovloeroppervlak van zelfstandige kantooractiviteiten maximaal 10.000 m2.
In het werkingsgebied Lijndenhof Oost – brutovloeroppervlak is het brutovloeroppervlak van de zelfstandige kantooractiviteiten, de bedrijfsactiviteiten, de horeca-activiteiten en het parkeren in een gebouw, samen maximaal 65.000 m2.
Afdeling 5.3.9 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor maatschappelijke activiteiten in de gebiedsaanwijzing maatschappelijk.
Als bij een maatschappelijke activiteit wordt voldaan aan de regels in afdeling 5.3.9 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing maatschappelijk kunnen maatschappelijke activiteiten worden verricht.
Artikel 5.335, eerste lid, geldt niet voor een maatschappelijke activiteit in de vorm van een brandweerkazerne. Hiervoor geldt Artikel 5.336, tweede lid.
In de gebiedsaanwijzing maatschappelijk kunnen de gronden waarop de maatschappelijke activiteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van een bijbehorende tuin;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen.
In afwijking van artikel 5.335, eerste lid, kunnen in het werkingsgebied maatschappelijk - uitsluitend huisvesting en zorg alleen maatschappelijke activiteiten worden verricht in de vorm van huisvesting in combinatie met zorg.
In afwijking van artikel 5.335, eerste lid, kunnen in het werkingsgebied maatschappelijk - uitsluitend kinderdagverblijf alleen maatschappelijke activiteiten worden verricht in de vorm van een kinderdagverblijf.
In het werkingsgebied maatschappelijk - uitsluitend brandweerkazerne kunnen alleen maatschappelijke activiteiten worden verricht in de vorm van een brandweerkazerne.
In het werkingsgebied maatschappelijk - uitsluitend op de begane grond, worden zelfstandige maatschappelijke activiteiten alleen verricht op de begane grond.
Op de met de omgevingsnorm maatschappelijk - cultuur en ontspanning - oppervlakte aangegeven gronden, is het brutovloeroppervlak van maatschappelijke activiteiten, culturele activiteiten en ontspanningsactiviteiten samen, maximaal de aangegeven oppervlakte.
Op de met de omgevingsnorm maatschappelijk - kinderdagverblijf - oppervlakte aangegeven gronden, is het brutovloeroppervlak voor het uitoefenen van een kinderdagverblijf maximaal de aangegeven oppervlakte.
Afdeling 5.3.11 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor recreatieve activiteiten in de gebiedsaanwijzing recreatie.
Onder extensieve recreatie wordt in afdeling 5.3.11 verstaan:
recreatie-activiteiten in de openlucht met een relatief beperkt aantal recreanten per oppervlakte-eenheid, zoals wandelen, fietsen, skaten, sport en spel, vissen, zwemmen, observeren van de natuur, varen, zeilen, duiken, surfen, roeien en kanoën, en niet in wedstrijdverband en met een beperkt aantal voorzieningen.
Onder intensieve recreatie wordt in afdeling 5.3.11 verstaan:
recreatie-activiteiten in de openlucht met een relatief groot aantal recreanten per oppervlakte-eenheid en veel voorzieningen.
Als bij een recreatie-activiteit wordt voldaan aan de regels in afdeling 5.3.11 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing recreatie kunnen recreatie-activiteiten worden verricht.
In de gebiedsaanwijzing recreatie kunnen de gronden waarop de recreatie-activiteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van wandel-, fiets- en ruiterpaden;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen;
In afwijking van artikel 5.340, eerste lid, kunnen in het werkingsgebied ‘recreatie - extensief’ alleen extensieve recreatieactiviteiten worden verricht.
In afwijking van artikel 5.340, eerste lid, kunnen in het werkingsgebied ‘recreatie - intensief’ alleen intensieve recreatieactiviteiten worden verricht.
In afwijking van artikel 5.340, eerste lid, kunnen in het werkingsgebied recreatie - speelterrein alleen recreatie-activiteiten in de vorm van een speelterrein worden verricht.
Afdeling 5.3.12 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor sportactiviteiten in de gebiedsaanwijzing sport .
Als bij een sportactiviteit wordt voldaan aan de regels in afdeling 5.3.12 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor die activiteit.
In de gebiedsaanwijzing sport kunnen sportactiviteiten worden verricht.
In de gebiedsaanwijzing sport kunnen de gronden waarop de sportactiviteiten worden verricht, ook worden gebruikt voor:
het aanleggen en gebruiken van bijbehorend groen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende verhardingen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende parkeervoorzieningen;
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
het aanleggen en gebruiken van bijbehorende nutsvoorzieningen.
In afwijking van artikel 5.344, eerste lid, wordt in het werkingsgebied sport - veldsport en atletiek alleen veldsport en atletiek verricht.
Paragraaf 5.3.13.1 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen in de gebiedsaanwijzing wonen.
Paragraaf 5.3.13.1 gaat ook over het gebruik van gronden en bouwwerken voor:
Als bij wonen wordt voldaan aan de regels in paragraaf 5.3.13.1 is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor wonen.
In het werkingsgebied wonen - uitsluitend vanaf de eerste verdieping wordt alleen gewoond op de eerste verdieping en hoger. Portieken, trappenhuizen en bergingsruimten bij een woning kunnen wel op de begane grond liggen.
In een woning woont maximaal 1 huishouden.
De inrichting en het gebruik van een gebouwerf bij een woning gebeurt op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik bij de woning wordt gezien, waarbij deze in ieder geval gebruikt kan worden:
In een woning is per persoon minimaal 12 m2 gebruiksoppervlakte beschikbaar.
In afwijking van artikel 5.348, vijfde lid, is de minimale gebruiksoppervlakte van een woonwagen 6 m2 per persoon.
In afwijking van artikel 5.348, vijfde lid, is de minimale gebruiksoppervlakte van een woonschip 6 m2 per persoon.
Artikel 5.348, vijfde lid, artikel 5.348, zesde lid, en artikel 5.348, zevende lid, gelden niet voor woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
In het werkingsgebied wonen - bij maatschappelijk wordt alleen gewoond in samenhang met de maatschappelijke activiteiten die ter plaatse worden verricht.
In het werkingsgebied wonen - garagebox kan uitsluitend een garagebox behorend bij een woning worden gebruikt.
In afwijking van en in aanvulling op 5.348, derde lid, geldt bij huisvesting in verband met mantelzorg dat er maximaal 2 huishoudens op een bouwperceel wonen.
huisvesting in verband met mantelzorg vindt plaats in een woning voor mantelzorg.
huisvesting in verband met mantelzorg kan plaatsvinden in een bestaand bouwwerk.
In afwijking van 5.348, eerste lid, kan huisvesting in verband met mantelzorg ook plaatsvinden op grond van artikel 5.86.
In het werkingsgebied bedrijfswoning wordt woonruimte als een bedrijfswoning gebruikt. Deze kan onderdeel zijn van het hoofdgebouw voor de bedrijfsactiviteiten.
In het werkingsgebied bedrijfswoning is maximaal 1 bedrijfswoning aanwezig.
Bij een woning kunnen aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten worden verricht als:
deze worden verricht in een woning of in een bijbehorend bouwwerk;
degene die de activiteiten verricht zijn vaste woon- en verblijfsplaats in de woning heeft;
de activiteiten onder bedrijfscategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten als bedoeld in Bijlage III vallen;
de vloeroppervlakte voor de activiteiten maximaal 40% van het brutovloeroppervlak van de woning; en bijbehorende bouwwerken is, met een maximum 50 m2; en
het geen detailhandelsactiviteiten zijn, tenzij deze ondergeschikt zijn aan de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten .
In afwijking van artikel 5.352, eerste lid, sub d, is op de met de omgevingsnorm wonen - aan huis verbonden beroep of bedrijf - oppervlakte aangegeven oppervlakte waarop de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten worden verricht maximaal het aangegeven aantal m2.
In afwijking van artikel 5.348, eerste lid kan in een woning ook niet zelfstandige woonruimte aanwezig zijn voor verhuur aan personen buiten het huishouden van de hoofdbewoner als:
de eigenaar van de woning de hoofdbewoner is en zijn vaste woon- of verblijfplaats in de woning heeft;
het huishouden van de hoofdbewoner minimaal 60% van het brutovloeroppervlak van de woning zelf bewoont;
er maximaal twee niet zelfstandige woonruimten in de woning worden verhuurd; en
er per verhuurde niet zelfstandige woonruimte maximaal één bewoner is.
In afwijking van artikel 5.348, eerste lid kan een woning als toeristisch verblijf voor vakantieverhuur worden gebruikt als:
de woning een zelfstandige woonruimte is;
de hoofdbewoner zijn vaste woon- of verblijfplaats in de woning heeft;
de bewoners van de woning tijdens de vakantieverhuur niet in de woning aanwezig zijn;
de vakantieverhuur maximaal 30 dagen per jaar plaatsvindt; en
er aan maximaal 6 personen per nacht onderdak wordt verleend.
Paragraaf 5.3.13.2 gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor het uitoefenen van een in de gebiedsaanwijzing wonen .
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning gronden en bouwwerken bij een woning te gebruiken voor het uitoefenen van een bed and breakfast. Een omgevingsvergunning voor het uitoefenen van een bed and breakfast wordt alleen verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 5.357.
De omgevingsvergunning voor een bed and breakfast bij een woning wordt verleend als:
de vloeroppervlakte voor de activiteit maximaal 40% van het brutovloeroppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken is, tot maximaal 50 m2;
er maximaal twee van elkaar afgescheiden ruimten met in totaal maximaal 6 slaapplaatsen voor de bed and breakfast worden gebruikt;
degene die de activiteit verricht zijn vaste woon- en verblijfsplaats in de woning heeft;
degene die activiteit verricht zelf in de woning aanwezig is als er gasten in deeen bed and breakfast overnachten;
het geen onevenredige hinder voor de woon- en leefomgeving betekent; en
het geen afbreuk aan het woonkarakter van de wijk of buurt doet.
Onder vloeroppervlakte voor de activiteit als bedoeld in artikel 5.357, eerste lid, onder a, wordt alleen gerekend het vloeroppervlak dat in gebruik is voor de activiteit. Hieronder vallen niet de ruimten die door de gasten met de bewoners van de woning worden gedeeld.
AAAAAA
Titel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
BBBBBB
Na hoofdstuk 5 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
CCCCCC
Hoofdstuk 6 wordt geplaatst na hoofdstuk 6. Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDD
Hoofdstuk 7 wordt geplaatst na hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEE
Hoofdstuk 8 wordt geplaatst na hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFF
Hoofdstuk 9 wordt geplaatst na hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGG
Hoofdstuk 10 wordt geplaatst na hoofdstuk 9. Hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHH
Hoofdstuk 11 wordt geplaatst na hoofdstuk 10. Hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gereserveerd
Een vergunning, een ontheffing, een maatwerkvoorschrift, of een ander besluit dat genomen is op grond van een gemeentelijke verordening die is vervangen door dit omgevingsplan, blijft gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.
Een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift verleend of gesteld op grond van dit omgevingsplan blijft ook na wijziging van de daarop betrekking hebbende regels in dit omgevingsplan gelden, hetzij tot het einde van de looptijd, hetzij tot het tijdstip dat het besluit met toepassing van dit omgevingsplan wordt gewijzigd of ingetrokken.
Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning, maatwerkvoorschrift of ander besluit op grond van dit omgevingsplan wordt de beslissing genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist.
In afwijking van artikel 12.3, eerste lid, geldt voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk dat de regels voor die activiteit worden toegepast zoals die op grond van het omgevingsplan golden op het moment van de aanvraag als:
Als een activiteit voor de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht, en door een wijziging van dit omgevingsplan een vergunningplicht gaat gelden, dan geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht een omgevingsvergunning van rechtswege als die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.
De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel artikel 11.412.4, eerste lid, vervalt van rechtswege als de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in Artikel artikel 11.412.4, eerste lid na inwerkingtreding van die nieuwe vergunningplicht voor een periode van meer dan een jaar wordt onderbroken.
Gereserveerd
In afwijking van artikel 12.4, eerste lid, kan het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, als dat gebruik door die wijziging in strijd is gekomen met de regels van hoofdstuk 5 of hoofdstuk 6, worden voortgezet.
Artikel 12.4, eerste lid, geldt niet voor het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden als met die wijziging van het gebruik in titel 5.3 of in hoofdstuk 6 expliciet is voorzien in een nieuw verbod om zonder omgevingsvergunning een bepaalde activiteit uit te voeren. In dat geval geldt artikel 12.4 ook.
Artikel 12.5, eerste lid, geldt niet voor het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan al in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, waaronder de overgangsbepalingen daarvan.
Als het strijdig gebruik, bedoeld in artikel 12.6, eerste lid, na inwerkingtreding van de wijziging, bedoeld in artikel 12.5, eerste lid, voor een periode van meer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Artikel 12.5 is van overeenkomstige toepassing op het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en regels over gebruiksactiviteiten, opgenomen in een TAM-omgevingsplan.
Gereserveerd
Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, kan, als deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden.
Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel ook verstaan een bouwwerk dat gebouwd wordt of gebouwd kan worden volgens een omgevingsvergunning voor het bouwen
Artikel 12.6, eerste lid, geldt alleen voor een legaal bouwwerk, waaronder ook wordt begrepen een bouwwerk dat valt onder het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken uit een regeling die voorafging aan dit omgevingsplan.
Artikel 12.6, eerste lid, geldt niet als een bouwwerk door een calamiteit teniet is gegaan.
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van artikel 12.6, eerste lid, bij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk instemmen met het vergroten van de inhoud van een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 10%.
Een bouwwerk waarvoor het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken volgens het ter plaatse geldende
ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan geldt, kan in stand worden gehouden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, en dat door een calamiteit teniet is gegaan, te vernieuwen of veranderen.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.7 wordt alleen verleend als:
het bouwwerk een legaal bouwwerk is, waaronder ook wordt begrepen een bouwwerk dat valt onder het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken uit een regeling die voorafging aan dit omgevingsplan;
de afwijking van het omgevingsplan met de vernieuwing of verandering van het bouwwerk naar aard en omvang niet wordt vergroot; en
de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk door de calamiteit teniet is gegaan.
Op een bestuurlijke sanctie voor het uitvoeren of het handhaven van regels in dit omgevingsplan, die nadat het besluit is genomen gewijzigd in werking zijn getreden, blijft het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd
b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of
c. als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom:
1°. de last volledig is uitgevoerd;
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of
3°. de last is opgeheven.
IIIIII
Hoofdstuk 12 wordt geplaatst na hoofdstuk 11. Hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJ
Het opschrift van hoofdstuk 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKK
Na hoofdstuk 15 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
LLLLLL
Hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMM
Het opschrift van hoofdstuk 17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNN
Het opschrift van hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOO
Het opschrift van hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPP
Het opschrift van hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQ
Na hoofdstuk 20 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
RRRRRR
Artikel 22.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4; en
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet .
[Vervangen door Artikel 5.115.137.]
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
SSSSSS
Artikel 22.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.115.137.]
TTTTTT
Artikel 22.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUU
Artikel 22.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;
voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; en
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
VVVVVV
Subparagraaf 22.3.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.295.213.]
[Vervangen door Artikel 5.305.214.]
WWWWWW
Subparagraaf 22.3.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.545.238.]
[Vervangen door Artikel 5.565.240.]
[Vervangen door Artikel 5.635.247.]
[Vervangen door Artikel 5.645.248.]
XXXXXX
Subparagraaf 22.3.7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.675.251.]
YYYYYY
Artikel 22.156 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.goederen.artikel 5.2
ZZZZZZ
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
het in of aan huis uitoefenen van (vrije) beroepen en/of het in of aan huis ontplooien van bedrijfsactiviteiten door de bewoner(s) van dat huis en maximaal één werknemer, die door de beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met overwegend behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
meerpalen, voorzien van een gording;
meer dan 1 aanmeervoorziening;
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een bouwwerkperceel of openbaar toegankelijk gebied;
gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
afvalstoffen waarop de Wet Milieubeheer van toepassing is;
alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
activiteiten die zijn gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder ook worden verstaan houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen;
archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden;
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
één of meerdere gebouwen of bouwwerken die geen gebouw zijn;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
aan de woonfunctie ondergeschikte verblijfsvoorziening, bestaande uit het tegen betaling aanbieden van toeristisch en kortdurend verblijf in de woning of een aangebouwd bijbehorend bouwwerk en die voorziening geen zelfstandige wooneenheid is;
bedrijfsmatig vervaardigen, bewerken, installeren, herstellen, inzamelen of verhandelen van goederen en diverse vormen van opslag en logistiek;
gebouw, dat door de aard en indeling bruikbaar en nodig is voor het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten en met uitzondering van een woning en een bedrijfswoning;
woning die door de ligging en functie bedoeld is voor bewoning door 1 huishouden waarvan de aanwezigheid gelet op de activiteiten die op die gronden worden verricht noodzakelijk is;
meer dan 1 bedrijfswoning;
beheer van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet Milieubeheer;
samenstel van aan watersystemen verbonden taken, gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en de vervulling van de op grond van deze wet aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies;
gebouw als bedoeld in bijlage VI, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
locatie als bedoeld in bijlage VI, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
voor de waterhuishouding vuilreducerende voorziening in de riolering met zowel een bergings- als een bezinkfunctie in de vorm van een bak;
beschermen en verbeteren van het milieu;
het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond, met als doel emissies en gevolgen voor het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, te beperken, waarbij wordt verstaan onder:
a. technieken: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld,
b. beschikbare: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken wel of niet binnen Nederland worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn, en
c. beste: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel;
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw;
meer dan 1 bijbehorend bouwwerk;
kantoorfunctie die onderdeel uitmaakt van de bedrijfsactiviteiten, niet zijnde de bedrijfsactiviteiten zelf;
meer dan 1 ondergronds bouwwerk of kap;
het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;
bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
opstaande zijde van een dakrand dakgoot;
activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk;
meer dan 1 bouwactiviteit;
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten;
grens van het werkingsgebied 'bouwvlak';
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een bijzondere bouwlaag;
meer dan 1 bouwlaag;
aaneengesloten stuk grond, waarop een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;
bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is;
meer dan 1 bouwwerk;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
BRL SIKB 6000: Beoordelingsrichtlijn 6000, Milieukundige begeleiding van graven in de bodem, saneren van de bodem. Grondwatersanering, ingrepen in de bodem en nazorg, versie 6.0, 07‑03‑2024;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
de fysieke overblijfselen van de historie, zowel bovengronds (gebouwde monumenten) en ondergronds (archeologie) als het cultuurlandschap met zijn historische landschapselementen als verbinding daartussen;
een constructie ter vergrotingvoor het vergroten van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van het dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegenligt en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;
meer dan 1 dakkapel;
bedrijfsactiviteiten die zich in hoofdzaak richten op het digitaal opslaan en verwerken van informatie op computers (servers);
bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder het uitstallen voor verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan consumenten;
verlenen van economische of maatschappelijke diensten aan derden;
in ieder geval dieren in al hun ontwikkelingsstadia, levend of dood, delen van dieren, uit deze dieren verkregen producten, of andere zaken voor zover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van dieren of daaruit verkregen producten, met uitzondering van eieren;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
lijn die van onderen het dak begrenst of de onderste horizontale lijn van een dakvlak dat geen goot heeft;
ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen;
directe of indirecte uitstoot, uit puntbronnen of diffuse bronnen, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem;
directe of indirecte uitstoot, uit puntbronnen of diffuse bronnen, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem;
bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak activiteiten verricht in de vorm van onderhoud en reparatie van motorvoertuigen al dan niet met verkoop van auto's;
gebouw voor het stallen van voertuigen;
bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
meer dan 1 gebouw;
bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;
gedeelten van een of meer bouwwerken die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die samen een gebruikseenheid vormen;
gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;
gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet;
geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
meer dan 1 geluidgevoelig gebouw;
monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven;
woningen die deel uitmaken van een gebouw met meerdere woningen;
a. gebouw
1. dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2. dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
3. dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; ofb.geurgevoelig gebouw b. geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
agrarische activiteiten waarbij de teelt van gewassen in een kas plaatsvindt onder gecontroleerde omstandigheden;
woningen die direct op of in de grond zijn gebouwd en een eigen toegang hebben vanaf de begane grond;
water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat;
gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is;
steiger waarvan het beloopbaar gedeelte wordt gebruikt als horecaterras en/of waar boten kunnen aanmeren om gebruik te maken van de horeca-activiteit;
zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;
meer dan 1 houtopstand;
afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;
1 persoon die een duurzame huishouding voert of 2 of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;
meer dan 1 huishouden;
huisvesting in of bij een woning van één huishouden van ten hoogste twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning;
gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor bedrijfsmatige agrarische doeleinden;
wegen en vaarwegen, waaronder routenetwerken voor wandelen, fietsen en varen, spoorwegen, havens, luchthavens, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, buisleidingen, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen, infrastructuur voor watervoorzieningswerken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet en andere vitale infrastructuur;
niet- grondgebonden agrarische activiteiten die bestaan uit het zelfstandig of als neventak geheel of nagenoeg geheel in gebouwen houden van varkens, pluimvee, konijnen, vleeskalveren, en/of overig kleinvee, uitgezonderd:
- het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet,
- het kweken van vis; en
- het houden van melkvee en overig rundvee, geiten, schapen of paarden;
constructie die de scheiding vormt tussen twee voor personen toegankelijke besloten ruimten van een gebouw, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een in het Besluit bouwwerken leefomgeving gestelde eis;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
bijzondere bouwlaag waarvan de dakconstructie bestaat uit ten minste één hellend dakvlak;
civiel bouwwerk, waaronder is begrepen een aquaduct, brug, sluis, tunnel en viaduct en een daarmee gelijk te stellen bouwwerk;
meer dan 1 kunstwerk;
gebouw als bedoeld in bijlage VI, onder C, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
locatie als bedoeld in bijlage VI, onder D, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
bodem, niet zijnde waterbodem;
zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of paarden of pony’s voor het fokken;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:a.varkensa. varkens, kippen, schapen of geiten; enb.alsb. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
1. rundvee tot 24 maanden;
2. kalkoenen;
3. eenden; of
4. parelhoenders
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
gebied zoals die door mensen wordt waargenomen, waarvan het karakter wordt bepaald door natuurlijke of menselijke factoren en de interactie daartussen;
bouwwerk dat voldoet aan de regels voor het bouwen die golden op het moment van het bouwen van dat bouwwerk of waarvoor voor het bouwen van dat bouwwerk vergunning is verleend;
industriefunctie waarin activiteiten plaatsvinden, waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;
tot vloeistof verdicht mengsel dat hoofdzakelijk bestaat uit propaan, propeen, butaan en buteen;
bovenkant van het oorspronkelijke of (verhoogd of verlaagd) aangelegd terrein;
activiteit gericht op educatie, kinderopvang, buitenschoolse opvang, verenigingsleven, gezondheidszorg, welzijn, levensbeschouwing of openbare dienstverlening;
meer dan 1 maatschappelijke activiteit;
meer dan 1 maatwerkvoorschrift;
maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet;
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
paal in het water, die over het algemeen gebruikt wordt voor het aanmeren van vaartuigen;
meer dan 1 meerpaal;
meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Meststoffenwet;
meer dan 1 milieubelastende activiteit;
activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit;
directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de kwaliteit van het milieu kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan;
monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
meer dan 1 motorvoertuig;
motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
delfstoffen, oppervlaktedelfstoffen, water, biomassa, warmte, windenergie, zonne-energie, waterkracht en energie uit een zee, voor zover die door de mens aan de fysieke leefomgeving onttrokken kunnen worden;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties kleiner dan of gelijk aan 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 5815- 1: 2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403- 1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse ( FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587- 1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
NTA 5755:2022: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging, versie 2022;
voorzieningen voor openbaar nut, zoals gas-, water-, elektriciteits- en communicatievoorzieningen en voorzieningen voor de inzameling van afval;
activiteit, inhoudende:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;
omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet;
omgevingswaarden als bedoeld in afdeling 2.3 van de Omgevingswet;
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die onder het straatpeil is gelegen;
wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
steiger die vrij toegankelijk is en door iedereen als zodanig gebruikt kan worden;
bouwwerk dat geen gebouw en geen bijbehorend bouwwerk is;
andere gronden dan natuurgronden en landbouwgronden;
openbare steiger waaraan voor een beperkte aangegeven tijd passerende boten kunnen aanmeren;
grens van het bouwperceel;
detailhandelsactiviteiten in de vorm van volumineuze artikelen, detailhandelsactiviteiten in de vorm in brand- en explosiegevaarlijke stoffen, productiegebonden detailhandelsactiviteiten en tuincentra en bouwmarkten;
volgens NEN 6090 bepaalde vuurbelasting van de brandbare materialen in de constructieonderdelen van een bouwwerk of van een daarin gelegen ruimte, of de constructieonderdelen die dat bouwwerk of die ruimte begrenzen;
risico als bedoeld in artikel 5.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
in ieder geval planten in al hun ontwikkelingsstadia, levend of dood, delen van planten, uit planten verkregen producten, geënte planten, of andere zaken voor zover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van planten of daaruit verkregen producten;
programma als bedoeld in afdeling 3.2 van de Omgevingswet;
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met anderen tegen vergoeding;
monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument is gegeven;
openbare steiger voor recreanten , voor pontverkeer voor fietsers of voetgangers of een openbare trailerhelling, bedoeld voor het te water laten of uit het water halen van boten;
ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen;
voor het publiek toegankelijke besloten ruimte of locatie waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht en/of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden waaronder in ieder geval wordt verstaan erotisch getinte horeca, een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden;
groep van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep zich een of meer monumenten bevinden;
oorspronkelijke optie voor het uitbreiden of vergroten van de woning, overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning waarmee de woning is opgericht
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de stedenbouwkundige elementen, zoals situatie en infrastructuur, en de ligging van de bouwwerken in dat gebied;
meer dan 1 steiger;
beloopbare constructie, aangebracht tussen palen, die geheel of gedeeltelijk in het water langs de oever staat;
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties;
bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie;
constructie die de scheiding vormt tussen een voor personen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, inclusief de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een in dit besluit gestelde eis;
meer dan 1 verblijfsgebied;
gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen;
in een verblijfsgebied gelegen ruimte voor het verblijven van personen;
meer dan 1 vlonder;
beloopbare constructie, aangebracht tussen palen, die langs de oever staat;
vormen van detailhandelsactiviteiten waarvan de winkelformules een assortiment voeren van overwegend ruimte vergende goederen, waaronder bouwmarkten, tuincentra, woninginrichtingszaken, auto-, boten- en caravanbedrijven ook worden begrepen;
agrarisch bedrijf dat ten minste aan één volledige arbeidskracht een inkomen verschaft;
monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven;
monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan of de omgevingsverordening een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument te geven;
gebouwerf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;
voorziening of werk voor de inzameling en het transport van afvalwater, die of dat is aangesloten op een zuiveringtechnisch werk of op een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van stedelijk afvalwater;
hoeveelheid warmte die vrijkomt per eenheid vloeroppervlakte bij verbranding van alle in een gebouw of een daarin gelegen ruimte aanwezige brandbare materialen;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust;
meer dan 1 weg;
weg met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort;
ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting in of bij een woning van 1 afzonderlijk huishouden van ten hoogste twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning;
meer dan 1 woning;
ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van 1 afzonderlijk huishouden;
woonfunctie die wordt gebouwd in particulier opdrachtgeverschap of die wordt bewoond door de eigenaar;
gebruiksfunctie voor het wonen;
gebouw of gedeelte daarvan met alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan, waarin meer dan een woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute;
vaartuig of een drijvend bouwwerk met een woonfunctie;
meer dan 1 woonwagen;
woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen;
gebouw als bedoeld in bijlage VI, onder E, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
meer dan 1 zelfstandige woonruimte;
woonruimte die een eigen toegang heeft en die door 1 huishouden kan worden bewoond zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen (zoals badruimte, toilet en keuken) buiten de woonruimte;
meer dan 1 bijbehorend gebouw
AAAAAAA
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio45230d5f-33eb-48a6-875f-bf04b31a3479/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio2d910484-5f43-41fd-b2c5-957bbb7b9648/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio49320b60-448c-4c9d-a1db-fb390b96c200/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio0684f20f-51f7-4206-b972-12d2ac5c5fba/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio8bb2d81d-fd3a-4f8d-96c4-2529e8fd2fa1/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio3b62f11f-a52d-41bf-81e4-d4bbc57b9894/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio09dbd392-72ff-4700-947a-2844ec0671a0/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2026/c37ece75475f494c9a3507e8706643db/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/6f438458e2d54b96a95cdf2bf15c20bf/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/d313e040bad1411f83af2a72058dc2cc/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/3f3b63bc2e174aeca9c3f5478b7900b6/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/db58f2fd6c274014b2b2e360203a837e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b2f27f0dd5c94911a234683528502a23/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b0f81c426188444886f4e8611899eef5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/82534e5fd40d423a97d93f58f87e034d/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b0a42b2aafe4479aa2a0ebb1bdb1f54e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/fc4dd1fc46dc49b290febb1c8a40f24d/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/56e86356f2244b7f9a2c13706151ec6f/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/a6b1ac3dace94c0ab034f115fcb2f8e6/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/c408a5e448474a97b7dfca94b6ea47ce/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/4f6f92b48c414f0ea2dbbe99b8339ecb/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/12c8b9b4cb854029810743755b5cf2bd/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/2e4ed6af8cb6400599ebc57154c61a8d/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/cd8eb4adc9b94c86baeeff67e70cfc11/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/a02b9d4cbb144790a3b9a62fb64fa79b/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/515f97e45c344479a6e72e279590dd5a/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/cf32e18f81dc44baad5972eb7bf361ba/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/9591b4dab773481ba2c4fbf18525a907/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/5143dd21ac924c4c8f5342a8c5b8139c/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/0610ae9b649141859e05061fe48087d9/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/f180c08f062745c9b297ca0debef6f52/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/d67d4043fc5847f08a83374a3fc61a1a/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/3b4f5b82f51c487e951df5cd074ecd8e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/53315acb429049938e6be1af747c8392/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/65abd4125d464d00b55dc0a5f6b850c4/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/1f653daed60a4d78a32fdbcc41b9cd90/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/74ca93acd2634af89b9c07c0dc3b9629/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/c416395dc8fb4ccfa2ce419d5a6bc839/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/0532549dd7574469bb4f37fccea770ae/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/a62e5da5330640b1b4ee87e2d6c0ddcc/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/2b74ad0b1c2649bbb20e3d7db8e6bffc/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/0582105b60ef4e6cb37079eb9a19f325/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/4cb9d2b339f84cd8b1960acb25179457/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/035513a422cb445093e97edaf2502a01/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/1baa5545108745a79b7f0ae1a38a646d/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/4ba18ddcdc224d58843662bcf9ae9c5b/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/8dc3fd11bb354620916c0005463dc917/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/9204710da1ce4de385c318bcc2540d54/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/73873f48dff44629b7eaa08baac7117e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/c252f9077f0044c792e86795057512b8/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/da912094844b46dba8ae04f53a0a5672/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/287e08983f6a4d23a33d69c4ff241ae1/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/11847a6548b44b4290ca6be7b12d96d5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/241ee6c0e4204203a3834ea2d4199813/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/426e2c386d054b5ab67a1e34009775b1/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/8acbcdfe41d94a95a7290615136b3946/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/2e218ec4b1f84a1db436e6348f6d4c08/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/cd5d8314877b4a9a9c0b90124e5f706f/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/78136e97c8c04dbebf284e5fbfdcd0a6/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio45230d5f-33eb-48a6-875f-bf04b31a3479/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio2d910484-5f43-41fd-b2c5-957bbb7b9648/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio49320b60-448c-4c9d-a1db-fb390b96c200/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2026/648accbae5564f41bce9cea9bcca8f86/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/a386c574c4ae407db2760eedefb3d10e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/d17cd33fc71e4e85a3fe0e6f31892407/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/deec39fb252a4d3c95c775394808b395/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/6378c723466149a3b57c78f1dde5b507/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/08fbe2d58610448880431957552561d4/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/30aefe30d84d4aba85812824ae403b64/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/02823fde10db49a1b3de3062880b4554/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/ab2f541a24da446f954bbd83bae3675a/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/87aa363bb11a4a0a8752b8ad1e6d0335/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/ffeb95a2d11a460684dc302a2d22ff67/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/a8bea1f9dfeb4c0e8eb45cb8c68f688c/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/4dd93a27f3c1481d90dfce495b6e7371/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/cb4fbbbd81be4e8296fea7fcf78614a1/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/bfc8c91212f142d79dd8424bd9a54888/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b1c5c84e558a4072ba373df0c1192224/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/ca44cb1cc3e14ba2b31c996d0890f66c/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/9c8bb45652e946c8888b1d35e7c16568/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/f5494753a6cb4f6f996623cab0479983/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b6bfb1cd225b4a82ae41ac2732d10a03/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/0f0fd80098e94016be651eebce7a02f5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/af5464d50fe04fcf8283c4c070f5bd89/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/a9366197ca8d42afaf1abb2aaef71dca/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/9573d75aa8094c3ea5fe9e7b5514bca2/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/a0fd52ee34fd4e1c94d164791dbfe55e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/3f3dfe9d888e4e4bba7b5823ab3846c7/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/5e67313e90484d509004930144b467c4/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/5e5a54e04f3a4700a3b072daa130edf8/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/2b0b575258a04aba80ac7edbea507e57/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/8d9305c8dbb24782aa96c3743a946553/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/27b6c9050f7b4cc8bf1481a7aeac0499/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/7b41cc4964e845f7aea5e36059d91f05/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/2695cce571eb466d95d635a90318cbf5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/1f14f88f3cec4cbfb77abd793d7d3719/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/0181389845b44e27b71e623ce4058977/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/5ff380b6c4294c5399056906cba58cac/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b492f76b0c0d4aeaa51c6b57ee1c565e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/ec6ad6b069bd441c9dbb1062972845a3/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio0684f20f-51f7-4206-b972-12d2ac5c5fba/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2026/28fbb9eaf7ff4b88bca6f4fabbb8cfb6/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/2d1df9dbc0e4417c88e6105c5ae39732/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/ff8027d470fb44ceb28653d637360daa/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/96c9621c7937400b9d615033d0b29856/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/d283eecf8baf423a93702a8b4038323d/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/312ef684a784492aa907528544000080/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/9da5cb00016a4980aa3512b00487ad2d/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/f9e01d08685047aca33485a79a6ec600/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/243ac2a38f7b44fd9d765543d4373d61/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/03e0789a5b824f7fb232fd34cc0f36a0/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/3bd6b48af0484a1eb4285abd923c703a/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/f3dca86160674c6290002b912008c181/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/60337921dcc841a0b95d9e452339564c/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/ba83a78883434811bcede420c65d18c5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/909febf199674d9bbee4e64f7bf1c998/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/0aa51c80933942719adf4999c37eb4ae/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/1d7ee636f01147a1b850f5263aa4e0b5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/f0e00efe32864c6896bfc27676dc728a/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/a291b969598349e2ba3a3c4131dea7d5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/3ab036d9cda2474c9a9da3dd3d7fa48b/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/1577a5f921e54280a3a9ff1dd9893b22/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/1b04951f14f948a8a66eb60f9e93eadb/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/79f4b0aa91524b4783003c398df711c0/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/3ba6452eb54a46f38ce59b1fa9b8132e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/6e448c0aceda4354b0a076fb9b49f936/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/cf2af236f4f742eb95e55dddbfd055bc/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/9870582b737f4a7a94e3d9bf398441f2/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/881dea624046465582d062434a43f440/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/6cba3f7ad1474795afeb5734db05f7c3/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/01dac08c27fb4c228466318dde2b2bfe/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/5f210aa6394d4a409ba088d6e1269e9e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/bc16492e2d034dd7adc098fb22138b8e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/884b5011cad64b65a8024d4b0fbd6aa5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/4852a3ef6b804ac8a5634d105915bd7c/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/6f14f97c57c346a69f82bb2cf7e965ec/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio8bb2d81d-fd3a-4f8d-96c4-2529e8fd2fa1/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio3b62f11f-a52d-41bf-81e4-d4bbc57b9894/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2025/gio09dbd392-72ff-4700-947a-2844ec0671a0/nld@2026‑06‑10;12401779
/join/id/regdata/gm0394/2026/e58faceabd834959a826e780f262bfb4/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/da8e5c0ba1334ab9aa096b23fd75629d/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/1d0c731c9b2e447d9d31c9366cb148aa/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/3ee19d91f7d947f28e60f5e48ad987fb/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b413c3c9f7fa491bb99978ab66cc3c27/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/79ac4ba03cf84404b789c089a941a6eb/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/03aa201fcda14993bb0603df424e66f5/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/439fde45caa14459a5968056665bd992/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/8c448eb8b9634ecd9ea760ed84ffbd54/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/19ee9714d8824d56820276f9b7f3c7fa/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/59e1b3f250014ff288377311c81d249d/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/6ffb7356665f430bb7fd37ef2de3dc74/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/bc46eb18804c4966a66e12f72b6f155b/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/675cd9c3dfb041409a57eca530ec5c4b/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b3b2ab9ca28946eca454a0e08c11fc5e/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/b26d13b9430c487d83597a3a1a679a49/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/68e90926fdcd4f218a140962665b41e4/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/1231027b193f4706b5a1cdd8006ac9fe/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/636b05a01b72493fa38278cfb8404a72/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/3a98f3612db449e381ff510c2f05d412/nld@2026‑06‑18;11434952
/join/id/regdata/gm0394/2026/7a90f7eb70344a0a803ff70994982882/nld@2026‑06‑18;11434952
BBBBBBB
Na bijlage II worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
|
OMSCHRIJVING |
CATEGORIE |
|
LANDBOUW EN DAARMEE SAMENHANGENDE ACTVITITEITEN |
|
|
Loonbedrijven, plantsoenendiensten, hoveniersbedrijven e.d. |
|
|
- algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m² |
3.1 |
|
- algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o.<= 500 m² |
2 |
|
- plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m² |
3.1 |
|
- plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. <= 500 m² |
2 |
|
|
|
|
VISSERIJ- EN VISTEELTBEDRIJVEN |
|
|
Zeevisserijbedrijven |
3.2 |
|
Binnenvisserijbedrijven |
3.1 |
|
Vis- en schaaldierkwekerijen |
|
|
- oester-, mossel- en schelpenteeltbedrijven |
3.2 |
|
- visteeltbedrijven |
3.1 |
|
|
|
|
AARDOLIE- EN AARDGASWINNING |
|
|
Aardolie- en aardgaswinning: |
|
|
- aardoliewinputten |
4.1 |
|
- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.: < 10.000.000 N m3/d |
5.1 |
|
- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.: >= 10.000.000 N m3/d |
5.2 |
|
|
|
|
WINNING VAN ZAND, GRIND, KLEI, ZOUT, E.D. |
|
|
Steen-, grit- en krijtmalerijen (open lucht): |
|
|
- algemeen |
4.1 |
|
- steenbrekerijen |
5.2 |
|
Zoutwinningbedrijven |
3.2 |
|
Mergel- en overige delfstoffenwinningbedrijven |
5.1 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN |
|
|
Slachterijen en overige vleesverwerking: |
|
|
- slachterijen en pluimveeslachterijen |
3.2 |
|
- vetsmelterijen |
5.2 |
|
- bewerkingsinrichting van darmen en vleesafval |
4.2 |
|
- vleeswaren- en vleesconservenfabrieken: p.o. > 1000 m² |
3.2 |
|
- vleeswaren- en vleesconservenfabrieken: p.o. <= 1000 m² |
3.1 |
|
- vleeswaren- en vleesconservenfabrieken: p.o. <= 200 m² |
3.1 |
|
- loonslachterijen |
3.1 |
|
- vervaardiging van snacks en vervaardiging van kant-en-klaar maaltijden met p.o. < 2.000 m² |
3.1 |
|
Visverwerkingsbedrijven: |
|
|
- drogen |
5.2 |
|
- conserveren |
4.1 |
|
- roken |
4.2 |
|
- verwerken anderszins: p.o.> 1000 m² |
4.2 |
|
- verwerken anderszins: p.o. <= 1000 m² |
3.2 |
|
- verwerken anderszins: p.o. <= 300 m² |
3.1 |
|
Aardappelproducten fabrieken: |
|
|
- vervaardiging van aardappelproducten |
4.2 |
|
- vervaardiging van snacks met p.o. < 2.000 m² |
3.1 |
|
Groente- en fruitconservenfabrieken: |
|
|
- jam |
3.2 |
|
- groente algemeen |
3.2 |
|
- met koolsoorten |
3.2 |
|
- met drogerijen |
4.2 |
|
- met uienconservering (zoutinleggerij) |
4.2 |
|
Vervaardiging van ruwe plantaardige en dierlijke oliën en vetten: |
|
|
- p.c. < 250.000 t/j |
4.1 |
|
- p.c. >= 250.000 t/j |
4.2 |
|
Raffinage van plantaardige en dierlijke oliën en vetten: |
|
|
- p.c. < 250.000 t/j |
4.1 |
|
- p.c. >= 250.000 t/j |
4.2 |
|
Margarinefabrieken: |
|
|
- p.c. < 250.000 t/j |
4.1 |
|
- p.c. >= 250.000 t/j |
4.2 |
|
Zuivelproducten fabrieken: |
|
|
- gedroogde producten, p.c. >= 1,5 t/u |
5.1 |
|
- geconcentreerde producten, verdamp. cap. >=20 t/u |
5.1 |
|
- melkproducten fabrieken v.c. < 55.000 t/j |
3.2 |
|
- melkproducten fabrieken v.c. >= 55.000 t/j |
4.2 |
|
- overige zuivelproducten fabrieken |
4.2 |
|
Consumptie-ijsfabrieken: p.o. > 200 m² |
3.2 |
|
- consumptie-ijsfabrieken: p.o. <= 200 m² |
2 |
|
Meelfabrieken: |
|
|
- p.c. >= 500 t/u |
4.2 |
|
- p.c. < 500 t/u |
4.1 |
|
Grutterswarenfabrieken |
4.1 |
|
Zetmeelfabrieken: |
|
|
- p.c. < 10 t/u |
4.1 |
|
- p.c. >= 10 t/u |
4.2 |
|
Veevoerfabrieken: |
|
|
- destructiebedrijven |
5.2 |
|
- beender-, veren-, vis-, en vleesmeelfabriek |
5.2 |
|
- drogerijen (gras, pulp, groenvoeder, veevoeder) cap. < 10 t/u water |
4.2 |
|
- drogerijen (gras, pulp, groenvoeder, veevoeder) cap. >= 10 t/u water |
5.2 |
|
- mengvoeder, p.c. < 100 t/u |
4.1 |
|
- mengvoeder, p.c. >= 100 t/u |
4.2 |
|
Vervaardiging van voer voor huisdieren |
4.1 |
|
Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen: |
|
|
- v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens |
2 |
|
- v.c. >= 7500 kg meel/week |
3.2 |
|
Banket, biscuit- en koekfabrieken |
3.2 |
|
Suikerfabrieken: |
|
|
- v.c. < 2.500 t/j |
5.1 |
|
- v.c. >= 2.500 t/j |
5.3 |
|
Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk: |
|
|
- Cacao- en chocoladefabrieken: p.o. > 2.000 m² |
5.1 |
|
- cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. < 2.000 m² |
3.2 |
|
- cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. <= 200 m² |
2 |
|
- Suikerwerkfabrieken met suiker branden |
4.2 |
|
- Suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. > 200 m² |
3.2 |
|
- suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. <= 200 m² |
2 |
|
Deegwarenfabrieken |
3.1 |
|
Koffiebranderijen en theepakkerijen: |
|
|
- koffiebranderijen |
5.1 |
|
- theepakkerijen |
3.2 |
|
Vervaardiging van azijn, specerijen en kruiden |
4.1 |
|
Vervaardiging van overige voedingsmiddelen |
4.1 |
|
Bakkerijgrondstoffenfabrieken |
4.1 |
|
Soep- en soeparomafabrieken: |
|
|
- zonder poederdrogen |
3.2 |
|
- met poederdrogen |
4.2 |
|
Bakmeel- en puddingpoederfabrieken |
4.1 |
|
Destilleerderijen en likeurstokerijen |
4.2 |
|
Vervaardiging van ethylalcohol door gisting: |
|
|
- p.c. < 5.000 t/j |
4.1 |
|
- p.c. >= 5.000 t/j |
4.2 |
|
Vervaardiging van wijn, cider e.d. |
2 |
|
Bierbrouwerijen |
4.2 |
|
Mouterijen |
4.2 |
|
Mineraalwater- en frisdrankfabrieken |
3.2 |
|
|
|
|
VERWERKING VAN TABAK |
|
|
Tabakverwerkende industrie |
4.1 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN TEXTIEL |
|
|
Bewerken en spinnen van textielvezels |
3.2 |
|
Weven van textiel: |
|
|
- aantal weefgetouwen < 50 |
3.2 |
|
- aantal weefgetouwen >= 50 |
4.2 |
|
Textielveredelingsbedrijven |
3.1 |
|
Vervaardiging van textielwaren |
3.1 |
|
Tapijt-, kokos- en vloermattenfabrieken |
4.1 |
|
Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen en artikelen |
3.1 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT |
|
|
Vervaardiging kleding van leer |
3.1 |
|
Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer) |
2 |
|
Bereiden en verven van bont; vervaardiging van artikelen van bont |
3.1 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN LEER EN LEDERWAREN (EXCL. KLEDING) |
|
|
Lederfabrieken |
4.2 |
|
Lederwarenfabrieken (excl. kleding en schoeisel) |
3.1 |
|
Schoenenfabrieken |
3.1 |
|
|
|
|
HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D. |
|
|
Houtzagerijen |
3.2 |
|
Houtconserveringsbedrijven: |
|
|
- met creosootolie |
4.1 |
|
- met zoutoplossingen |
3.1 |
|
Fineer- en plaatmaterialenfabrieken |
3.2 |
|
Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout |
3.2 |
|
Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2 |
3.1 |
|
Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken |
2 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN PAPIER, KARTON EN PAPIER- EN KARTONWAREN |
|
|
Vervaardiging van pulp |
4.1 |
|
Papier- en kartonfabrieken: |
|
|
- p.c. < 3 t/u |
3.1 |
|
- p.c. 3 - 15 t/u |
4.1 |
|
- p.c. >= 15 t/u |
4.2 |
|
Papier- en kartonwarenfabrieken |
3.2 |
|
Golfkartonfabrieken: |
|
|
- p.c. < 3 t/u |
3.2 |
|
- p.c. >= 3 t/u |
4.1 |
|
|
|
|
UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUCTIE VAN OPGENOMEN MEDIA |
|
|
Drukkerijen van dagbladen |
3.2 |
|
Drukkerijen (vlak- en rotatie-diepdrukkerijen) |
3.2 |
|
Kleine drukkerijen |
2 |
|
Grafische afwerking |
1 |
|
Binderijen |
2 |
|
Grafische reproductie en zetten |
2 |
|
Overige grafische aktiviteiten |
2 |
|
Reproductiebedrijven opgenomen media |
1 |
|
|
|
|
AARDOLIE-/STEENKOOLVERWERK. IND.; BEWERKING SPLIJT-/KWEEKSTOFFEN |
|
|
Cokesfabrieken |
5.3 |
|
Aardolieraffinaderijen |
6 |
|
Smeeroliën- en vettenfabrieken |
3.2 |
|
Recyclingbedrijven voor afgewerkte olie |
4.2 |
|
Aardolieproductenfabrieken n.e.g. |
4.2 |
|
Splijt- en kweekstoffenbewerkingsbedrijven |
6 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUCTEN |
|
|
Vervaardiging van industriële gassen: |
|
|
- luchtscheidingsinstallatie v.c. >= 10 t/d lucht |
5.2 |
|
- overige gassenfabrieken, niet explosief |
5.1 |
|
- overige gassenfabrieken, explosief |
5.1 |
|
Kleur- en verfstoffenfabrieken |
4.1 |
|
Anorg. chemische grondstoffenfabrieken: |
|
|
- niet vallend onder "post-Seveso-richtlijn" |
4.2 |
|
- vallend onder "post-Seveso-richtlijn" |
5.2 |
|
Organ. chemische grondstoffenfabrieken: |
|
|
- niet vallend onder "post-Seveso-richtlijn" |
4.2 |
|
- vallend onder "post-Seveso-richtlijn" |
5.3 |
|
Methanolfabrieken: |
|
|
- p.c. < 100.000 t/j |
4.1 |
|
- p.c. >= 100.000 t/j |
4.2 |
|
Vetzuren en alkanolenfabrieken (niet synth.): |
|
|
- p.c. < 50.000 t/j |
4.2 |
|
- p.c. >= 50.000 t/j |
5.1 |
|
Kunstmeststoffenfabrieken |
5.1 |
|
Kunstharsenfabrieken e.d. |
5.2 |
|
Landbouwchemicaliënfabrieken: |
|
|
- fabricage |
5.3 |
|
- formulering en afvullen |
5.1 |
|
Verf, lak en vernisfabrieken |
4.2 |
|
Farmaceutische grondstoffenfabrieken: |
|
|
- p.c. < 1.000 t/j |
4.2 |
|
- p.c. >= 1.000 t/j |
5.1 |
|
Farmaceutische productenfabrieken: |
|
|
- formulering en afvullen geneesmiddelen |
3.1 |
|
- verbandmiddelenfabrieken |
2 |
|
Zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken |
4.2 |
|
Parfumerie- en cosmeticafabrieken |
4.2 |
|
Kruit-, vuurwerk-, en springstoffenfabrieken |
5.3 |
|
Lijm- en plakmiddelenfabrieken: |
|
|
- zonder dierlijke grondstoffen |
3.2 |
|
- met dierlijke grondstoffen |
5.1 |
|
Fotochemische productenfabrieken |
3.2 |
|
Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken |
3.1 |
|
Overige chemische productenfabrieken n.e.g. |
4.1 |
|
Kunstmatige synthetische garen- en vezelfabrieken |
4.2 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN PRODUCTEN VAN RUBBER EN KUNSTSTOF |
|
|
Rubberbandenfabrieken |
4.2 |
|
Loopvlakvernieuwingsbedrijven: |
|
|
- vloeropp. < 100 m2 |
3.1 |
|
- vloeropp. >= 100 m2 |
4.1 |
|
Rubber-artikelenfabrieken |
3.2 |
|
Kunststofverwerkende bedrijven: |
|
|
- zonder fenolharsen |
4.1 |
|
- met fenolharsen |
4.2 |
|
- productie van verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststofbouwmaterialen |
3.1 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUCTEN |
|
|
Glasfabrieken: |
|
|
- glas en glasproducten, p.c. < 5.000 t/j |
3.2 |
|
- glas en glasproducten, p.c. >= 5.000 t/j |
4.2 |
|
- glaswol en glasvezels, p.c.< 5.000 t/j |
4.2 |
|
- glaswol en glasvezels, p.c. >= 5.000 t/j |
5.1 |
|
Glasbewerkingsbedrijven |
3.1 |
|
Aardewerkfabrieken: |
|
|
- vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW |
2 |
|
- vermogen elektrische ovens totaal >= 40 kW |
3.2 |
|
Baksteen en baksteenelementenfabrieken |
4.1 |
|
Dakpannenfabrieken |
4.1 |
|
Cementfabrieken: |
|
|
- p.c. < 100.000 t/j |
5.1 |
|
- p.c. >= 100.000 t/j |
5.3 |
|
Kalkfabrieken: |
|
|
- p.c. < 100.000 t/j |
4.1 |
|
- p.c. >= 100.000 t/j |
5.1 |
|
Gipsfabrieken: |
|
|
- p.c. < 100.000 t/j |
4.1 |
|
- p.c. >= 100.000 t/j |
5.1 |
|
Betonwarenfabrieken: |
|
|
- zonder persen, triltafels en bekistingtrille |
4.1 |
|
- met persen, triltafels of bekistingtrillers, p.c. < 100 t/d |
4.2 |
|
- met persen, triltafels of bekistingtrillers, p.c. >= 100 t/d |
5.2 |
|
Kalkzandsteenfabrieken: |
|
|
- p.c. < 100.000 t/j |
3.2 |
|
- p.c. >= 100.000 t/j |
4.2 |
|
Mineraalgebonden bouwplatenfabrieken |
3.2 |
|
Betonmortelcentrales: |
|
|
- p.c. < 100 t/u |
3.2 |
|
- p.c. >= 100 t/u |
4.2 |
|
Vervaardiging van producten van beton, (vezel)cement en gips: |
|
|
- p.c. < 100 t/d |
3.2 |
|
- p.c. >= 100 t/d |
4.2 |
|
Natuursteenbewerkingsbedrijven: |
|
|
- zonder breken, zeven en drogen: p.o. > 2.000 m² |
3.2 |
|
- zonder breken, zeven en drogen: p.o. <= 2.000 m² |
3.1 |
|
- met breken, zeven of drogen, v.c. < 100.000 t/j |
4.2 |
|
- met breken, zeven of drogen, v.c. >= 100.000 t/j |
5.2 |
|
Slijp- en polijstmiddelen fabrieken |
3.1 |
|
Bitumineuze materialenfabrieken: |
|
|
- p.c. < 100 t/u |
4.2 |
|
- p.c. >= 100 t/u |
5.1 |
|
Isolatiematerialenfabrieken (excl. glaswol): |
|
|
- steenwol, p.c. >= 5.000 t/j |
4.2 |
|
- overige isolatiematerialen |
4.1 |
|
Minerale productenfabrieken n.e.g. |
3.2 |
|
Asfaltcentrales: p.c.< 100 ton/uur |
4.1 |
|
- asfaltcentrales, p.c. >= 100 ton/uur |
4.2 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN METALEN |
|
|
Ruwijzer- en staalfabrieken: |
|
|
- p.c. < 1.000 t/j |
5.2 |
|
- p.c. >= 1.000 t/j |
6 |
|
IJzeren- en stalenbuizenfabrieken: |
|
|
- p.o. < 2.000 m2 |
5.1 |
|
- p.o. >= 2.000 m2 |
5.3 |
|
Draadtrekkerijen, koudbandwalserijen en profielzetterijen: |
|
|
- p.o. < 2.000 m2 |
4.2 |
|
- p.o. >= 2.000 m2 |
5.2 |
|
Non-ferro-metaalfabrieken: |
|
|
- p.c. < 1.000 t/j |
4.2 |
|
- p.c. >= 1.000 t/j |
5.2 |
|
Non-ferro-metaalwalserijen, -trekkerijen e.d.: |
|
|
- p.o. < 2.000 m2 |
5.1 |
|
- p.o. >= 2.000 m2 |
5.3 |
|
IJzer- en staalgieterijen/ -smelterijen: |
|
|
- p.c. < 4.000 t/j |
4.2 |
|
- p.c. >= 4.000 t/j |
5.1 |
|
Non-ferro-metaalgieterijen/ -smelterijen: |
|
|
- p.c. < 4.000 t/j |
4.2 |
|
- p.c. >= 4.000 t/j |
5.1 |
|
|
|
|
VERVAARD. EN REPARATIE VAN PRODUCTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.) |
|
|
Constructiewerkplaatsen |
|
|
- gesloten gebouw |
3.2 |
|
- gesloten gebouw, p.o. < 200 m2 |
3.1 |
|
- in open lucht, p.o. < 2.000 m2 |
4.1 |
|
- in open lucht, p.o. >= 2.000 m2 |
4.2 |
|
Tank- en reservoirbouwbedrijven: |
|
|
- p.o. < 2.000 m2 |
4.2 |
|
- p.o. >= 2.000 m2 |
5.1 |
|
Vervaardiging van verwarmingsketels, radiatoren en stoomketels |
4.1 |
|
Stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijven |
4.1 |
|
Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d. |
3.2 |
|
Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., p.o. < 200 m2 |
3.1 |
|
Metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven: |
|
|
- algemeen |
3.2 |
|
- stralen |
4.1 |
|
- metaalharden |
3.2 |
|
- lakspuiten en moffelen |
3.2 |
|
- scoperen (opspuiten van zink) |
3.2 |
|
- thermisch verzinken |
3.2 |
|
- thermisch vertinnen |
3.2 |
|
- mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen, polijsten) |
3.2 |
|
- anodiseren, eloxeren |
3.2 |
|
- chemische oppervlaktebehandeling |
3.2 |
|
- emailleren |
3.2 |
|
- galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen ed) |
3.2 |
|
Overige metaalbewerkende industrie |
3.2 |
|
Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. <200 m2 |
3.1 |
|
Grofsmederijen, anker- en kettingfabrieken: |
|
|
- p.o. < 2.000 m2 |
4.1 |
|
- p.o. >= 2.000 m2 |
5.1 |
|
Overige metaalwarenfabrieken n.e.g. |
3.2 |
|
Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. <200 m2 |
3.1 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN MACHINES EN APPARATEN |
|
|
Machine- en apparatenfabrieken incl. reparatie: |
|
|
- p.o. < 2.000 m2 |
3.2 |
|
- p.o. >= 2.000 m2 |
4.1 |
|
- met proefdraaien verbrandingsmotoren >= 1 MW |
4.2 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS |
|
|
Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie |
2 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDH. |
|
|
Elektromotoren- en generatorenfabrieken incl. reparatie |
4.1 |
|
Schakel- en installatiemateriaalfabrieken |
4.1 |
|
Elektrische draad- en kabelfabrieken |
4.1 |
|
Accumulatoren- en batterijenfabrieken |
3.2 |
|
Lampenfabrieken |
4.2 |
|
Elektrotechnische industrie n.e.g. |
2 |
|
Koolelektrodenfabrieken |
6 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN AUDIO-, VIDEO-, TELECOM-APPARATEN EN -BENODIGDH. |
|
|
Vervaardiging van audio-, video- en telecom-apparatuur e.d. incl. reparatie |
3.1 |
|
Fabrieken voor gedrukte bedrading |
3.1 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN |
|
|
Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie |
2 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN AUTO'S, AANHANGWAGENS EN OPLEGGERS |
|
|
Autofabrieken en assemblagebedrijven |
|
|
- p.o. < 10.000 m2 |
4.1 |
|
- p.o. >= 10.000 m2 |
4.2 |
|
Carrosseriefabrieken |
4.1 |
|
Aanhangwagen- en opleggerfabrieken |
4.1 |
|
Auto-onderdelenfabrieken |
3.2 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN TRANSPORTMIDDELEN (EXCL. AUTO'S, AANHANGWAGENS) |
|
|
Scheepsbouw- en reparatiebedrijven: |
|
|
- houten schepen |
3.1 |
|
- kunststof schepen |
3.2 |
|
- metalen schepen < 25 m |
4.1 |
|
- metalen schepen >= 25m en/of proefdraaien motoren >= 1 MW |
5.1 |
|
Scheepssloperijen |
5.2 |
|
Wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen: |
|
|
- algemeen |
3.2 |
|
- met proefdraaien van verbrandingsmotoren >= 1 MW |
4.2 |
|
Vliegtuigbouw en -reparatiebedrijven: |
|
|
- zonder proefdraaien motoren |
4.1 |
|
- met proefdraaien motoren |
5.3 |
|
Rijwiel- en motorrijwielfabrieken |
3.2 |
|
Transportmiddelenindustrie n.e.g. |
3.2 |
|
|
|
|
VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G. |
|
|
Meubelfabrieken |
3.2 |
|
Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 |
1 |
|
Fabricage van munten, sieraden e.d. |
2 |
|
Muziekinstrumentenfabrieken |
2 |
|
Sportartikelenfabrieken |
3.1 |
|
Speelgoedartikelenfabrieken |
3.1 |
|
Sociale werkvoorziening |
2 |
|
Vervaardiging van overige goederen n.e.g. |
3.1 |
|
|
|
|
VOORBEREIDING TOT RECYCLING |
|
|
Metaal- en autoschredders |
5.1 |
|
Puinbrekerijen en -malerijen: |
|
|
- v.c. < 100.000 t/j |
4.2 |
|
- v.c. >= 100.000 t/j |
5.2 |
|
Rubberregeneratiebedrijven |
4.2 |
|
Afvalscheidingsinstallaties |
4.2 |
|
|
|
|
PRODUCTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER |
|
|
Elektriciteitsproductiebedrijven (electrisch vermogen >= 50 MWe) |
|
|
- kolengestookt (incl. meestook biomassa), thermisch vermogen > 75 MWth |
5.2 |
|
- oliegestookt, thermisch vermogen > 75 MWth |
5.1 |
|
- gasgestookt (incl. bijstook biomassa), thermisch vermogen > 75 MWth,in |
5.1 |
|
- kerncentrales met koeltorens |
6 |
|
- warmte-kracht-installaties (gas), thermisch vermogen > 75 MWth |
5.1 |
|
bio-energieinstallaties electrisch vermogen < 50 MWe: |
|
|
- covergisting, verbranding en vergassing van mest, slib, GFT en reststromen voedingsindustrie |
3.2 |
|
- vergisting, verbranding en vergassing van overige biomassa |
3.2 |
|
Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: |
|
|
- < 10 MVA |
2 |
|
- 10 - 100 MVA |
3.1 |
|
- 100 - 200 MVA |
3.2 |
|
- 200 - 1000 MVA |
4.2 |
|
- >= 1000 MVA |
5.1 |
|
Gasdistributiebedrijven: |
|
|
- gascompressorstations vermogen < 100 MW |
4.2 |
|
- gascompressorstations vermogen >= 100 MW |
5.1 |
|
- gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A |
1 |
|
- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C |
2 |
|
- gasontvang- en -verdeelstations, cat. D |
3.1 |
|
Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt: |
|
|
- stadsverwarming |
3.2 |
|
windmolens: |
|
|
- wiekdiameter 20 m |
3.2 |
|
- wiekdiameter 30 m |
4.1 |
|
- wiekdiameter 50 m |
4.2 |
|
|
|
|
WINNING EN DITRIBUTIE VAN WATER |
|
|
Waterwinning-/ bereiding- bedrijven: |
|
|
- met chloorgas |
5.3 |
|
- bereiding met chloorbleekloog e.d. en/of straling |
3.1 |
|
Waterdistributiebedrijven met pompvermogen: |
|
|
- < 1 MW |
2 |
|
- 1 - 15 MW |
3.2 |
|
- >= 15 MW |
4.2 |
|
|
|
|
BOUWNIJVERHEID |
|
|
Bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m² |
3.2 |
|
- bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m² |
3.1 |
|
Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m² |
3.1 |
|
- aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m² |
2 |
|
|
|
|
GROOTHANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN |
|
|
Groothandel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven |
2 |
|
Groothandel in vrachtauto's (incl. import en reparatie) |
3.2 |
|
Autoplaatwerkerijen |
3.2 |
|
Autobeklederijen |
1 |
|
Autospuitinrichtingen |
3.1 |
|
Autowasserijen |
2 |
|
Groothandel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires |
2 |
|
|
|
|
OVERIG GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING |
|
|
Grth in akkerbouwproducten en veevoeders |
3.1 |
|
Grth in akkerbouwproducten en veevoeders met een verwerkingscapaciteit van 500 ton/uur of meer |
4.2 |
|
Grth in bloemen en planten |
2 |
|
Grth in levende dieren |
3.2 |
|
Grth in huiden, vellen en leder |
3.1 |
|
Grth in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen |
3.1 |
|
Grth in vlees, vleeswaren, zuivelproducten, eieren, spijsoliën |
3.1 |
|
Grth in dranken |
2 |
|
Grth in tabaksproducten |
2 |
|
Grth in suiker, chocolade en suikerwerk |
2 |
|
Grth in koffie, thee, cacao en specerijen |
2 |
|
Grth in overige voedings- en genotmiddelen |
2 |
|
Grth in overige consumentenartikelen |
2 |
|
Grth in vuurwerk en munitie: |
|
|
- consumentenvuurwerk, verpakt, opslag < 10 ton |
2 |
|
- consumentenvuurwerk, verpakt, opslag 10 tot 50 ton |
3.1 |
|
- professioneel vuurwerk, netto expl. massa per bewaarplaats < 750 kg (en > 25 kg theatervuurwerk) |
5.1 |
|
- professioneel vuurwerk, netto expl. massa per bewaarplaats 750 kg tot 6 ton |
5.3 |
|
- munitie |
2 |
|
Grth in vaste brandstoffen: |
|
|
- klein, lokaal verzorgingsgebied |
3.1 |
|
- kolenterminal, opslag opp. >= 2.000 m2 |
5.1 |
|
Grth in vloeibare en gasvormige brandstoffen: |
|
|
- vloeistoffen, o.c. < 100.000 m3 |
4.1 |
|
- vloeistoffen, o.c. >= 100.000 m3 |
5.1 |
|
- tot vloeistof verdichte gassen |
4.2 |
|
Grth minerale olieproducten (excl. brandstoffen) |
3.2 |
|
Grth in metaalertsen: |
|
|
- opslag opp. < 2.000 m2 |
4.2 |
|
- opslag opp. >= 2.000 m2 |
5.2 |
|
Grth in metalen en halffabrikaten |
3.2 |
|
Grth in hout en bouwmaterialen: |
|
|
- algemeen: b.o. > 2000 m² |
3.1 |
|
- algemeen: b.o. <= 2000 m² |
2 |
|
zand en grind: |
|
|
- algemeen: b.o. > 200 m² |
3.2 |
|
- algemeen: b.o. <= 200 m² |
2 |
|
Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur: |
|
|
- algemeen: b.o. > 2.000 m² |
3.1 |
|
- algemeen: b.o. < = 2.000 m² |
2 |
|
Grth in chemische producten |
3.2 |
|
Grth in kunstmeststoffen |
2 |
|
Grth in overige intermediaire goederen |
2 |
|
Autosloperijen: b.o. > 1000 m² |
3.2 |
|
- autosloperijen: b.o. <= 1000 m² |
3.1 |
|
Overige groothandel in afval en schroot: b.o. > 1000 m² |
3.2 |
|
- overige groothandel in afval en schroot: b.o. <= 1000 m² |
3.1 |
|
Grth in machines en apparaten: |
|
|
- machines voor de bouwnijverheid |
3.2 |
|
- overige |
3.1 |
|
Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d. |
2 |
|
|
|
|
VERVOER OVER LAND |
|
|
Bus-, tram- en metroremises |
3.2 |
|
Taxibedrijven (anders dan kantoor) |
2 |
|
Touringcarbedrijven (anders dan kantoor) |
3.2 |
|
Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks): b.o. > 1000 m² |
3.2 |
|
- Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks) b.o. <= 1000 m² |
3.1 |
|
|
|
|
BEDRIJVEN T.B.V. HET VERVOER |
|
|
Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. zeeschepen: |
|
|
- containers |
5.1 |
|
- stukgoederen |
4.2 |
|
- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. >= 2.000 m2 |
5.3 |
|
- granen of meelsoorten, v.c. >= 500 t/u |
5.1 |
|
- steenkool, opslagopp. >= 2.000 m2 |
5.2 |
|
- olie, LPG, e.d. |
5.3 |
|
- tankercleaning |
4.2 |
|
Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart: |
|
|
- containers |
4.2 |
|
- tankercleaning |
4.2 |
|
- stukgoederen |
3.2 |
|
- ertsen, mineralen, e.d., opslagopp. < 2.000 m² |
4.2 |
|
- ertsen, mineralen, e.d., opslagopp. >= 2.000 m² |
5.2 |
|
- granen of meelsoorten , v.c. < 500 t/u |
4.2 |
|
- granen of meelsoorten, v.c. >= 500 t/u |
5.1 |
|
- steenkool, opslagopp. < 2.000 m2 |
4.2 |
|
- steenkool, opslagopp. >= 2.000 m2 |
5.1 |
|
- olie, LPG, e.d. |
5.2 |
|
Distributiecentra, pak- en koelhuizen |
3.1 |
|
Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) |
2 |
|
Stalling van vrachtwagens (met koelinstallaties) |
3.2 |
|
|
|
|
VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN, ANDERS DAN AAN CONSUMENTEN |
|
|
Personenautoverhuurbedrijven |
2 |
|
Verhuurbedrijven voor transportmiddelen (excl. personenauto's) |
3.1 |
|
Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen |
3.1 |
|
Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g. |
2 |
|
|
|
|
MILIEU |
|
|
Rioolwaterzuiveringsinrichtingen en gierverwerkingsinrichtingen., met afdekking voorbezinktanks: |
|
|
- < 100.000 i.e. |
4.1 |
|
- 100.000 - 300.000 i.e. |
4.2 |
|
- >= 300.000 i.e. |
5.1 |
|
Vuilophaal-, straatreinigingsbedrijven e.d. |
3.1 |
|
Gemeentewerven (afval-inzameldepots) |
3.1 |
|
Vuiloverslagstations |
4.2 |
|
Afvalverwerkingsbedrijven: |
|
|
- mestverwerking/korrelfabrieken |
5.1 |
|
- kabelbranderijen |
3.2 |
|
- verwerking radioactief afval |
6 |
|
- pathogeen afvalverbranding (voor ziekenhuizen) |
3.1 |
|
- oplosmiddelterugwinning |
3.2 |
|
- afvalverbrandingsinrichtingen, thermisch vermogen > 75 MW |
4.2 |
|
- verwerking fotochemisch en galvano-afval |
2 |
|
Vuilstortplaatsen |
4.2 |
|
Composteerbedrijven: |
|
|
- niet-belucht v.c. < 5.000 ton/jr |
4.2 |
|
- niet-belucht v.c. 5.000 tot 20.000 ton/jr |
5.2 |
|
- belucht v.c. < 20.000 ton/jr |
3.2 |
|
- belucht v.c. > 20.000 ton/jr |
4.1 |
|
- GFT in gesloten gebouw |
4.1 |
|
|
|
|
OVERIG |
|
|
Wasserijen en strijkinrichtingen |
3.1 |
|
Tapijtreinigingsbedrijven |
3.1 |
|
Chemische wasserijen en ververijen |
2 |
|
Wasverzendinrichtingen |
2 |
|
Reinigingsbedrijven voor gebouwen |
3.1 |
|
Foto- en filmontwikkelcentrales |
2 |
|
Veilingen voor landbouw- en visserijproducten |
4.1 |
|
Veilingen voor huisraad, kunst e.d. |
1 |
|
Studio's (film, TV, radio, geluid) |
2 |
|
Datacentra |
2 |
|
Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk |
2 |
|
Post- en koeriersdiensten |
2 |
|
Telecommunicatiebedrijven |
1 |
|
Cateringbedrijven |
2 |
CCCCCCC
Voor sectie ' Toepassing' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Bijlage I waar dit artikel naar verwijst bevat alle noodzakelijke begripsbepalingen. Hierdoor wordt de interpretatie van de diverse begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. In het tweede en derde lid is aangegeven dat een begripsbepaling uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan voorrang heeft als deze afwijkt van een begripsbepaling uit Bijlage I.
DDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 1.1, eerste lid zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22 . Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s (Bkl, Bbl, Bal en Omgevingsregeling) geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in de genoemde hoofdstukken.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor ge-voelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
concentratiegebied geurhinder en veehouderij
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
distributienet voor warmte
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
geurgevoelig object
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
gezoneerd industrieterrein
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds - als omgevingswaarde - vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
straatpeil
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
warmteplan
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden - als onderdeel van het omgevingsplan - geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
[Vervallen]
EEEEEEE
Na sectie ' Begripsbepalingen' worden negen secties ingevoegd, luidende:
De regels in dit omgevingsplan hebben een bepaald doel. Dat doel moet in overeenstemming zijn met de maatschappelijke doelen genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet.
Voor regels in het omgevingsplan is dit het uiterste doel waarop regels kunnen worden gesteld. Dat betekent dat de regels in dit omgevingsplan niet met het oog op een ander doel dan genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet mogen worden gesteld. Maar de regels mogen wel een meer beperkt oogmerk hebben. Dat is vastgelegd in tweede lid.
Een beperking van het oogmerk kan expliciet zijn aangegeven. Een beperking kan ook impliciet uit de regels volgen, bijvoorbeeld uit de beoordelingsregels die van toepassing zijn op een bepaalde vergunningplicht.
Bij het bouwen van een bouwwerk geldt naast deze verwijzing, ook de verwijzing in afdeling 4.1.2.
Bij het bouwen van een bouwwerk geldt naast deze verwijzing, ook de verwijzing in afdeling 4.1.2.
Dit gaat over het aanwijzen van bebouwd gebied, waarbinnen regels van het rijk over het kappen van bomen niet gelden. Daar gelden dan alleen gemeentelijke regels. Buiten dat gebied gelden naast gemeentelijke regels, dus ook regels van het rijk. Gemeentelijke regels staan in de Verordening fysiek domein.
In het commerciële beleid is opgenomen dat bij een activiteit die als hoofdactiviteit is toegestaan, een ondergeschikte activiteit mag worden verricht. Dit moet ondersteunend zijn aan de hoofdactiviteit. Dus bij een bedrijf mag verkoop (detailhandel) van eigen producten of producten die een relatie hebben met de bedrijfsvoering, bij een slager (detailhandel) mag horeca gericht op het consumeren van eigen producten.
Dit gaat over het aanwijzen van bebouwd gebied, waarbinnen regels van het rijk gelden over verbod voor het dragen van een jachtgeweer.
In dit artikel zijn binnen het aangewezen gebied de activiteiten op hoofdniveau ingesloten. In titel 5.3 worden over die activiteit de voorwaarden benoemd waar aan voldaan moet worden.
Vanwege het ‘aanzetten’ van de activiteiten in titel 5.3, krijgt een locatie behalve de gebiedsaanwijzing voor het gebiedstype, ook de gebiedsaanwijzing van die activiteit op hoofdniveau. Bovendien kan ook nog sprake zijn van een werkingsgebied waarmee specifieke activiteiten geregeld worden.
Bijvoorbeeld een locatie voor een transformatorstation binnen gebiedstype bedrijventerrein: gebiedsaanwijzing ‘gebiedstype bedrijventerrein’, gebiedsaanwijzing ‘bedrijf’ en werkingsgebied ‘bedrijf – nutsvoorziening’. Op een locatie met een zelfstandig restaurant in gebiedstype bedrijventerrein: gebiedsaanwijzing ‘gebiedstype bedrijventerrein’, gebiedsaanwijzing ‘horeca’ en werkingsgebied ‘horeca – categorie 2’.
In dit artikel zijn binnen het aangewezen gebied de activiteiten op hoofdniveau ingesloten. In titel 5.3 worden over die activiteit de voorwaarden benoemd waar aan voldaan moet worden.
Vanwege het ‘aanzetten’ van de activiteiten in titel 5.3, krijgt een locatie behalve de gebiedsaanwijzing voor het gebiedstype, ook de gebiedsaanwijzing van die activiteit op hoofdniveau. Bovendien kan ook nog sprake zijn van een werkingsgebied waarmee specifieke activiteiten geregeld worden.
In dit artikel zijn binnen het aangewezen gebied de activiteiten op hoofdniveau ingesloten. In titel 5.3 worden over die activiteit de voorwaarden benoemd waar aan voldaan moet worden.
Vanwege het ‘aanzetten’ van de activiteiten in titel 5.3, krijgt een locatie behalve de gebiedsaanwijzing voor het gebiedstype, ook de gebiedsaanwijzing van de activiteit op hoofdniveau. Bovendien kan ook nog sprake zijn van een werkingsgebied waarmee specifieke activiteiten geregeld worden. Bijvoorbeeld een locatie voor wonen binnen gebiedstype woongebied: gebiedsaanwijzing ‘gebiedstype woongebied’, en gebiedsaanwijzing ‘wonen’. Op een locatie voor een transformatorstation binnen gebiedstype woongebied: gebiedsaanwijzing ‘gebiedstype woongebied’, gebiedsaanwijzing ‘bedrijf’ en werkingsgebied ‘bedrijf – nutsvoorziening’.
FFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de in Artikel 5.2 benoemde doelen, waaronder de veiligheid, het milieu en gezondheid, te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet degene die de activiteit verricht ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor de benoemde doelen in de fysieke leefomgeving zijn. Deze zorgplicht is een nadere specificering van de algemene zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht van Artikel 5.5 kan daarvoor als een vangnetbepaling gezien worden.
Als activiteiten in Hoofdstuk 5 niet nader zijn geregeld maar wel ongewenste nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben, kan op basis van dit artikel opgetreden worden. De specifieke zorgplicht is gekoppeld aan Artikel 5.2, waarin de doelen zijn opgenomen. De specifieke zorgplicht heeft dus geen betrekking op belangen die geen onderdeel uitmaken van de doelen in Artikel 5.2
Handhavend optreden is mogelijk bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het college zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Stb. 2018, 293, p. 526-527).
Artikel 5.5, tweede lid
Voor zover geen omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, geldt een meldplicht. Voor deze meldplicht is deze nadere concretisering van de specifieke zorgplicht relevant.
Als er wel een vergunningplicht geldt voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, is via het samenstel van indieningsvereisten, beoordelingsregels en vergunningvoorschriften voldoende geborgd dat wordt voorkomen dat onaanvaardbare gezondheidsrisico’s optreden door blootstelling aan een verontreiniging in de bodem.
Artikel 5.5, derdezesde lid
De inhoud van Artikel 5.5, eerste lid, sluit aan bij de formulering van de specifieke zorgplichten in Artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 22.44 zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van dit omgevingsplan. Om samenloop tussen de verschillende zorgplichten te voorkomen is in Artikel 5.5, derdezesde lid, bepaald dat dit artikel alleen geldt als een van twee andere specifieke zorgplichten niet van toepassing is.
GGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als iemand een andere methode of techniek wil toepassen dan in de algemene regels of maatwerkvoorschriften in Hoofdstuk 5 staat, is dit alleen met toestemming vooraf toegestaan (Artikel 5.65.7, eerste lid). Hiertoe dient hij een aanvraag bij het bevoegd gezag in (Artikel 5.65.7, tweede lid). Hij moet dan de gegevens en bescheiden verstrekken die het bevoegd gezag naar aanleiding van het verzoek vraagt (Artikel 5.65.7, derde lid). Het bevoegd gezag neemt naar aanleiding van de aanvraag een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat.
De grondslag voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen staat in artikel 4.7 van de Omgevingswet. Het gaat om een maatregel waarmee ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de algemene regel. Gelijkwaardige maatregelen kunnen zowel fysieke maatregelen zijn, maar ook bepaalde werkwijzen en meetmethoden. Artikel 5.65.7 regelt de gelijkwaardige methoden en technieken.
HHHHHHH
Na sectie ' Gelijkwaardige methoden of technieken' worden 26 secties ingevoegd, luidende:
Een ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding heeft een beschermingsstrook van 10 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Een ondergrondse 50kV-hoogspanningsverbinding heeft een beschermingsstrook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding.
Daar waar samenloop is van hoogspanningsverbindingen, is er één werkingsgebied waarbinnen meerdere verbindingen liggen. De verbinding met de grootste spanning leidend voor het toe te passen werkingsgebied: het werkingsgebied voor een leiding met een spanning van maximaal 150 kV, kan ook een leiding van 50 kV omvatten, waarbij de verst te meten afstand de begrenzing van het beschermingsgebied bepaald.
Regels in afdeling 5.2.1 voor beschermingsgebieden gaan voor op andere regels in het omgevingsplan. Regels voor het beschermingsgebied voor waterkering gaan daarbij nog voor op de regels van de andere beschermingsgebieden in deze afdeling. De overige zijn gelijkwaardig aan elkaar.
Uitzondering hierop, is dat de regels in deze afdeling geen voorrang hebben op regels over externe veiligheid in Afdeling 5.2.7.
In het eerste lid is geregeld dat datgene dat met toepassing van afdeling 5.2.2 kan worden gebouwd, alleen gebouwd kan worden als daarvoor (ook) een vergunning is verleend uit het oogpunt van bescherming van de hoogspanningsverbinding. De vergunningplicht geldt niet voor de hoogspanningsverbinding zelf en bijbehorende voorzieningen. Wel moeten die voldoen aan afdeling 5.2.2.
Regels in afdeling 5.2.1 voor beschermingsgebieden gaan voor op andere regels in het omgevingsplan. Regels voor het beschermingsgebied voor waterkering gaan daarbij nog voor op de regels van de andere beschermingsgebieden in deze afdeling. De overige zijn gelijkwaardig aan elkaar.
Uitzondering hierop, is dat de regels in deze afdeling geen voorrang hebben op regels over externe veiligheid in afdeling 5.2.7.
Regels in afdeling 5.2.1 voor beschermingsgebieden gaan voor op andere regels in het omgevingsplan. Regels voor het beschermingsgebied voor waterkering gaan daarbij nog voor op de regels van de andere beschermingsgebieden in deze afdeling. De overige zijn gelijkwaardig aan elkaar.
Uitzondering hierop, is dat de regels in deze afdeling geen voorrang hebben op regels over externe veiligheid in afdeling 5.2.7.
In het eerste lid is geregeld dat datgene dat met toepassing van Afdeling 5.2.2 kan worden gebouwd, alleen gebouwd kan worden als daarvoor (ook) een vergunning is verleend uit het oogpunt van bescherming van de hoogspanningsverbinding. De vergunningplicht geldt niet voor de hoogspanningsverbinding zelf en bijbehorende voorzieningen. Wel moeten die voldoen aan Afdeling 5.2.2.
Regels in Afdeling 5.2.1 voor beschermingsgebieden gaan voor op andere regels in het omgevingsplan. Regels voor het beschermingsgebied voor waterkering gaan daarbij nog voor op de regels van de andere beschermingsgebieden in deze afdeling. De overige zijn gelijkwaardig aan elkaar.
Uitzondering hierop, is dat de regels in deze afdeling geen voorrang hebben op regels over externe veiligheid in Afdeling 5.2.7.
Dit artikel geeft het toepassingsbereik van afdeling 5.2.2 aan. Bij bouwwerken wordt een onderscheid gemaakt tussen een gebouw, een bijbehorend bouwwerk en een overig bouwwerk. Voor de definities van deze begrippen wordt verwezen naar bijlage I Begripsbepalingen van het omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.5 van de bruidsschat.
Bij ruimtelijke kenmerken van een bouwwerk gaat het om het ruimtebeslag van een bouwwerk. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de plaatsing, de maximale goothoogte, de maximale bouwhoogte en de maximale oppervlakte van een bouwwerk.
In dit artikel is bepaald dat de omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken bij het bouwen van een gebouw wordt verleend als voldaan is aan de artikelen 5.94, 5.95 en 5.96. Het gaat hier om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning in het omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 20.3.2 van het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden-Oost’.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 10.3, aanhef, sub b, van het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Lijnden-Oost’.
Voor de duidelijkheid wordt het volgende opgemerkt over het afwijken van een percentage (lid 1, sub c, onder 10). Stel dat het bebouwingspercentage 60% is, dan mag op grond van dit artikel worden afgeweken met maximaal 6% (dat is 10% van 60%).
Bij lid 8 hoort de volgende toelichting. Bij een aantal bestemmingen (Centrum, Cultuur & Ontspanning, Gemengd-1, Gemengd-2 en Wonen) was in het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost de volgende bepaling opgenomen voor het bouwen van gebouwen: ‘bijbehorende bouwwerken en overkappingen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan, met dien verstande dat bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak op ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd.’
Bij hoekwoningen was op dit punt een bewuste gemaakt in het bestemmingsplan. Bij hoekwoningen grenst het gebouwerf soms aan het openbaar toegankelijk gebied. In dat geval wordt het achtererfgebied kleiner. In sommige gevallen was het voorerfgebied bij een woning bestemd als ‘Tuin’. In de regels bij de bestemming ‘Tuin’ kwam de bovengenoemde bepaling niet voor. In andere gevallen was het voorerfgebied bestemd als ‘Wonen’. Daar gold de bovengenoemde bepaling wel.
Dit artikel gaat over het bouwen van een vooraanbouw en een verbindend bouwwerk bij een woning. Het gaat om een voortzetting van de regels uit paragraaf 5.2.2.25 van dit omgevingsplan.
Een bedrijfswoning is een woning die functioneel verbonden is met een bedrijf. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een bedrijfswoning geen ‘hoofdgebouw’ is, maar een ‘bijbehorend bouwwerk’. Het hoofdgebouw is het bedrijfsgebouw. Daarom is het bouwen van een bedrijfswoning geregeld in de paragraaf over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Een bedrijfswoning wordt alleen in het werkingsgebied ‘bedrijfswoning’ gebouwd. Naast het werkingsgebied ‘bedrijfswoning’ (of ‘bedrijfswoningen-aantal’) ligt op de locatie ook het werkingsgebied ‘wonen’. Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder veroorzaken voor de omgeving (bijvoorbeeld geluidhinder of geurhinder). Voor een bedrijfswoning geldt een lager beschermingsniveau dan voor een ‘gewone’ woning.
In dit artikel zijn de regels over het bouwen van een bouwwerk bij een bedrijfswoning geharmoniseerd.
Dit artikel is een voortzetting van een specifieke bepaling uit het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Groenezoom 1’.
Dit artikel gaat over het bouwen van een dakkapel bij een woning. Het gaat om een voortzetting van de regels uit paragraaf 5.2.2.25 van dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 10.3, aanhef, sub b, van het bestemmingsplan 'Badhoevedorp Lijnden-Oost'.
Een overig bouwwerk is een bouwwerk dat geen gebouw of bijbehorend bouwwerk is. Een gebouw is een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Een bouwwerk dat niet (goed) voor mensen toegankelijk is, wordt niet aangemerkt als gebouw, maar als overig bouwwerk.
Als een erf- of perceelafscheidingen niet hoger is dan 1 meter, dan is op grond van artikel 2.29, aanhef en onder j, van het Besluit bouwwerken leefomgeving geen omgevingsvergunning vereist voor de omgevingsplanactiviteit.
Lid 2 sub d is een voortzetting van de regels uit paragraaf 5.2.2.25 van dit omgevingsplan.
Voor de definities van de begrippen ‘steiger’ en ‘vlonder’ wordt verwezen naar de Begripsbepalingen in de bijlage van het omgevingsplan. Sommige bestemmingsplannen bevatten regels voor het bouwen van een vlonder. Dat is de reden dat in het omgevingsplan ook regels zijn opgenomen voor het bouwen van een vlonder.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.2.3 van het bestemmingsplan ‘Badhoevedorp Groenezoom 1’.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 10.3, aanhef, sub b, van het bestemmingsplan 'Badhoevedorp Lijnden-Oost'.
IIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels voor bouwen op verontreinigde bodem zijn en blijven grotendeels gedecentraliseerd. De gemeente is bevoegd tot het stellen van regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het Rijk stelt in paragraaf 5.1.4.5.1 (Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie) van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels voor de gemeente om te waarborgen dat de gemeente in het omgevingsplan regels stelt ter voorkoming van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s door bodemverontreiniging bij het gebruik van een bodemgevoelig gebouw. Met Paragraaf 5.2.2.145.2.2.15 wordt met beoordelingsregels voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, regels over voorschriften die aan de omgevingsvergunning verbonden moeten worden en specifieke aanvraagvereisten invulling gegeven aan deze instructieregels.
In de begripsomschrijvingen van het Besluit activiteiten leefomgeving is een omschrijving opgenomen voor ‘bodemgevoelig gebouw’. Deze begripsomschrijving geldt ook voor dit omgevingsplan (Artikel 1.1). Onder ‘bodemgevoelig gebouw’ wordt een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving verstaan. Daarin is bepaald dat een bodemgevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw is dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. De omschrijving sluit aan bij de term ‘verblijfsfunctie’ die werd gebruikt in de voormalige regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet. Met verblijfsfunctie werd een plek aangeduid waar mensen gemiddeld ten minste twee uur per etmaal aaneengesloten verblijven.
De term ‘gebouw’ is in het Besluit bouwwerken leefomgeving omschreven en deze omschrijving geldt ook voor dit omgevingsplan (Artikel 1.1). Dit is een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Hieronder vallen ook een woonschip en een woonwagen. De term ‘bouwwerk’ is in de Omgevingswet omschreven. Dit is een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
In een bodemgevoelig gebouw kunnen zich alle in het Besluit bouwwerken leefomgeving gehanteerde gebruiksfuncties bevinden als daar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Voorbeelden van gebouwen die buiten de reikwijdte van het begrip ‘bodemgevoelig gebouw’ vallen, zijn een transformatorhuisje, een gemaal, een schuur bij een woning of een loods waar alleen kort wordt geladen of gelost en waar de rest van de tijd geen personen of werknemers verblijven.
Bij het bepalen of het gaat om een bodemgevoelig gebouw is ook van belang dat sprake is van het bouwen (toelaten) van een gebouw of een deel van een gebouw ‘dat de grond raakt’. De ratio hiervan is dat daar blootstelling kan plaatsvinden en risico’s voor de gezondheid kunnen optreden. Het gaat bijvoorbeeld niet om het aanbouwen van een uitbouw op de eerste verdieping of een dakkapel, omdat bij die bouwactiviteiten de gezondheidsrisico’s door de bodemkwaliteit niet toenemen. Blootstelling kan bij een woonschip of woonwagen plaatsvinden, voornamelijk door het direct aangrenzende terrein of de tuin, net als bij andere woningen met een tuin. Hoewel een woonschip strikt genomen niet de grond raakt, kunnen er wel vergelijkbare gezondheidsrisico’s optreden als bij grondgebonden woningen met een tuin. Daarom vallen deze ook onder de reikwijdte van het begrip ‘bodemgevoelig gebouw’ (zie artikel 5.89g, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Bijbehorende bouwwerken tot 50 m2 vallen niet onder de begripsomschrijving bodemgevoelig gebouw (zie artikel 5.89g, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving) en zijn daarmee uitgezonderd van de plicht om een bodemonderzoek uit te voeren. De geringe omvang van die bouwactiviteit staat niet in verhouding tot de lasten van bodemonderzoek en sanering. Het verplichten van het uitvoeren van een bodemonderzoek en sanering wordt niet redelijk bevonden tegenover de initiatiefnemer, aangezien de gezondheidsrisico’s door een beperkte toevoeging aan een bestaand hoofdgebouw klein zijn. Deze ondergrens van 50 m2 geldt nooit voor het bouwen van een hoofdgebouw, maar alleen voor het bouwen van aanbouwen of andere bijbehorende bouwwerken als onderdeel van of bij al bestaande hoofdgebouwen.
Het moment waarop een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd, is het passende moment om bodemonderzoek te doen en maatregelen te nemen. Dit geldt ook voor de tuin waar mogelijk in de toekomst wordt uitgebouwd. Als wordt gegraven in de bodem voor het bouwen, zijn ook de paragrafen 4.119 en 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Paragraaf 5.2.11.4,Paragraaf 5.2.11.5,Paragraaf 5.2.11.6 en Paragraaf 5.2.11.7 relevant. Hierbij is bodemonderzoek over het algemeen aan de orde.
Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat ook een begripsomschrijving voor een ‘bodemgevoelige locatie’. Het verwijst naar artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarin is bepaald wat in ieder geval onder een bodemgevoelige locatie moet worden verstaan. Dat is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (artikel 5.89h, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Bovendien valt een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein onder de begripsomschrijving van een ‘bodemgevoelige locatie’ (artikel 5.89h, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving). De term ‘toelaten’ geeft aan dat hier ook een gebouw of deel van een gebouw wordt verstaan dat nog niet aanwezig is. Voor het gemak wordt hierna uitgegaan van het voorbeeld van een woning. Dit betekent dat al wordt aangesloten bij het moment dat een woning is geprojecteerd, dat wil zeggen dat de functie wonen is toegedeeld aan de locatie. Dat kan een andere functie zijn dan de huidige functie, bijvoorbeeld door een functiewijziging wel of niet na sloop van bestaande bebouwing. Ook als een woning nog niet feitelijk aanwezig is, kan er dus sprake zijn van een bodemgevoelig gebouw in de zin van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zie verder paragraaf 7.5 van het algemeen deel van de toelichting van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (Staatsblad 2021, 98).
Een bodemgevoelige locatie is ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89h, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Omdat het aaneengesloten terrein van één eigenaar kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen, is ervoor gekozen om niet uit te gaan van het kadastrale perceel. Dit sluit aan bij de voormalige regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet. De strekking daarvan is in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving duidelijker gecodificeerd. De tuin is immers bij uitstek gevoelig voor contact door mensen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld door het naar binnen lopen (huisstof), spelende kinderen, tuinieren en verbouwen van voedselgewassen, enzovoorts).
In Artikel 5.75.133, tweede lid, staat een omschrijving van een ‘sanerende maatregel’. Een sanerende maatregel is een maatregel die getroffen wordt om schadelijke gezondheidseffecten van bodemverontreiniging weg te nemen. Bij het uitvoeren van sanerende maatregelen zijn er twee mogelijkheden:
a. het uitvoeren van de sanering vindt plaats volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; dit zijn de regels over het saneren van de bodem; of
b. de sanering vindt plaats onder het overgangsrecht.
Het overgangsrecht staat beschreven in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem. Volgens dat artikel blijven de Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen van toepassing als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. een besluit is genomen dat spoedige sanering nodig is;
b. een (deel)saneringsplan Wet bodembescherming is ingediend; of
c. een melding is gedaan volgens het Besluit uniforme saneringen.
Met een sanering onder het overgangsrecht kan een vergelijkbaar resultaat worden behaald als met een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zowel een sanering onder het Besluit activiteiten leefomgeving als onder het overgangsrecht moet erop zijn gericht dat de gebruikers van het gebouw geen ontoelaatbare schadelijke gezondheidseffecten ondervinden door een verontreiniging in de bodem.
JJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.85.134, eerste lid, en Artikel 5.85.134, tweede lid
Artikel 5.85.134 regelt een meldingsplicht voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, waarbij de initiatiefnemer onder meer een bodemonderzoek moet overleggen. De vergunningplicht voor de bouwactiviteit in dit omgevingsplan kan door de gemeente aangepast worden. Dat betekent dat een bouwactiviteit op grond van dit omgevingsplan niet altijd vergunningplichtig zal zijn. Om die reden is in artikel 5.89l van het Besluit kwaliteit leefomgeving de instructieregel opgenomen dat het omgevingsplan een meldplicht moet bevatten voor vergunningvrije bouwactiviteiten, zodat de initiatiefnemer zich in alle gevallen bij het bevoegd gezag moet melden met het voornemen om te bouwen en een bodemonderzoek. Dit geldt uiteraard alleen als het gaat om het bouwen van een bodemgevoelig gebouw.
De gemeente Haarlemmermeer heeft bij de eerste wijziging van het omgevingsplan extra vergunningvrije gevallen aangewezen (ten opzichte van de regels zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel waren geworden van dit omgevingsplan). Hieronder kunnen bodemgevoelige gebouwen vallen. Daarom is in dit artikel gevolg gegeven aan de instructieregel in artikel 5.89l van het Besluit kwaliteit leefomgeving door een meldplicht voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op te nemen.
De meldingstermijn is vier weken en loopt parallel met de termijn voor de milieubelastende activiteit saneren van de bodem in het Besluit activiteiten leefomgeving (paragraaf 4.121). Dat stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om het bouwplan te beoordelen in het licht van de bodemkwaliteit zoals die blijkt uit het bodemonderzoek dat de initiatiefnemer heeft overgelegd, in samenhang met de melding van saneren van de bodem op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (als een dergelijke sanering aan de orde is).
Ook de inhoud van de melding is ontleend aan de standaard elementen van een melding zoals hoofdstuk 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving regelt, zodat de meldingen zoveel mogelijk zijn geüniformeerd. Als een bodemsanering aan de orde is, bevat de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving de daarvoor relevante informatie.
In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal (juridisch is dan geen sprake van bodem), wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897.
Voordat de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt uitgevoerd, moet eerst worden onderzocht of de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd, verdacht is op het voorkomen van een specifieke bodemverontreiniging. Hiertoe wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Het uitgangspunt van het Besluit activiteiten leefomgeving is dat als uit het uitgevoerde vooronderzoek bodem blijkt dat sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, een verkennend bodemonderzoek (en eventueel een asbestonderzoek) moet worden uitgevoerd. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet te relateren zijn aan een puntbron.
In de BKK-zones 1, 2, 1A en 1B van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer volstaat het om - overeenkomstig de systematiek van het Besluit activiteiten leefomgeving - alleen bij een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Dit is een versoepeling ten opzichte van de voormalige Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023. In zone 3, in niet-gezoneerde gebieden en in gebieden met te weinig gegevens is een verkennend onderzoek standaard verplicht gesteld, ook als er geen verdenking is op de aanwezigheid van een puntbron. In deze zones kan onder meer een diffuse verontreiniging met lood voorkomen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem.
De verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, bedoeld in Artikel 5.85.134, vierde lid, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt, geldt niet bij tijdelijke bouwwerken, waarbij er geen of nauwelijks verdenkingen zijn van een specifieke bodemverontreiniging (puntbron) op basis van het vooronderzoek.
Onder een ‘tijdelijk bouwwerk’ wordt volgens bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van maximaal 15 jaar op dezelfde locatie verstaan. Deze begripsomschrijving geldt ook voor dit omgevingsplan (Artikel 1.1).
Om het mogelijk te maken dat de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport na beoordeling, geautomatiseerd en efficiënt kunnen worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van het bevoegd gezag, regelt Artikel 5.85.134, zesde lid, dat de resultaten van een bodemonderzoek (gegevens over de bodem en het grondwater) ook moeten worden verstrekt in het XML-formaat (naast indiening van het gehele onderzoeksrapport in PDF-formaat) als de gegevens zich daarvoor lenen. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven.
Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet 2025 Gemeente Haarlemmermeer.
Een melding is niet nodig als een omgevingsvergunning verplicht is. Het gaat dan om het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waar ook een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken nodig is (zie Artikel 5.105.136).
KKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.95.135, eerste lid, is aangesloten op artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij iedere melding die wordt gedaan worden een aantal algemene gegevens verstrekt. Er is aansluiting gezocht bij de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij een aanvraag voor een beschikking worden gevraagd. In plaats van de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd, gaat het bij het melden van een activiteit om een aanduiding van welke activiteit er zal worden verricht. In Artikel 5.95.135, eerste lid, onder a, wordt dus gevraagd om de activiteit die moet worden gemeld. Ook de plek waar de activiteit wordt uitgevoerd moet worden verstrekt (Artikel 5.95.135, eerste lid, onder b). Daarnaast is ter identificatie van belang de naam en het adres van degene die de activiteit verricht. Een melding is pas compleet als alle gegevens die worden gevraagd zijn verstrekt.
In Artikel 5.95.135, tweede lid, is aangesloten op de inhoud van artikel 2.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Een locatiewijziging of naam- of adreswijziging worden doorgegeven aan het bevoegd gezag 4 weken vóórdat met de activiteit wordt gestart.
LLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.105.136 wordt onder een omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel van de bouwactiviteit vooralsnog verstaan de omgevingsvergunning die wordt verleend op grond van de bestemmingsplannen, beheersverordeningen en de Nota uiterlijk van bouwwerken Haarlemmermeer 2020 die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Op dit moment bevat Hoofdstuk 5 namelijk nog geen regels voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit. Die staan nu alleen nog in de diverse bestemmingsplannen, beheersverordeningen en de genoemde welstandnota.
De Omgevingswet maakt bij het bouwen van een bouwwerk onderscheid tussen een technisch en een ruimtelijk deel. Dat levert 2 activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Deze scheiding wordt 'de knip' genoemd. De technische bouwactiviteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit, de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, gaat over de toets van de aanvraag aan de regels voor de fysieke leefomgeving: de ruimtelijke en de uiterlijke kenmerken. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Er zijn ook regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de toegekende functies aan locaties.
MMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.115.137 zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen die gelden als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 5.115.137 komt in de plaats van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, en Artikel 22.30, zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel waren geworden van dit omgevingsplan.
In Artikel 5.115.137, eerste lid, is het beoordelingskader opgenomen waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt getoetst.
Volgens Artikel 5.115.137, eerste lid, onder a, kan een omgevingsvergunning worden verleend als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden (en ook wordt voldaan aan Artikel 5.115.137, eerste lid, onder b). De waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is in Artikel 5.115.137, tweede lid, Artikel 5.115.137, derde lid, en Artikel 5.115.137, vierde lid, opgenomen.
In Artikel 5.115.137, eerste lid, onder a, is geregeld dat bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem een omgevingsvergunning ook kan worden verleend als aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen (en ook wordt voldaan aan Artikel 5.115.137, eerste lid, onder b). De sanerende maatregel wordt genomen voorafgaand aan of tijdens de bouw en in ieder geval voor het in gebruik nemen van het bodemgevoelige gebouw. Het gaat om een sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of Paragraaf 5.2.11.2, of een sanering onder het overgangsrecht.
In de voormalige Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 was opgenomen dat aan de omgevingsvergunning voor bouwen (van een bodemgevoelig gebouw) voorschriften konden worden verbonden om de bodem alsnog geschikt te maken. Om een grondslag voor een dergelijk voorschrift in het omgevingsplan te creëren is onderdeel b toegevoegd aan Artikel 5.115.137, eerste lid.
Volgens Artikel 5.115.137, eerste lid, onder b, sub 1°, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is (anders dan bedoeld in Artikel 5.115.137, eerste lid, onder a, sub 2°) die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw (en ook wordt voldaan aan Artikel 5.115.137, eerste lid, onder a). Als er wel verontreiniging in de bodem aanwezig is (anders dan bedoeld in Artikel 5.115.137, eerste lid, onder a, sub 2°) die schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel kan de omgevingsvergunning ook worden verleend onder het voorschrijven van die maatregelen of voorzieningen (zolang ook wordt voldaan aan Artikel 5.115.137, eerste lid, onder a). De maatregelen en voorzieningen staan in Artikel 5.125.138 genoemd. Artikel 5.125.138 werkt als een vangnet voor niet-genormeerde stoffen, voor stoffen die in bepaalde situaties gezondheidsrisico’s geven onder de waarde toelaatbare kwaliteit bodem of een verontreiniging van het grondwater die gezondheidsrisico’s tot gevolg heeft. Genormeerde stoffen zijn in de meeste gevallen voldoende geregeld met Artikel 5.115.137, eerste lid, onder a.
In Artikel 5.115.137, tweede lid, onder a, staat net als onder de voormalige Wet bodembescherming, dat sprake is van een overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voor de waarde toelaatbare kwaliteit bodem wordt voor de meeste gevallen de interventiewaarden bodemkwaliteit aangehouden. Deze interventiewaarden staan in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het voor de beoordeling van de aanvraag niet nodig om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van heel kleine verontreinigingen. Er zijn alleen maatregelen nodig als het gaat om een verontreiniging in meer dan 25 m3 bodemvolume boven de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem.
Voor PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) zijn geen interventiewaarden bodemkwaliteit vastgesteld en zijn dus ook geen interventiewaarden voor PFAS opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor de bescherming van de gezondheid van de gebruikers van het gebouw is het nodig om voor PFAS waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast te stellen. Dit is in Artikel 5.115.137, tweede lid, onder b, geregeld. Ook bij een verontreiniging met PFAS geldt de ondergrens van 25 m3 bodemvolume.
Voor PFAS in de vaste bodem is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afkomstig van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten.
De ondergrens van 25 m3 bodemvolume, zoals die in Artikel 5.115.137, tweede lid, wordt aangehouden, geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Bij het aantreffen van asbest in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, ongeacht het volume, moeten sanerende maatregelen worden genomen. De uitzondering op het volumecriterium van 25 m3 voor asbest is een voortzetting van het beleid uit de Circulaire bodemsanering onder de voormalige Wet bodembescherming.
In Artikel 5.115.137, vierde lid, worden waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood vastgesteld om inwoners in de gemeente aanvullend te beschermen tegen schadelijke gevolgen van bodemlood. Het RIVM en de GGD hebben in 2016 (https://www.rivm.nl/publicaties/diffuse-loodverontreiniging-in-bodem-advies-voor-gemeenschappelijk-beleidskader) bepaald dat de interventiewaarde voor lood onvoldoende bescherming biedt voor met name de ontwikkeling van de hersenen van jonge kinderen. Daarom volgt de gemeente het advies van het RIVM en de GGD op: op locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem (zoals een tuin of buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school), wordt een afwijkende waarde voor lood gehanteerd op basis van de risicowaardes van het RIVM en de GGD. In afwijking van het uitgangspunt in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt hierbij uitgegaan van de gemeten waarde, zonder dat een bodemtypecorrectie wordt toegepast. Voor het toetsen of sprake is van gezondheidsrisico’s kan het beste van de gemeten waarde wordt uitgegaan. Dit is in lijn met het advies van de GGD over lood.
Bij een bodemgevoelige gebruiksfunctie waar geen contact met de bodem door jonge kinderen voor de hand ligt, zoals winkels of kantoren met eventuele buitenruimte of tuin, wordt de interventiewaarde aangehouden (met bodemtypecorrectie) conform bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
In de onderstaande tabel zijn voor een beter begrip voor verschillende bodemgevoelige gebouwen de waarden toelaatbare kwaliteit bodem voor de stoffen lood en PFAS weergegeven.
Tabel: Waarden toelaatbare kwaliteit bodem voor lood en PFAS voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties
|
Bodemgevoelige gebruiksfunctie
|
Waarden lood (in mg/kg ds) |
Waarden PFOA en som-waarden PFAS-mengsels (in µg/kg ds) |
Waarden PFOS en overige PFAS
(in µg/kg ds)
|
|
Ter plaatse van de tuin of andere buitenruimte: |
370 |
60 |
59 |
|
Ter plaatse van het gebouw: |
(geen wijziging: Interventiewaarde conform bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving)
|
60 |
59 |
NNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.125.138, eerste lid, bepaalt dat aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw die wordt verleend terwijl de bodem verontreinigd is boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem, in ieder geval het voorschrift wordt verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, een sanering van de bodem is uitgevoerd (Artikel 5.125.138, eerste lid, onder a) en het bevoegd gezag hierover een week voor ingebruikname wordt geïnformeerd (Artikel 5.125.138, eerste lid, onder b).
Artikel 5.125.138, eerste lid, onder a, is opgenomen om te waarborgen dat bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem de sanering ook daadwerkelijk plaatsvindt. Hierdoor zijn er handhavingsmogelijkheden als tijdens de bouw bijvoorbeeld geen dampdichte vloer of geen mechanische ventilatie wordt gerealiseerd (bouwkundige maatregelen die onderdeel kunnen uitmaken van een sanering). Hiermee is het ook mogelijk om tijdens de bouw te handhaven, in plaats van alleen nadat er gebouwd is. Dit onderdeel geeft invulling aan artikel 5.89k van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 5.125.138, eerste lid, onder b, verplicht de initiatiefnemer om minimaal een week voor ingebruikname van (een deel van) het bodemgevoelige gebouw de gemeente te informeren op welke manier de sanering is uitgevoerd. De termijn van een week geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om voldoende en tijdig toezicht te houden en om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat de bodem of het gebouw geschikt is gemaakt voor het bodemgevoelige gebruik. Dit lid geeft invulling aan artikel 5.89m van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering (artikel 4.1246).
Als sprake is van een bodemverontreiniging met niet-genormeerde stoffen of ander stoffen die ongewenste gezondheidseffecten kunnen hebben, kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden waarin een of meer maatregelen en voorzieningen verplicht worden gesteld voor het alsnog geschikt maken van de bodem of het gebouw. Deze maatregelen of voorzieningen voorkomen dat gebruikers van het gebouw aan een ongezonde situatie worden blootgesteld en zijn vergelijkbaar met de genoemde saneringsmaatregelen in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In Artikel 5.125.138, derde lid, is de verplichting voor de initiatiefnemer opgenomen om minimaal een week voor ingebruikname van (een deel van) het bodemgevoelige gebouw het bevoegd gezag te informeren op welke manier de maatregelen of voorzieningen (als bedoeld in Artikel 5.125.138, tweede lid) zijn genomen of aangebracht. Deze bepaling komt in de plaats van Artikel 22.31 zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
OOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.135.139 is een aanvulling op afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling, waarin een aantal algemene aanvraagvereisten zijn opgenomen.
In Artikel 5.135.139 staan de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 5.135.139, eerste lid, komt in de plaats van Artikel 22.35, onder j, van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
Aanvullend daarop zijn Artikel 5.135.139, tweede lid,Artikel 5.135.139, derde lid, Artikel 5.135.139, vierde lid, en Artikel 5.135.139, vijfde lid toegevoegd voor een beleidsneutrale voortzetting van de regels over bouwen op verontreinigde bodem in artikel 8 van de Woningwet en onder de voormalige Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023.
Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht Artikel 5.135.139, eerste lid, onder a, om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen. Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden, of om eventueel vast te stellen of er andere verontreinigingen aanwezig zijn, die niet in het standaard stoffenpakket zijn opgenomen, maar waarvoor wel een interventiewaarde bodem is vastgesteld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Er kan ook sprake zijn van niet-genormeerde stoffen, waarvoor wel een detectiegrens is bepaald, maar geen interventiewaarde. In dat geval kunnen sanerende maatregelen of de maatregelen of voorzieningen bedoeld in Artikel 5.115.137, eerste lid, onder b, sub 2°, een voorwaarde zijn voor het bouwen.
Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten daarnaast gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een sanering zal plaatsvinden (Artikel 5.135.139, eerste lid, onder b). Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd.
Als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering is een onderbouwing noodzakelijk dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie (Artikel 5.13, eerste lid 5.139, eerste lid, onder c), eventueel na het nemen van maatregelen zoals bedoeld in Artikel 5.12, tweede lidArtikel 5.138, tweede lid. Een voorbeeld van een risico voor de gezondheid is dat de TCL (Toelaatbare Concentratie in Lucht) in potentieel wordt overschreden in het bodemgevoelige gebouw. Voor de toetsing kan gebruik worden gemaakt van een programma zoals Volasoil, een onderdeel van de Risicotoolbox bodem van het RIVM.
In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal (juridisch is dan geen sprake van bodem), wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897.
Voordat de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt uitgevoerd, moet eerst worden onderzocht of de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd, verdacht is op het voorkomen van een specifieke bodemverontreiniging. Hiertoe wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Het uitgangspunt van het Besluit activiteiten leefomgeving is dat als uit het uitgevoerde vooronderzoek bodem blijkt dat sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, een verkennend bodemonderzoek (en eventueel een asbestonderzoek) moet worden uitgevoerd. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet te relateren zijn aan een puntbron.
In de BKK-zones 1, 2, 1A en 1B van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer volstaat het om - overeenkomstig de systematiek van het Besluit activiteiten leefomgeving - alleen bij een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Dit is een versoepeling ten opzichte van de voormalige Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023. In zone 3, in niet-gezoneerde gebieden en in gebieden met te weinig gegevens is een verkennend onderzoek standaard verplicht gesteld, ook als er geen verdenking is op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. In deze zones kan onder meer een diffuse verontreiniging met lood voorkomen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem.
De verplichting om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, bedoeld in Artikel 5.135.139, derde lid, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt, geldt niet bij tijdelijke bouwwerken, waarbij er geen of nauwelijks verdenkingen zijn van een specifieke bodemverontreiniging (puntbron) op basis van het vooronderzoek.
Onder een ‘tijdelijk bouwwerk’ wordt volgens bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van maximaal 15 jaar op dezelfde locatie verstaan. Deze begripsomschrijving geldt ook voor dit omgevingsplan (Artikel 1.1).
Om het mogelijk te maken dat de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport na beoordeling, geautomatiseerd en efficiënt kunnen worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van het bevoegd gezag, regelt Artikel 5.135.139, vijfde lid, dat de resultaten van een bodemonderzoek (gegevens over de bodem en het grondwater) ook moeten worden verstrekt in het XML-formaat (naast indiening van het gehele onderzoeksrapport in PDF-formaat) als de gegevens zich daarvoor lenen. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven.
Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet 2025 Gemeente Haarlemmermeer.
PPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemeen
Artikel 5.165.142 verhoudt zich tot Artikel 5.195.145 zoals Artikel 22.27 zich verhoudt tot Artikel 22.36 . Voor de bouwwerken in Artikel 5.165.142 geldt weliswaar niet de vergunningplicht uit Artikel 22.26 , maar de overige regels uit het omgevingsplan, en ook de welstandseisen, blijven onverminderd van kracht. Net als het geval was bij artikel 3 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn de betreffende bouwwerken dus alleen maar vergunningsvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit het omgevingsplan wordt voldaan. Pas als de betreffende bouwwerken uit Artikel 5.165.142 , al dan niet met extra (rand) voorwaarden, ook zijn aangewezen in Artikel 5.195.145 dan leidt dit er toe dat voor deze bouwwerken, mits deze (ook) voldoen aan de in Artikel 5.195.145 gestelde voorwaarden, in het geheel geen vergunning nodig is. De aangewezen bouwwerken worden dan van rechtswege in overeenstemming geacht met het omgevingsplan.
Artikel 5.165.142, eerste lid
Dit lid bepaalt dat de eis dat bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied op een meter afstand van het openbaar gebied moeten worden gebouwd, niet geldt. Dit betekent dat ook als een bijbehorend bouwwerk op de erfgrens met het openbaar gebied wordt gebouwd, maar wel aan de overige eisen van Artikel 22.27 onder a, voldoet, de vergunningplicht van Artikel 22.26 van het omgevingsplan niet geldt. Hiermee is een dakterras nog niet geheel vergunningsvrij.
De achterliggende gedachten hiervan is dat Artikel 22.27 onder a van het omgevingsplan een voortzetting is van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht (Bor) waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3°, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Dit is dus strenger dan onder de Bor het geval was. Er is hiervoor van Rijkswege geen overgangsrecht opgenomen. Op grond van artikel 6r, tweede lid van het Besluit Chw, de wettelijke basis van het Besluit ‘Meer bouwwerken vergunningsvrij in Haarlemmermeer (2022.0000507) (hierna: Aanwijzing vergunningsvrij) was de eis dat een aangevraagd bouwwerk aan redelijke eisen van welstand moet voldoen, niet van toepassing op bouwwerken die op grond van het Besluit Chw zijn aangewezen als vergunningsvrij. In combinatie met het ontbreken van overgangsrecht is er voor gekozen om bij woningen de eis dat een bijbehorend bouwwerk tenminste een meter van het openbaar toegankelijk gebied moeten staan, te laten vervallen. Hiermee zijn de bestaande regels beleidsneutraal opgenomen in het omgevingsplan.
Artikel 5.165.142, tweede lid
Dit lid komt voort uit artikel 4 onder G van de beleidsregels afwijking bestemmingsplan 2021 (2021.0001765) (hierna: Afwijkingenbeleid). Als een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied wordt gebouwd dat voldoet aan de in Artikel 22.27 , aanhef en onder a, sub 1⁰, 2⁰, 4⁰ en 5⁰ genoemde eisen, en dat bijbehorende bouwwerk wordt voorzien van een dakterras dat voldoet aan de in dit lid vermelde eisen dan geldt de vergunningplicht uit Artikel 22.26 niet. Hiermee is de eis van Artikel 22.27 onder a sub 6 niet van toepassing in die situatie.
Artikel 5.165.142, derde lid
Dit lid komt ook voort uit artikel 4 onder G van het Afwijkingenbeleid. De regels in het Afwijkingenbeleid maken geen onderscheid tussen dakterrassen in het achtererfgebied of het voorerfgebied. Dit lid bepaalt dat ook op aangebouwde bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied, maar uitsluitend gelegen achter de voorgevel van de woning, een dakterras mag worden gemaakt mits dat voldoet aan de in dit lid vermelde eisen. Er dient hierbij rekening te worden gehouden dat het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied nooit vergunningsvrij is. Dus het aangebouwde bijbehorende bouwwerk waarop het dakterras wordt gerealiseerd, moet met een vergunning zijn gebouwd.
Artikel 5.165.142, vierde lid
Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. Dit lid bepaalt dat de vergunningplicht uit Artikel 22.26 niet van toepassing is als een dakkapel wordt gebouwd in het voordakvlak of een naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlak in een gebied waar redelijke eisen van welstand gelden, mits deze dakkapel voldoet aan alle overige eisen zoals gesteld in Artikel 22.27 , aanhef, en onder c, sub 2 tot en met 6. De onder sub 2 tot en met 6 genoemde eisen zijn gelijk aan de voor een dakkapel in het voordakvlak of naar openbaar gebied gekeerde zijdakvlak geldende sneltoetscriteria zoals vastgesteld in de Welstandsnota (2020.0002340).
Artikel 5.165.142, vijfde lid
Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. Dit lid bepaalt dat voor groene erfafscheidingen tot een hoogte van maximaal 2 meter de vergunningenplicht uit Artikel 22.26 niet geldt, mits deze erfafscheiding achter de voorgevel wordt geplaatst, het een haag ondersteunende constructie is welke bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten, en op het perceel al een woning staat waarmee de erfafscheiding in functionele relatie staat. Feitelijk komt het er op neer dat groene erfafscheidingen onder de gestelde voorwaarden zonder vergunning mogen worden gebouwd ter afscheiding van een zijerf, ook als dat zijerf tot het voorerfgebied wordt gerekend.
Artikel 5.165.142, zesde lid
Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. Het bouwen van een gebouw, of een uitbreiding daarvan, in het voorerfgebied is in principe op grond van de landelijk geldende regels voor vergunningsvrij bouwen nooit vergunningsvrij. Dit lid behelst een uitzondering op die regel, en bepaalt dat voor een bouwwerk dat een woning verbindt met een in het voorerfgebied gelegen (legaal) bijbehorend bouwwerk, bijvoorbeeld een vrijstaand schuurtje/berging, de vergunningplicht uit Artikel 22.26 niet geldt mits aan alle in dit lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Artikel 5.165.142, zevende lid
Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. Ook hiervoor geldt dat het bouwen van bijbehorend bouwwerk (of de uitbreiding daarvan) in het voorerfgebied in principe op grond van de landelijk geldende regels voor vergunningsvrij bouwen nooit vergunningsvrij is. Deze zogenaamde “erkerbepaling” bepaalt dat de vergunningplicht uit Artikel 22.26 niet geldt voor een aanbouw aan de woning aan de voorzijde als deze voldoet aan de in dit lid genoemde eisen.
Artikel 5.165.142, achtste lid
Dit lid komt voort uit het besluit Aanwijzing vergunningsvrij. De vergunningsplicht van Artikel 22.26 geldt niet voor het veranderen of nieuw plaatsen van kozijnen of gevelpanelen in een gevel van woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk bij een woning, als die gevel is gelegen in het voorerfgebied.
Op grond van artikel 2.29 aanhef en onder e van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel, isolatieplaat of boeideel, of stucwerk, bij plaatsing in of aan de achtergevel of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied, geheel vergunningsvrij. Er is geen bouwtechnische vergunning vereist, en ook geen ruimtelijke vergunning (vergunning voor omgevingsplanactiviteit). Hiermee is in het achtererfgebied meer volledig vergunningsvrij dan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het geval was.
Voor het veranderen, of nieuw plaatsen van een isolatieplaat of boeideel, of stucwerk in een gevel die in het voorerfgebied ligt, geldt de vergunningplicht van Artikel 22.26 onverkort.
Artikel 5.165.142, negende lid
Dit lid komt voort uit artikel 4 onder H van het Afwijkingenbeleid. De vergunningplicht van Artikel 22.26 geldt niet voor het bouwen van een kelder of souterrain als aan de gestelde eisen in dit lid wordt voldaan. Ten aanzien van de wijze van meten, negende lid onder c, is aangesloten bij het Afwijkingenbeleid. Dit om te voorkomen dat er per locatie een andere manier van meten wordt toegepast, omdat niet in alle bestemmingsplannen, die nu van rechtswege onderdeel zijn van het omgevingsplan, dezelfde wijze van meten is opgenomen.
Artikel 5.165.142, tiende lid
Dit lid regelt dat voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk de vergunningplicht van Artikel 22.26 ook niet geldt als tegelijkertijd met dit bijbehorend bouwwerk een ondergronds gebouw en/of een dakterras wordt gebouwd dat voldoet aan de gestelde eisen. Dit is nodig omdat anders alsnog een vergunning vereist is voor een bijbehorend bouwwerk dat in beginsel aan alle voorwaarden/eisen voldoet om als vergunningsvrij te kunnen worden aangemerkt, maar dat door het ondergrondse gebouw of het dakterras dat tegelijkertijd wordt gerealiseerd, toch vergunningplichtig wordt, terwijl, als deze volgtijdelijk worden gebouwd, en niet tegelijkertijd, voor de verschillende bouwwerken de vergunningplicht van Artikel 22.26 niet geldt. Dit komt omdat een bijbehorend bouwwerk op de grond moet staan (een ondergronds gebouw staat niet op, maar in de grond), geen dakterras, balkon, of ander niet op de grond gelegen buitenruimte mag hebben, en verblijfsgebieden alleen op de eerste bouwlaag mogen liggen.
SSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.175.143 bevat uitzonderingen voor de in Artikel 5.165.142 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit Artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen. Hiermee geldt de verruiming van de vergunningsvrije bouwmogelijkheden niet voor monumenten, en voor woningen gelegen in een beschermd stads- en dorpsgezicht.
TTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemeen
Voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Dit staat in artikel 8.0a, lid 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als de aanvraag voldoet aan die beoordelingsregels, wordt de vergunning verleend. In Artikel 22.29 zijn van rechtswege (via de Bruidsschat) beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Eén van die beoordelingsregels betreft het omgevingsplan. Er wordt alleen een vergunning verleend als het aangevraagde bouwplan binnen het omgevingsplan past. Als de aanvraag niet voldoet aan de deze beoordelingsregels van Artikel 22.29 dan wordt het vanzelf een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
In Artikel 5.185.144 zijn beoordelingsregels opgenomen voor dakopbouwen en gelijksoortige uitbreidingen van een woning (eerste lid), en in het tweede lid voor verbindende bouwwerken en bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied. Als aan deze beoordelingsregels wordt voldaan, dan wordt de vergunning toch verleend, ook als het aangevraagde bouwplan in strijd is met het omgevingsplan. Hiermee worden deze categorieën bouwwerken binnenplans vergunningplichtig. Het voordeel hiervan is dat de legeskosten lager zijn, en dat inwoners wat meer zekerheid hebben over de vraag of het zinvol is een aanvraag in te dienen. De overige regels van Artikel 22.29, eerste lid , onder b en c, en Artikel 22.29, tweede lid gelden onverkort. Dat betekent onder andere dat het aangevraagde bouwplan wel nog steeds moet voldoen aan redelijke eisen van welstand als deze voor de betreffende locatie gelden, en aan voorwaarden over bouwen van een bodemgevoelig gebouw, op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 5.185.144, eerste lid
Dit lid komt voort uit artikel 6A en B van het Afwijkingenbeleid.
Artikel 5.185.144, tweede lid
Dit lid komt voort uit artikel 4E, vijfde lid en artikel 6A, derde lid van het Afwijkingenbeleid.
UUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemeen
Zie voor de algemene toelichting op dit artikel de algemene toelichting op Artikel 5.165.142 .
Artikel 5.195.145, eerste lid
Artikel 5.195.145, eerste lid regelt dat bij de toepassing van Artikel 22.36 aanhef en onder a, de eis dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27 , onder a, dat op een afstand van meer dan 1 meter van het openbare toegankelijke gebied moet worden gebouwd, niet geldt.
In combinatie met Artikel 22.27 en Artikel 5.165.142, eerste lid leidt het eerste lid er toe dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan is toegelaten op grond van het omgevingsplan indien het bijbehorend bouwwerk aan alle overige eisen van Artikel 22.27 onder a, en de aanvullend eisen van Artikel 22.36 onder a voldoet. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan.
Artikel 5.195.145, tweede lid
In combinatie met Artikel 5.165.142, vierde lid , leidt Artikel 5.195.145, tweede lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlakgeen omgevingsvergunning nodig is als aan de eisen van dit lid wordt voldaan.
Artikel 5.195.145, derde lid
In combinatie met Artikel 5.165.142, vijfde lid , leidt Artikel 5.195.145, derde lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding in het voorerfgebied geen omgevingsvergunning nodig is als aan de eisen van dit lid wordt voldaan.
Artikel 5.195.145, vierde lid
In combinatie met Artikel 5.165.142, zesde lid , leidt Artikel 5.195.145, vierde lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een verbindend bouwwerk in het voorerfgebied dat aan de eisen van dit lid voldoet, geen omgevingsvergunning nodig is.
Artikel 5.195.145, vijfde lid
In combinatie met Artikel 5.165.142, zevende lid , leidt Artikel 5.195.145, vijfde lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied dat aan de eisen van dit lid voldoet, geen omgevingsvergunning nodig is.
Artikel 5.195.145, zesde lid
In combinatie met Artikel 5.165.142, achtste lid , leidt Artikel 5.195.145, zesde lid er toe dat voor het veranderen of nieuw plaatsen van een kozijn, kozijninvulling, of gevelpaneel in of aan de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, als die gevel is gelegen in voorerfgebied, geen omgevingsvergunning nodig is.
Artikel 5.195.145, zevende lid
Artikel 5.195.145, zevende lid komt voort uit het Besluit aanwijzing vergunningsvrij. Dit lid regelt dat bij de toepassing van Artikel 22.36 aanhef en onder a, de eis van Artikel 22.36, onder a, sub 2⁰, onder ii, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van de woning functioneel ondergeschikt moet zijn, niet geldt. Als een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan niet functioneel ondergeschikt hoeft te zijn op een afstand van meer dan 4 meter dan betekent dat dat in dit bouwwerk primaire woonfuncties (dus bijvoorbeeld keuken, huiskamer, badkamer) aanwezig mogen zijn.
Artikel 5.195.145, achtste lid
Artikel 5.195.145, achtste lid komt voort uit het Besluit aanwijzing vergunningsvrij. Dit lid regelt dat de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in een bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m²: niet meer dan 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 250 m² mag zijn.
Artikel 5.195.145, negende lid
Artikel 5.195.145, negende lid regelt dat bij de toepassing van Artikel 22.36 , onder a, de eis van Artikel 22.27 , onder a sub 6⁰, niet geldt als sprake is van een dakterras dat voldoet aan de in dit lid gestelde eisen.
Artikel 5.195.145, tiende lid
In combinatie met Artikel 5.165.142, derde lid , leidt Artikel 5.195.145, tiende lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakterras dat voldoet aan de in dit lid gestelde eisen, geen omgevingsvergunning nodig is.
elfde lid
In combinatie met Artikel 5.165.142, negende lid , leidt elfde lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning dat voldoet aan de in dit lid gestelde eisen, geen omgevingsvergunning nodig is.
twaalfde lid
In combinatie met Artikel 5.165.142, tiende lid , leidt twaalfde lid er toe dat voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan welke tegelijkertijd wordt gebouwd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, dat voldoet aan de in dit lid gestelde eisen, geen omgevingsvergunning nodig is.
VVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.205.146 bevat uitzonderingen voor de in Artikel 5.195.145 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit Artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen. Hiermee geldt de verruiming van de vergunningsvrije bouwmogelijkheden niet voor monumenten, en voor woningen gelegen in een beschermd stads- en dorpsgezicht.
WWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.215.147 bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningsvrije activiteiten als bedoeld in Artikel 5.195.145 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Dit is gelijk aan Artikel 22.39 . Het opnemen van dit artikel is nodig omdat Artikel 5.195.145 een aanvulling is op de regels van Artikel 22.36 en Artikel 22.39 daardoor niet voor de verruiming van de vergunningsvrije bouwmogelijkheden geldt, en dat is vanuit veiligheidsoverwegingen wel noodzakelijk.
XXXXXXX
Na sectie ' Inperkingen artikel 5.19 vanwege externe veiligheid' worden vijf secties ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf gaat over buisleidingen voor gevaarlijke stoffen zoals benoemd in artikel 3.101, eerste lid van het Bal. Zoals aardgas, CO2, waterstof, brandstof in de vorm van kerosine, e.a. Daarbij vindt vervoer onder een bepaalde maximale druk (in kPa) plaats. De druk binnen de leiding en de diameter van de leiding, zijn van invloed op de aandachtsgebieden die gelden voor externe veiligheid.
Er is in deze paragraaf één overkoepelend belemmeringengebied voor alles buisleidingen gevaarlijke stoffen. En vervolgens per leiding een eigen specifiek werkingsgebied, om het soort stof, de druk en diameter vast te leggen.
Aan dat overkoepelende belemmeringengebied zijn vergunningplichten verbonden ten opzichte van andere activiteiten dan activiteiten voor de betreffende leiding zelf.
Het belemmeringengebied is 5 meter voor een buisleiding met een druk meer dan 4.000 kPa, en 4 meter voor een buisleiding aardgas met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa.
Daar waar samenloop is van verschillend type buisleidingen voor dezelfde gevaarlijke stof (bijvoorbeeld twee verschillende aardgasleidingen), is er één werkingsgebied waarbinnen meerdere verbindingen liggen. De verbinding met de grootste zwaarte voor het toe te passen werkingsgebied: het werkingsgebied voor een leiding met een druk van maximaal 6.000 kPa, kan ook een leiding van 40 kPa omvatten, waarbij de verst te meten afstand de begrenzing van het beschermingsgebied bepaald.
Het belang van een aardgasleiding gaat voor op andere belangen. Dat is een al lange tijd gebruikelijke regeling en ook gebaseerd op jurisprudentie.
In artikel 5.183 wordt onder beperkt kwetsbaar gebouw verstaan een gebouw met een van de gebruiksfuncties die zijn genoemd in artikel 1.1 in verbinding met bijlage I en het Besluit kwaliteit leefomgeving in bijlage VI, onder A:
a. een woonfunctie, met uitzondering van een woonfunctie in een woongebouw en een woonfunctie voor 24-uurszorg, als het gaat om een woonfunctie:
1°. op een locatie met een dichtheid van ten hoogste twee woningen, woonschepen of woonwagens per ha;
2°. om te worden gebruikt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf; of
3°. die onderdeel is van lintbebouwing die loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het risico op een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit;
b. een bijeenkomstfunctie, met uitzondering van een bijeenkomstfunctie:
1°. voor kinderopvang;
2°. voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
3°. waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; of
4°. die een nevengebruiksfunctie is van een gebruiksfunctie als bedoeld onder E;
c. een industriefunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van gebouwen waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is;
d. een kantoorfunctie met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 1.500 m2;
e. een logiesfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving:
1°. op een locatie met een dichtheid van ten hoogste twee logiesfuncties per ha, en met ten hoogste 5 logiesverblijven als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving per gebouw; of
2°. met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 1.500 m2;
f. een onderwijsfunctie voor volwassenenonderwijs, met uitzondering van een onderwijsfunctie waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is;
g. een sportfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van een sportfunctie:
1°. waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; of
2°. die een nevengebruiksfunctie is van een gebruiksfunctie als bedoeld onder E; of
h. een winkelfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van een winkelfunctie in een gebouw waarin een supermarkt of warenhuis is gevestigd, als het gaat om een winkelfunctie:
1°. met meer dan vijf winkels en met een totale bruto-vloeroppervlakte van meer dan 1.000 m2; of
2°. met een winkel met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 2.000 m2.
Onder kwetsbaar gebouw wordt een gebouw verstaan met een van de volgende gebruiksfuncties, alleen voor zover het gaat om die gebruiksfunctie en voor zover het niet gaat om een beperkt kwetsbaar gebouw of een zeer kwetsbaar gebouw (zie Artikel 1.1 in verbinding met bijlage I en bijlage VI, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving):
a. een woonfunctie;
b. een bijeenkomstfunctie;
c. een industriefunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
d. een gezondheidszorgfunctie;
e. een kantoorfunctie;
f. een logiesfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
g. een onderwijsfunctie;
h. een sportfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; of
i. een winkelfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Onder zeer kwetsbaar gebouw wordt een gebouw verstaan met een van de volgende gebruiksfuncties, alleen en voor zover het gaat om die gebruiksfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (zie Artikel 1.1 in verbinding met bijlage I en bijlage VI, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving):
a. een woonfunctie voor 24-uurszorg;
b. een bijeenkomstfunctie:
1°.voor kinderopvang; of
2°.voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
c. een celfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
d. een gezondheidszorgfunctie met bedgebied; of
e. een onderwijsfunctie:
1°.voor basisonderwijs; of
2°.voor onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking.]
Het bouwen van de betreffende buisleiding voor gevaarlijke stoffen en bijbehorende voorzieningen is toegestaan, op voorwaarde dat aan bouwregels wordt voldaan. Andere bouwwerken die mogelijk zijn op basis van de bouwregels, zijn op basis van dit artikel vergunningplichtig. Dat geldt ook voor de ene buisleiding ten opzichte van de andere buisleiding. Daarin is bijvoorbeeld een CO2-leiding vergunningplichtig ten opzichte van een aargasleiding. Dit is vanwege externe veiligheid én vanwege de bescherming van de leiding tegen schade. Uitzondering op de vergunningplicht is het vervangen, vernieuwen of veranderen van een bestaand bouwwerk onder de genoemde voorwaarden.
YYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen over het saneren van de bodem. Artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving biedt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkregels in het omgevingsplan. In Paragraaf 5.2.11.2 van het omgevingsplan zijn maatwerkregels opgenomen die de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over saneren aanvullen, of daarvan afwijken.
Onder het saneren van de bodem valt niet het saneren van het grondwater of de waterbodem (artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving). Een waterbodem is bijvoorbeeld de bodem van een sloot, rivier of een meer.
In Artikel 5.245.208, tweede lid, onder a, is aangegeven wat in Paragraaf 5.2.11.2 onder het begrip 'grond' wordt verstaan. Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die het heeft in het Besluit bodemkwaliteit.
‘Grond’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit omschreven als vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en maximaal 20% bodemvreemd materiaal, maar geen baggerspecie.
In Artikel 5.245.208, tweede lid, onder b, is aangegeven wat onder het begrip 'baggerspecie' wordt verstaan in Paragraaf 5.2.11.2 Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die het heeft in het Besluit bodemkwaliteit. ‘Baggerspecie’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit omschreven als materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouden en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
De begripsomschrijvingen van ‘baggerspecie’ en ‘grond’ hebben betrekking op het fijne bodemmateriaal (maximale korrelgrootte van 2 millimeter) en op van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind (2–63 mm). Ook natuurlijke mengsels van fijn bodemmateriaal en schelpen en grind vallen onder het begrip baggerspecie en grond. Het fijne bodemmateriaal bestaat doorgaans uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof. In uitzonderingsgevallen komt ook baggerspecie of grond voor met bijna geen organische stof (bijvoorbeeld dekzanden) of bijna geen minerale delen (bijvoorbeeld mineraalarm veen). Schelpen en grind zijn in de begripsomschrijving opgenomen omdat zij regelmatig in de bodem voorkomen, en toepassing ervan als bodem geen bezwaren uit milieuoogpunt kent. Uitsluiting van deze materialen zou het toepassen van baggerspecie en grond onnodig beperken.
Natuurlijke bodemmaterialen groter dan 63 mm worden in de bodemkunde beschouwd als stenen en worden niet gerekend tot de grondmatrix.
Het begrip ‘baggerspecie’ is uitgezonderd van de begripsomschrijving van ‘grond’. Baggerspecie is dus niet opgevat als een categorie grond maar als een zelfstandige categorie. Baggerspecie is bodemmateriaal dat vrijkomt uit het oppervlaktewater of ruimte die voor oppervlaktewater bestemd is.
In Artikel 5.245.208, tweede lid, onder c, wordt verwezen naar de aanduiding van de gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Deze waarde komt overeen met een door de gemeenteraad vastgestelde norm, die aangeeft aan welke (chemische) kwaliteit grond of baggerspecie moeten voldoen om te mogen worden toegepast. De gebiedsspecifieke waarde werkt ook als terugsaneerwaarde bij bodemsanering. De gegeven waarde geldt voor een standaardbodem. Er zal een correctie moeten worden toegepast voor de gehalten lutum en organische stof.
BBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Volgens artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn twee standaard saneringsaanpakken mogelijk, namelijk afdekken (artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving) en verwijderen (artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Ook een combinatie van beide aanpakken is mogelijk. Bij de aanwezigheid van vluchtige stoffen voorziet artikel 4.1245 van het Besluit activiteiten leefomgeving in aanvullende maatregelen tegen uitdamping als sprake is van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw.
Vluchtige stoffen die niet worden verwijderd tijdens sanering kunnen bij uitdamping ophopen in een bodemgevoelig gebouw. In de saneringspraktijk onder de voormalige Wet bodembescherming was dit regelmatig een probleem als bij sanering geen volledige verwijdering had plaatsgevonden. Maatregelen tegen uitdamping verliezen vaak na enige tijd hun werking. Een vloer zal bijvoorbeeld na verloop van tijd minder dampdicht worden. Een dampdichte doorvoer van leidingen vergt onderhoud en is kwetsbaar. Mechanische ventilatie vergt ook onderhoud en de aandacht voor deze maatregelen kan na enige tijd verslappen. Een robuuste saneringsmaatregel is daarom gewenst.
In het Besluit activiteiten leefomgeving staat geen voorkeur voor de saneringsaanpak verwijderen in geval van vluchtige stoffen op de plaats van een bodemgevoelig gebouw. Om hetzelfde niveau van bescherming te bieden als onder de Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen (zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) is in Artikel 5.255.209, eerste lid, volledige verwijdering van de bodemverontreiniging met vluchtige stoffen op de plek van het gebouw als uitgangspunt genomen. Het doel is het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 5.255.209, tweede lid, en Artikel 5.255.209, derde lid
In Artikel 5.255.209, tweede lid, wordt verwezen naar de tabel in Artikel 5.255.209, derde lid, waarin de vluchtige stoffen zijn benoemd. Bij de keuze om welke vluchtige stoffen het gaat is aansluiting gezocht bij de vluchtige stoffen die in de toelichting bij artikel 4.1245 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden genoemd: "Bij vluchtige verbindingen moet gedacht worden aan vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen) en vluchtige koolwaterstoffen, die zowel in de vaste bodem als in het grondwater kunnen voorkomen". Dit zijn voor de vaste bodem de stofgroepen ‘aromatische verbindingen’ en ‘gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen’ van bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze zijn opgenomen in de tabel.
Ook de aanwezigheid van andere stoffen dan genoemd in de tabel kan tot gezondheidsrisico’s door uitdamping leiden. Bijvoorbeeld kwik (kwikdamp), naftaleen en vluchtige oliën. In alle situaties geldt de zorgplicht op grond van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
CCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.265.210 is bepaald dat verontreinigde grond in sommige gevallen niet mag worden herschikt onder de afdeklaag. Het doel is het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 5.265.210, eerste lid, en Artikel 5.265.210, derde lid
In Artikel 5.265.210, eerste lid, onder a, staat dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit niet wordt herschikt onder een afdeklaag. De interventiewaarde bodemkwaliteit is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De interventiewaarde bodemkwaliteit geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd door verontreiniging van de bodem. Door het benoemen van de specifieke mobiele stoffen (zie de tabel in Artikel 5.265.210, derde lid) wordt duidelijkheid gegeven wanneer het gaat om een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. De in de tabel opgenomen stoffen zijn de meest voorkomende mobiele stoffen in stedelijke omgeving.
Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij herschikken niet gewenst is door verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan sprake van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH-waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde bodemkwaliteit of signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) in de vaste bodem zijn in Artikel 5.265.210, eerste lid, onder b, waarden opgenomen die aansluiten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afkomstig van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS-verontreiniging boven de opgenomen waarden wordt herschikt onder de afdeklaag door de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid.
De aard van de verontreinigingen bepaalt in samenhang met de aanwezige bodemopbouw en -samenstelling of er sprake is van een mobiele of immobiele verontreinigingssituatie (kortweg aangeduid met mobiele en immobiele verontreiniging). Onder de oude systematiek (de Circulaire bodemsanering 2013) werd een verontreiniging mobiel genoemd als deze zich kan verplaatsen door het grondwater en onder invloed van de grondwaterstroming. Een immobiele verontreiniging verspreidt zich daarentegen niet of nauwelijks omdat de stof gebonden is aan de bodemdeeltjes. Dit onderscheid wordt ook in dit omgevingsplan gehanteerd.
In Artikel 5.265.210, eerste lid, onder a, is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit niet wordt herschikt onder de afdeklaag. Maar uit een grondwateronderzoek kan blijken dat de stof in de specifieke omstandigheden op de locatie toch niet (erg) mobiel is. Dit kan bijvoorbeeld komen door de bodemopbouw. Om die reden is in Artikel 5.265.210, tweede lid, opgenomen dat als uit een grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving niet worden overschreden voor deze stoffen, Artikel 5.265.210, eerste lid, onder a, niet van toepassing is.
De signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering komen overeen met de interventiewaarden voor grondwater uit de voormalige Circulaire bodemsanering 2013 onder de Wet bodembescherming.
DDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.295.213 geldt voor het verrichten van nazorg als de bodem is gesaneerd of als tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen. Deze bepaling komt in de plaats van Artikel 22.125 van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
In Artikel 5.295.213, onder a, gaat het om de situatie dat een afdeklaag is aangebracht tijdens de sanering van de bodem, in de vorm van een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag, of een laag grond of baggerspecie van een geschikte kwaliteit (volgens de toepassingseisen voor grond of baggerspecie) met een standaarddikte van 1,0 meter (leeflaag). De afdeklaag voorkomt blootstelling van mensen aan verontreiniging op of in de bodem bij het dagelijks gebruik van de bodem. In veel gevallen volstaat het aanbrengen van een afdeklaag.
In Artikel 5.295.213, onder b, gaat het om de situatie dat er tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn genomen door het aantreffen van een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem.
Op basis van artikel 19.9c van de Omgevingswet moet de eigenaar of erfpachter, op een locatie waar een verontreiniging aanwezig is, of op een locatie waar de directe gevolgen van blootstelling aan een verontreiniging zich voor kunnen doen, tijdelijke beschermingsmaatregelen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid te voorkomen of te beperken (zie Artikel 5.27, onder c).
GGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.305.214, eerste lid, regelt dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waar een afdeklaag als saneringsmaatregel is aangebracht, alle maatregelen moeten nemen om deze afdeklaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Deze bepaling komt in de plaats van Artikel 22.126, eerste lid, van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling aan de verontreinigde bodem te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft.
Door een handeling (wel of niet bedoeld) kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt dit artikel zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder). Net als onder de Wet bodembescherming is het onder de Omgevingswet gewenst dat afdeklagen in stand worden gehouden en dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Het gaat in Artikel 5.305.214, eerste lid, om een afdeklaag die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor afdeklagen (isolatielagen, leeflagen) die onder de Wet bodembescherming zijn aangebracht geldt overgangsrecht waardoor nazorg geborgd is.
Artikel 5.305.214, tweede lid, komt in de plaats van Artikel 22.126, tweede lid, van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen nadat een toevalsvondst is gedaan moeten ook in stand worden gehouden door de eigenaar, erfpachter of gebruiker. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar die ervoor zorgen dat onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid door blootstelling aan verontreiniging worden voorkomen. Ook bij tijdelijke beschermingsmaatregelen is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat deze maatregelen in stand worden gehouden. Uiteraard is het bij een toevalsvondst ook toegestaan om de bron van de verontreiniging weg te nemen met een sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zodat tijdelijke beschermingsmaatregelen niet nodig zijn.
HHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.4 gaat over de activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit die is aangewezen in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. De interventiewaarde bodemkwaliteit is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
In artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit een milieubelastende activiteit is als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. Voor het uitvoeren van de activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit gelden de regels uit paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Op grond van artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het mogelijk om maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. De maatwerkregels in deze paragraaf van het omgevingsplan gelden in afwijking van of in aanvulling op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het graven in de bodem met een bodemvolume van 25 m3 of minder gelden de paragrafen over kleinschalig graven in dit omgevingsplan.
Bij graven gaat het om alle graafwerkzaamheden in de bodem. Daarbij kan het gaan om het graven voor het leggen van kabels en leidingen waarbij de grond weer wordt teruggebracht (tijdelijk uitnemen). Maar het kan ook gaan om het afgraven van bodem voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage waarbij de afgegraven grond wordt afgevoerd.
In aanvulling op de regels in Paragraaf 5.2.11.4 geldt dat voor graven in specifieke gebieden in de gemeente door de hier aanwezige waarden van het gebied (natuur, landschappelijke, cultuurhistorische waarden) of door de aanwezigheid van een leiding dat voor graven in bepaalde gevallen ook nog een omgevingsvergunning is vereist op grond van regels in bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Een overzicht van deze regels wordt opgenomen in Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Haarlemmermeer.
In Artikel 5.315.215, tweede lid, onder a, staat wat onder ‘interventiewaarde bodenkwaliteit’ in Paragraaf 5.2.11.4 wordt verstaan. Deze waarde geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd door verontreiniging van de bodem. Bij een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gaat het om sterk verontreinigde grond. Bij een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit is sprake van niet-sterk verontreinigde grond.
In Artikel 5.315.215, tweede lid, onder b, staat wat onder het begrip ‘grond’ in Paragraaf 5.2.11.4 wordt verstaan. Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die het heeft in het Besluit bodemkwaliteit.
‘Grond’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit omschreven als vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en maximaal 20% bodemvreemd materiaal, maar geen baggerspecie.
In Artikel 5.315.215, tweede lid, onder c, staat wat onder het begrip ‘partij’ in Paragraaf 5.2.11.4 wordt verstaan. Dit is een hoeveelheid (bodem)materiaal dat volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Hoewel in artikel 1, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit een uitleg wordt gegeven wat in dat besluit en daarop berustende bepalingen als een partij moet worden aangemerkt, moet verder worden gekeken dan dat artikel. In de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn onder andere bepalingen opgenomen over het samenvoegen en splitsen van partijen, deze moeten ook worden meegenomen in de afweging of van een partij sprake is. In de toelichting bij artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit is nader aangegeven wat onder partij wordt verstaan. Daarin zijn ook voorbeelden opgenomen.
IIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.325.216, eerste lid, en Artikel 5.325.216, tweede lid
Voordat de activiteit graven in de bodem wordt uitgevoerd, wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving moet er een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht, de Wet bodembescherming, eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Dit houdt in dat er gevallen zijn waarin onder de Wet bodembescherming een verkennend bodemonderzoek nodig was, maar volgens het Besluit activiteiten leefomgeving de bodem met alleen een vooronderzoek bodem voldoende is onderzocht, omdat er geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging is.
Voor sommige gebieden binnen de gemeente Haarlemmermeer is het ongewenst om geen verkennend bodemonderzoek te doen. In Artikel 5.325.216, eerste lid, en Artikel 5.325.216, tweede lid, is daarom opgenomen dat het bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in de gemeente Haarlemmermeer verplicht is om een verkennend bodemonderzoek, volgens de NEN5740 uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Deze zijn met het werkingsgebied verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven aangeduid. Het gaat om de volgende gebieden die zijn aangewezen op de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer:
- De openbare weg, behalve de openbare weg binnen de bebouwde kom van BKK-zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer, is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in de openbare weg een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn.
- Sommige gebieden op de bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd door het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit. Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn.
Een verkennend bodemonderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al voldoende informatie heeft. Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van voldoende informatie. Het moet hierbij in ieder geval gaan om recente en voor de graaflocatie relevante en representatieve onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer is verder uitgewerkt wanneer sprake is van voldoende informatie (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html). In het vooronderzoek bodem worden deze al beschikbare onderzoeksresultaten beschreven voor zover de initiatiefnemer hierover kan beschikken.
JJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen welke gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag moeten worden aangeleverd. Het gaat om het verstrekken van informatie over de begrenzing van de locatie, de verwachte begindatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit. Uit Artikel 5.335.217, eerste lid, volgt dat ook een verkennend of nader bodemonderzoek (asbest), bedoeld in artikelen 5.7b tot en met 5.7e van het Besluit activiteiten leefomgeving, en een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.325.216, samen met het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, ten minste één week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag worden aangeleverd.
Als alleen een vooronderzoek bodem is uitgevoerd, hoeft het vooronderzoek niet te worden aangeleverd aan het bevoegd gezag. Deze situatie kan zich voordoen als er geen verdenking bestaat op het voorkomen van een specifieke verontreiniging van de bodem en de graaflocatie ook niet gelegen is in het werkingsgebied genoemd in Artikel 5.325.216, eerste lid.
De resultaten van het bodemonderzoek, bedoeld in Artikel 5.335.217, eerste lid, worden aangeleverd in een digitaal (PDF-) bestand (het gehele rapport van het bodemonderzoek) en een XML-bestandsformaat (meetgegevens over de bodem en het grondwater).
Een bestandsformaat XML (SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van het bevoegd gezag. In het bodeminformatiesysteem zijn alle bodemgegevens openbaar en door iedereen online (https://odnzkg.nl/kaarten/) te raadplegen.
Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html).
KKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak van korte duur. Er kunnen meerdere informatie- of meldplichten (voor het uitvoeren van verschillende activiteiten) zijn gedaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie- of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in Artikel 5.345.218 een plicht opgenomen om gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de verrichte bodemonderzoeken op locatie beschikbaar te hebben.
Artikel 5.335.217, derde lid, onder b, over het verstrekken van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek in XML-format (SIKB0101) geldt niet voor het beschikbaar hebben van bodemonderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF-)bestand van het rapport van het bodemonderzoek of een geprint exemplaar van het rapport van het bodemonderzoek op locatie is voldoende.
LLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet grond gescheiden worden gehouden in verschillende te onderscheiden kwaliteitsklassen. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen is door het rijk voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen.
In het Besluit activiteiten leefomgeving staat geen verplichting om grondsoorten gescheiden te houden. Vanuit circulariteit is dit wel wenselijk. Daarom staat in dit artikel een verplichting voor het gescheiden houden van grondsoorten. In artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het gescheiden houden van grondsoorten wel geregeld voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit voor matig of sterk verontreinigde grond (voor reinigbaarheid).
Vanuit civieltechnisch oogpunt is het gewenst dat verschillende grondsoorten zoals klei, zand of veen zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden, zodat de hergebruiksmogelijkheden van de grond niet worden beperkt. Het is bijvoorbeeld mogelijk om klei of veen, die visueel te onderscheiden is door de afwijkende kleur of structuur van de ophooglaag van zand, apart te houden bij het graven. Met de aanvullende verplichting in het eerste lid wordt aan de circulaire ambities uit de Omgevingsvisie gemeente Haarlemmermeer bijgedragen.
In Artikel 5.355.219, tweede lid, is aangesloten op de formulering van artikel 4.1223, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, dat geldt voor het gescheiden houden van kwaliteitsklassen. Het is wenselijk ook voor scheidbare grondsoorten een plicht tot het gescheiden opslaan op te nemen (anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin). Tussen de deelpartijen moet enige afstand worden aangehouden of er moet een fysieke scheidingswand worden aangebracht.
MMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.365.220 is voor PFAS in de vaste bodem aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afkomstig van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS-verontreiniging boven de opgenomen waarden wordt teruggeplaatst door de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid. Doel van het artikel is dan ook het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen van de grond in de bodem niet gewenst is door verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan sprake van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH-waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
NNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.5 gaat over de activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit die is aangewezen in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. De interventiewaarde bodemkwaliteit is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
In artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit een milieubelastende activiteit is als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. Voor het uitvoeren van de activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gelden de regels uit paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Op grond van artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het mogelijk om maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. De maatwerkregels in deze paragraaf van het omgevingsplan gelden in afwijking van of aanvulling op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het graven in de bodem met een bodemvolume van 25 m3 of minder gelden Paragraaf 5.2.11.6 en Paragraaf 5.2.11.7 over kleinschalig graven in dit omgevingsplan.
Bij graven gaat het om alle graafwerkzaamheden in de bodem. Daarbij kan het gaan om het graven voor het leggen van kabels en leidingen waarbij de grond weer wordt teruggebracht (tijdelijk uitnemen). Maar het kan ook gaan om het afgraven van bodem voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage waarbij de afgegraven grond wordt afgevoerd.
In aanvulling op de regels in Paragraaf 5.2.11.5 geldt dat voor graven in specifieke gebieden in de gemeente door de hier aanwezige waarden van het gebied (natuur, landschappelijke, cultuurhistorische waarden) of door de aanwezigheid van een leiding dat voor graven in bepaalde gevallen ook nog een omgevingsvergunning is vereist op grond van regels in bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Een overzicht van deze regels wordt opgenomen in Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Haarlemmermeer.
In Artikel 5.375.221, tweede lid, onder a, is een begripsomschrijving van ‘interventiewaarden bodemkwaliteit’ opgenomen. De interventiewaarden bodemkwaliteit geven aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd door verontreiniging van de bodem. Bij een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gaat het om sterk verontreinigde grond. Bij een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit is sprake van niet-sterk verontreinigde grond.
In Artikel 5.375.221, tweede lid,onder b, is aangegeven wat onder het begrip ‘grond’ wordt verstaan in deze paragraaf. Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die het heeft in het Besluit bodemkwaliteit.
‘Grond’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit omschreven als vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en maximaal 20% bodemvreemd materiaal, maar geen baggerspecie.
In Artikel 5.375.221, tweede lid, onder c, staat een begripsomschrijving van ‘partij’ opgenomen. Hieronder wordt verstaan een hoeveelheid (bodem)materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Hoewel in artikel 1, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit een uitleg wordt gegeven wat in dat besluit en daarop berustende bepalingen als een partij moet worden aangemerkt, moet verder worden gekeken dan dat artikel. In de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn onder andere bepalingen opgenomen over het samenvoegen en splitsen van partijen, deze moeten ook worden meegenomen in de afweging of van een partij sprake is. In de toelichting bij artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit is nader aangegeven wat onder partij wordt verstaan. Daarin zijn ook voorbeelden opgenomen.
OOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.385.222, eerste lid, en Artikel 5.385.222, tweede lid
Voordat de activiteit graven in de bodem wordt uitgevoerd, wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving moet er een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht, de Wet bodembescherming, eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Dit houdt in dat er gevallen zijn waarin onder de Wet bodembescherming een verkennend bodemonderzoek nodig was, maar volgens het Besluit activiteiten leefomgeving de bodem met alleen een vooronderzoek bodem voldoende is onderzocht, omdat er geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging is.
Voor sommige gebieden binnen de gemeente Haarlemmermeer is het ongewenst om geen verkennend bodemonderzoek te doen. In Artikel 5.385.222, eerste lid, en Artikel 5.385.222, tweede lid, is daarom opgenomen dat het bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in de gemeente Haarlemmermeer verplicht is om een verkennend bodemonderzoek, volgens de NEN5740 uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Deze zijn met het werkingsgebied ‘verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven’ aangeduid. Het gaat om de volgende gebieden die zijn aangewezen op de op de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer:
- De openbare weg, behalve de openbare weg binnen de bebouwde kom van BKK-zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in de openbare weg een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn.
- Sommige gebieden op de bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd door het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit. Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn.
Een verkennend bodemonderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al voldoende informatie heeft. Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van voldoende informatie. Het moet hierbij in ieder geval gaan om recente en voor de graaflocatie relevante en representatieve onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer is verder uitgewerkt wanneer sprake is van voldoende informatie (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html). In het vooronderzoek bodem worden deze al beschikbare onderzoeksresultaten beschreven voor zover de initiatiefnemer hierover kan beschikken.
PPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een actueel risico gaat het om het aantreffen van een afwijkende verontreinigingssituatie die niet was voorzien bij het vooronderzoek bodem en/of het verkennend bodemonderzoek (Artikel 5.395.223). Het gaat om situaties waarbij, door de kans op blootstelling aan verontreinigde stoffen tijdens het graven, aanvullende maatregelen nodig kunnen zijn om de leefomgeving te beschermen. Een voorbeeld van een aanvullende maatregel kan zijn het nat houden van opslag van grond met asbest om verstuiving te voorkomen. Bij het aantreffen van actuele risico’s, moet het bevoegd gezag hierover worden geïnformeerd. Door het bevoegd gezag te informeren wordt het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld de situatie te beoordelen en aan te geven welke vervolgstappen nodig zijn. In sommige gevallen zal een nieuwe melding graven (wijziging) nodig zijn.
QQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen welke gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag moeten worden aangeleverd. Het gaat om het verstrekken van informatie over de begrenzing van de locatie, de verwachte begindatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit. Uit Artikel 5.405.224, eerste lid, volgt dat ook een verkennend bodemonderzoek, bedoeld in Artikel 5.385.222, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag wordt aangeleverd. Afgezien van de plicht tot het indienen van een verkennend onderzoek als bedoeld in Artikel 5.385.222 kan het indienen van een verkennend of nader onderzoek (asbest) verplicht zijn op grond van artikel 4.1225 in samenhang met artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als onderdeel van de melding, bedoeld in artikel 4.1225 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De resultaten van het vooronderzoek bodem en het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in Artikel 5.405.224, eerste lid, worden aangeleverd in een digitaal (PDF-) bestand (het gehele rapport van het bodemonderzoek) en een XML-bestandsformaat (meetgegevens over de bodem en het grondwater).
Een bestandsformaat XML (SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van het bevoegd gezag. In het bodeminformatiesysteem zijn alle bodemgegevens openbaar en door iedereen online te raadplegen.
Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html).
RRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak van korte duur. Er kunnen meerdere informatie- of meldplichten (voor het uitvoeren van verschillende activiteiten) zijn gedaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie- of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in Artikel 5.415.225 een plicht opgenomen om gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1225, 4.1226 en 4.1227 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de verrichte bodemonderzoeken op locatie beschikbaar te hebben.
Artikel 5.405.224, tweede lid, onder b, over het verstrekken van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek in XML-format (SIKB0101) is niet van toepassing op het beschikbaar hebben van bodemonderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF-)bestand van het rapport van het bodemonderzoek of een geprint exemplaar van het rapport van het bodemonderzoek op locatie is voldoende.
SSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor graven in sterk verontreinigde grond was een regel opgenomen in de voormalige Regeling uniforme saneringen dat de ontgravingslocatie en buiten de ontgravingslocatie liggende depots moesten zijn omgeven door een hekwerk. Deze regel is niet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze eis valt onder de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is wenselijk dat voor degene die de activiteit verricht (aannemer) duidelijk is wat in het kader van de zorgplicht van hem wordt verwacht. Daarom wordt in Artikel 5.425.226 expliciet geregeld dat een hekwerk, of andere afzetting, rondom de ontgravingslocatie moet worden geplaatst bij graven in sterk verontreinigde grond. Dit is een concretisering van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarmee een voormalige regel wordt gecontinueerd. Het doel is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Een afzetting is vooral van belang als degenen die het graven uitvoeren de locatie hebben verlaten en de ontgravingsput of de opslag van uitgenomen grond er onbewaakt bij ligt. Het artikel is erop gericht om te voorkomen dat derden (bijvoorbeeld spelende kinderen) in contact komen met de (sterke) verontreiniging, en om te voorkomen dat (sterk) verontreinigde grond in de omgeving verspreid raakt.
TTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het Besluit activiteiten leefomgeving staat geen verplichting om grondsoorten gescheiden te houden voor licht verontreinigde grond die (naast matige en sterk verontreinigde grond) kan vrijkomen bij de activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. In artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteit leefomgeving is het gescheiden houden van grondsoorten wel geregeld voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit voor matig of sterk verontreinigde grond (voor reinigbaarheid). Vanuit circulariteit is het ook wenselijk om het gescheiden houden van grondsoorten wel verplicht te stellen voor licht verontreinigde grond. Daarom staat in dit artikel een verplichting voor het gescheiden houden van grondsoorten, ook als het licht verontreinigde grond betreft. Doel hiervan is het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Vanuit civieltechnisch oogpunt is het gewenst dat verschillende grondsoorten zoals klei, zand of veen zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden, zodat de hergebruiksmogelijkheden van de grond niet worden beperkt. Het is bijvoorbeeld mogelijk om klei of veen, die visueel te onderscheiden is door de afwijkende kleur of structuur van de ophooglaag van zand, apart te houden bij het graven. Met de aanvullende verplichting in het eerste lid wordt aan de circulaire ambities uit de Omgevingsvisie gemeente Haarlemmermeer bijgedragen.
Er is aangesloten op de formulering van artikel 4.1231, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, dat geldt voor het gescheiden houden van kwaliteitsklassen, en voor het gescheiden houden van grondsoorten voor zover sprake is van matig of sterk verontreinigde grond. Het is wenselijk ook voor licht verontreinigde grond een plicht tot het gescheiden opslaan van scheidbare grondsoorten op te nemen (anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin). Tussen de deelpartijen moet enige afstand worden aangehouden of er moet een fysieke scheidingswand worden aangebracht.
UUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.445.228, eerste lid, en Artikel 5.445.228, derde lid
In Artikel 5.445.228, eerste lid, onder a, is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, na het tijdelijk uitnemen, niet wordt teruggebracht in de bodem. Doel hiervan is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen. De interventiewaarde bodemkwaliteit geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd door verontreiniging van de bodem.
In Artikel 5.445.228, eerste lid, onder a wordt uitgegaan van de interventiewaarde bodemkwaliteit voor de vaste bodem. Door het benoemen van de specifieke mobiele stoffen (zie tabel in Artikel 5.445.228, derde lid) wordt duidelijkheid aan de initiatiefnemer gegeven wanneer sprake is van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. De in de tabel opgenomen stoffen zijn de meest voorkomende mobiele stoffen in stedelijke omgeving.
Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen van de grond in de bodem niet gewenst is door verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH-waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde bodemkwaliteit of een signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit activiteiten leefomgeving, beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor PFAS in de vaste bodem is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (Artikel 5.445.228, eerste lid, onder b). De INEV’s zijn afkomstig van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS-verontreiniging boven de opgenomen waarden wordt teruggeplaatst door de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid.
De aard van de verontreinigingen bepaalt in samenhang met de aanwezige bodemopbouw en-samenstelling of er sprake is van een mobiele of immobiele verontreinigingssituatie. Onder de oude systematiek (de Circulaire bodemsanering 2013) werd een verontreiniging mobiel genoemd als deze zich kan verplaatsen door het grondwater en onder invloed van de grondwaterstroming. Een verontreiniging werd immobiel genoemd als de verontreiniging zich niet of nauwelijks verspreidt omdat de stof gebonden is aan de bodemdeeltjes. Dit onderscheid wordt ook in dit omgevingsplan gehanteerd.
In Artikel 5.445.228, eerste lid, onder a is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit niet wordt teruggeplaatst in de bodem. Maar uit een grondwateronderzoek kan blijken dat de stof in de specifieke omstandigheden op de locatie toch niet (erg) mobiel is. Dit kan bijvoorbeeld komen door de bodemopbouw. Om die reden is in Artikel 5.445.228, tweede lid, opgenomen dat als uit een grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit activiteiten leefomgeving, niet worden overschreden voor deze stoffen,Artikel 5.445.228, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing is. Voor de normen waaraan een grondwateronderzoek moet voldoen, is aansluiting gezocht bij de normen voor een verkennend of een nader bodemonderzoek in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
VVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.6 gaat over de activiteit kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. In de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan waren geen regels opgenomen over kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Onder kleinschalig graven wordt verstaan: het graven in maximaal 25 m3 bodemvolume. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn alleen regels opgenomen over graven in een bodemvolume van meer dan 25 m3.
Bij (kleinschalig) graven kan sprake zijn van het tijdelijk uitnemen en na afloop weer terugplaatsen van grond, maar ook van afvoer van grond naar een andere plaats. Het doel van de regels in Paragraaf 5.2.11.6 is het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het vermengen van partijen grond met verschillende kwaliteitsklassen en grondsoorten.
In Paragraaf 5.2.11.6 worden regels aan de activiteit verbonden die een minimale belasting voor de initiatiefnemer met zich meebrengen in verhouding tot de verwachte milieu-impact van de activiteit. Bij het stellen van regels is aansluiting gezocht bij de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit in een bodemvolume van meer dan 25 m3 (zie paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de toelichting daarop). Het is in de meeste gevallen niet goed uit te leggen dat bij het ontgraven van 26 m3 (geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving) het wel van belang is om bepaalde regels te hanteren en bij 24 m3 (kleinschalig graven) niet, zoals regels over het gescheiden houden van kwaliteitsklassen en grondsoorten. Het onderzoek bij kleinschalig graven zal vaker beperkt kunnen blijven tot een vereenvoudigd vooronderzoek bodem en graafwerkzaamheden zonder afvoer van grond in een tuin bij een woning en overige kleine graafwerkzaamheden tot 1 m3 zijn uitgezonderd van de regels voor kleinschalig graven. Zie hiervoor de toelichting op Artikel 5.455.229, derde lid, onderdelen b en c.
In aanvulling op de regels in Paragraaf 5.2.11.6 geldt dat voor graven in specifieke gebieden in de gemeente door de hier aanwezige waarden van het gebied (natuur, landschappelijke, cultuurhistorische waarden) of door de aanwezigheid van een leiding dat voor graven in bepaalde gevallen ook nog een omgevingsvergunning is vereist op grond van regels in bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Een overzicht van deze regels wordt opgenomen in Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Haarlemmermeer.
In Artikel 5.455.229, tweede lid, worden handelingen benoemd die ook vallen onder kleinschalig graven. Zo valt hieronder ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of op een andere plaats wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Tijdelijk opslaan van grond valt ook onder de activiteit kleinschalig graven. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder kleinschalig graven, maar is een wateractiviteit (geregeld in de waterschapsverordening). Daarnaast valt het terugplaatsen van grond na afloop van het tijdelijk uitnemen ook onder de activiteit kleinschalig graven.
In Artikel 5.455.229, derde lid, onder a, is aangegeven dat het uitvoeren van de activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee wordt bedoeld dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Een waterbodem is bijvoorbeeld de bodem van een sloot, rivier of een meer.
In Artikel 5.455.229, derde lid, onder b en c, worden nog meer handelingen genoemd waarvoor de regels voor de activiteit niet gelden. Het gaat om graafwerk (tot een maximum van 25 m3) dat in de tuin bij een woning zonder afvoer van grond wordt uitgevoerd. Grond mag op of vlakbij het ontgravingsprofiel worden teruggeplaatst. Als het gaat om graven in tuinen betekent dit dat de grond in de tuin blijft. Het gaat ook om zeer kleine graafwerkjes van minder dan 1 m3 zonder afvoer van grond (zoals bijvoorbeeld voor het herstelwerk van het trottoir of het plaatsen van straatmeubilair). Bij deze graafwerkzaamheden is de moeite van het uitvoeren van een (vereenvoudigd) vooronderzoek te groot voor de risico’s van het graafwerk. De regels voor kleinschalig graven gelden dus niet voor de hier genoemde uitzonderingen. De algemene zorgplicht van artikel 1.7 Omgevingswet is wel van toepassing. In dit artikel van de Omgevingswet is opgenomen dat het verboden is om een activiteit (of het nalaten daarvan) te verrichten als door het verrichten (of nalaten daarvan) aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan.
In Artikel 5.455.229, vierde lid, onder a, is aangegeven wat onder ‘interventiewaarden bodemkwaliteit’ wordt verstaan. Dit zijn de waarden zoals opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De interventiewaarden bodemkwaliteit geven aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd door verontreiniging van de bodem. Bij een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gaat het om sterk verontreinigde grond. Bij een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit is sprake van niet-sterk verontreinigde grond.
In Artikel 5.455.229, vierde lid, onder b, is aangegeven wat onder het begrip ‘grond’ wordt verstaan in deze paragraaf. Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die het heeft in het Besluit bodemkwaliteit.
‘Grond’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit omschreven als vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en maximaal 20% bodemvreemd materiaal, maar geen baggerspecie.
In Artikel 5.455.229, vierde lid, onder c, is het begrip ‘partij’ omschreven. Hieronder wordt in Paragraaf 5.2.11.6 verstaan een hoeveelheid (bodem)materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Hoewel in artikel 1, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit een uitleg wordt gegeven wat in dat besluit en daarop berustende bepalingen als een partij moet worden aangemerkt, moet verder worden gekeken dan dat artikel. In de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn onder andere bepalingen opgenomen over het samenvoegen en splitsen van partijen, deze moeten ook worden meegenomen in de afweging of van een partij sprake is. In de toelichting bij artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit is nader aangegeven wat onder partij wordt verstaan. Daarin zijn ook voorbeelden opgenomen.
WWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.465.230, eerste lid, staat dat de regels over het voorafgaand bodemonderzoek zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving ook gelden voor de activiteit kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Het gaat in eerste instantie om het verrichten van een vooronderzoek bodem (artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de meeste gevallen is een vooronderzoek voldoende. Afhankelijk van de uitkomsten van het vooronderzoek bodem kan het verrichten van verkennend bodemonderzoek (artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving) of een verkennend bodemonderzoek asbest (artikel 5.7c van het Besluit activiteiten leefomgeving) als vervolgstap nodig zijn. Het is belangrijk dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het uitvoeren van het graven kennis heeft van de bodemkwaliteit. Zonder die kennis is het niet mogelijk om grond van verschillende kwaliteiten te herkennen en gescheiden te ontgraven. Hierdoor bestaat het gevaar dat verontreinigde grond zich kan verspreiden.
Artikel 5.465.230, tweede lid, en Artikel 5.465.230, derde lid
Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht, de Wet bodembescherming, eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Dit houdt in dat er gevallen zijn waarin onder de Wet bodembescherming een verkennend bodemonderzoek nodig was, maar volgens het Besluit activiteiten leefomgeving de bodem met alleen een vooronderzoek bodem voldoende is onderzocht, omdat er geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging is.
Voor sommige gebieden binnen de gemeente Haarlemmermeer is het ongewenst om af te zien van het doen van een verkennend bodemonderzoek. In Artikel 5.465.230, tweede lid, en Artikel 5.465.230, derde lid, is daarom opgenomen dat het bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in de gemeente Haarlemmermeer verplicht is om een verkennend bodemonderzoek, volgens de NEN5740 uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Deze zijn met het werkingsgebied ‘verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven’ aangeduid. Het gaat om de volgende gebieden die zijn aangewezen op de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer:
- De openbare weg, met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van BKK-zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer, is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in de openbare weg een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn.
- Sommige gebieden op de bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd door het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit. Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn.
Om een initiatiefnemer niet onnodig te belasten met het doen van onderzoek bij kleinschalig grondverzet, kan een initiatiefnemer ervoor kiezen om in de in Artikel 5.465.230, tweede lid, genoemde gebieden geen verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Als een initiatiefnemer hiervoor kiest, moet bij het uitvoeren van de graafactiviteit aan de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (Paragraaf 5.2.11.7) worden voldaan.
Een verkennend bodemonderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al voldoende informatie heeft. Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van voldoende informatie. Het moet hierbij gaan om recente en voor de graaflocatie relevante en representatieve onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer is dit nader uitgewerkt (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html). In het uitgevoerde vooronderzoek worden deze al beschikbare onderzoeksresultaten beschreven voor zover de initiatiefnemer hierover kan beschikken.
Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur ontbreekt over het algemeen de tijd om een voorafgaand bodemonderzoek uit te voeren. Bij spoedreparaties van vitale ondergrondse infrastructuur moet gedacht worden aan het herstellen van gas- en (drink)waterleidingen bij lekkages of het herstellen van een kabelbreuk in bijvoorbeeld een elektriciteit- of glasvezelkabel.
Bij die spoedreparatie is het niet redelijk om vooraf een bodemonderzoek te verlangen en is het ook vaak niet mogelijk om dit vooraf uit te voeren. Op het uitvoeren van spoedreparaties is wel de specifieke zorgplicht van Artikel 5.5 van dit omgevingsplan van toepassing. Deze zorgplicht betekent dat van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is (of visueel eenvoudig is vast te stellen) dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, moeten de verschillende lagen uit voorzichtigheid gescheiden worden gehouden.
XXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Of het nodig is om een verkennend bodemonderzoek of nader bodemonderzoek (asbest) uit te voeren in aanvulling op het vooronderzoek bodem volgt uit Artikel 5.465.230. Als een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd wordt dit, samen met het vooronderzoek bodem, ten minste één week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag aangeleverd. De gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij het project.
De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden aangeleverd in een digitaal (PDF-) bestand (het gehele rapport van het bodemonderzoek) en een XML-bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem en het grondwater. Een bestandsformaat XML (SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van het bevoegd gezag. In het bodeminformatiesysteem zijn alle bodemgegevens openbaar en door iedereen online te raadplegen.
Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html).
Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur ontbreekt over het algemeen de tijd om een voorafgaand bodemonderzoek uit te voeren. Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur moet gedacht worden aan het herstellen van gas- en (drink)waterleidingen bij lekkages of het herstellen van een kabelbreuk in bijvoorbeeld een elektriciteit- of glasvezelkabel.
Bij die spoedreparatie is het niet redelijk en ook vaak niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren. Op het uitvoeren van spoedreparaties is wel de specifieke zorgplicht van Artikel 5.5 van dit omgevingsplan van toepassing. Deze zorgplicht betekent dat van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is (of visueel eenvoudig is vast te stellen) dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, moeten de verschillende lagen uit voorzichtigheid gescheiden worden gehouden.
YYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.485.232 is de verplichting opgenomen om in het werkingsgebied ‘informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur’ op een locatie in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart of in de openbare weg, met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van BKK-zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer, informatie over de uitgevoerde graafwerkzaamheden te verstrekken als sprake is van afvoer van grond. Het kan hierbij immers gaan om het afvoeren van sterk verontreinigde grond, waarop toezicht gewenst is.
Het verstrekken van gegevens en bescheiden over de uitgevoerde werkzaamheden als sprake is van afvoer van grond, is ook verplicht in gevallen waarin op grond van de voormalige Wet bodembescherming een zogenaamde ernst, niet spoed-beschikking is verleend. Die beschikking betekent dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar dat spoedige sanering niet nodig is. De sanering kan op een natuurlijk moment plaatsvinden, bijvoorbeeld bij herontwikkeling van de locatie.
De gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij het project.
In Artikel 5.485.232 is aangegeven welke gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt. De gegevens en bescheiden bevatten een omschrijving van de werkzaamheden, zoals de begrenzing van de activiteit (in horizontale en verticale richting), de data waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en de aanleiding en het doel van de werkzaamheden.
ZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak van korte duur. Er kunnen meerdere informatie- of meldplichten (voor het uitvoeren van verschillende activiteiten) zijn gedaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie- of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in Artikel 5.495.233 een plicht opgenomen om gegevens en bescheiden, bedoeld in Artikel 5.475.231, op locatie beschikbaar te hebben.
Artikel 5.475.231, tweede lid, onder b, over het verstrekken van de resultaten van een verkennend bodemonderzoek in XML-format (SIKB0101) geldt niet voor het beschikbaar hebben van onderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF-)bestand van het bodemonderzoeksrapport of een geprint exemplaar van het bodemonderzoeksrapport op locatie is voldoende.
AAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.505.234 bepaalt dat partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Doel hiervan is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Soms zal het gescheiden houden op basis van het (voor)onderzoek kunnen plaatsvinden. Bijvoorbeeld men graaft in verschillende te onderscheiden lagen zoals aangeduid op de Bodemkwaliteitskaart, of er is een bodemonderzoek uitgevoerd waaruit het verschil in kwaliteitsklassen kan worden afgeleid. In andere gevallen zal het gescheiden houden zoveel mogelijk op basis van waarneming plaatsvinden, bijvoorbeeld door grondsoorten (van verschillende kwaliteit) gescheiden te houden die visueel waarneembeer van elkaar afwijken. In paragraaf 3.2 van het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html) wordt dit nader toegelicht voor graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (meer dan 25 m3 grondverzet). Deze toelichting in het beleidskader is ook relevant voor kleinschalig graven.
Bij het ontgraven van grond wordt onderscheid gemaakt in partijen van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten. Dit geldt ook bij het terugplaatsen van grond in de bodem. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen.
Bij het ontgraven wordt de grond direct ingedeeld in een kwaliteitsklasse (als dit uit het (voor)onderzoek is af te leiden). De indeling vindt plaats op basis van de kwaliteitsklassen die in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen. Het gaat dan om grond die voldoet aan de kwaliteitsklassen Landbouw/ Natuur, Wonen en Industrie. Bij graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit kan ook matig verontreinigde grond vrijkomen. Op basis van paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving mag deze grond niet (zonder reiniging) worden hergebruikt op een andere locatie.
De partijen die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden, moeten ook bij het tijdelijk opslaan gescheiden worden gehouden (anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin). Tussen de deelpartijen wordt enige afstand aangehouden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht.
BBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.515.235 zijn de eisen opgenomen waaraan voldaan moet worden bij het tijdelijk uitnemen van grond bij het kleinschalig graven. Het doel is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Net als bij de activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (meer dan 25 m3 graafvolume), mag bij kleinschalig graven grond worden teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
De voorwaarden zijn dat de grond zonder te zijn bewerkt, op of nabij het ontgravingsprofiel waar het uit vandaan kwam, en onder dezelfde omstandigheden wordt teruggeplaatst.
Er is geen sprake van terugplaatsen ’onder dezelfde omstandigheden’ als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of andersom) of als grond afkomstig uit de onderlaag wordt teruggeplaatst als toplaag.
Door een bewerking kunnen de fysische of chemische eigenschappen van de grond wijzigen, waardoor het terugbrengen van de bewerkte grond als een nieuwe toepassing moet worden beschouwd. Een uitzondering is gemaakt voor het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen. Als dit uitzeven niet gericht is op het veranderen van de milieuhygiënische kwaliteit, wordt dit niet aangemerkt als een bewerking. Het gaat hierbij vaak om het verwijderen van bodemvreemde bestanddelen zoals puin of afval die om andere dan milieuhygiënische redenen uit de partij wordt verwijderd, voordat deze wordt teruggebracht.
CCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tijdens of na afloop van graven kan het nodig zijn om de grond die bij het graven is vrijgekomen, tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de graafwerkzaamheden weer wordt teruggebracht in de bodem of omdat de grond naar een andere plaats moet worden afgevoerd. Artikel 5.535.237 staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de graafwerkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de graafwerkzaamheden. Het doel is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of het cunet (een uitgraving in een natuurlijke ondergrond) op te slaan. Het is onwenselijk dat de grond langer dan 8 weken is opgeslagen, door mogelijke blootstelling van derden aan een eventuele verontreiniging en mogelijke verspreiding van verontreinigde grond in de omgeving. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie. Voor een korte overschrijding van de termijn kan eventueel een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd waarmee de termijn van 8 weken wordt verlengd.
In Artikel 5.535.237 staan geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Als dit laatste niet het geval is, kunnen maatregelen aan de orde zijn op basis van de specifieke zorgplicht in Artikel 5.5 van dit omgevingsplan. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn wanneer de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een plek met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat bij droge condities voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in afsluitbare containers.
EEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.545.238 komt in de plaats van Artikel 22.127 van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
Paragraaf 5.2.11.7 gaat over de activiteit kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Onder kleinschalig graven wordt verstaan het graven in maximaal 25 m3 bodemvolume. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn alleen regels opgenomen over graven in een bodemvolume van meer dan 25 m3.
Bij kleinschalig graven kan sprake zijn van het tijdelijk uitnemen en na afloop weer terugplaatsen van grond, maar ook van afvoer van grond naar een andere plaats. Het doel van de regels in deze paragraaf is het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het vermengen van partijen grond met verschillende kwaliteitsklassen en grondsoorten.
In deze paragraaf worden regels aan de activiteit verbonden die een minimale belasting voor de initiatiefnemer met zich meebrengen in verhouding tot de verwachte milieu-impact van de activiteit. Bij het stellen van regels is aansluiting gezocht bij de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een bodemvolume van meer dan 25 m3 (zie paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de toelichting daarop). Het is in de meeste gevallen niet goed uit te leggen dat bij het ontgraven van 26 m3 (geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving) het wel van belang is om bepaalde regels te hanteren en bij 24 m3 (kleinschalig graven) niet, zoals regels over het gescheiden houden van kwaliteitsklassen en grondsoorten. Het onderzoek bij kleinschalig graven zal vaker beperkt kunnen blijven tot een vereenvoudigd vooronderzoek bodem en graafwerkzaamheden zonder afvoer van grond in een tuin bij een woning en overige kleine graafwerkzaamheden tot 1 m3 zijn uitgezonderd van de regels over kleinschalig graven. Zie hiervoor de toelichting op Artikel 5.545.238, derde lid, onder b en c.
In aanvulling op de regels in Paragraaf 5.2.11.7 geldt dat voor graven in specifieke gebieden in de gemeente door de hier aanwezige waarden van het gebied (natuur, landschappelijke, cultuurhistorische waarden) of door de aanwezigheid van een leiding dat voor graven in bepaalde gevallen ook nog een omgevingsvergunning is vereist op grond van regels in bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Een overzicht van deze regels wordt opgenomen in Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Haarlemmermeer.
In Artikel 5.545.238, tweede lid, worden handelingen benoemd die ook vallen onder kleinschalig graven.
Zo valt hieronder ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of op een andere plaats wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Tijdelijk opslaan van grond valt ook onder de activiteit kleinschalig graven. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder kleinschalig graven, maar is een wateractiviteit (geregeld in de waterschapsverordening). Daarnaast valt het terugplaatsen van grond na afloop van het tijdelijk uitnemen ook onder de activiteit kleinschalig graven.
In Artikel 5.545.238, derde lid, onder a, is aangegeven dat het uitvoeren van de activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee wordt bedoeld dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Een waterbodem is bijvoorbeeld de bodem van een sloot, rivier of een meer.
In Artikel 5.545.238, derde lid, onder b en c, worden nog meer handelingen genoemd waarvoor de regels voor de activiteit niet gelden. Het gaat om graafwerk (tot een maximum van 25 m3) die in de tuin bij een woning zonder afvoer van grond wordt uitgevoerd. Grond mag op of vlakbij het ontgravingsprofiel worden teruggeplaatst. Als het gaat om graven in tuinen betekent dit dat de grond in de tuin blijft. Het gaat ook om zeer kleine graafwerkjes van minder dan 1 m3 zonder afvoer van grond (zoals bijvoorbeeld voor het herstelwerk van het trottoir of het plaatsen van straatmeubilair). Bij deze graafwerkzaamheden is de moeite van het uitvoeren van een (vereenvoudigd) vooronderzoek te groot voor de risico’s van het graafwerk. De regels voor kleinschalig graven gelden dus niet voor de hier genoemde uitzonderingen. De algemene zorgplicht van artikel 1.7 Omgevingswet is wel van toepassing. In dit artikel van de Omgevingswet is opgenomen dat het verboden is om een activiteit (of het nalaten daarvan) te verrichten als door het verrichten (of nalaten daarvan) aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan.
In Artikel 5.545.238, vierde lid, onder a. is een begripsomschrijving van ‘interventiewaarden bodemkwaliteit’ opgenomen. Hieronder wordt verstaan de waarden als opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De interventiewaarden bodemkwaliteit geven aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd door verontreiniging van de bodem. Bij een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gaat het om sterk verontreinigde grond. Bij een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit is sprake van niet-sterk verontreinigde grond.
In Artikel 5.545.238, vierde lid, onder b, is aangegeven wat onder het begrip ‘grond’ wordt verstaan in Paragraaf 5.2.11.7 Het begrip wordt gebruikt in de betekenis die het heeft in het Besluit bodemkwaliteit.
‘Grond’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit omschreven als vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en maximaal hoogste 20% bodemvreemd materiaal, maar geen baggerspecie.
In Artikel 5.545.238, vierde lid, onder c, staat dat onder ‘partij’ wordt in Paragraaf 5.2.11.7 wordt verstaan een hoeveelheid (bodem)materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Hoewel in artikel 1, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit een uitleg wordt gegeven wat in dat besluit en daarop berustende bepalingen als een partij moet worden aangemerkt, moet verder worden gekeken dan dat artikel. In de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn onder andere bepalingen opgenomen over het samenvoegen en splitsen van partijen, deze moeten ook worden meegenomen in de afweging of van een partij sprake is. In de toelichting bij artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit is nader aangegeven wat onder partij wordt verstaan. Daarin zijn ook voorbeelden opgenomen.
In Artikel 5.545.238, vierde lid, onder d, is een omschrijving van ‘afdeklaag’ opgenomen. Op een locatie kan een afdeklaag zijn aangebracht als onderdeel van een sanering onder de Omgevingswet of een sanering onder de voormalige bodemwetgeving.
FFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.555.239, eerste lid, staat dat de regels over het voorafgaand bodemonderzoek zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden voor de activiteit kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Het gaat in eerste instantie om het verrichten van een vooronderzoek bodem (artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de meeste gevallen is een vooronderzoek voldoende. Afhankelijk van de uitkomsten van het vooronderzoek bodem kan het verrichten van verkennend bodemonderzoek (artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving) of een verkennend bodemonderzoek asbest (artikel 5.7c van het Besluit activiteiten leefomgeving) als vervolgstap nodig zijn. Het is belangrijk dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het uitvoeren van het graven kennis heeft van de bodemkwaliteit. Zonder die kennis is het niet mogelijk om grond van verschillende kwaliteiten te herkennen en gescheiden te ontgraven. Hierdoor bestaat het gevaar dat verontreinigde grond zich kan verspreiden.
Artikel 5.555.239, tweede lid, en Artikel 5.555.239, derde lid
Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht, de Wet bodembescherming, eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Dit houdt in dat er gevallen zijn waarin onder de Wet bodembescherming een verkennend bodemonderzoek nodig was, maar volgens het Besluit activiteiten leefomgeving de bodem met alleen een vooronderzoek bodem voldoende is onderzocht, omdat er geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging is.
Voor sommige gebieden binnen de gemeente Haarlemmermeer is het ongewenst om af te zien van het doen van een verkennend bodemonderzoek. In Artikel 5.555.239, tweede lid, en Artikel 5.555.239, derde lid, is daarom opgenomen dat het bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in de gemeente Haarlemmermeer verplicht is om een verkennend bodemonderzoek, volgens de NEN5740 uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Deze zijn met het werkingsgebied ‘verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven’ aangeduid. Het gaat om de volgende gebieden die zijn aangewezen op de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer:
- De openbare weg, met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van BKK-zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer, is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in de openbare weg een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn.
- Sommige gebieden op de bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd door het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit. Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn.
Om een initiatiefnemer niet onnodig te belasten met het doen van onderzoek bij kleinschalig grondverzet, kan deze ervoor kiezen om in de in Artikel 5.555.239, tweede lid, genoemde gebieden geen verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In het geval een initiatiefnemer hiervoor kiest, moet bij het uitvoeren van de graafactiviteit aan de regels in Paragraaf 5.2.11.7 voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit worden voldaan.
Een verkennend bodemonderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al voldoende informatie heeft. Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van voldoende informatie. Het moet hierbij gaan om recente en voor de graaflocatie relevante en representatieve onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer is dit nader uitgewerkt (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html). In het uitgevoerde vooronderzoek worden deze al beschikbare onderzoeksresultaten beschreven voor zover de initiatiefnemer hierover kan beschikken.
Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur ontbreekt over het algemeen de tijd om een voorafgaand bodemonderzoek uit te voeren. Bij spoedreparaties van vitale ondergrondse infrastructuur moet gedacht worden aan het herstellen van gas- en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk in bijvoorbeeld een elektriciteit- of glasvezelkabel. Bij die spoedreparatie is het niet redelijk om vooraf een bodemonderzoek te verlangen en is het ook vaak niet mogelijk om dit vooraf uit te voeren. Op het uitvoeren van spoedreparaties is wel de specifieke zorgplicht van Artikel 5.5 van dit omgevingsplan van toepassing. Deze zorgplicht betekent dat van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is (of visueel eenvoudig is vast te stellen) dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, moeten de verschillende lagen uit voorzichtigheid gescheiden worden gehouden.
GGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.565.240 komt in de plaats van Artikel 22.128 van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
Ten minste één week voor het begin van de activiteit worden gegevens en bescheiden aangeleverd aan het bevoegd gezag. Dit is alleen nodig als grond wordt afgevoerd of dieper wordt gegraven dan een al aanwezige afdeklaag op de locatie.
De gegevens en bescheiden worden aangeleverd aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij de activiteit. In het eerste lid is aangegeven welke gegevens en bescheiden moeten worden overlegd. De gegevens en bescheiden bestaan uit de resultaten van de onderzoeken die zijn verricht. Daarnaast bestaan de gegevens en bescheiden uit een omschrijving van de werkzaamheden, zoals de begrenzing van de activiteit (in horizontale en verticale richting), de startdatum, de verwachte einddatum, en de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in Artikel 5.645.248, gaan verrichten. Het bevoegd gezag kan op basis hiervan controleren of voor milieukundige begeleiding bij graven een erkenning aanwezig is. Wijzigingen in deze gegevens moeten direct worden doorgegeven aan het bevoegd gezag.
Als op basis van Artikel 5.555.239 een verkennend bodemonderzoek in aanvulling op het vooronderzoek bodem is uitgevoerd wordt dit, samen met het vooronderzoek bodem, ten minste één week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag aangeleverd.
De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden aangeleverd in een digitaal (PDF-) bestand (het gehele rapport van het bodemonderzoek) en een XML-bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem en het grondwater. Een bestandsformaat XML (SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van het bevoegd gezag. In het bodeminformatiesysteem zijn alle bodemgegevens openbaar en door iedereen online te raadplegen.
Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html).
De initiatiefnemer is verplicht om wijzigingen op de gegevens en bescheiden, bedoeld in Artikel 5.565.240, eerste lid, direct aan het bevoegd gezag door te geven. Wijzigingen die aan het bevoegd gezag doorgegeven moeten worden zijn: de begrenzing van het graafwerk, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.
Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur ontbreekt over het algemeen de tijd om een voorafgaand bodemonderzoek uit te voeren. Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur moet gedacht worden aan het herstellen van gas- en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk in bijvoorbeeld een elektriciteit- of glasvezelkabel. Bij die spoedreparatie is het niet redelijk om vooraf een bodemonderzoek te verlangen en is het ook vaak niet mogelijk om dit vooraf uit te voeren. Op het uitvoeren van spoedreparaties is wel de specifieke zorgplicht van Artikel 5.5 van dit omgevingsplan van toepassing. Deze zorgplicht betekent dat van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is (of visueel eenvoudig is vast te stellen) dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, moeten de verschillende lagen uit voorzichtigheid gescheiden worden gehouden.
HHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.575.241 is de verplichting opgenomen om na een spoedreparatie in het werkingsgebied ‘informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur’ op een locatie in een niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart of in de openbare weg, met uitzondering van de openbare weg binnen de bebouwde kom van BKK-zone 1 van de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Haarlemmermeer, informatie over de uitgevoerde graafwerkzaamheden te verstrekken als sprake is van afvoer van grond. Het kan hierbij immers gaan om het afvoeren van sterk verontreinigde grond, waarop toezicht gewenst is.
Het verstrekken van gegevens en bescheiden over de uitgevoerde werkzaamheden als sprake is van afvoer van grond, is ook verplicht in gevallen waarin op grond van de voormalige Wet bodembescherming een zogenaamde ernst, niet spoed-beschikking is vastgesteld. Die beschikking betekent dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar dat spoedige sanering niet nodig is. De sanering kan op een natuurlijk moment plaatsvinden, bijvoorbeeld bij herontwikkeling van de locatie.
De gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij het project.
In Artikel 5.575.241is aangegeven welke gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt. De gegevens en bescheiden bevatten een omschrijving van de werkzaamheden, zoals de begrenzing van de activiteit (in horizontale en verticale richting), de data waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en de aanleiding en het doel van de werkzaamheden.
IIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak van korte duur. Er kunnen meerdere informatie- of meldplichten (voor het uitvoeren van verschillende activiteiten) zijn gedaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie- of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in Artikel 5.585.242 een plicht opgenomen om de gegevens en bescheiden, bedoeld in Artikel 5.565.240, op locatie beschikbaar te hebben.
Artikel 5.565.240, derde lid, onder b, over het verstrekken van de resultaten van een verkennend bodemonderzoek in XML-format (SIKB0101) geldt niet voor het beschikbaar hebben van onderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF-)bestand van het bodemonderzoeksrapport of een geprint exemplaar van het bodemonderzoeksrapport op locatie is voldoende.
JJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor graven in sterk verontreinigde grond was een bepaling opgenomen in de voormalige Regeling uniforme saneringen dat de ontgravingslocatie en buiten de ontgravingslocatie liggende depots moesten zijn omgeven door een hekwerk. Deze bepaling over kleinschalig graven was niet overgenomen in de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Deze eis valt onder de zorgplicht van Artikel 5.5 van dit omgevingsplan. Het doel is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Het is wenselijk dat voor degene die de activiteit verricht (aannemer) duidelijk is wat in het kader van de zorgplicht van hem wordt verwacht. Daarom wordt in Artikel 5.595.243 expliciet geregeld dat een hekwerk wordt geplaatst rondom de ontgravingslocatie, of op een andere manier wordt geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Soms zit er bijvoorbeeld een sloot tussen de openbare weg en de ontgravingslocatie. De sloot vormt dan al een fysieke barrière.
Artikel 5.595.243 is een concretisering van de specifieke zorgplicht waarmee een voormalige bepaling wordt gecontinueerd.
Een afzetting is vooral van belang als degenen die het graven uitvoeren de locatie hebben verlaten en de ontgravingsput of de opslag van uitgenomen grond er onbewaakt bij liggen. Het artikel is erop gericht om te voorkomen dat derden (bijvoorbeeld spelende kinderen) in contact komen met de (sterke) verontreiniging, en om te voorkomen dat (sterk) verontreinigde grond in de omgeving verspreid raakt.
KKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.605.244 bepaalt dat partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten gescheiden worden gehouden. Doel hiervan is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Soms zal het gescheiden houden op basis van het (voor)onderzoek kunnen plaatsvinden. Bijvoorbeeld men graaft in verschillende te onderscheiden lagen zoals aangeduid op de Bodemkwaliteitskaart, of er is een bodemonderzoek uitgevoerd waaruit het verschil in kwaliteitsklassen kan worden afgeleid. In andere gevallen zal het gescheiden houden zoveel mogelijk op basis van waarneming plaatsvinden, bijvoorbeeld door grondsoorten (van verschillende kwaliteit) gescheiden te houden die visueel waarneembeer van elkaar afwijken. In paragraaf 3.3 van het Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet gemeente Haarlemmermeer (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-529356.html) wordt dit nader toegelicht voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (meer dan 25 m3 grondverzet). Deze toelichting in het beleidskader is ook relevant voor kleinschalig graven.
Bij het ontgraven van grond wordt onderscheid gemaakt in partijen van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten. Dit geldt ook bij het terugplaatsen van grond in de bodem. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Bij het ontgraven wordt de grond direct ingedeeld in een kwaliteitsklasse (als dit uit het (voor)onderzoek is af te leiden). De indeling vindt plaats op basis van de kwaliteitsklassen die in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen. Het gaat dan om grond die voldoet aan de kwaliteitsklassen Landbouw/ Natuur, Wonen en Industrie. Bij graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit kan ook matig verontreinigde grond vrijkomen. Op basis van paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving mag deze grond niet (zonder reiniging) worden hergebruikt op een andere locatie.
De partijen die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden, moeten ook bij het tijdelijk opslaan gescheiden worden gehouden (anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin). Tussen de deelpartijen wordt enige afstand aangehouden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht.
LLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.615.245 zijn de eisen opgenomen waaraan voldaan moet worden bij het tijdelijk uitnemen van grond bij het kleinschalig graven.
Net als bij de activiteit graven (meer dan 25 m3 graafvolume) in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in het Besluit activiteiten leefomgeving, mag bij kleinschalig graven, grond worden teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden zijn dat de grond zonder te zijn bewerkt, in het ontgravingsprofiel waar het uit vandaan kwam, en onder dezelfde omstandigheden wordt teruggeplaatst.
Anders dan de zinsnede ‘op of nabij het ontgravingsprofiel’ bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde, laat het criterium ‘in hetzelfde ontgravingsprofiel’ in Artikel 5.615.245, eerste lid, weinig speelruimte.
Er is geen sprake van terugplaatsen ‘onder dezelfde omstandigheden’ als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of andersom) of als grond afkomstig uit de onderlaag wordt teruggeplaatst als toplaag.
Door een bewerking kunnen de fysische of chemische eigenschappen van de grond wijzigen, waardoor het terugbrengen van de bewerkte grond als een nieuwe toepassing moet worden beschouwd. Een uitzondering is gemaakt voor het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen. Als dit uitzeven niet gericht is op het veranderen van de milieuhygiënische kwaliteit, wordt dit niet aangemerkt als een bewerking. Het gaat hierbij vaak om het verwijderen van bodemvreemde bestanddelen zoals puin of afval die om andere dan milieuhygiënische redenen uit de partij wordt verwijderd, voordat deze wordt teruggebracht
MMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.625.246, eerste lid, en Artikel 5.625.246, derde lid
In Artikel 5.625.246, eerste lid, onder a, is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, na het tijdelijk uitnemen, niet wordt teruggebracht in de bodem. De interventiewaarde bodemkwaliteit geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd door verontreiniging van de bodem.
In Artikel 5.625.246, eerste lid, onder a wordt uitgegaan van de interventiewaarde bodemkwaliteit voor de vaste bodem. Door het benoemen van de specifieke mobiele stoffen (zie de tabel in Artikel 5.625.246, derde lid) wordt duidelijkheid aan de initiatiefnemer gegeven wanneer sprake is van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. De in de tabel opgenomen stoffen zijn de meest voorkomende mobiele stoffen in stedelijke omgeving.
Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen van de grond in de bodem niet gewenst is door verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan het gaan om bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH-waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde bodemkwaliteit of signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In Artikel 5.625.246, eerste lid, onder b, is bij aanwezigheid van PFAS aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging. De INEV’s zijn afkomstig van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS-verontreiniging boven de opgenomen waarden wordt teruggeplaatst door de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid.
De aard van de verontreinigingen bepaalt in samenhang met de aanwezige bodemopbouw en -samenstelling of er sprake is van een mobiele of immobiele verontreinigingssituatie. Onder de oude systematiek (de Circulaire bodemsanering 2013) werd een verontreiniging mobiel genoemd als deze zich kan verplaatsen door het grondwater en onder invloed van de grondwaterstroming. Een verontreiniging werd immobiel genoemd als de verontreiniging zich niet of nauwelijks verspreidt omdat de stof gebonden is aan de bodemdeeltjes. Dit onderscheid wordt ook in dit omgevingsplan gehanteerd.
In Artikel 5.625.246, eerste lid, onder a, staat dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit niet wordt teruggeplaatst in de bodem. Maar uit een grondwateronderzoek kan blijken dat de stof in de specifieke omstandigheden op de locatie toch niet (erg) mobiel is. Dit kan bijvoorbeeld komen door de bodemopbouw. Om die reden is in Artikel 5.625.246, tweede lid, opgenomen dat als uit een grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit activiteiten leefomgeving, niet worden overschreden voor deze stoffen, Artikel 5.625.246, eerste lid, onder a, niet van toepassing is.
NNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.635.247 komt in de plaats van Artikel 22.129 van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
Tijdens of na afloop van graven kan het nodig zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de graafwerkzaamheden weer wordt teruggebracht in de bodem of omdat de grond naar een andere plaats moet worden afgevoerd. Artikel 5.635.247 staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal 8 weken na het beëindigen van de graafwerkzaamheden. Het doel is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen. De periode van 8 weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan 8 weken na het dichten van de ontgravingsput of het cunet (een uitgraving in een natuurlijke ondergrond) op te slaan. Het is onwenselijk dat de grond langer dan 8 weken is opgeslagen, door mogelijke blootstelling van derden aan een eventuele verontreiniging en mogelijke verspreiding van verontreinigde grond in de omgeving. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie. Voor een korte overschrijding van de termijn kan eventueel een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd waarmee de termijn van 8 weken wordt verlengd.
In Artikel 5.635.247 staan geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Als dit laatste niet het geval is, kunnen maatregelen aan de orde zijn op basis van de specifieke zorgplicht in Artikel 5.5 van dit omgevingsplan. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn wanneer de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een plek met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat bij droge condities voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in afsluitbare containers.
OOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit komt vaak voor. Ook bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit moet gewerkt worden conform de normdocumenten BRL SIKB 6000 en BRL SIKB 7000. Artikel 5.645.248 komt in de plaats van Artikel 22.130 van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
Artikel 5.645.248 regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Het doel is het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen. Milieukundige begeleiding is nodig als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag, zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag.
De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.
Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet nodig. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.
PPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 5.2.11.8 gaat over locaties waarop een beschikking rust die is vastgesteld onder de voormalige Wet bodembescherming. Het gaat om een beschikking waarbij is bepaald dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar niet van spoed om te saneren. Als op een dergelijke locatie een activiteit plaatsvindt, kunnen er eisen worden gesteld ten aanzien van het verwijderen van de aanwezige bodemverontreiniging of het zorgvuldig omgaan daarmee. Artikel 5.665.250 komt in de plaats van Artikel 22.131 van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
RRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die op de locatie, bedoeld in Artikel 5.665.250, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van Artikel 5.675.251. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming. Artikel 5.675.251 komt in de plaats van Artikel 22.132 van de Bruidsschat dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan.
Artikel 5.675.251 gaat over zogenoemde ernst, niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking ernst, niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming. Ook is overgangsrecht van toepassing op een ernst, niet-spoedlocatie, als een saneringsplan is ingediend. Zie de artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet bodem.
Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als ernst, niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen. Die besluiten regelen ook de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak (in geval van een mobiele verontreiniging) aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.
Artikel 5.675.251 heeft een tweeledig doel. Ten eerste is het doel om de in het verleden beschikte ernst, niet spoed-locaties, die niet allemaal onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen.
Ten tweede is het doel om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is. Het is mogelijk om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of te beperken. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.
Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater.
SSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen over het toepassen van bouwstoffen. Deze gelden ook bij het toepassen van staalslakken of het stabiliseren van de bodem door het maken van een stabilisaat in de bodem. Hierbij gaat het immers ook om het toepassen van bouwstoffen. In aanvulling op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving is voor beide activiteiten een meldplicht opgenomen. Het toepassen van bouwstoffen omvat zowel het aanbrengen als het daarna aangebracht houden van bouwstoffen.
In aanvulling op de regels in Paragraaf 5.2.11.9 geldt dat voor graven in specifieke gebieden in de gemeente door de hier aanwezige waarden van het gebied (natuur, landschappelijke, cultuurhistorische waarden) of door de aanwezigheid van een leiding dat voor graven in bepaalde gevallen ook nog een omgevingsvergunning is vereist op grond van regels in bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Een overzicht van deze regels wordt opgenomen in Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Haarlemmermeer.
De bepalingen van paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving blijven van toepassing zo lang de bouwstoffen in de functionele toepassing, waarin deze zijn aangebracht, aanwezig blijven.
De begripsbepalingen in Paragraaf 5.2.11.9 zijn aanvullend op de begripsbepalingen in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving).
In artikel 4.1257, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het begrip partij geduid als: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.
Aandachtspunt is artikel 4.1257, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving dat de regels steeds van toepassing zijn op een partij bouwstoffen, tenzij anders is bepaald. Door dit eenmalig te regelen kan de toevoeging ‘van een partij bouwstoffen’ in veel artikelen van paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden weggelaten. Als een regel niet behoort te gelden voor een afzonderlijke partij, is dat niet steeds expliciet aangegeven. Dit is ook niet altijd mogelijk. De activiteit ‘toepassen van bouwstoffen’ kan zowel om het toepassen van een afzonderlijke partij als om het toepassen van meerdere partijen gaan. Uit de formulering van de artikelen van de paragraaf is wel steeds duidelijk of een regel voor een afzonderlijke partij geldt of voor meerdere partijen.
In dit omgevingsplan ziet de meldplicht zowel op de melding van de toepassing in zijn geheel (Artikel 5.695.253, tweede lid, onderdelen a tot en met i, en Artikel 5.705.254, derde lid, onderdelen a tot en met i), als op vervolgmeldingen per partij (dezelfde artikelen, onderdelen a en c).
Een ander relevant begrip bij het toepassen van bouwstoffen is het begrip ‘werk’. Dit is in artikel 4.1257, derde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving omschreven als: infrastructuur, waaronder bouwwerken, of het resultaat van een andere functionele toepassing van bouwstoffen. Het begrip ‘werk’ is een breed begrip dat functionele toepassingen van bouwstoffen dekt. In de omschrijving van het werk zijn naast overige functionele toepassingen, de begrippen bouwwerk en infrastructuur opgenomen, beiden omschreven in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat bijvoorbeeld om dijken, viaducten, (spoor)wegen of geluidswallen. Een belangrijke eigenschap van een werk is dat het een functioneel karakter moet hebben. De situaties waarin geen bouwstoffen mogen worden toegepast zijn geregeld in artikel 4.1260, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor de begripsomschrijving van ‘bouwstof’ wordt verwezen naar artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Het begrip ‘bouwstof’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit omschreven als een materiaal dat is bestemd om te worden toegepast waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of en aluminium samen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie. Het gaat om steenachtig materiaal.
Bindmiddelen zoals kalk, cement en gips worden aan de bodem toegevoegd om een stabielere bodem te creëren. Samen met de aanwezige grond wordt een nieuwe bouwstof gemaakt, het stabilisaat. Deze nieuwe bouwstof moet voldoen aan de eisen die worden gesteld aan een bouwstof, zoals de eis van een milieuverklaring bodemkwaliteit.
Staalslak is een bijproduct van de staalproductie dat in gestolde vorm steenachtig is. Het gaat om:
- Hoogovenslak, dit is slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven; en
- LD-staalslak, dit is slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz.
Om deze te kunnen gebruiken als bouwstoffen worden staalslakken geleverd met een milieuverklaring bodemkwaliteit op grond van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, die wordt gebruikt om de kwaliteit van de staalslakken aan te tonen. Vaak is dit een erkende kwaliteitsverklaring op basis van Beoordelingsrichtlijn (BRL) 9310 of BRL 9345. Een beoordelingsrichtlijn is een document waarin de relevante eisen en voorschriften zijn opgenomen die van toepassing zijn op een product en/of een proces en beschrijft de manier waarop certificatie-instellingen toetsen of een organisatie voldoet aan de technische eisen voor het behalen of behouden van een certificaat. Een beoordelingsrichtlijn geeft de producteisen aan die worden gesteld aan bouwstoffen en stelt eisen aan het door de producent te hanteren kwaliteitssysteem bij de productie ervan.
TTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.695.253, eerste lid, bepaalt dat het toepassen van staalslakken gemeld moet worden. De reden hiervoor is dat bij het toepassen van staalslakken mogelijk nadelige effecten op de fysieke leefomgeving kunnen ontstaan, zoals een verhoging van de pH-waarde in grondwater of oppervlaktewater. Er zijn ook bouwstoffen met 5-20% staalslak zoals hydraulisch menggranulaat. Deze vallen niet onder de meldplicht voor het toepassen van staalslakken, omdat de genoemde mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant is. Bij staalslakken of bouwstoffen met meer dan 20 gewichtsprocenten staalslakken kunnen die nadelige effecten wel aan de orde zijn. De meldplicht bevat onder meer het indieningsvereiste dat beschreven moet worden welke voorzieningen en maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden toegepast (Artikel 5.695.253, tweede lid, onder h).
Deze meldplicht, waaraan vier weken voor de start van de activiteit moet worden voldaan, is nodig om het bevoegd gezag voldoende gelegenheid te geven om de bij de melding verstrekte informatie te beoordelen en zo nodig een controle in te plannen. Eventueel kan het bevoegd gezag (bij voorkeur voorafgaand aan de toepassing) een maatwerkvoorschrift stellen op grond van artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Op basis van de gegevens bij de melding is het bevoegd gezag in de gelegenheid om toepassingen met staalslakken te registreren. Bij eventuele (onvoorziene) nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, zoals een verhoogde zuurgraad van het oppervlaktewater met dode vissen tot gevolg, kan dan eerder de relatie worden gelegd met de toepassing en kunnen de te nemen maatregelen daarop worden afgestemd. Zo nodig kan alsnog een maatwerkvoorschrift door het bevoegd gezag worden gesteld ter invulling van de zorgplicht in Artikel 5.5.
Artikel 5.695.253, tweede lid, onder a en b: Informatie over de verwachte data waarop het toepassen zal beginnen en eindigen is van belang voor het houden van fysiek toezicht. Het bevoegd gezag kan langsgaan op de locatie waar het werk wordt gerealiseerd.
Artikel 5.695.253, tweede lid,onder c, schrift een milieuverklaring voor. Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit, die is afgegeven op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, volgt onder meer informatie over de kwaliteit van de toe passen staalslakken.
Informatie over de herkomst van de staalslakken geeft inzicht waar deze bouwstof is geproduceerd en is nodig voor de ketenhandhaving (Artikel 5.695.253, tweede lid, onder d). Als deze informatie is opgenomen in de milieuverklaring, dan voldoet het verstrekken van de milieuverklaring.
Het is van belang dat bekend is hoeveel staalslakken in totaal in het werk wordt toegepast (Artikel 5.695.253, tweede lid, onder e). Zo kan het bevoegd gezag beoordelen of sprake is van een functionele toepassing, die voldoet aan de eis van functionele hoeveelheid (artikel 4.1261 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Ook kan zij haar toezichtcapaciteit afstemmen op de omvang van de toepassing. Het toepassen kan eventueel in fasen plaatsvinden, maar de hoeveelheid van al deze fasen samen moet bekend zijn.
Ook de dimensionering moet worden gemeld (Artikel 5.695.253, tweede lid, onder f). Hieruit kan worden opgemaakt of er inderdaad sprake is van een functionele toepassing en niet meer staalslakken wordt toepast dan noodzakelijk is voor het realiseren van de functionele toepassing (artikel 4.1261 van het Besluit activiteiten leefomgeving).
In de melding wordt volgens Artikel 5.695.253, tweede lid, onder g, aangegeven welke functionele toepassing (werk) wordt gerealiseerd met een onderbouwing waarom de initiatiefnemer de toepassing als functioneel ziet (zoals bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Het gaat bij de onderbouwing om de vraag of de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats of onder de omstandigheden waar deze plaatsvindt. Veelal is het realiseren van een functionele toepassing het gevolg van een ruimtelijk besluit, zoals bij de aanleg van een weg.
In artikel 2.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn algemene gegevens opgenomen die steeds bij het verstrekken van gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd. Daarin is al opgenomen dat het adres waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt verricht moet worden verstrekt. Locaties waar bouwstoffen worden toegepast, bevinden zich vaak in het buitengebied en hebben niet altijd een adres. Daarom zullen in aanvulling daarop de coördinaten van de ontvangende landbodem moeten worden verstrekt (Artikel 5.695.253, tweede lid, onder h). Mocht van de ontvangende landbodem het adres vermeld zijn, dan kunnen de coördinaten achterwege worden gelaten.
De informatie over de locatie waar de bouwstoffen zullen worden toegepast stelt het bevoegd gezag in staat zich een beeld vormen of de voorgenomen toepassing van bouwstoffen op de beoogde locatie is toegestaan. Het kan bijvoorbeeld niet toegestaan zijn bepaalde bouwstoffen toe te passen als in het omgevingsplan de functie natuurgebied of grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen. De omgevingsverordening van de provincie kan beperkingen opleggen aan het toepassen van bouwstoffen.
Voor de toelichting bij Artikel 5.695.253, tweede lid, onder h, wordt verwezen naar de toelichting bij Artikel 5.695.253, tweede lid.
In een werk kunnen verschillende partijen staalslakken worden toegepast. Een volledige melding is niet vereist als al eerder een melding is gedaan voor de functionele toepassing waarin de staalslakken worden toegepast. Dezelfde gegevens hoeven niet iedere keer opnieuw te worden gemeld als in het kader van dezelfde functionele toepassing meerdere partijen staalslakken worden toegepast. Er kan dan worden volstaan met specifieke informatie die op die partijen betrekking heeft, zoals opgenomen in het tweede lid onder a (start van de toepassing) en c (milieuverklaring).
Als het toepassen op een andere manier wordt gedaan dan in de melding is aangegeven moet dit tenminste een week voorafgaand aan die wijziging worden gemeld. Zo kan het bevoegd gezag onder meer beoordelen of nog steeds sprake is van een functionele toepassing en een functionele hoeveelheid.
UUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.705.254, eerste lid, bepaalt dat grondstabilisatie gemeld moet worden. Grondstabilisatie is het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat door het toevoegen van bindmiddelen aan de bodem. De reden voor een meldplicht is dat deze activiteit nadelige effecten op de fysieke leefomgeving kan hebben, zoals een verhoging van de pH-waarde in grondwater of oppervlaktewater. De meldplicht bevat onder meer het indieningsvereiste dat beschreven moet worden welke voorzieningen en maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de toepassing de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloedt of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht.
Het stabiliseren van de bodem van locaties met een oppervlakte van minder dan 1000 m2 valt niet onder de meldplicht voor het stabiliseren van de bodem, omdat de mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant zijn. De specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is onverminderd van toepassing.
Informatie over de verwachte data waarop het toepassen zal beginnen en eindigen is van belang voor het houden van fysiek toezicht (Artikel 5.705.254, derde lid, onder a en b). Het bevoegd gezag kan langsgaan op de locatie waar het werk wordt gerealiseerd.
Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit, die is afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit, volgt onder meer informatie over de kwaliteit van het toe passen stabilisaat (Artikel 5.705.254, derde lid, onder c).
Voor het kunnen beoordelen van de toepassing is het nodig om de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen te verstrekken aan het bevoegd gezag (Artikel 5.705.254, derde lid, onder d).
Voor het kunnen beoordelen van de toepassing is het nodig om de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast te verstrekken aan het bevoegd gezag (Artikel 5.705.254, derde lid, onder e).
Ook de dimensionering moet worden gemeld (Artikel 5.705.254, derde lid, onder f). Hieruit kan worden opgemaakt of er inderdaad sprake is van een functionele toepassing en niet meer stabilisaat wordt toepast dan noodzakelijk is voor het realiseren van de functionele toepassing (artikel 4.1261 van het Besluit activiteiten leefomgeving).
In de melding wordt aangegeven welke functionele toepassing (werk) wordt gerealiseerd met een onderbouwing waarom de initiatiefnemer de toepassing als functioneel ziet (Artikel 5.705.254, derde lid, onder g). Het gaat bij de onderbouwing om de vraag of de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats of onder de omstandigheden waar deze plaatsvindt. Veelal is het realiseren van een functionele toepassing het gevolg van een ruimtelijk besluit.
In artikel 2.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn algemene gegevens opgenomen die steeds bij het verstrekken van gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd. Daarin is al opgenomen dat het adres waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt verricht moet worden verstrekt. Locaties waar bouwstoffen worden toegepast, bevinden zich vaak in het buitengebied en hebben niet altijd een adres. Daarom zal in aanvulling daarop de coördinaten van de ontvangende landbodem moeten worden verstrekt (Artikel 5.705.254, derde lid, onder h). Mocht van de ontvangende landbodem het adres vermeld zijn, dan kunnen de coördinaten achterwege worden gelaten.
De informatie over de locatie waar de bouwstoffen zullen worden toegepast stelt het bevoegd gezag in staat zich een beeld vormen of de voorgenomen toepassing van bouwstoffen op de beoogde locatie is toegestaan. Het kan bijvoorbeeld niet toegestaan zijn bepaalde bouwstoffen toe te passen als in het omgevingsplan de functie natuurgebied of grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen. De omgevingsverordening van de provincie kan beperkingen opleggen aan het toepassen van bouwstoffen.
Zie de toelichting bij Artikel 5.695.253, eerste lid, voor Artikel 5.705.254, derde lid, onder i. De toelichting bij Artikel 5.695.253, eerste lid, over mogelijke nadelige effecten, geldt vergelijkbaar voor grondstabilisatie.
In een werk kunnen verschillende partijen bindmiddelen worden toegepast. Een volledige melding is niet vereist als al eerder een melding is gedaan voor de functionele toepassing als geheel. Dezelfde gegevens hoeven niet iedere keer opnieuw te worden gemeld als in het kader van dezelfde functionele toepassing meerdere partijen worden toegepast. Er kan dan worden volstaan met specifieke informatie die op die partijen betrekking heeft, zoals opgenomen in het Artikel 5.705.254, derde lid, onder a, (start van de toepassing) en Artikel 5.705.254, derde lid, onder c, (milieuverklaring).
Als het toepassen op een andere manier wordt gedaan dan in de melding is aangegeven moet dit tenminste een week voorafgaand aan die wijziging worden gemeld. Zo kan het bevoegd gezag onder meer beoordelen of nog steeds sprake is van een functionele toepassing en een functionele hoeveelheid.
VVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.715.255, eerste lid, is aangesloten op artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij iedere melding die wordt gedaan worden een aantal algemene gegevens verstrekt. Er is aansluiting gezocht bij de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij een aanvraag voor een beschikking worden gevraagd. In plaats van de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd, gaat het bij het melden van een activiteit om een aanduiding van welke activiteit er zal worden verricht. In Artikel 5.715.255, eerste lid, onder a, wordt dus gevraagd om de activiteit die moet worden gemeld. Ook de plek waar de activiteit wordt uitgevoerd moet worden verstrekt (Artikel 5.715.255, eerste lid, onder b). Daarnaast is ter identificatie van belang de naam en het adres van degene die de activiteit verricht. Een melding is pas compleet als alle gegevens die worden gevraagd zijn verstrekt.
In Artikel 5.715.255, tweede lid, is aangesloten op de inhoud van artikel 2.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Een locatiewijziging of naam- of adreswijziging worden doorgegeven aan het bevoegd gezag 4 weken vóórdat met de activiteit wordt gestart.
WWWWWWWWW
Na sectie ' Gegevens bij een melding' worden twee secties ingevoegd, luidende:
Regels in paragraaf 5.2.12.2 gaan voor op andere regels in het omgevingsplan, behalve als die andere regels in afdeling 5.2.1 (beschermingsgebieden) of in afdeling 5.2.7 (externe veiligheid) staan.
De gegevens in de tabel zijn ontleend aan de website www.noord-holland.molenbiotoop.nl (Molenbiotoopinventarisatie Noord-Holland)
XXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.112.1 bepaalt het toepassingsbereik van Hoofdstuk 1112. Hierin staan algemene overgangsbepalingen. Als in een ander hoofdstuk van het omgevingsplan een specifieke overgangsbepaling staat die afwijkt van de algemene overgangsbepalingen, gaat het specifieke overgangsrecht voor.
YYYYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.312.3 bepaalt dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan de beslissing wordt genomen met toepassing van de regels zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist. Dat is in lijn met de jurisprudentie, die bepaalt dat bij het nemen van een besluit op aanvraag in beginsel het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt (ECLI:NL:RVS:2020:2619, ECLI:NL:RVS:2023:2505). Artikel 11.312.3 geldt ook voor aanvragen voor andere besluiten op grond van dit omgevingsplan, zoals een ontheffing. Een dergelijk besluit zal, gelet op het instrumentarium dat de Omgevingswet voor het omgevingsplan biedt, de vorm krijgen van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. Het eerste lid is daarop ook dan van toepassing.
AAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.412.4 bevat overgangsrecht voor het geval dat er door inwerkingtreding van een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe vergunningplicht ontstaat. Het artikel heeft betrekking op activiteiten die zonder omgevingsvergunning of ontheffing onafgebroken rechtmatig werden uitgeoefend op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en waarvoor als gevolg van die wijziging een vergunningplicht is gaan gelden. Die vergunningplicht kan inhouden een in het omgevingsplan opgenomen verbod om zonder omgevingsvergunning de betreffende activiteit te verrichten. De vergunningplicht kan ook bestaan uit de vergunningplicht voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die is ontstaan door het stellen van bijvoorbeeld nieuwe algemene regels, waardoor de betreffende activiteit in strijd is gekomen met het omgevingsplan.
Voor zover er sprake is van voortzetting van dezelfde activiteit geldt van rechtswege een omgevingsvergunning. Die omgevingsvergunning van rechtswege is tijdelijk, en geldt voor de duur van twee jaar. Hiermee volgt het omgevingsplan een soortgelijke overgangsrechtelijke bepaling, opgenomen in artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet. Net zoals daar het geval is, geldt wel als voorwaarde dat de activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die vergunningplicht.
Deze lijn geldt ook, als niet een gehele activiteit, maar alleen een onderdeel daarvan vergunningplichtig zou worden. Voor dat gedeelte geldt dan ook van rechtswege, voor een termijn van twee jaar, een omgevingsvergunning.
Artikel 11.412.4, tweede lid, bepaalt dat de in Artikel 11.412.4, tweede lid, bedoelde omgevingsvergunning van rechtswege vervalt indien de vergunningplichtige activiteit, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde nieuwe vergunningplicht, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.
BBBBBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.712.9 voorziet in overgangsrecht voor handhavingsbesluiten. De strekking ervan is dat als op een bestuurlijke sanctie ter uitvoering of handhaving van regels die nadien zijn gewijzigd, het recht zoals dat luidde voor de wijziging op die bestuurlijke sanctie van toepassing blijft tot het tijdstip waarop:
a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;
b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of
c. als de beschikking gaat om oplegging van een last onder dwangsom:
1. de last volledig is uitgevoerd;
2. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of
3. de last is opgeheven.
EEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van Artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in Artikel 22.28, eerste lid, en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295.
De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.
Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).
Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.
Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van Artikel 22.28, Artikel 22.38, Artikel 22.276, Artikel 22.277, Artikel 22.279 tot en met Artikel 22.282 en Artikel 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in Artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in Artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.
FFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van Artikel 22.29, eerste lid, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is Paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.
De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.
Onderdeel c
[Vervangen door Artikel 5.115.137.]
GGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.115.137.]
HHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in Artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.
Onde rdeel j
JJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in Artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van Artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van Artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.
Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
Tweede lid, onderdeel b
Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.
KKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.295.213.]
LLLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.305.214.]
MMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.545.238.]
NNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.565.240.]
OOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.635.247.]
PPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.645.248.]
QQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.665.250.]
RRRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervangen door Artikel 5.675.251.]
/join/id/pubdata/gm0394/2026/7abf02b27a5c404ea8cd77442c4b5730/nld@2026‑06‑18;11434952
Kopieer de link naar uw clipboard
https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-313281.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.