Blad gemeenschappelijke regeling van Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 1534 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 1534 | beleidsregel |
Regionaal Repressief Dekkingsplan 2026-2029
Voor u ligt het Regionaal Repressief Dekkingsplan 2026 – 2029 van Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland. Dit dekkingsplan is voor onze regio het eerste plan dat is opgesteld volgens de landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen. Met deze systematiek sluiten wij aan bij de landelijke werkwijze, waardoor prestaties van veiligheidsregio’s onderling beter vergelijkbaar worden en er een eenduidiger beeld ontstaat van de kwaliteit van de brandweerzorg.
Met dit plan geven wij tegelijkertijd invulling aan onze wettelijke taak om periodiek inzicht te bieden in de prestaties van de brandweer en de wijze waarop wij de basisbrandweerzorg in onze regio organiseren. De gekozen systematiek betekent dat wij niet alleen kijken naar snelheid van optreden, maar nadrukkelijk ook naar capaciteit, paraatheid en werkdruk. Daarmee ontstaat een meer integraal en realistisch beeld van onze prestaties.
De samenleving waarin wij opereren is voortdurend in beweging. Demografische ontwikkelingen, verstedelijking, technologische veranderingen en nieuwe vormen van risico’s vragen om een flexibele en toekomstgerichte brandweerorganisatie. In Zaanstreek-Waterland bouwen wij daarbij voort op een sterke basis, waarin vakmanschap en betrokkenheid centraal staat. De combinatie van vrijwillige en beroepsinzet zorgt voor een breed gedragen en goed gespreide brandweerzorg in onze regio.
De analyse laat zien dat de brandweerzorg in de regio in overgrote mate voldoet aan de landelijke kaders. De opkomsttijden, de beschikbare slagkracht en het vermogen om ook bij grootschalige en langdurige incidenten effectief op te treden, zijn op orde. Tegelijkertijd onderkennen wij dat er aandachtspunten zijn, zoals specifiek op locaties waar de opkomsttijd onder druk staat en de blijvende uitdaging om voldoende personeel beschikbaar te hebben in een krappe arbeidsmarkt.
Dit dekkingsplan markeert niet alleen een momentopname, maar maakt onderdeel uit van een continu proces van monitoren, leren en verbeteren. Door onze prestaties te blijven volgen en tijdig bij te sturen waar nodig, zorgen wij ervoor dat de brandweerzorg ook in de toekomst aansluit bij de risico’s en verwachtingen in onze regio.
Ik spreek mijn waardering uit voor alle medewerkers en vrijwilligers die dagelijks klaarstaan om hulp te bieden. Hun inzet vormt de basis van dit dekkingsplan en van een betrouwbare brandweerzorg in Zaanstreek – Waterland.
Met dit dekkingsplan zetten wij een volgende stap in het verder versterken van een robuuste, wendbare en toekomstbestendige brandweerzorg.
Veiligheidsregio Zaanstreek – Waterland
Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland heeft het Dekkingsplan 2026–2029 opgesteld op basis van de landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen en het Beoordelingskader Gebiedsgerichte Opkomsttijden (GGO). Hierin worden de prestaties van de brandweer niet alleen op snelheid, maar ook op capaciteit, paraatheid en werkdruk beschreven en beoordeeld. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke verplichting om eens per vier jaar een dekkingsplan vast te stellen. Het nieuwe dekkingsplan vormt de basis voor de repressieve Brandweerzorg in de periode 2026–2029 en geeft inzicht in de prestaties die de organisatie qua basis Brandweerzorg kan leveren onder de gegeven omstandigheden.
De analyse in dit dekkingsplan beperkt zich tot de inzet van tankautospuiten (TS), omdat deze eenheden de eerste primaire Brandweerzorg verzorgen. Andere voertuigen, zoals waterongevallenvoertuigen (WO), hulpverleningsvoertuigen (HV) en redvoertuigen (RV), evenals overige specialistische middelen, zijn wel beschikbaar voor de operationele inzet, maar worden in dit dekkingsplan niet meegenomen in de beoordeling.
Voor de beoordeling van de gebiedsgerichte opkomsttijden is het maatgevend scenario gebouwbrand als uitgangspunt genomen. Dit scenario biedt een realistisch en representatief kader voor de analyse van de Brandweerzorg in de regio.
Met dit dekkingsplan is de overgang gemaakt van objectgerichte naar gebiedsgerichte opkomsttijden. Daarmee wordt de dekking in de regio op een meer algemene manier weergegeven en sluit het dekkingsplan aan bij de landelijke standaard. Hierbij wordt de oude regionaal vastgestelde 70% norm op basis van objecttijden ingetrokken. Ook gelden voor de gebiedsgerichte opkomsttijden andere referentietijden dan bij de objectgerichte opkomsttijden waardoor vergelijk tussen de oude en nieuwe systematiek niet mogelijk is.
Uit de analyse blijkt dat de repressieve Brandweerzorg in de regio grotendeels aansluit bij de landelijke beoordelingskaders. De snelheid van de eerste eenheid en de slagkracht bij opschaling liggen in lijn met de gestelde referenties. Voor specifieke aandachtsobjecten zijn afwijkingen vastgesteld. Dit betreft situaties waarin de opkomsttijd meer dan drie minuten boven de streeftijd uitkomt of waarin objecten buiten de maximale normtijd van 18 minuten liggen.
Paraatheid en werkdruk laten zien dat de beschikbaarheid van vrijwilligers en beroepspersoneel blijvende aandacht vraagt. Ook gelijktijdigheid en langdurige inzetten kunnen invloed hebben op de dekking. Deze factoren benadrukken het belang van flexibiliteit en samenwerking binnen en buiten de regio.
De Brandweerzorg wordt beïnvloed door diverse interne en externe ontwikkelingen. Intern ligt de nadruk op het behouden van de vrijwillige basis, de borging van continuïteit en de doorontwikkeling van opleiden, trainen en oefenen. Daarnaast vraagt de krappe arbeidsmarkt blijvende aandacht voor werving en behoud van vrijwilligers en beroepspersoneel. Externe factoren zoals vergrijzing en verstedelijking leiden tot nieuwe en complexere risico’s.
Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland blijft zich ontwikkelen in nauwe afstemming met landelijke en bovenregionale partners, zodat de Brandweerzorg aansluit bij maatschappelijke ontwikkelingen en landelijke standaarden.
Het Dekkingsplan 2026–2029 bevestigt dat de Brandweerzorg in Zaanstreek-Waterland grotendeels voldoet aan de landelijke kaders en dat de organisatie in staat is om op een robuuste en toekomstbestendige manier repressieve zorg te leveren. Tegelijkertijd zijn er aandachtspunten, met name rond specifieke objecten, de beschikbaarheid en opleiden van personeel en de toenemende complexiteit van risico’s.
Het dekkingsplan is onderdeel van een cyclisch proces. Door monitoring, registratie en periodieke evaluatie wordt de dekking gevolgd en waar nodig bijgesteld. Daarmee blijft de Brandweerzorg afgestemd op de actuele omstandigheden en voorbereid op toekomstige ontwikkelingen.
Lijst met afkortingen en definities
Conform de Wet veiligheidsregio’s stelt Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland (VrZW) iedere vier jaar een dekkingsplan vast, waarin wordt beschreven hoe de operationele prestaties van de brandweer zich verhouden tot de wettelijke eisen. De analyse in dit dekkingsplan beperkt zich tot de inzet van tankautospuiten (TS), omdat deze eenheden de eerste primaire Brandweerzorg verzorgen. Andere voertuigen, zoals waterongevallenvoertuigen (WO), hulpverleningsvoertuigen (HV) en redvoertuigen (RV), evenals overige specialistische middelen, zijn wel beschikbaar voor de operationele inzet, maar worden in dit dekkingsplan niet meegenomen in de beoordeling.
Het dekkingsplan is opgesteld op basis van de landelijke systematiek voor gebiedsgerichte opkomsttijden en hanteert het maatgevend scenario gebouwbrand als referentie. Dit scenario vormt het uitgangspunt voor de berekeningen en analyses in de volgende hoofdstukken.
1.1 Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland
Sinds 1 januari 2014 vormen de brandweerorganisaties in de regio Zaanstreek-Waterland samen één regionale brandweer: Brandweer Zaanstreek-Waterland. Deze maakt onderdeel uit van de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland (VrZW), waarin namens de gemeenten de Brandweerzorg, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening en rampenbestrijding zijn georganiseerd.
De Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland omvat de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland en Zaanstad. Brandweer Zaanstreek-Waterland bestaat uit 22 brandweerkazernes, verspreid over deze gemeenten. Het grootste deel van de kazernes is ingericht als vrijwillige post. Daarnaast zijn er twee beroepsposten (24-uurs) in Purmerend en Zaanstad (kazerne Prins Bernhardplein) en één gecombineerde dagdienstpost in Wormerveer. Vanuit al deze posten wordt de repressieve Brandweerzorg geleverd.
Bij de Veiligheidsregio zijn circa 500 vrijwilligers en 275 beroepsmedewerkers actief waarvan 100 beroepsmedewerkers bij de brandweer. Naast de inzet in de uitrukdienst zijn medewerkers betrokken bij taken op het gebied van preventie, beleid, operationele voorbereiding, vakbekwaamheid en bedrijfsvoering. Eind 2025 is er een vacaturestop ingesteld vanwege financiële beperkingen. Dit zou kunnen leiden tot keuzes in de organisatie en uitvoering van brandweerzorg. Dit vraagt om een scherpe prioritering, een flexibele inzet van beschikbare capaciteit en intensieve samenwerking met vuurregio’s en landelijke partners.
1.2 Landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen
Het Dekkingsplan 2026-2029 is opgesteld conform de Handreiking Landelijke Uniforme Systematiek voor Dekkingsplannen1. Middels acht processtappen geeft de Handreiking een landelijke standaard voor het opstellen van dekkingsplannen2. De processtappen vormen een cyclus, waarin de brandweer vaker dan de wettelijke vierjaarlijkse termijn kan analyseren of het wenselijk is om conclusies en maatregelen bij te stellen. Onderdeel van dit proces is dat de brandweer de prestaties continue monitort. Als interne of externe ontwikkelingen effect hebben op de prestaties worden maatregelen voorbereid en waar nodig voorgelegd aan het bestuur. De integratie tussen preventie en repressie is expliciet onderdeel van de systematiek.
Het brandrisicoprofiel brengt de brandrisico’s in de regio op objectniveau in beeld en vormt daarmee een belangrijke bron van inzicht voor de Brandweerzorg. Beide documenten versterken elkaar: de repressieve prestaties en dekking uit dit dekkingsplan leveren input voor de risicobeoordeling, terwijl de analyses uit het brandrisicoprofiel richting geven aan de keuzes voor de inrichting van de Brandweerzorg. Zo ontstaat een wederzijdse wisselwerking die bijdraagt aan een robuuste brandveiligheidsketen. Het brandrisicoprofiel is als bijlage opgenomen bij dit dekkingsplan en biedt aanvullende duiding op de aard en spreiding van brandrisico’s.
In dit dekkingsplan zijn de processtappen uit de Handreiking Landelijke Uniforme Systematiek voor Dekkingsplannen doorlopen. Hierbij is gebruikgemaakt van twee beoordelingskaders: de methode voor het doorrekenen van gebiedsgerichte opkomsttijden (GGO) uit de Handreiking en het beoordelingskader voor grootschalig brandweeroptreden (GBO), zoals overeengekomen in de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s.
De bijlagen bevatten de (technische) uitgangspunten, berekeningen en visualisaties die ten grondslag liggen aan dit dekkingsplan.
2 Dekking bijstellen (processtap 1)
In dit hoofdstuk wordt de dekking bijgesteld op basis van de landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen. De bijstelling vindt plaats door de actuele interne ontwikkelingen binnen de organisatie en de relevante externe ontwikkelingen in de regio in kaart te brengen. Op basis hiervan wordt inzichtelijk welke factoren de Brandweerzorg in Zaanstreek-Waterland beïnvloeden en welke uitgangspunten gelden voor de verdere beoordeling van de dekking.
Veranderingen in organisaties en werkveld maken dat de brandweer genoodzaakt is zich flexibel te organiseren. Hieronder is een overzicht van alle relevante interne ontwikkelingen opgenomen.
De repressieve organisatie van Brandweer Zaanstreek-Waterland bestaat per 1 januari 2025 uit negentien vrijwillige posten en drie gecombineerde posten: twee 24-uurs beroepsposten in Zaanstad (post Prins Bernhardplein) en Purmerend en één dagdienstpost in Wormerveer.
Voor de basisbrandweerzorg wordt onderscheid gemaakt tussen de dagsituatie (maandag t/m vrijdag 07.30–17.00 uur) en de avond-, nacht- en weekendsituatie (ANW). In beide situaties zijn 24 tankautospuiten beschikbaar voor de basisbrandweerzorg.
Naast de operationele tankautospuiten beschikt de regio over acht flex-pool TS’en. Deze voertuigen worden ingezet voor opleiding en training en ter vervanging bij onderhoud, maar maken geen structureel deel uit van de operationele sterkte.
Het dekkingsplan richt zich op de inzet van tankautospuiten (TS), omdat hiermee de eerste primaire Brandweerzorg wordt geleverd. Andere eenheden, zoals redvoertuigen (RV), hulpverleningsvoertuigen (HV), waterongevallenvoertuigen (WO), personeel- en materiaalwagens (PM), motorspuitaanhangers (MSA), evenals vrachtwagens, vaartuigen en overige specialistische voertuigen, worden in dit plan buiten beschouwing gelaten. Deze middelen zijn wel beschikbaar voor de operationele inzet, maar maken geen onderdeel uit van de beoordeling van de dekking in dit dekkingsplan.
2.1.2 Ontwikkelingen organisatie
Brandweer Zaanstreek-Waterland kent een organisatievorm die primair is gebaseerd op vrijwillige posten, aangevuld met enkele (gecombineerde) posten met beroepsinzet. Deze structuur sluit aan bij de geografische en demografische kenmerken van de regio en zorgt voor een brede spreiding van Brandweerzorg.
Een recente ontwikkeling is dat de tijdelijke vrijwilligers post Edam zowel toekomstbestendig als permanent gemaakt gaat worden.
De komende beleidsperiode ligt de nadruk op het behouden van de vrijwillige basis en het borgen van de continuïteit van de bezetting. Daarbij vraagt de toenemende druk op de beschikbaarheid van vrijwilligers en de interne opleidingscapaciteit blijvende aandacht. De gecombineerde posten met beroepsinzet blijven een belangrijke schakel voor de paraatheid, met name in stedelijke gebieden.
Daarnaast wordt de organisatie geconfronteerd met landelijke en regionale ontwikkelingen die hun weerslag hebben op de inrichting van de Brandweerzorg. Dit betreft onder andere de doorontwikkeling van opleiden, trainen en oefenen, het verder harmoniseren van werkprocessen en het versterken van de samenwerking met omliggende regio’s.
2.1.3 Ondersteunende hulpmiddelen
Alle eerstelijns voertuigen zijn uitgerust met een navigatiesysteem en MOI dat bij alarmering automatisch de incidentlocatie weergeeft en voor zover aanwezig aanvullende objectinformatie presenteert. Beide systemen zijn toegespitst op hulpdiensten en kan worden aangepast met actueel wegenmateriaal en object informatie. Hiermee kan rekening worden gehouden met omleidingen, wegwerkzaamheden en evenementen, zodat de opkomsttijd zo kort mogelijk blijft. En er relevante informatie beschikbaar is om het brandweer optreden te maximaliseren.
2.1.4 Operationele grenzen en dynamisch alarmeren
Brandweer Zaanstreek-Waterland werkt met interregionale operationele grenzen, waardoor meldkamers elkaars eenheden direct kunnen alarmeren. Zo wordt vertraging voorkomen en kan de snelst beschikbare eenheid worden ingezet. Afspraken met de buurregio’s zijn vastgelegd in convenanten.
Daarnaast wordt toegewerkt naar de overgang van statisch naar dynamisch alarmeren. Hierbij wordt op basis van de incidentlocatie de op dat moment dichtstbijzijnde beschikbare eenheid gealarmeerd. De overgang naar dynamisch alarmeren zal op 1 februari 2026 ingaan.
De Brandweerzorg in Zaanstreek-Waterland streeft naar nauwe verbondenheid met onze maatschappij. De maatschappij verandert en daarom ook de eventuele hulpvraag van inwoners en bezoekers van de regio. In ons regionaal risicoprofiel schetsen wij een beeld van de incidenten, rampen en (langdurige) crises die in ons werkgebied kunnen plaatsvinden.
2.2.1 Landelijke systematiek voor dekkingsplannen
Met de invoering van de landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen is gekozen voor een eenduidige benadering van de Brandweerzorg. De prestaties worden voortaan beoordeeld op snelheid, capaciteit, paraatheid en werkdruk. Voor alle veiligheidsregio’s geldt dat zij deze systematiek toepassen, waardoor resultaten beter vergelijkbaar worden.
Het Besluit veiligheidsregio’s en de Wet veiligheidsregio’s blijven richtinggevend voor de inrichting van de Brandweerzorg. De toepassing van gebiedsgerichte opkomsttijden maakt het mogelijk om binnen dit kader regionaal maatwerk te leveren. Het algemeen bestuur heeft de bevoegdheid om op basis van een gemotiveerde afweging afwijkende opkomsttijden vast te stellen.
2.2.3 Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen
De samenleving wordt complexer. Niet alleen hebben brede maatschappelijke trends gevolgen voor de Brandweerzorg, maar er zijn ook onbekende veranderingen en dreigingen waarmee we geconfronteerd worden. Klimaatverandering en energietransitie leiden tot nieuwe risico’s. Denk hierbij aan incidenten met duurzame energieopwekking en grootschalige uitval van voorzieningen.
Verstedelijking en verdichting zorgen voor complexere brandscenario’s, onder meer door meer hoogbouw, ondergrondse parkeergarages, grotere bevolkingsdichtheden en het toenemen van het toerisme in de regio. Ook demografische ontwikkelingen spelen hierin een rol. De bevolking in de regio groeit, dit wordt beïnvloed door stijgende levensverwachting en buitenlandse immigratie. Dit leidt tot een toenemend aantal verminderd zelfredzame personen.
Daarnaast bieden technologische ontwikkelingen, zoals digitalisering en data gedreven werken, nieuwe mogelijkheden voor sturing en besluitvorming (neem bijvoorbeeld dynamisch alarmeren). Tegelijkertijd vragen deze innovaties om doorontwikkeling van kennis, vaardigheden en systemen binnen de brandweerorganisatie.
Nieuwe crises, zoals de vluchtelingencrises en COVID-19, vereisen flexibiliteit en veerkracht van onze brandweerorganisatie en onze crisisbeheersing. Daarnaast komt veiligheid wereldwijd steeds meer in het geding. Als veiligheidsregio moeten wij samen met onze partners ons aanpassen aan deze nieuwe realiteit en onze weerbaarheid en veerkracht vergroten.
2.2.4 Sectorale ontwikkelingen
Binnen de brandweerorganisatie op landelijk niveau wordt gewerkt aan harmonisatie van werkwijzen, versterking van vakbekwaamheid en het vergroten van de interregionale samenwerking. Tegelijkertijd staat de sector voor uitdagingen op het gebied van werving en behoud van personeel. De krappe arbeidsmarkt en de belasting van zowel vrijwilligers als beroepskrachten beïnvloeden de paraatheid en vragen om blijvende aandacht. Deze ontwikkelingen hebben ook impact op Zaanstreek-Waterland, waar aansluiting wordt gezocht bij landelijke standaarden en bovenregionale afstemming.
2.3 Geografische en infrastructurele ontwikkelingen
Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland grenst aan de veiligheidsregio’s Noord-Holland Noord, Kennemerland en Amsterdam-Amstelland.
Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisselend en grotendeels laaggelegen landschap met veenweidegebieden, droogmakerijen, polders en omvangrijke wateroppervlakken, waaronder het Markermeer. Grote delen maken deel uit van het Nationaal Landschap Laag Holland en diverse Natura 2000-gebieden, zoals het Wormer- en Jisperveld, het Ilperveld en de Gouwzee.
De Zaanstreek heeft daarnaast een sterk industrieel karakter. In Zaanstad is sprake van grootschalige bedrijvigheid, waaronder de voedingsmiddelenindustrie, chemische bedrijven, op- en overslaglocaties en grenst aan het havengebied van het Noorzeekanaalgebied.
De regio is zeer waterrijk door de ligging aan het Markermeer en het Noordzeekanaal en door de aanwezigheid van vele vaarten en tochten. De fysieke infrastructuur omvat een netwerk van primaire en secundaire wegen, spoorlijnen en vaarwegen. Belangrijke verbindingen zijn de A7, A8, N246 en N247 en de spoortrajecten Amsterdam–Hoorn en Amsterdam–Alkmaar.
Tot de vitale voorzieningen behoren onder andere hoogspanningsverbindingen, het drinkwaternetwerk, gastransportleidingen en telecommunicatie-infrastructuur.
2.4 Demografische ontwikkelingen
Het verzorgingsgebied van Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland telt circa 325.320 inwoners (2021). De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt ongeveer 1.100 inwoners per km². De stedelijke kernen, met name Zaanstad en Purmerend, worden gekenmerkt door een hoge concentratie van inwoners, bedrijvigheid en verkeer.
Naast de vaste bevolking kent de regio een aanzienlijke instroom van bezoekers. Toeristische en recreatieve bestemmingen zoals de Zaanse Schans, het historische centrum van Edam-Volendam, Marken en de recreatiegebieden rond het Markermeer en het Twiske trekken jaarlijks grote aantallen bezoekers.
Conform artikel 15, lid 2 van de Wet veiligheidsregio’s is het algemeen bestuur verplicht een regionaal risicoprofiel vast te stellen waarin de illustratieve risico’s voor het verzorgingsgebied zijn opgenomen. Voor Zaanstreek-Waterland betreft dit onder meer:
In dit dekkingsplan staat het maatgevend scenario gebouwbrand centraal. Dit scenario vormt een realistisch en representatief uitgangspunt voor de beoordeling van de gebiedsgerichte opkomsttijden. Het scenario is gebaseerd op risicoprofielen en incidentstatistieken en weerspiegelt een situatie waarin de inzet van de brandweer optimaal wordt ingericht om gestelde normen te halen.
Het maatgevend scenario gebouwbrand dient als toetssteen van de basis Brandweerzorg, opkomsttijden, paraatheid en samenwerking tussen hulpdiensten. Daarnaast vormt het een basis voor beleidsontwikkeling, capaciteitsanalyses en oefenprogramma’s binnen de regio.
3 Dekking beschrijven (Processtap 2)
In dit hoofdstuk wordt de dekking in de regio Zaanstreek-Waterland beschreven met behulp van de handreiking Gebiedsgerichte Opkomsttijden. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt welke repressieve prestaties de brandweer onder welke omstandigheden kan leveren.
De kwaliteit van de Brandweerzorg wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van de factoren snelheid, capaciteit, paraatheid en werkdruk. Door deze onderdelen afzonderlijk te behandelen ontstaat een compleet beeld van de basisbrandweerzorg binnen de regio. In onderstaand overzicht is aangegeven welke aspecten hiervan onderzocht zijn.
Dit dekkingsplan is voor het eerst samengesteld op basis van de nieuwe landelijke (reken)systematiek.
3.2 Indeling gebieden in categorieën
Het verzorgingsgebied van Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland is gedeeltelijk ingedeeld op basis van de CBS-wijk- en buurtindeling, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar adressendichtheid en het aantal objecten van vóór 1900. Op deze manier wordt elk gebied in één van de drie categorieën voor gebiedsgerichte opkomsttijden geplaatst.
Voor Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland geldt dat van de 157 buurten er 5 in categorie I vallen, 100 in categorie II en 52 in categorie III.
3.3 Beschrijving onderdelen snelheid, capaciteit, paraatheid en werkdruk
Snelheid beschrijft de best geschatte tijd waarmee de eerste tankautospuit (TS-flex) ter plaatse kan zijn. Het gebied waar een basisbrandweereenheid het snelst kan zijn ten opzichte van andere basisbrandweereenheden wordt aangeduid als het verzorgingsgebied van die eenheid.
Het maatgevend scenario gebouwbrand is hierbij uitgangspunt. De wet schrijft een TS6 als basisbrandweereenheid voor. Indien met een andere bezetting wordt gewerkt, moet het samenstel van eenheden een vergelijkbare slagkracht hebben als die van een TS6. Binnen Zaanstreek-Waterland wordt in dit scenario standaard met twee tankautospuiten uitgerukt (TS-flex). Uit onderzoek blijkt dat het tweede voertuig gemiddeld ongeveer drie minuten na het eerste voertuig ter plaatse is.
De opkomsttijd wordt gedefinieerd als de periode tussen de melding bij de meldkamer en de aankomst van de eenheid op de incidentlocatie. Deze tijd bestaat uit drie elementen: meldkamertijd, uitruktijd en rijtijd.
De uiteindelijke totaalberekeningen van de opkomsttijd zijn uitgevoerd met het programma Care (SafetyCT), volgens de geldende GGO-module. Voor de visualisatie van resultaten zijn aanvullende toepassingen gebruikt.
De drie redvoertuigen van Zaanstreek-Waterland staan op de twee 24-uursberoepsposten in Zaanstad (post Prins Bernhardplein) en Purmerend en op de dagdienstpost in Wormerveer. Het redvoertuig van de brandweer wordt ingezet voor redding en blussing op hoogte. De opkomsttijd voor het redvoertuig is voor ondersteuning bij brandbestrijding gekoppeld aan categorie I gebieden en is daarmee vastgesteld op 7 minuten. Dit is ingegeven door de kans op snelle branduitbreiding buiten het brandcompartiment en verminderde aanwezigheid van een tweede vluchtweg. Interregionale eenheden zijn conform de afspraken met de omliggende regio’s meegenomen in de berekeningen.
Capaciteit beschrijft de mate waarin de brandweer in staat is om meerdere eenheden gelijktijdig en gedurende langere tijd in te zetten. Naast snelheid is capaciteit bepalend voor de kwaliteit van de Brandweerzorg, omdat niet ieder incident kan worden bestreden met slechts één eenheid.
De basisbrandweerzorg voorziet in een slagkracht tot maximaal drie tankautospuiten en één bijzonder voertuig onder leiding van een Officier van Dienst. Dit wordt beschouwd als het niveau waarop de brandweer zelfstandig kan optreden zonder opschaling naar grootschalig brandweeroptreden. De tijd die nodig is om drie basisbrandweereenheden ter plaatse te krijgen vormt een belangrijke indicator voor de operationele slagkracht van de regio.
Grootschalige en langdurige inzetten (GBO)
Wanneer een incident meer vraagt dan drie tankautospuiten en één bijzonder voertuig, is sprake van grootschalig brandweeroptreden (GBO). Binnen Zaanstreek-Waterland wordt in dergelijke gevallen conform de kazernevolgorde gealarmeerd op basis van interregionale operationele grenzen. De eerste acht basisbrandweereenheden die worden ingezet zijn daarmee de snelst beschikbare eenheden, ongeacht regiogrenzen.
Indien een incident vraagt om meer dan twee pelotons, wordt bijstand gevraagd aan een omliggende regio. Voor de levering van een peloton bijstand aan een andere regio geldt dat dit binnen een uur na aanvraag geformeerd kan zijn op een uitgangsstelling in de eigen regio, waarna het peloton gezamenlijk naar de inzetlocatie vertrekt.
Bij langdurige incidenten, waarbij veel eenheden gedurende langere tijd worden ingezet, kan de dekking in delen van de regio tijdelijk verminderen. In die gevallen wordt de Algemeen Commandant Brandweer gealarmeerd om, in overleg met de operationeel leidinggevende en de meldkamer, de beschikbare eenheden zo te herverdelen dat de resterende dekking zo goed mogelijk gewaarborgd blijft.
De concrete invulling van de pelotons en de logistieke randvoorwaarden zijn vastgelegd in het logistieke plan van Brandweer Zaanstreek-Waterland.
Het dekkingsplan gaat in de basis uit van een statische situatie waarin alle eenheden volgens planning paraat zijn. In de operationele werkelijkheid wijkt dit beeld echter regelmatig af. De daadwerkelijke paraatheid van brandweereenheden wordt beïnvloed door uiteenlopende factoren die de beschikbaarheid en inzetbaarheid beperken.
Belangrijke invloeden zijn onder meer:
Beschikbaarheid verwijst naar de aanwezigheid van voldoende gekwalificeerd personeel en werkend materieel om effectief te kunnen uitrukken. Een tekort in deze randvoorwaarden heeft direct gevolgen voor de mogelijkheid om te voldoen aan de opkomst- en capaciteitscriteria.
Gelijktijdigheid doet zich voor wanneer een eenheid al is ingezet bij een incident en daardoor tijdelijk niet beschikbaar is voor een nieuwe melding. De kans op gelijktijdigheid wordt bepaald door de frequentie en duur van incidenten.
Bij grootschalige of langdurige inzetten worden meerdere eenheden tegelijk ingezet, waardoor de beschikbaarheid van eenheden voor andere delen van de regio tijdelijk afneemt. Om dit effect inzichtelijk te maken, is per kazerne berekend hoeveel objecten buiten de bandbreedte (referentietijd + drie minuten) vallen indien die kazerne is ingezet. Hoe groter het aantal objecten dat hierdoor buiten de normtijd valt, hoe belangrijker de kazerne is voor de regionale dekking.
Werkdruk wordt bepaald door het aantal keren per jaar dat een brandweereenheid wordt gealarmeerd voor een incident. De mate van werkdruk geeft inzicht in de belasting van eenheden en in de verdeling van inzet over de regio. De alarmeringsfrequentie omvat alle meldingen waarvoor een eenheid wordt gealarmeerd, ongeacht het type incident, de prioriteit of de locatie. Ook loosmeldingen, bijstandsverlening en opschaling worden hierin meegeteld.
Het aantal alarmeringen per tankautospuit is een belangrijke factor bij de beoordeling van de haalbaarheid en kosteneffectiviteit van de repressieve organisatie. Werkdruk speelt een rol bij de keuze voor de inrichting van kazernes, bijvoorbeeld of deze door vrijwilligers of beroeps worden bemand.
Werkdruk hangt nauw samen met gelijktijdigheid: hoe hoger het aantal incidenten, hoe groter de kans dat meerdere meldingen gelijktijdig plaatsvinden. Omdat er geen landelijke norm bestaat voor werkdruk, wordt deze factor in dit dekkingsplan alleen feitelijk beschreven en niet verder beoordeeld.
4 Dekking beoordelen (Processtap 3)
In de eerste twee stappen van het proces beschreven we hoe we onze repressieve organisatie inrichten en welke repressieve dekking wij op basis daarvan verwachten te leveren. In processtap 3 toetsen we, op basis van de uitkomsten van processtap 2, de verwachte repressieve dekking van Brandweer Zaanstreek-Waterland en wordt deze beoordeeld.
De analyse geeft inzicht in de mate waarin de brandweer in staat is om de basisbrandweerzorg te leveren binnen de gestelde normen. Daarnaast wordt ingegaan op de prestaties bij grootschalig brandweeroptreden. Door deze combinatie ontstaat een volledig beeld van de operationele prestaties van de Brandweerzorg in de regio.
Het doel van deze processtap is om de sterkte- en zwaktepunten van de dekking zichtbaar te maken, zodat onderbouwde beleidskeuzes en bestuurlijke afwegingen kunnen worden gemaakt.
De beoordeling van de dekking vindt plaats langs de vier factoren die in processtap 2 zijn beschreven: snelheid, capaciteit, paraatheid en werkdruk. Voor iedere factor worden de resultaten vergeleken met de landelijke beoordelingskaders uit de handreiking Gebiedsgerichte Opkomsttijden.
Naast de beoordeling van de basisbrandweerzorg wordt afzonderlijk aandacht besteed aan grootschalig brandweeroptreden. Ook wordt een aandachtspuntenlijst opgesteld, waarin specifieke aandachtsobjecten en -gebieden worden benoemd en vergeleken met eerdere dekkingsplannen.
De factor snelheid beschrijft de tijd waarbinnen de eerste tankautospuit (TS) ter plaatse kan zijn. Voor de beoordeling in Zaanstreek-Waterland is het maatgevend scenario gebouwbrand gehanteerd, in combinatie met de gebiedsgerichte opkomsttijden.
De resultaten zijn berekend voor zowel de dagsituatie (dag: maandag t/m vrijdag, 07.30–17.00 uur) als de avond/nacht/weekendsituatie (ANW: avonden, nachten en weekenden). Hierbij is gewerkt met de methodiek uit de landelijke handreiking, waarbij de meldkamertijd, uitruktijd en rijtijd gezamenlijk de opkomsttijd bepalen.
Uit de analyse blijkt dat de brandweer in Zaanstreek-Waterland in meer dan 99% van de gevallen binnen de bandbreedte ter plaatse is. Daarmee voldoet de dekking in overgrote mate aan de gestelde kaders.
ANW-situatie opkomst 1ste TS-6
Het dekkingsplan is gebiedsgericht, wat betekent dat de prestatie per gebied wordt beoordeeld. Voor specifieke objecten geldt echter een uitzondering. Dit betreft objecten uit categorie I met een opkomsttijd van meer dan tien minuten en objecten met een opkomsttijd hoger dan achttien minuten.
Van de in totaal 178.772 objecten vallen er 379 buiten de bandbreedte die gegeven is. Dit komt neer op een percentage van 0,21% voor de gehele regio.
Capaciteit beschrijft de mate waarin de brandweer in staat is om meerdere eenheden gelijktijdig en binnen aanvaardbare tijd in te zetten. Dit omvat zowel de slagkracht binnen de basisbrandweerzorg als het optreden bij grootschalige en langdurige incidenten.
De basisbrandweerzorg in Zaanstreek-Waterland voorziet in de inzet van drie tankautospuiten (TS) en één bijzonder voertuig onder leiding van een Officier van Dienst (OvD). De landelijke norm schrijft voor dat drie tankautospuiten binnen vijftien minuten ter plaatse moeten kunnen zijn.
Uit de berekeningen blijkt dat dit in de meeste gebieden haalbaar is. Op objectniveau laat de analyse zien dat bij circa 95% van de objecten binnen vijftien minuten drie of meer tankautospuiten aanwezig kunnen zijn.
Slagkracht dagsituatie (aantal TS-en binnen 15 min aanwezig)
Slagkracht ANW-situatie (aantal TS-en binnen 15 min aanwezig)
Grootschalige en langdurige inzetten (GBO)
De beoordeling laat zien dat de vorming en inzet van een peloton geen wezenlijke afbreuk doet aan de dekking in de regio. Ook bij langdurige of bovenregionale inzetten worden in zowel de dagsituatie als de avond-, nacht- en weekendsituatie (ANW) alle buurten binnen de bandbreedte bereikt. Daarmee is de basisbrandweerzorg in Zaanstreek-Waterland ook bij grootschalige en langdurige inzetten geborgd.
Paraatheid geeft weer in welke mate de brandweer daadwerkelijk in staat is om de beoogde inzet te leveren. Hoewel het dekkingsplan uitgaat van een volledige beschikbaarheid van eenheden, laat de praktijk zien dat dit door diverse factoren kan afwijken.
Belangrijke invloeden zijn personele beschikbaarheid, technische inzetbaarheid van voertuigen en materieel, gelijktijdige incidenten, verkeers- en weersomstandigheden, geplande oefeningen, infrastructurele beperkingen en bovenregionale inzet.
In Zaanstreek-Waterland bestaat de repressieve organisatie voornamelijk uit vrijwilligersposten, aangevuld met enkele beroepsposten. Voor vrijwilligersposten wordt de beschikbaarheid gemonitord via terugmeldsystemen, waarmee op posten inzichtelijk is of voldoende bezetting aanwezig is. Deze werkwijze draagt bij aan een beter inzicht in de inzetbaarheid.
Bij de beroepsposten wordt de beschikbaarheid via roosterplanning georganiseerd. Eventuele uitval door ziekte of verlof kan leiden tot tijdelijke druk op de inzetbaarheid, maar wordt doorgaans binnen de eigen organisatie opgevangen.
Gelijktijdigheid, het optreden van meerdere incidenten tegelijk, komt in de regio relatief beperkt voor. Uit de analyses blijkt dat dit fenomeen vooral zichtbaar is bij de beroepskazernes, waar de incidentfrequentie hoger ligt dan gemiddeld door de dichtheid en de grootte van het verzorgingsgebied. Bij vrijwilligersposten is gelijktijdigheid minder aan de orde.
Zoals in onderstaande tabel te zien is heeft regio Zaanstreek-Waterland 4,96% kans, op een willekeurig tijdstip van de dag, dat er twee (of meer) incidenten tegelijktijdig bezig zijn in onze hele regio. Er is 17,88% kans dat er één (of meer) incidenten bezig zijn in onze regio.
Iedere minuut is er ongeveer 0,5% kans dat er in de regio een nieuw incident start. De kans op een gelijktijdig incident in de beroepsgebieden is veel groter, omdat deze gebieden een grotere omvang hebben en deze omvatten verreweg de meeste objecten in de dichts bebouwde gebieden.
Bij langdurige of grootschalige inzetten neemt de dekking in de regio tijdelijk af. De Algemeen Commandant Brandweer (ACB) speelt hierin een centrale rol door, samen met de meldkamer en de operationeel leidinggevende, te bepalen hoe beschikbare eenheden zo efficiënt mogelijk herverdeeld worden. Hierdoor kan de Brandweerzorg in de rest van de regio zoveel mogelijk op peil blijven.
Uit belevingsonderzoeken in 2017 en 2021 blijkt dat de werkdruk door repressief brandweerpersoneel in Zaanstreek-Waterland overwegend als acceptabel wordt ervaren. Geen van de kazernes gaf in 2021 aan dat de werkdruk structureel te hoog is, al is er sprake van een lichte toename ten opzichte van 2017. Risicofactoren hierbij zijn onder meer een stijgende incidentfrequentie, personele krapte, uitbreiding van taken en langer durende inzetten.
Werkdruk hangt nauw samen met gelijktijdigheid: hoe hoger het aantal incidenten, hoe groter de kans op gelijktijdige meldingen. Voor de planperiode 2026–2029 zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk, maar het structureel monitoren van werkdruk blijft van belang. De uitkomsten van het landelijk belevingsonderzoek in 2025 worden daarbij benut voor een eventuele herijking.
De beoordeling van de dekking laat zien dat de brandweerzorg in Zaanstreek-Waterland in overgrote mate voldoet aan de landelijke systematiek voor gebiedsgerichte opkomsttijden. Meer dan 95% van de objecten wordt binnen tien minuten bereikt, de slagkracht tot drie tankautospuiten is geborgd en ook grootschalig optreden kan binnen de gestelde kaders worden geleverd.
De beoordeling van de dekking is uitgevoerd op basis van de landelijke systematiek. Voor de interpretatie van de uitkomsten is aanvullend gekeken naar het brandrisicoprofiel. Hierbij kan in de duiding aandacht worden besteed aan objecttypen met een verhoogd risico, zoals gebouwen met verminderd zelfredzame personen. De combinatie van dekking en risicokenmerken biedt aanknopingspunten voor het nader prioriteren van beheersmaatregelen.
Tegelijkertijd zijn er, mede in relatie tot het risicobeeld, enkele aandachtspunten. Het betreft met name objecten die meer dan drie minuten boven de streeftijd liggen of buiten de maximale opkomsttijd van achttien minuten vallen. Deze zijn afzonderlijk in beeld gebracht en vormen een blijvend punt van aandacht voor zowel brandweer als gemeenten. Daarnaast vraagt de afhankelijkheid van vrijwillige inzet en de licht toenemende werkdruk rond oa opleiden om voortdurende monitoring en ondersteuning.
5 Dekkingsplan vaststellen (processtap 4)
Het dekkingsplan 2026–2029 van Brandweer Zaanstreek-Waterland is door het algemeen bestuur vastgesteld op 24 juni 2026. Daarmee vormt dit document het kader voor de repressieve brandweerzorg in de regio gedurende de planperiode.
Het plan is opgesteld op basis van de landelijke systematiek voor gebiedsgerichte opkomsttijden. Hoewel deze systematiek nog niet formeel in de wetgeving is verankerd, is zij door het ministerie van Justitie en Veiligheid onderschreven en zal zij naar verwachting binnen de looptijd van dit plan de landelijke norm worden.
Met de vaststelling van dit dekkingsplan is gekozen voor een methodiek die een realistisch beeld geeft van de prestaties van de brandweer en een stevige basis biedt voor de bestuurlijke verantwoording en het gesprek met gemeenten.
6 Uitvoering bijstellen (Processtap 5)
Voor de (verdere) implementatie van maatregelen worden uitvoeringsplannen opgesteld. Waar deze maatregelen bestuurlijke keuzes vragen zullen deze als zodanig worden voorgelegd aan het bestuur van de veiligheidsregio. Hierin volgt de brandweer de Handreiking Landelijke Uniforme Systematiek voor Dekkingsplannen.
7 Dekking uitvoeren en beoordelen (Processtap 6 en 7)
De uitvoering van dit dekkingsplan geeft invulling aan de repressieve Brandweerzorg zoals in dit document beschreven. Om de voortgang en kwaliteit te bewaken, wordt de geleverde Brandweerzorg zorgvuldig geregistreerd. Deze registraties vormen de basis voor monitoring, verantwoording en verbetering van de repressieve prestaties.
Brandweer Zaanstreek-Waterland verantwoordt zich jaarlijks in de bestuur rapportages over de mate waarin de geleverde prestaties aansluiten bij de uitgangspunten van dit plan. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een vaste methodiek om de prognose en realisatie met elkaar te vergelijken.
Op deze manier ontstaat een cyclisch proces van uitvoeren, beoordelen en verbeteren, waarmee de Brandweerzorg blijvend kan worden afgestemd op de actuele omstandigheden en verwachtingen.
Bijlage 1 – Samenvatting Handreiking Landelijke Uniforme Systematiek voor Dekkingsplannen
De landelijk uniforme systematiek voor dekkingsplannen beoogt een landelijk uniform werkwijze voor de brandweer. De systematiek is vastgelegd in een handreiking. Door dit toe te passen, kan de brandweer met het dekkingsplanproces meer recht doen aan de huidige praktijk. Dat doet zij door niet alleen inzicht te geven in de factor snelheid, maar ook in factoren als capaciteit, paraatheid en werkdruk. Naast een beschrijving van de systematiek in zeven processtappen, biedt de handreiking ook rekenvoorschriften waardoor regionale dekkingsplanen vergelijkbaar worden. Deze samenvatting is opgesteld door het landelijke projectteam n.a.v. de pilot.
De landelijk uniforme systematiek bevat ook het Beoordelingskader Gebiedsgerichte Opkomsttijden. Samen bieden zij een betrouwbaar instrument dat de brandweer inzicht geeft in prognose en realisatie van de repressieve dekking, inclusief de motivatie van afwijkingen en flankerend beleid. Het kader wordt toegepast bij de beoordeling van de dekking. Hierin ligt de nadruk op de opkomsttijd van de eerste basisbrandweereenheid (TS6).
Zowel de totstandkoming van het dekkingsplan als de uitvoering en de rapportage verloopt via de landelijk uniforme systematiek voor dekkingsplannen. Deze bestaat uit zeven stappen. Het opstellen van het dekkingsplan en de besluitvorming hierover is het schakelpunt tussen de twee cycli van inrichten en uitvoeren.
Dekkingsplanproces in zeven processtappen
Iedere veiligheidsregio is wettelijk verplicht om een dekkingsplan vast te stellen als onderdeel van de totale beleidscyclus (art. 14 WVr). De landelijk uniforme systematiek voor dekkingsplannen helpt de brandweer met behulp van de volgende zeven processtappen om een dekkingsplan in te richten, door het algemeen bestuur te laten vaststellen en uit te voeren:
Processtap 1 - Dekking bijstellen
De brandweer maakt inzichtelijk of ontstane veranderingen of voorgenomen ontwikkelingen invloed hebben op de regionale dekking en zo ja, in welke mate. Het vorige bestuurlijk vastgestelde dekkingsplan geldt hierbij als referentiekader. Dit levert een set van kaders, randvoorwaarden en uitgangspunten op die nodig zijn bij de beschrijving van de dekking in de volgende processtap.
Processtap 2 - Dekking beschrijven
Met behulp van de landelijk uniforme systematiek voor dekkingsplannen beschrijft de brandweer de verwachte dekking in het verzorgingsgebied. Hiermee maakt de brandweer inzichtelijk waar zij repressief toe in staat is onder de gegeven omstandigheden. De beschrijving bevat minimaal de twee verplichte factoren snelheid en capaciteit. Daarnaast kan de brandweer de beschrijving aanvullen met de factoren paraatheid en werkdruk. Die laatste twee zijn niet verplicht, maar geven wel meer inzicht.
Processtap 3 - Dekking beoordelen
De brandweer toetst de verwachte repressieve dekking minimaal aan het Beoordelingskader Gebiedsgerichte opkomsttijden en het kader Grootschalig Brandweeroptreden en beoordeelt deze aan de hand van de factoren snelheid en capaciteit, eventueel aangevuld met paraatheid en werkdruk. Het resultaat is een beoordeling van de verwachte repressieve dekking. Op basis hiervan bepaalt de brandweer in hoeverre de dekking past binnen het wettelijk kader en de bestuurlijke wensen. De beoordeling wordt opgenomen in een concept-dekkingsplan, dat ook een voorstel voor aanvullende maatregelen kan bevatten.
Processtap 4 - Dekkingsplan vaststellen
Soms is het noodzakelijk de inrichtingsstappen een of meerdere keren te doorlopen om tot een dekkingsplan te komen dat optimaal binnen de wettelijke en regionale verwachtingen past. In het uiteindelijke dekkingsplan is helder geformuleerd welke onderwerpen met betrekking tot de repressieve Brandweerzorg wel zijn opgenomen en welke onderwerpen niet. De brandweer legt het uiteindelijke dekkingsplan ter besluitvorming voor aan het algemeen bestuur, vraagt het dekkingsplan vast te stellen en daarmee opdracht te verlenen tot uitvoering. Het resultaat is een bestuurlijk vastgesteld dekkingsplan, inclusief de opdracht tot uitvoering door de brandweer.
Processtap 5 - Uitvoering bijstellen
Het vastgestelde dekkingsplan vormt het vertrekpunt voor de uitvoering. De implementatie bestaat onder meer uit de aanpassing van het meldkamersysteem, (her)positionering van de voertuigen en aanpassing van de bezetting en de roosters. Het resultaat is een repressieve brandweerorganisatie die volgens de afspraken in het dekkingsplan is ingericht.
Processtap 6 - Dekking uitvoeren
De brandweer richt zich op de realisatie van de gemaakte prestatieafspraken en de uitvoering van de dekking. Dit gaat over alarmeren, uitrukken, ter plaatse komen en hulpverlenen aan mens en dier. Tijdens de uitvoering registreert de brandweer de gerealiseerde dekking volgens de rekenvoorschriften van de landelijk uniforme systematiek. Het resultaat is hulpverlening en de registratie daarvan.
Processtap 7 - Uitvoering beoordelen
De brandweer beoordeelt de dekkingsprestatie bij inmiddels bestreden incidenten met als doel de uitvoering te beoordelen. De beoordeling wordt gebruikt om te leren, cyclisch te verbeteren en verantwoording af te leggen aan het bestuur. Zo nodig stelt de brandweer op basis van de inzichten de uitvoering en/of inrichting van de dekking bij. Hiermee start een nieuwe dekkingsplancyclus.
Bijlage 3: Technische uitgangspunten voor alle berekeningen
Het dekkingsplan komt tot stand door per object de opkomsttijd te berekenen door een rekensysteem. De mediaan van alle objecten in een bepaalde buurt die bepaald de opkomsttijd van de betreffende buurt. In deze bijlage van het Dekkingsplan wordt een uitleg gegeven over de werking van het rekensysteem en de uitgangspunten bij de berekeningen.
Brandweer Zaanstreek-Waterland gebruikt het rekenprogramma CARE (CArtografische REkenmodule) voor de berekeningen die de basis vormen van het dekkingsplan. Per object wordt berekend welk voertuig het snelst ter plaatse kan zijn. Hierdoor worden prognoses op regionaal, gemeentelijk of verzorgingsgebied schaal gemaakt over de opkomsttijden. Om het systeem te kunnen laten rekenen, kiest de regio uitgangspunten, die vaak gebaseerd zijn op praktijkmetingen. De uitkomsten blijven echter theoretische berekeningen en prognoses. Voor de berekeningen voor het Dekkingsplan zijn een aantal uitgangspunten bepaald, op basis waarvan het rekensysteem gevuld is. De volgende uitgangspunten zijn gekozen.
|
BAG (Basisadministratie Adressen en Gebouwen) en KRO (Kern Registratie Objecten) |
De kaartlaag KRO is een verzameling van objecten uit diverse landelijke registraties in één kaartbeeld. De kaart laag bevat gegevens van registraties zoals BAG, BRT, WOZ, Handelsregister, RRGS en LRKP. De KRO is te vinden in GEO4OOV, een landelijke geodata-voorziening van het NIPV waar alle VR’s en SafetyCT op aangesloten zijn. |
|
|
Zoals vastgesteld in Landelijke Uniforme Systematiek voor Dekkingsplannen 3.0 |
||
|
Aangepast voor hulpdiensten met speed-profiles van TomTom. Wegenbestand bepaald aan de hand van de Roadtool van SafetyCT. |
||
|
Dubbele adressen met een andere functie worden samengevoegd tot de functie met het hoogste risico: Update maandelijks, VR geeft aan welke maand gebruikt wordt. |
||
|
Voor de buurtbepaling wordt gebruik gemaakt van de CBS-buurt indeling en de stedelijkheidsclassificaties 1 t/m 5. Update jaarlijks. |
||
|
CBS-buurten met een stedelijkheid van een, twee of drie waarvan minimaal een derde van de objecten tot type A tot E behoort. E. Portiekwoningen3. |
||
|
Woningen algemeen en gebouwen voor zelfredzame personen. CBS-buurten met een stedelijkheid van een, twee, of drie en met minder dan een derde objecten uit categorie 1 |
||
|
Verspreid liggende woningen en gebouwen CBS buurten met een stedelijkheid van 4, 5 of geen waarde |
||
|
Streefwaarde 7 minuten Bandbreedte 4-10 minuten bij categorie I buurten. |
||
|
Iedere TS mag uitrukken als TS4. Daarom wordt bij maatgevend scenario tweemaal een TS gealarmeerd. |
||
|
In verband met verkeersdruk en beschikbaarheid van vrijwilligers wordt onderscheid gemaakt naar Dag en Avond, Nacht en Weekend situatie. |
||
|
Geen grensbeperkingen voor gelijksoortige voertuigen van buurregio’s. |
Zoals vastgelegd in interregionale convenanten. Deze voertuigen kunnen door de GMK direct worden gealarmeerd. De uitruktijden van deze voertuigen worden periodiek door de regio’s uitgewisseld. |
|
|
De tijdselementen meldkamer-, uitruk- en rijtijd gezamenlijk vormen de opkomsttijd. |
||
|
De uitruktijd is de tijd tussen alarmering van een eenheid en de uitruk naar een incident (status uitruk). |
Op basis van waarnemingen over de laatste 50 uitrukken over maximaal 2 jaar. De puntwaarde wordt bepaald door de mediaan van de waarnemingen. Met volgend filter: • Alleen alarmeringen binnen 20 minuten vanaf start incident. • Incidenten afgesloten met afsluitcode “Inzet”. • Alarmeringen voor incidenten met de meldingsclassificaties Brand Gebouw. |
|
Bijlage 5: Gebiedscategorisering
De methode Gebiedsgerichte Opkomsttijden is gericht op het verwachte effect van brand en de bestrijding die daarvoor noodzakelijk is. Hiervoor is de regio in gebieden verdeeld. Na toepassing van de methode valt elk gebied in een bepaalde categorie met bijbehorende opkomsttijd. Per gebied is de adressendichtheid en het soort en aantal objecten (gebouwen) bekeken. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Kernregistratie Objecten (KRO) en de Witte Kaart van de gemeentelijke GGD’s. Ook geeft de methode de bandbreedte waarbinnen afwijking van de geadviseerde opkomsttijd toelaatbaar is.
|
Gebouwen voor slapende niet-zelfredzame personen Portiekwoningen |
||
|
Verspreid liggende gebouwen voor zelfredzame personen (inclusief industrie) |
||
Legenda beoordeling operationele prestaties op snelheid
Bijlage 6: Repressieve dekking van de overige taakgebieden
De Handreiking Landelijke Uniforme Systematiek voor Dekkingsplannen maakt voor de beoordeling van de basisbrandweerzorg gebruik van de methode Gebiedsgerichte Opkomsttijden. Deze methode richt zich op de beoordeling van de basisbrandweereenheid (tankautospuit). De methode geeft in de recente versie ook beoordelingskader voor het redvoertuig maar nog niet voor de overige taakgebieden. Brandweer Zaanstreek Waterland kiest ervoor om voor het redvoertuig en de overige taakgebieden in deze bijlage de opkomsttijden in kaart te brengen.
Brandweer Zaanstreek Waterland beschikt over drie redvoertuigen. Het redvoertuig Purmerend en Prins Bernhardplein wordt bemenst door de 24-uursdienst. Op post Wormerveer wordt deze bemenst door de dagdienst. Na 17:00 uur tot 07:30 uur wordt de bemensing van het redvoertuig door de vrijwilligers gegarandeerd middels het consignatiemodel en een daaraan vastgesteld gebied. Het redvoertuig op post Wormerveer kan tijdelijk buitendienst gezet worden als er onvoldoende vrijwilligers zijn om het rooster rond te krijgen.
De opkomstnorm van dit redvoertuig is dezelfde als voor de eerste tankautospuit. Voor het redvoertuig geldt dan ook, net als voor de eerste basisbrandweereenheid, een opkomsttijd van 7 minuten voor categorie 1 buurten met een bandbreedte tussen de 4 en 10 minuten.
Het hulpverleningsvoertuig van de brandweer wordt vooral ingezet bij ongevallen en/of brand met grote voertuigen. En is op aanvraag beschikbaar voor andere meldingen dan wel hulpvragen. Brandweer Zaanstreek Waterland beschikt over twee hulpverleningsvoertuigen. Deze worden bemenst met een springbezetting op de posten Edam en Zaandijk.
Een deel van de werklast van de brandweer bestaat uit uitrukken naar waterongevallen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over mensen of dieren die te water zijn geraakt. Brandweer Zaanstreek Waterland beschikt over twee waterongevallenwagens met een duikteam. Deze worden bemenst door de 24-uursdienst op de posten Purmerend en Zaandam Prins Bernhardplein. Voor de maximale opkomsttijd bij een waterongeval is geen wettelijke norm bepaald.
Incidentbestrijding gevaarlijke stoffen
Dit is een specialistische taak op het gebied van ongevalsbestrijding bij gevaarlijke stoffen. Personeel van deze eenheid kan in gaspakken verder gaan dan wat een normale brandweereenheid kan. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om zeer giftige of zeer bijtende stoffen en niet om minder kwalijke stoffen als koolmonoxide, welke wel door een basis brandweereenheid te bestrijden zijn. De IBGS-SIE wordt bemenst met een springbezetting op post Assendelft.
Door interregionale samenwerking met vier veiligheidsregio's in Noord-Holland kunnen meerdere SIE-eenheden en ondersteuningseenheden opgeroepen worden om in te zetten bij grootschalige incidentbestrijding met gevaarlijke stoffen.
Op basis van de huidige methode en dekking zijn binnen de veiligheidsregio Zaanstreek Waterland aandachtsobjecten aanwezig. Voor deze objecten geldt de norm zoals opgesteld in de methode Gebiedsgerichte Opkomsttijden. Deze norm wordt echter door de brandweer op dit moment niet behaald. Deze aandachtobjecten zijn in beeld bij team risicobeheersing en waar nodig zijn of worden extra beheersmaatregelen genomen.
De kaart hieronder illustreert alle objecten die de brandweer niet binnen de norm bereikt. Dit varieert van 1 seconden over de gestelde normtijd tot maximaal 3 minuten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://www.officielebekendmakingen.nl/bgr-2026-1534.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.