Toevoeging paragraaf 4.9 Musea 2025-2028 aan de Subsidieregelingen 2024

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;

 

Gelet op de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening 2020 gemeente Súdwest-Fryslân;

 

besluit:

 

vast te stellen de Subsidieregeling Musea 2025-2028 en deze als paragraaf 4.9 toe te voegen aan de Subsidieregelingen 2024.

 

 

 

Artikel 4.9.1 Begripsbepalingen

  • a.

    aanvrager: een in de gemeente Súdwest-Fryslân gevestigd museum;

  • b.

    bezoeker: een (terugkerend) persoon die het museumgebouw betreedt met als doel een tentoonstelling te bezoeken of een andere activiteit bij te wonen die door het museum wordt georganiseerd. Deze activiteit moet passen bij de statutaire doelstelling van het museum;

  • c.

    exploitatielasten: de kosten die zijn gemaakt om de bedrijfsopbrengsten van activiteiten te realiseren die passen bij de statutaire doelstelling van het museum, te weten de inkoopwaarde van de omzet, de arbeidskosten, de afschrijvingen op vaste activa en de overige bedrijfskosten;

  • d.

    groot museum: een museum waarbij de exploitatielasten voor het jaar 2023 € 100.000 of meer zijn;

  • e.

    haalbaarheidsscan: analyse naar de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een museumregistratie;

  • f.

    klein museum: een museum waarbij de exploitatielasten voor het jaar 2023 minder dan € 100.000 zijn;

  • g.

    museum: permanente instelling zonder winstoogmerk, in dienst van de samenleving, gericht op het onderzoeken, verzamelen, bewaren, interpreteren en tentoonstellen van materieel en immaterieel erfgoed. Musea zijn openbaar, toegankelijk en inclusief en bevorderen diversiteit en duurzaamheid. Ze werken en communiceren ethisch, professioneel en met participatie van gemeenschappen. Musea bieden een verscheidenheid aan ervaringen met het oog op educatie, genoegen, reflectie en kennisuitwisseling.

  • h.

    museumcommissie: door het college ingestelde commissie die het college adviseert over de beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen;

  • i.

    museumregistratie: inschrijving bij Stichting Museumregister Nederland.

 

 

 

Artikel 4.9.2 Welke activiteiten

  • 1.

    Het college kan een aanvrager een jaarlijkse subsidie verlenen voor de exploitatie en ontwikkeling van een museum. Deze subsidie bestaat uit:

    • a.

      onderdeel A: basisbedrag per aanvrager;

    • b.

      onderdeel B: bedrag op basis van bezoekersaantallen in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd;

    • c.

      onderdeel C: bedrag op basis van de exploitatielasten in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd.

  • 2.

    Het college kan een aanvrager voor de periode 2025 tot en met 2028 een vierjaarlijkse subsidie verlenen voor het uitvoeren van plannen en ambities die passen binnen de uitgangspunten van de nota Museumbeleid 2022 en verder (onderdeel D).

 

Artikel 4.9.3 Procedurebepalingen

Jaarlijkse subsidie (Onderdelen A, B en C)

  • 1.

    Aanvragen voor Onderdelen A, B en C moeten voor 1 november in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar zijn ingeleverd.

  • 2.

    Aanvragen voor Onderdelen A, B en C worden direct vastgesteld.

Vierjaarlijkse subsidie (Onderdeel D)

  • 3.

    Aanvragen voor de Onderdeel D moeten voor 1 mei 2024 zijn ingeleverd.

  • 4.

    Alleen aanvragen die naar het oordeel van het college volledig zijn, worden door het college beoordeeld. Een wijziging of aanvulling van een ingediende aanvraag, die na 1 mei 2024 wordt ingediend, wordt niet bij de beoordeling betrokken, tenzij artikel 4.9.7, lid 6, of artikel 4.9.7, lid 7, van toepassing is.

  • 5.

    Aanvragen voor Onderdeel D moeten jaarlijks voor 1 juni tussentijds worden verantwoord. Deze tussentijdse verantwoording bestaat uit een inhoudelijk en financieel verslag over het voorgaande jaar waaruit blijkt wat de voortgang van de uitvoering van de plannen en ambities is. Indien een aanvrager per jaar € 100.000 of meer subsidie ontvangt, moet de tussenverantwoording ook bestaan uit een accountantsverklaring. Het gaat hier om een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant als bedoeld in artikel 393, lid 1, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 6.

    De eindverantwoording voor onderdeel D moet uiterlijk 1 juni 2029 zijn ingeleverd. Deze eindverantwoording bestaat uit een inhoudelijk en financieel verslag over de periode 2025-2028. Het inhoudelijk en financieel verslag gaat in op de uitgevoerde ambities en de mate waarin invulling is gegeven aan de in artikel 4.9.4, lid 4, opgenomen criteria. Indien een aanvrager per jaar € 100.000 of meer subsidie ontvangt, moet de eindverantwoording ook bestaan uit een accountantsverklaring. Het gaat hier om een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant als bedoeld in artikel 393, lid 1, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. 

  • 7.

    Het college stelt een museumcommissie in die tot taak heeft het college te adviseren over de verlening en vaststelling van Onderdeel D.

  • 8.

    Het college stelt voor de museumcommissie een reglement vast.

Algemeen (Onderdelen A, B, C en D)

  • 9.

    Indien een aanvrager per jaar € 100.000 of meer subsidie ontvangt, moet deze bij de aanvraag een accountantsverklaring meesturen over het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd. Het gaat hier om een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant als bedoeld in artikel 393, lid 1, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 10.

    De accountantsverklaring bedoeld in lid 9 moet voor 1 november in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zijn ingeleverd.

  •  

Artikel 4.9.4 Voorwaarden

  • 1.

    De aanvrager komt voor de subsidie voor de Onderdelen A, B of C in aanmerking indien de aanvraag is voorzien van:

    • a.

      de museumregistratie;

    • b.

      een beschrijving van de museumactiviteiten inclusief een overzicht van bezoekersaantallen van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvraag wordt gedaan;

    • c.

      een begroting en dekkingsplan;

    • d.

      een afschrift van de meest recente jaarrekening.

  • 2.

    De aanvrager komt voor subsidie voor Onderdeel D in aanmerking indien de aanvraag is voorzien van:

    • a.

      de museumregistratie;

    • b.

      een beleidsplan voor de periode 2025-2028 waarin de plannen en ambities van het museum staan;

    • c.

      een meerjarenbegroting voor de periode 2025-2028 waarin de plannen en ambities van het museum staan.

  • 3.

    De subsidie voor Onderdeel D is:

    • a.

      voor een aanvrager die valt onder de categorie kleine musea maximaal 25% van de exploitatielasten van het jaar 2023 tot maximaal € 15.295;

    • b.

      voor een aanvrager die valt onder de categorie grote musea maximaal 20% van de exploitatielasten van het jaar 2023 tot maximaal € 211.179.

  • 4.

    Een aanvrager komt voor subsidie voor Onderdeel D in aanmerking indien het museum naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt aan:

    • a.

      het vertellen van het verhaal van Súdwest-Fryslân en de ondersteunende rol van de collectie hierin (het criterium verhaal);

    • b.

      het verbeteren van de inhoudelijke-artistieke kwaliteit van het museum (het criterium inhoudelijke-artistieke kwaliteit);

    • c.

      het vergroten van gezondheid en vitaliteit van inwoners uit de gemeente (het criterium gezondheid).

  • 5.

    De in lid 4 opgenomen criteria zijn nader uitgewerkt in de Bijlage bij deze regeling.

  • 6.

    Indien de aanvrager niet over een museumregistratie beschikt, overlegt de aanvrager bij de aanvraag een door hem getekende verklaring waarin de aanvrager de intentie uitspreekt binnen de periode 2025-2028 de museumregistratie te behalen. De aanvrager onderbouwt de intentie met een door de Museumfederatie Fryslân uitgevoerde haalbaarheidsscan.

  •  

Artikel 4.9.5 Budget

  • 1.

    Het budget voor de jaren 2025 tot en met 2028 is in totaal € 1.147.218 per jaar exclusief eventuele indexatie.

  • 2.

    Het budget voor de jaarlijkse subsidie (Onderdelen A, B en C) is € 581.034 per jaar.

  • 3.

    Voor het budget voor de jaarlijkse subsidie geldt de volgende onderverdeling:

    • a.

      Onderdeel A: € 38.664

    • b.

      Onderdeel B: € 80.550

    • c.

      Onderdeel C: € 461.820

  • 4.

    Het budget voor de vierjaarlijkse subsidie (Onderdeel D) is € 566.184 per jaar.

  • 5.

    Voor het budget voor de vierjaarlijkse subsidie geldt de volgende onderverdeling in categorieën:

    • a.

      grote musea: € 527.947

    • b.

      kleine musea: € 38.237

  • 6.

    Mocht het deelbudget voor de categorie kleine musea niet volledig worden toegekend, dan wordt dit budget toegevoegd aan het deelbudget voor de categorie grote musea.

 

Artikel 4.9.6 Verdeling Onderdeel A, B en C

  • 1.

    Het college verdeelt het budget voor onderdeel A naar rato over de aanvragers.

  • 2.

    Het college verdeelt het budget voor onderdeel B naar rato over de aanvragers op basis van de onderstaande puntenscore per aantal bezoekers. Het college vermeldt in de besluiten op de aanvragen voor Onderdeel B van elke aanvrager het aantal bezoekers en de toegekende puntenscore.

     

    Aantal bezoekers

    Punten

    a.

    0 – 1.000

    1

    b.

    1.001 – 2.000

    2

    c.

    2.001 – 3.000

    3

    d.

    (….)

    (…)

    e.

    20.000 – 21.000

    21

    f.

    en verder

  • 3.

    Het college verdeelt het budget voor Onderdeel C naar rato over het aantal aanvragers op basis van de exploitatielasten. Het college vermeldt in de besluiten op de aanvragen voor Onderdeel C de exploitatielasten van elke aanvrager.

 

Artikel 4.9.7 Verdeling onderdeel D

  • 1.

    De museumcommissie verdeelt de aanvragen over de categorieën bedoeld in artikel 4.9.5, lid 5.

  • 2.

    De museumcommissie rangschikt per categorie de aanvragen zodanig dat een aanvraag hoger wordt gerangschikt wanneer die aanvraag naar het oordeel van de museumcommissie meer voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 4.9.4, lid 5.

  • 3.

    De museumcommissie kent per aanvrager maximaal 400 punten toe met het volgende maximum per criterium:

    • a.

      100 punten voor verhaal;

    • b.

      200 punten voor inhoudelijke-artistieke kwaliteit;

    • c.

      100 punten voor gezondheid.

Per criterium kan de museumcommissie aan de aanvrager de onderstaande puntenscore toekennen:

 

Verhaal

Inhoudelijke-artistieke kwaliteit

Gezondheid

Oordeel museumcommissie

 

 

 

aan het criterium wordt niet voldaan

0 punten

0 punten

0 punten

aan het criterium wordt in zeer geringe mate voldaan

1 tot 20 punten

1 tot 40 punten

1 tot 20 punten

aan het criterium wordt in geringe mate voldaan

21 tot 40 punten

41 tot 80 punten

21 tot 40 punten

aan het criterium wordt in gemiddelde mate voldaan

41 tot 60 punten

81 tot 120 punten

41 tot 60 punten

aan het criterium wordt in ruime mate voldaan

61 tot 80 punten

121 tot 160 punten

61 tot 80 punten

aan het criterium wordt in zeer ruime mate voldaan

81 tot 100 punten

161 tot 200 punten

81 tot 100 punten

 

  • 4.

    De museumcommissie kent per categorie elke aanvrager per criterium een uniek aantal punten toe en motiveert de toegekende puntenscore.

  • 5.

    Het college verdeelt per categorie het budget in volgorde van de rangschikking over de aanvragers waarvan de aanvragen volledig kunnen worden toegekend. Het college verdeelt eerst het budget voor de categorie kleine musea.

  • 6.

    Het college stelt bij de categorie grote musea de aanvrager die op grond van de rangschikking in aanmerking komt voor het resterende budget in de gelegenheid de aanvraag binnen de door het college te bepalen termijn zodanig te wijzigen dat de plannen en ambities binnen het gestelde budget gerealiseerd kunnen worden. De museumcommissie toetst de gewijzigde aanvraag aan de in artikel 4.9.4, lid 5, opgenomen criteria.

  • 7.

    Mocht de aanvrager als bedoeld in lid 6 niet of niet binnen de door het college gestelde termijn gebruik maken van de mogelijkheid om de aanvraag te wijzigen, stelt het college de eerstvolgende aanvrager in de rangschikking in de gelegenheid de aanvraag te wijzigen totdat het budget volledig is verdeeld of totdat alle daarvoor in aanmerking komende aanvragers in de gelegenheid zijn gesteld hun aanvraag te wijzigen. De museumcommissie toetst de gewijzigde aanvraag aan de in artikel 4.9.4, lid 5, opgenomen criteria.

  • 8.

    Het college vermeldt in de besluiten op de aanvragen:

    • a.

      de categorie waartoe de aanvraag behoort;

    • b.

      de rangschikking per categorie;

    • c.

      de verdeling van het budget over de aanvragen per categorie.

  •  

Artikel 4.9.8 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1.

    Het college verleent geen subsidie indien de aanvrager geen museumregistratie heeft of op grond van de haalbaarheidsscan naar het oordeel van het college niet uiterlijk in 2028 daarvoor in aanmerking komt.

  • 2.

    Het college verleent geen subsidie aan de aanvrager voor Onderdeel D indien op grond van artikel 4.9.7, lid 6, voor de aanvraag geen budget beschikbaar is.

  • 3.

    Het college verleent geen subsidie aan de aanvrager voor Onderdeel D indien de aanvrager bedoeld in artikel 4.9.7, lid 6, of artikel 4.9.7, lid 7, binnen de door het college gestelde termijn geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de aanvraag te wijzigen.

  • 4.

    Het college verleent geen subsidie aan de aanvrager bedoeld in artikel 4.9.7, lid 6, of artikel 4.9.7, lid 7, indien het college van oordeel is dat de gewijzigde plannen en ambities niet met het beschikbare budget gerealiseerd kunnen worden.

 

Artikel 4.9.9 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking de dag volgend op de bekendmaking in het Gemeenteblad.

  • 2.

    Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling musea 2025-2028.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van 27 februari 2024,

mr. drs. J.A. de Vries, burgemeester

drs. E.K. Strijker, gemeentesecretaris

Naar boven