Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 22 februari 2022, nr. WJZ/ 22049173, tot wijziging van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI)

De Minister voor Klimaat en Energie,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, onderdelen a, b, d en h, 16, 19, derde lid, 23, onderdeel b, en 25 van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 wordt in de begripsomschrijving van IPCEI-steunkader ‘nummer C/2021/8481, te raadplegen via https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/ALL/?uri=PI_COM:C(2021)8481’ vervangen door ‘PBEU 2021 C 528/02’.

B

In artikel 3.27.1 worden in de alfabetische volgorde twee begripsbepalingen ingevoegd, luidende:

Europese notificatiefase:

fase waarin een Nederlands belangrijk project formeel bij de Europese Commissie wordt aangemeld om een Europees goedkeuringsbesluit te krijgen;

Europese pre-notificatiefase:

fase waarin de Minister bij de Europese Commissie informeel een Nederlands belangrijk project onder de aandacht brengt om, voorafgaand aan een eventuele Europese notificatiefase, te verkennen of dit project in aanmerking zou kunnen komen voor een Europees goedkeuringsbesluit;.

C

Artikel 3.27.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de onderdelen a en b vervangen door drie onderdelen, luidende:

  • a. cloud infrastructuur en services;

  • b. micro-elektronica en halfgeleiders; of

  • c. waterstoftechnologie.

2. In het tweede lid wordt ‘als bedoeld in het eerste lid’ vervangen door ‘als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,’.

3. Onder vernummering van het derde tot vierde lid, wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, omvat een samenhangend geheel van activiteiten dat kan bestaan uit onderzoek en ontwikkeling of de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit.

D

Artikel 3.27.6, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde Nederlands belangrijk project wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening en, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftechnologie als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, betreft, voor 1 januari 2024.

E

Artikel 3.27.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b, subonderdeel 1°, komt als volgt te luiden:

  • 1°. waarvoor niet op uiterlijk 11 juli 2021 om 18:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van cloud infrastructuur en services, 21 mei 2021 om 17:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van micro-elektronica en halfgeleiders of 22 september 2020 om 17:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van waterstoftechnologie als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, b of c, een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de Minister op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2021, 30783, Stcrt. 2021, 20378 respectievelijk Stcrt. 2020, 40723; of.

2. Onder verlettering van de onderdelen d tot en met f tot e tot en met g, wordt na onderdeel c een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • d. de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftechnologie als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c:

    • 1°. dat tijdens het toepasselijke Europees matchmakingsproces niet is ingedeeld binnen het thema technologie;

    • 2°. waarvoor de pre-notificatiefase nog niet gestart was op 31 augustus 2021; of

    • 3°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen;.

ARTIKEL II

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV- subsidies 2022 wordt onder de laatste rij betreffende titel 3.27 een rij ingevoegd, luidende:

Titel 3.27: Important Projects of Common European Interest (IPCEI)

artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c

 

Waterstoftechnologie

25-02-2022 t/m 11-03-2022

€ 35.000.000, voor zover dit subsidieplafond niet verlaagd of op nihil vastgesteld wordt na behandeling door de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal van het voorstel van wet tot wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2022 (Vierde incidentele suppletoire begroting inzake IPCEI waterstof) (Kamerstukken II 2021/22, 36 035)

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 25 februari 2022.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 22 feburari 2022

De Minister voor Klimaat en Energie, R.A.A. Jetten

TOELICHTING

1. Aanleiding, doel en inhoud

Met deze wijzigingsregeling wordt de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (hierna: IPCEI), opgenomen in titel 3.27 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, gewijzigd en opnieuw opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie.

1.1 Aanleiding

Het kabinet heeft de ambitie om Nederlandse ondernemingen en /of onderzoeksorganisaties financieel te ondersteunen om deel te kunnen nemen aan verschillende Important Projects of Common European Interest (IPCEI), in het Nederlands Belangrijke Projecten van Gemeenschappelijk Europees Belang genoemd (hierna: Europese belangrijke projecten).

Een Europees belangrijk project bestaat uit meerdere nationale belangrijke projecten van ondernemingen en/of onderzoeksorganisaties uit diverse lidstaten van de Europese Unie en/of de Europese Economische ruimte (EER) die complementair zijn aan elkaar. Daarbij gaat het om een groep afzonderlijke nationale projecten die zijn opgenomen in een gemeenschappelijke structuur, routekaart of programma, welke op dezelfde doelstelling is gericht en op een coherente, systemische benadering is gebaseerd. Binnen een Europees belangrijk project worden dus zogenaamde nationale deelprojecten binnen de diverse lidstaten van de Europese Unie uitgevoerd. Hieronder kunnen zich ook zogenaamde Nederlandse belangrijke projecten bevinden die uitgevoerd worden door Nederlandse ondernemingen en /of onderzoeksorganisaties. De onderdelen van een Nederlands belangrijk project mogen betrekking hebben op verschillende niveaus van de leveringsketen, maar moeten complementair zijn en een aanzienlijke toegevoegde waarde hebben in hun bijdrage aan de verwezenlijking van belangrijke Europese doelstellingen. Met de subsidiemodule IPCEI wordt beoogd om financiële ondersteuning te geven voor Nederlandse belangrijke projecten die zich richten op bepaalde gebieden. Voor een uitgebreidere achtergrond van deze subsidiemodule wordt verwezen naar paragraaf 1.1 van de algemene toelichting van de wijzigingsregeling waarmee deze subsidiemodule is ingevoerd1 (hierna: de invoeringsregeling). De onderhavige wijzigingsregeling zorgt ervoor dat in het vervolg ook Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie voor subsidie in aanmerking komen.

1.2 Doelstellingen

Met onderhavige wijzigingsregeling wordt de subsidiemodule IPCEI gewijzigd opengesteld. Deze subsidiemodule was vanaf medio december 2021 tot en met medio januari 2022 al opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten die zich richten op de gebieden (a) cloud infrastructuur en services (CIS) en (b) micro-elektronica en halfgeleiders, en wordt met deze wijzigingsregeling opnieuw opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie.

Het doel van deze openstelling is om de ontwikkeling van innovatieve technologieën voor productie, gebruik, opslag, transport en distributie van waterstof te stimuleren. Het Europese belangrijke project moet erop gericht zijn om de belangrijkste prestatie-indicatoren van verschillende innovatieve technologieën te verbeteren en om processen en technologieën te ontwikkelen en te testen die nodig zijn voor massaproductie van elektrolysers, tanks, brandstofcellen en andere fabrieken en componenten. De (deel)projecten, waaronder het Nederlands belangrijke project, dienen zich uit te strekken over zogenaamde RDI-activiteiten (FID-toepassingen waarbij (proef)fabrieken worden getest onder realistische en industriële omstandigheden). Hiermee wordt invulling gegeven aan de waterstofstrategieën van de Europese Unie en Nederland om via ontwikkeling en opschaling van waterstof een belangrijke bijdrage te leveren om klimaatdoelen te behalen en Europese samenwerking op het gebied van R&D en innovatie in koolstofarme waterstof te promoten. Het project moet namelijk helpen de zogenaamde systeemverandering naar waterstof mogelijk te maken.

Op grond van de subsidiemodule IPCEI zouden Nederlandse belangrijke projecten voor subsidie in aanmerking kunnen komen die in voldoende mate een bijdrage leveren aan dit type Europees belangrijk project, voor zover de subsidiabele activiteiten bestaan uit onderzoek en ontwikkeling en/of de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Hiermee wordt invulling gegeven aan de kabinetsvisie2 op het gebied van waterstof, waarin het kabinet het belang van de ontwikkeling van duurzame waterstof en de unieke uitgangspositie van Nederland onderstreept.

1.3 Het proces van subsidieverlening en beoordeling

Voordat er subsidie verleend kan worden aan een Nederlands belangrijk project zal eerst een zogenaamd Europees matchmakingsproces moeten hebben plaatsgevonden. Iedere lidstaat van de Europese Unie kan een Europees belangrijk project initiëren. Er is geen vastomlijnd proces voor het opzetten van een Europees belangrijk project, behalve dat het project uiteindelijk moet voldoen aan de eisen van het zogenaamde IPCEI-steunkader. Elk Europees matchmakingsproces zal maatwerk behelzen qua opzet, doel, planning in de tijd, participatie en financiële omvang. Dit was ook zo voor de Europese belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie.

Het matchmakingsproces start vanaf het moment dat één of meerdere lidstaten van de Europese Unie het voornemen kenbaar maakt om een Europees belangrijk project te starten, waarvoor andere lidstaten van de Europese Unie interesse kunnen tonen. Hierop kunnen de geïnteresseerde lidstaten van de Europese Unie een gezamenlijke reikwijdte van het Europees belangrijk project overeenkomen op grond waarvan een interessepeiling gestart kan worden binnen de betrokken geïnteresseerde lidstaten. Naar aanleiding van deze interessepeiling kunnen ondernemingen via een globaal projectvoorstel kenbaar maken of zij geïnteresseerd zijn om deel te nemen aan het Europese belangrijke project, waarna met deze geïnteresseerde ondernemingen matchmakingsessies plaatsvinden. Voor de Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie is voormelde interessepeiling gedaan via een oproep in de Staatscourant waarna de matchmakingsessies hebben plaatsgevonden.

Uiteindelijk zal beoordeeld moeten worden of de Nederlandse belangrijke projecten voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Deze definitieve beslissing wordt gemaakt op grond van Europese en Nederlandse besluitvormingsprocessen die gelijktijdig of na elkaar kunnen plaatsvinden. De beslissing op de aanvraag om subsidie wordt dan ook genomen op basis van de in de subsidiemodule IPCEI opgenomen voorwaarden en criteria, de pre-notificatie bij de Europese Commissie en diens reactie hierop en tot slot de definitieve notificatie en het zogenaamde Europese goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie op deze definitieve notificatie waarin onder meer het project wordt goedgekeurd en duidelijk wordt wie de zogenaamde directe partners bij het project zijn.

Voor een uitgebreidere omschrijving van het proces wordt verwezen naar paragraaf 1.3 van de algemene toelichting van de invoeringsregeling. Voor projecten op het gebied van waterstoftechnologie gelden enkele specifieke eisen, die worden toegelicht in paragraaf 2.2 van de toelichting op de onderhavige wijzigingsregeling. In die paragraaf wordt onder meer ingegaan op het feit dat projecten op het gebied van waterstoftechnologie alleen subsidiabel zijn in het geval voor deze projecten de pre-notificatiefase gestart is voor 1 september 2021.

2. Inhoudelijke aanpassing van de subsidiemodule IPCEI

(Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies)

2.1 Aanpassing van de reikwijdte van de subsidieverstrekking

(artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, en derde lid (nieuw))

Op grond van artikel 3.27.2, eerste lid, wordt op aanvraag subsidie verstrekt aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit een Europees samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen van de Europese Unie, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader. Bij de vorige openstelling ging het hierbij uitsluitend om de doelstellingen die liggen op het gebied van (a) cloud infrastructuur en services, dan wel (b) micro-elektronica en halfgeleiders als bedoeld in artikel 3.72.2, eerste lid, onderdelen a respectievelijk b, waarvoor de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen in artikel 3.27.2, tweede lid. Aan artikel 3.27.2, eerste lid, is een onderdeel c toegevoegd, zodat in het vervolg ook Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie voor subsidie in aanmerking komen. Dit zijn projecten die tijdens het Europese matchmakingsproces zijn ingedeeld binnen het thema technologie. Zie hieromtrent ook de toelichting op artikel 3.27.7, onderdeel d, aanhef en subonderdeel 1°, opgenomen in paragraaf 2.2 van deze toelichting.

Van belang is dat in verband met de afbakening van de subsidiabele activiteiten voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie een verwijzing in het tweede lid van artikel 3.27.2 is aangepast en een nieuw derde lid aan dit artikel is toegevoegd. Hieruit volgt dat de openstelling voor subsidiabele activiteiten voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie op grond van artikel 3.27.2, derde lid, (nieuw) beperkt is tot onderzoek en ontwikkeling en/of de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten (en dus bijvoorbeeld geen betrekking heeft op de in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, vermelde infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering) door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. De subsidie voor projecten op het gebied van waterstoftechnologie wordt niet verleend voor de subsidiabele activiteiten van indirecte partners, die zijn opgenomen in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b tot en met f. Voor een nadere beschrijving van het Europees goedkeuringsbesluit en het verschil tussen directe en indirecte partners wordt verwezen naar paragraaf 2 van de algemene toelichting van de invoeringsregeling.

Verder is van belang dat door de toevoeging van waterstoftechnologie (onderdeel c) aan artikel 3.27.2, eerste lid, alle bepalingen van de subsidiemodule IPCEI in het vervolg ook van toepassing zijn op subsidieaanvragen die betrekking hebben op projectactiviteiten op het gebied van waterstoftechnologie. Hierbij kan gedacht worden aan bepalingen betreffende de subsidiabele activiteiten, hoogte van de subsidie, subsidiabele kosten, start- en realisatietermijn, afwijzingsgronden, verdeling van het subsidieplafond via rangschikkingscriteria en (relevante) verplichtingen voor de subsidieaanvrager en subsidieontvanger. Voor de inhoud en achtergrond van deze bepalingen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van de invoeringsregeling.

2.2 Aanpassing afwijzingsgronden en begripsbepalingen

(artikel 3.27.7 respectievelijk 3.27.1)

Artikel 3.27.7 bevat de afwijzingsgronden die, in aanvulling op de afwijzingsgronden uit artikel 22 en 23 van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies, van toepassing zijn op een subsidieaanvraag voor een Nederlands belangrijk project. Voor alle afwijzingsgronden gold al dat deze van toepassing waren op subsidieaanvragen die betrekking hadden op Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van (a) cloud infrastructuur en services en (b) micro-elektronica en halfgeleiders. Door de toevoeging van onderdeel c (nieuw) aan artikel 3.27.2, eerste lid, zijn deze afwijzingsgronden in het vervolg ook van toepassing op subsidieaanvragen die betrekking hebben op Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstof. Daarnaast is een aantal afwijzingsgronden aangepast om deze beter te laten aansluiten op dit (nieuwe) projectgebied.

Aanpassing procedurele voorschriften en bijhorende begripsbepalingen

(artikel 3.27.7, onderdelen b en d, aanhef en subonderdelen 1°, en 2°, en 3.27.1)

Er is een aantal procedurele voorschriften aangepast. Op grond van artikel 3.27.7, onderdeel b wordt de subsidieaanvraag afgewezen in het geval niet aan bepaalde procedurele aspecten voldaan is.

Aan de procedurele voorschriften is op grond van artikel 3.27.7, onderdeel b, aanhef en subonderdelen 1° en 2°, niet voldaan wanneer de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project (1°) waarvoor niet op uiterlijk een bepaalde datum voor projectactiviteiten op een bepaald deelgebied een voorlopig projectvoorstel ingediend is bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat op grond van een oproep die betrekking had op het desbetreffende (deel) gebied) of (2°) dat geen onderdeel uit heeft gemaakt van een Europees matchmakingsproces. Onderdeel b, subonderdeel 1°, is aangepast, zodat een aanvraag om subsidie op het gebied van waterstoftechnologie wordt afgewezen indien de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project waarvoor niet op uiterlijk 22 september 2020 om 17:00 een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat (voor dit deelgebied de voorganger van de huidige Minister voor Klimaat en Energie) op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2020, 40723. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat ook alleen de Nederlandse partijen uit een Europees matchmakingsproces die hebben gereageerd op de interessepeiling op het gebied van waterstof voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Voor de achtergrond waarom het van belang is deel te hebben genomen aan de interessepeiling en vervolgens het Europese matchmakingsproces wordt verwezen naar paragrafen 1.3 van de toelichting van zowel de invoeringsregeling als de onderhavige regeling.

Indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op projectactiviteiten op het gebied van waterstoftechnologie zijn bovendien extra procedurele voorschriften van toepassing.

Allereerst wordt voor projecten op het gebied van waterstoftechnologie in artikel 3.27.7, onderdeel d, aanhef en subonderdeel 1°, bepaald dat het project tijdens een Europees matchmakingsproces moet zijn ingedeeld bij het thema technologie. Wanneer dit niet het geval is dan wordt de subsidieaanvraag afgewezen. Met deze afwijzingsgrond wordt invulling gegeven aan de gemaakte afspraken tussen de betrokken lidstaten en de Europese Commissie, waarmee de Europese belangrijke projecten geclusterd zijn binnen een aantal thema’s (ook wel golven genoemd), namelijk de thema’s (1) ‘technologie’ en (2) ‘decarbonisatie van de industrie’. Omdat de komende openstelling alleen betrekking zal hebben op het thema technologie wordt in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, alleen naar dit thema verwezen. Bij mogelijke toekomstige openstellingen kunnen andere thema’s, zoals het thema ‘decarbonisatie van de industrie’, hieraan worden toegevoegd.

Ten tweede wordt voor projecten op het gebied van waterstoftechnologie in artikel 3.27.7, onderdeel d, aanhef en subonderdeel 2°, bepaald dat de pre-notificatiefase reeds gestart moet zijn op 31 augustus 2021. De Europese pre-notificatiefase vindt plaats na voormelde interessepeiling en het Europese matchmakingsproces. De Europese pre-notificatiefase is de fase waarin Nederland bij de Europese Commissie informeel een Nederlands belangrijk project onder de aandacht brengt en waarop deze, voorafgaand aan een eventuele notificatiefase, op informele en vertrouwelijke basis kan worden besproken of dit project – naar het voorlopige niet-bindende oordeel van de Europese Commissie – in aanmerking zou kunnen komen voor een Europees goedkeuringsbesluit. Het is van belang dat de Europese pre-notificatiefase voor projecten op het gebied van waterstoftechnologie al gestart is op 31 augustus 2021, omdat projecten die hier geen onderdeel van uitmaakten geen positieve beoordeling hebben gehad in de eerdere fases van het (informele) selectieproces, bedoeld in paragraaf 1.3 van deze toelichting. Hierdoor zullen deze projecten ook niet aan de essentiële Europese notificatiefase toekomen (de fase waarin Nederland bij de Europese Commissie formeel een Nederlands belangrijk project aanmeldt om, ingevolge artikel 107, derde lid, onderdeel b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, een Europees goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie te krijgen). Voor een adequate afbakening van deze afwijzingsgrond zijn de begripsbepalingen ‘Europese pre-notificatiefase’ en ‘Europese notificatiefase’ toegevoegd aan artikel 3.27.1.

Toevoeging minimum financieringskloof

(artikel 3.27.7, onderdeel d, aanhef en subonderdeel 2°)

Op grond van artikel 3.27, onderdeel c, wordt de subsidieaanvraag afgewezen indien de subsidiabele kosten per Nederlands belangrijk project onder een bepaald minimumbedrag liggen. De aanvraag om subsidie voor een Nederlands belangrijk project wordt (ongeacht van het deelgebied waarop deze betrekking heeft) afgewezen indien de subsidiabele kosten voor het desbetreffende Nederlandse belangrijke project minder dan € 5.000.000 zouden bedragen. Hierdoor zullen kleinere projecten niet voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Op deze wijze worden aanvragen om subsidie gestimuleerd die voldoende massa hebben, zodat de subsidieaanvrager(s) significante stappen kan zetten en gefragmenteerde inzet van publieke middelen voorkomen wordt.

Aanvullend op voormelde voorwaarde geldt echter ook nog een minimum financieringskloof in het geval de subsidieaanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftechnologie. Met de financieringskloof wordt op grond van paragraaf 4.3, onderdeel 33, van het IPCEI-steunkader het verschil bedoeld tussen de positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van de investering, contant gemaakt op basis van een passende disconteringsfactor waarin het rendement tot uiting komt dat de begunstigde verlangt om het project uit te voeren, met name gelet op de daaraan verbonden risico’s. De aanvraag om subsidie voor een project op het gebied van waterstoftechnologie wordt op grond van artikel 3.27.7, onderdeel d, aanhef en subonderdeel 3°, afgewezen indien de financieringskloof minder zou bedragen dan € 10.000.000. De reden hiervoor is dat (naast de voormelde substantiële omvang van projecten) hiermee gewaarborgd wordt dat alleen projecten op het gebied van waterstoftechnologie gesubsidieerd worden die vanwege groot marktfalen niet voldoende andere financiering kunnen verkrijgen om het project (rendabel) te kunnen uitvoeren.

2.3 aanpassing starttermijn (artikel 3.27.6)

Er is een inhoudelijke aanpassing in artikel 3.27.6, eerste lid, doorgevoerd. In dit artikellid was reeds bepaald dat met de uitvoering van een op grond van deze subsidiemodule gesubsidieerd Nederlands belangrijk project ten minste moet worden gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat het desbetreffende project spoedig van start zal gaan. Aanvullend hierop is voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie toegevoegd dat (onverminderd voornoemde termijn) moet worden gestart voor 1 januari 2024. Hiermee wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan de tussen de (bij het bovenliggende Europees belangrijke project) betrokken lidstaten overeengekomen voorwaarde dat de uiteindelijke financieringsbeslissing (Final Investment Decision (FID)) voor een project op het gebied van waterstoftechnologie voor 2024 moet liggen.

2.4 Overige aanpassingen (artikelen 3.27.1 en 3.27.5)

Er zijn ook enkele technische correcties doorgevoerd in de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

Allereerst is in artikel 1.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies een verwijzing naar de vindplaats van het IPCEI-steunkader aangepast. In artikel 1.1 bevinden zich een aantal begripsbepalingen van Europese steunkaders, waaronder een begripsbepaling van het IPCEI-steunkader. Hierin werd verwezen naar de tijdelijke vindplaats van het IPCEI-steunkader. Omdat het IPCEI-steunkader inmiddels in het publicatieblad van de Europese Unie is opgenomen kan naar die publicatie worden verwezen en is de voormelde verwijzing vanwege de kenbaarheid aangepast.

Ten tweede is een technische correctie in artikel 3.27.6, eerste lid, doorgevoerd. In dit artikellid wordt bepaald wanneer met de uitvoering van een op grond van de subsidiemodule IPCEI gesubsidieerd Nederlands belangrijk project gestart kan worden. Abusievelijk werd in dit artikellid de term ‘paragraaf’ gebruikt, in plaats van ‘titel’ (voor de aanduiding van titel 3.27 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies). Deze omissie is hersteld.

3. Openstelling en verdeling van het subsidieplafond

(Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022)

Met deze wijzigingsregeling wordt de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 aangepast, zodat de subsidiemodule IPCEI ook opengesteld kan worden voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie.

De subsidiemodule IPCEI wordt voor voormelde projecten op het gebied van waterstoftechnologie opengesteld van 25 februari 2022 om 9.00 uur tot en met 11 maart 2022 om 17.00 uur. Dit betekent dat in deze periode subsidieaanvragen ingediend kunnen worden, waarbij het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen. Voor een uitleg van de wijze van verdeling van het subsidieplafond en de rangschikkingscriteria wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 3.27.5 en 3.27.8 van de invoeringsregeling.

Het subsidieplafond voor voormelde projecten op het gebied van waterstoftechnologie wordt vastgesteld op € 35.000.000. Dit subsidieplafond is vastgesteld onder voorbehoud dat het plafond niet verlaagd of op nihil vastgesteld wordt na behandeling door de Tweede en Eerste Kamer van het voorstel van wet tot wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2022 (Vierde incidentele suppletoire begroting inzake IPCEI waterstof) (hierna: wijziging van de begrotingswet EZK 2022) (Kamerstukken II 2021/22, 36 035). De reden hiervoor is dat de voormelde wijziging van de begrotingswet EZK 2022 voor het voormelde subsidieplafond nog behandeld en goedgekeurd moet worden door de Tweede en Eerste Kamer.

Van belang is dat bij dit begrotingsvoorbehoud gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hiervoor biedt. Artikel 4:28 Awb bevat een uitzondering op de in artikel 4:27, tweede lid, van de Awb, neergelegde hoofdregel dat een latere verlaging van het subsidieplafond niet van toepassing kan zijn op een subsidieaanvrager die een aanvraag om subsidie heeft ingediend voordat de desbetreffende verlaging plaatsvond. Artikel 4:28 bepaalt dat een verlaging van het subsidieplafond na de aanvang van het subsidietijdvak wel gevolgen kan hebben voor reeds ingediende aanvragen indien de verlaging voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting. Het kan hierbij gaan om een verlaging die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting (dus in de praktijk een verlaging of schrapping van een begrotingspost). Dit betekent ook dat de verlaging niet verder mag gaan dan uit de begroting voortvloeit. Ook moet ingevolge artikel 4:28 Awb bij de bekendmaking van het subsidieplafond reeds zijn gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan.

4. Staatssteun

Op grond van de subsidiemodule IPCEI wordt subsidie verstrekt voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project. Een (subsidiabel) Nederlands belangrijk project moet onderdeel uitmaken van een Europees belangrijk project. Voor een Nederlands belangrijk project wordt op grond van deze subsidiemodule echter alleen subsidie verleend wanneer het desbetreffende project is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie. Dit besluit kan alleen verkregen worden in het geval met het uitvoeren van het desbetreffende Europese belangrijke project een bijdrage wordt geleverd aan één of meer van de belangrijke doelstellingen van de Europese Unie, opgenomen in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader. De subsidie is bestemd voor directe en indirecte partners.

4.1 Subsidiabele activiteiten

De subsidiemodule IPCEI wordt met deze wijzigingsregeling opengesteld voor projecten op het gebied van waterstoftechnologie, voor zover de subsidiabele activiteiten bestaan uit onderzoek en ontwikkeling en/of de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. De subsidie voor deze ondernemingen bevat staatssteun en kan overeenkomstig het Europees goedkeuringsbesluit worden gerechtvaardigd door paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, van het IPCEI-steunkader. De openstelling van de subsidiemodule IPCEI voor projecten op het gebied van waterstoftechnologie is niet van toepassing op door indirecte partners uitgevoerde projectactiviteiten. Voor een nadere beschrijving van het Europees goedkeuringsbesluit en het verschil tussen directe en indirecte partners wordt verwezen naar paragraaf 2 van de algemene toelichting van de invoeringsregeling.

4.2 Transparantie, cumulatie, stimulerend effect en overige voorwaarden

De door de subsidiemodule IPCEI gestelde eisen, opgenomen in titel 3.27 van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies, alsook de algemene eisen uit het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies, zorgen ervoor dat de subsidie verleend wordt in overeenstemming met de eisen uit de voormelde relevante artikelen uit de toepasselijke Europese staatssteunkaders (het IPCEI-steunkader en de algemene groepsvrijstellingsverordening). De verleende subsidie valt derhalve binnen de toepasselijke steunintensiteiten en drempelbedragen uit deze Europese Staatssteunkaders en geeft invulling aan (en reikt niet verder dan) de voorwaarden uit paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, van het IPCEI-steunkader.

Voorts is de steun transparant, heeft een stimulerend effect en voldoet aan de bepalingen betreffende cumulatie van steun.

4.3 Kennisgeving en openbare bekendmaking van gegevens inzake steunverlening

Indien een subsidie die op grond van de subsidiemodule IPCEI wordt verleend aan een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftechnologie staatssteun bevat die door het IPCEI-steunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de Minister voor Klimaat en Energie binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, genoemd in artikel 1.8 van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies, bekend.

5. Regeldruk

5.1 Algemeen

De subsidiemodule IPCEI heeft administratieve lasten tot gevolg, samenhangend met de aanvraag voor subsidie, de tussentijdse (jaarlijkse) rapportage over de voortgang en de aanvraag voor subsidievaststelling. De subsidiemodule brengt vanzelfsprekend geen inhoudelijke nalevingskosten met zich mee.

5.2 Informatieverplichtingen

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet een aanvraag voor subsidie worden ingediend waarin of waarbij bepaalde informatie verschaft moet worden. In artikel 3.27.12 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies zijn informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de subsidieaanvraag moet bevatten of waarvan deze vergezeld dient te gaan. Voor de subsidieaanvraag is een aantal minimale informatievereisten opgenomen over de subsidieaanvrager, het project en deelnemers uit het samenwerkingsverband, die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Hiervoor worden vanuit de Europese Commissie een aantal standaard formats aangeleverd die ingevuld moeten worden, zoals een overzicht van het project (project portfolio), de analyse van de financieringskloof (de funding gap analysis). Daarnaast moet de subsidieaanvraag vergezeld gaan van een projectplan met in ieder geval een omschrijving van de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse belangrijke project, alsmede een begroting. Ook moet de subsidieaanvraag vergezeld gaan van documenten met een beknopte beschrijving van de kennis, ervaring en projectorganisatie van de bij de uitvoering van het IPCEI-deelproject betrokken personen en een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt. Daarnaast moet ook een samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers aan het IPCEI-deelproject beschikbaar worden gesteld betreffende de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. Al deze informatie is nodig voor de rangschikking op de beoordelingscriteria.

Na een positieve beoordeling van de aanvraag en na het goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie betreffende de activiteiten en deelnemende partijen van het Nederlandse belangrijke project zal er subsidie verleend worden. Met het Nederlandse belangrijke project mag niet later gestart worden dan zes maanden na de subsidieverlening. Bovendien moet met projecten op het terrein van waterstoftechnologie gestart worden voor 1 januari 2024. Daarnaast moet het project ook binnen zeven jaar afgerond zijn. Om tussentijds zicht te houden op de voortgang van het desbetreffende project zal op grond van artikel 39 van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies jaarlijks een tussenrapportage over de voortgang van het project van de subsidieontvangers (penvoerders) worden verlangd. Deze tussenrapportages kunnen na afronding van het project ook gedeeltelijk gebruikt worden bij de uiteindelijke vaststelling van de subsidie. Voor de vaststelling van de subsidie dient de subsidieontvanger nog een aanvraag voor subsidievaststelling in te dienen waarin deze (in de vorm van een eindrapportage) aanvullende informatie verschaft.

Voor de aanvraag voor subsidievaststelling zijn de informatieverplichtingen opgenomen in artikel 50 van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies. Er is evenwel voor gekozen om deze informatieverplichtingen in artikel 3.27.13 van de subsidiemodule IPCEI nader in- en aan te vullen. Zo moet het eindverslag, dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling gevoegd wordt, informatie bevatten waarmee kan worden vastgesteld of de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, alsook of ze tot het gewenste eindresultaat hebben geleid. De te verschaffen informatie bestaat concreet uit een omschrijving van de projectresultaten, op welke wijze het Nederlandse belangrijke project heeft bijgedragen aan de doelen op de betreffende gebieden en een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten.

5.3 Berekening administratieve lasten

In het vervolg zal ook subsidie worden verstrekt aan Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstoftechnologie. Om die reden zullen voormelde administratieve lasten ook van toepassing zijn op dit type project. De verwachting is dat er voor Nederlandse projecten op het gebied van waterstoftechnologie drie subsidieaanvragen worden ingediend. Er wordt aangenomen dat de subsidieaanvrager 384 uur moet besteden aan de subsidieaanvraag. Het totale aantal uren voor de drie subsidieaanvragen komt dan uit op 1.152 uur.

Verder is de verwachting dat twee subsidieaanvragen worden gehonoreerd binnen het toepasselijke subsidieplafond. Deze twee projecten zullen over het eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde jaar een tussenrapportage moeten opstellen. Naar verwachting zal het maken van een tussenrapportage gemiddeld 28 uur kosten. Uitgaande van twee gehonoreerde projecten zullen er dus in totaal 12 tussenrapportages gemaakt moeten worden, waaraan door de subsidieontvangers in totaal 336 uur besteed zullen worden.

Ook de brede verspreiding van de kennis die de projecten gaan opleveren is op grond van artikel 3.27.12 een verplicht onderdeel van de subsidiemodule IPCEI. Te denken valt aan het verspreiden van kennis via onder andere publicaties, conferenties en online media. De totale tijdsbesteding hiervan wordt ingeschat op 40 uur per project per jaar. Bij twee projecten van maximaal zeven jaar komen het totaal aan uren dat besteed wordt aan kennisoverdracht uit op 560 uur.

Tot slot wordt aangenomen dat de verslaglegging achteraf (onder meer het opstellen van de eindrapportage, medewerking aan eindevaluatie en het indienen van de aanvraag voor subsidievaststelling) gemiddeld 168 uur in beslag zal nemen per project. Uitgaande van twee projecten zou het totale aantal uren voor het indienen van de aanvragen voor subsidievaststelling hiermee dan uitkomen op 336 uur.

Uit het voorgaande volgt dat het totale aantal uren werk om aan de voormelde informatieverplichtingen te kunnen voldoen naar verwachting uitkomt op 1.824 uur. Het toepasselijke uurtarief is € 60. De totale administratieve lasten van alle projecten gezamenlijk voor waterstoftechnologie, inclusief bijkomende externe kosten zoals een in controle verklaring en uitgaven rondom kennisoverdracht, komen dan uit op € 169.200. Dit is circa 0,48 procent van het subsidieplafond van € 35.000.000.

5.4 Beoordeling door Adviescollege toetsing regeldruk

Deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Naar aanleiding hiervan is deze wijzigingsregeling niet geselecteerd voor formele advisering, omdat deze geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

6. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 25 februari 2022. Met deze datum wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van elk kwartaal in werking treden. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep op deze wijze de mogelijkheid wordt geboden al snel (vanaf 25 februari 2022) subsidieaanvragen in te dienen. Vasthouden aan de systematiek van de vaste verandermomenten en bijbehorende bekendmakingstermijn zou hebben betekend dat subsidieaanvragen pas veel later ingediend zouden kunnen worden. Ook hebben aanvragers voldoende tijd om subsidieaanvragen in te dienen en voor te bereiden, omdat zij al de nodige werkzaamheden hebben verricht als deelnemer aan het Europees matchmakingsproces. Ook zal de openstellingsperiode ongeveer drie weken bedragen en lopen van 25 februari 2022 tot en met 11 maart 2022.

De Minister voor Klimaat en Energie, R.A.A. Jetten


X Noot
1

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 16 december 2021, nr. WJZ/ 21303634, tot wijziging van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021 in verband met de invoering van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI) (Stcrt. 2021, 50262).

Naar boven