Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 8 november 2022, nr. WJZ/ 22101934, tot wijziging van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 in verband met de invoering van een subsidiemodule betreffende Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden

De Minister voor Natuur en Stikstof,

Gelet op artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L 347) en artikel 3, eerste, tweede en derde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

Aan hoofdstuk 4 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 4.11. Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden

Artikel 4.11.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

grasland:

perceel dat op 15 mei 2022 in de perceelsregistratie is geregistreerd als grasland als bedoeld in artikel 1, derde lid, van het Besluit gebruik meststoffen;

grondeigenaar:

natuurlijke persoon of rechtspersoon die grond in eigendom heeft, niet zijnde de Staat der Nederlanden, een gemeente, provincie, waterschap, openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, of ander overheidsorgaan;

landbouwgrond:

landbouwareaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van verordening 1305/2013;

minister:

Minister voor Natuur en Stikstof;

veengrond:

landbouwgrond die bestaat uit veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet in de volgende gebieden:

  • a. de provincie Fryslân, Noord-Holland, Utrecht of Zuid-Holland;

  • b. de gemeente Groningen, Midden-Groningen of Westerkwartier in de provincie Groningen; of

  • c. de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland of Zwolle in de provincie Overijssel.

Artikel 4.11.2. Subsidieverstrekking
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een grondeigenaar voor het zelfstandig of in een samenwerkingsverband van grondeigenaren uitvoeren van een investeringsproject betreffende een niet-productieve investering of combinatie van niet-productieve investeringen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel d, van verordening 1305/2013, die bestemd is respectievelijk zijn voor:

    • a. het inrichten van landbouwgrond of de hieraan grenzende grond die begint binnen ten hoogste 5 meter en eindigt binnen ten hoogste 20 meter van deze landbouwgrond, die de desbetreffende grondeigenaar in eigendom heeft, gericht op het leveren van een bijdrage aan grotere diversiteit in het landschap in Nederland; of

    • b. het inrichten van veengrond die de desbetreffende grondeigenaar in eigendom heeft, gericht op het leveren van een bijdrage aan de agromilieu- en klimaatdoelstellingen in Nederland door:

      • 1°. het verbeteren van het inzicht in het effect van de hoogte van de grondwaterstand; of

      • 2°. het verhogen van de grondwaterstand.

  • 2. Een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft de aanschaf, het plaatsen en, voor zover van toepassing, het afrasteren van een of meer van de volgende producten:

    • a. een natuurvriendelijke oever met:

      • 1°. een breedte van ten minste 3 meter en ten hoogste 10 meter; en

      • 2°. een lengte van ten minste 25 meter;

    • b. een natuurvriendelijke overhoek met een oppervlakte van tenminste 10 vierkante meter;

    • c. een natuurvriendelijke sloot met:

      • 1°. een breedte van ten minste 3 meter en ten hoogste 10 meter; en

      • 2°. een lengte van ten minste 25 meter;

    • d. een poel met een oppervlakte van:

      • 1°. tenminste 50 vierkante meter; en

      • 2°. ten hoogste 5.000 vierkante meter;

    • e. een meerjarige bloemrijke akkerrand of kruidenrijke akkerrand met:

      • 1°. een breedte van ten minste 3 meter en ten hoogste 20 meter; en

      • 2°. een lengte van 10 meter;

    • f. een solitaire boom met een hoogte van ten minste 0,5 meter;

    • g. een bomenrij met ten minste:

      • 1°. een lengte van 50 meter;

      • 2°. vier bomen per 50 meter lengte van die bomenrij; en

      • 3°. een hoogte van 0,5 meter per boom van die bomenrij;

    • h. een boomgroep bestaande uit één of meer subgroepen van vijf bomen met:

      • 1°. een oppervlakte van ten hoogste 1,5 hectare op maaiveldniveau; en

      • 2°. een hoogte van ten minste 0,5 meter per boom van die boomgroep;

    • i. een houtwal met een oppervlakte van tenminste 100 vierkante meter; of

    • j. een heg met een lengte van ten minste 25 meter.

  • 3. Een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°, betreft de aanschaf en het plaatsen van één of meer grondwaterpeilbuizen, waarbij per 50 hectare veengrond die de grondeigenaar, bedoeld in het eerste lid, in eigendom heeft ten hoogste één grondwaterpeilbuis geplaatst wordt.

  • 4. Een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, betreft de aanschaf en het plaatsen van waterinfiltratiesystemen, waaronder uitsluitend begrepen onderwaterdrainage- of drukdrainage systemen, op veengrond die de grondeigenaar, bedoeld in het eerste lid, in eigendom heeft, waarmee:

    • a. de emissie van CO2 vanuit deze veengrond gereduceerd wordt met ten minste 10 procent; en

    • b. de emissie van CO2 uitkomt onder de 10 ton per hectare van deze veengrond.

  • 5. Per investeringsproject kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.

Artikel 4.11.3. Aanvraag tot subsidieverlening
  • 1. Onverminderd artikel 2.9, derde lid, bevat een aanvraag tot subsidieverlening voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 4.11.2, eerste lid, ten minste:

    • a. een verklaring van de subsidieaanvrager dat de investering of investeringen niet in strijd is respectievelijk zijn met het bestemmingsplan van de gemeente waarbinnen zich de grond, bedoeld in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdelen a of b bevindt;

    • b. informatie over of reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie verstrekt is voor dezelfde investering of dezelfde combinatie van investeringen of een onderdeel daarvan op dezelfde locatie;

    • c. een verklaring dat de desbetreffende investering niet gebruikt zal worden om te voldoen aan de herbeplantingsplicht, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een investering in een solitaire boom, bomenrij, boomgroep, houtwal of heg als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen f tot en met j.

  • 2. Onverminderd artikel 2.9, vierde lid:

    • a. bevat het projectplan, waarvan de aanvraag tot subsidieverlening vergezeld gaat:

      • 1°. de benaming van elke investering en de bijbehorende kenmerken hiervan;

      • 2°. een kaart van de beoogde locatie, waarop wordt aangegeven waar elke beoogde investering geplaatst wordt;

    • b. gaat de aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van:

      • 1°. een kopie van drie offertes met daarin de naam van de investering of investeringen met bijhorende kenmerken en de totale kosten voor deze investering of investeringen;

      • 2°. een berekening van de verwachte reductie van de emissie van CO2 die met een investering behaald wordt, indien het een investering als bedoeld in artikel 4.11.2, vierde lid, betreft.

  • 3. Voor de berekening van de verwachte reductie van emissie van CO2, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, wordt gebruik gemaakt van het rekenmodel SOMERS 1.0 zoals dat beschikbaar is via www.nobveenweiden.nl tijdens de openstellingsperiode waarin de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend.

Artikel 4.11.4. Hoogte subsidie
  • 1. De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000:

    • a. per subsidieaanvrager die het investeringsproject zelfstandig dan wel in een samenwerkingsverband uitvoert;

    • b. per investeringsproject.

Artikel 4.11.5. Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de kosten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, voor zover deze betrekking hebben op de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 4.11.2, tweede, derde of vierde lid.

Artikel 4.11.6. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 4.11.7. Start- en realisatietermijn
  • 1. Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd investeringsproject wordt gestart binnen twee maanden na de subsidieverlening.

  • 2. De termijn, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, loopt af op 1 oktober 2024.

Artikel 4.11.8. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11 beslist de minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening:

  • a. indien het aannemelijk is dat de investering of investeringen waarop de aanvraag tot subsidieverlening betrekking heeft, in strijd is respectievelijk zijn met het bestemmingsplan van de gemeente waarbinnen zich de grond, bedoeld in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdeel a of b, bevindt;

  • b. indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor dezelfde investering of dezelfde combinatie van investeringen of een onderdeel daarvan op dezelfde locatie;

  • c. voor zover de redelijkheid van de kosten van het desbetreffende investeringsproject niet blijkt uit de offertes, bedoeld in artikel 4.11.3, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°;

  • d. indien de te verlenen subsidie per investeringsproject minder dan € 70.000 zou bedragen;

  • e. voor zover deze aanvraag betrekking heeft op een investering in:

    • 1°. een product als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid, dat geheel of gedeeltelijk bestemd is voor het deel van het erf waarop zich een woning bevindt;

    • 2°. een meerjarige bloemrijke akkerrand of kruidenrijke akkerrand als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid, onderdeel e, die bestemd is voor aanleg op grond die grenst aan grasland;

    • 3°. een solitaire boom, bomenrij, boomgroep, houtwal of heg als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen f tot en met j, die bestemd is voor plaatsing in grasland, gebruikt zal worden om te voldoen aan de herbeplantingsplicht, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming of betrekking heeft op een uitheemse soort.

Artikel 4.11.9. Rangschikkingscriteria
  • 1. De minister kent aan een aanvraag de volgende punten toe:

    • a. afhankelijk van het aantal soorten producten, bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid:

      • 1°. acht punten, indien het een investering betreft in ten hoogste één soort product;

      • 2°. negen punten, indien het investeringen betreft in twee of drie soorten producten;

      • 3°. tien punten, indien het investeringen betreft in tenminste vier soorten producten;

    • b. zeven punten, indien het investeringsproject betrekking heeft op een investering in een product als bedoeld in artikel 4.11.2, derde lid;

    • c. één punt, indien het investeringsproject betrekking heeft op een investering in een product als bedoeld in artikel 4.11.2, vierde lid.

  • 2. Indien de subsidieaanvraag een investeringsproject betreft dat betrekking heeft op:

    • a. zowel een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, als een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kent de minister uitsluitend punten toe voor het onderdeel waarop de hoogste score behaald is;

    • b. zowel een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c als een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, telt de minister, in afwijking van onderdeel a van dit lid, het met de verschillende onderdelen behaalde aantal punten bij elkaar op en deelt dit vervolgens door het aantal onderdelen.

  • 3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het investeringsproject zijn toegekend.

Artikel 4.11.10. Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. Bij de aanleg en het beheer van een investering maakt de subsidieontvanger geen gebruik van meststoffen of gewasbeschermingsmiddelen, voor zover de investering betrekking heeft op een natuurvriendelijke oever, een natuurvriendelijke overhoek, een natuurvriendelijke sloot, een poel of een meerjarige bloemrijke akkerrand of kruidenrijke akkerrand als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en e.

  • 2. Vanaf het moment van aanleg meet de subsidieontvanger met de grondwaterpeilbuizen, bedoeld in artikel 4.11.2, derde lid, het effect van de hoogte van de grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°.

  • 3. De subsidieontvanger verstrekt vanaf het jaar van de aanleg van de grondwaterpeilbuizen jaarlijks een document met de data die verkregen wordt met de metingen, bedoeld in het tweede lid, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 4. De subsidieontvanger draagt zorg voor een adequaat onderhoud van de aangelegde waterinfiltratiesystemen, bedoeld in artikel 4.11.2, derde lid.

  • 5. De verplichtingen, gesteld in dit artikel, gelden gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

  • 6. Artikel 2.18 is niet van toepassing op deze titel.

Artikel 4.11.11. Onregelmatigheden, administratieve controles en controles ter plaatse
  • 1. De minister geeft in voorkomende gevallen uitvoering aan artikel 54, eerste en derde lid, en artikel 56 van verordening 1306/2013.

  • 2. De minister verricht de controles, bedoeld in artikel 59 van verordening 1306/2013.

Artikel 4.11.12. Onverschuldigde betalingen, sancties en terugvorderingen
  • 1. De minister besluit tot het niet betalen dan wel de gehele of gedeeltelijke intrekking van de subsidie overeenkomstig artikel 63, eerste lid, van verordening 1306/2013.

  • 2. De minister stelt de sancties, bedoeld in artikel 63, tweede lid, van verordening 1306/2013, vast met inachtneming van artikel 64 van verordening 1306/2013.

  • 3. De minister geeft bij de uitvoering van de bevoegdheden, genoemd in het eerste en tweede lid, toepassing aan artikel 63 van verordening 809/2014.

Artikel 4.11.13. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling
  • 1. Onverminderd artikel 2.20, eerste lid, dient de subsidieontvanger zijn aanvraag tot subsidievaststelling in uiterlijk op 1 oktober 2024.

  • 2. Onverminderd artikel 2.20, vierde en vijfde lid, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:

    • a. een factuur, betaalbewijs en een kaart met de GPS-coördinaten van de investering of investeringen, waaruit volgt wat de naam, bijhorende kenmerken en plaats van de investering of investeringen is;

    • b. een verklaring van de aanvrager waaruit volgt dat gedurende vijf jaar na subsidievaststelling voldaan zal worden aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.11.10, derde lid, voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in grondwaterpeilbuizen als bedoeld in artikel 4.11.2, derde lid;

    • c. documenten met daarin informatie over de wijze van plaatsing van de investering, voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in één of meer waterinfiltratiesystemen als bedoeld in artikel 4.11.2, vierde lid, bestaande uit:

      • 1°. kopieën van de perceelsregistratie van de veengrond waarop de investering of investeringen geplaatst zijn;

      • 2°. gegevens over de diepte van de ligging van de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters, ten opzichte van het Normale Amsterdamse Peil (NAP);

      • 3°. gegevens over de afstand tussen de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters; en

      • 4°. een toelichting of er een hoog scenario of medium scenario is gebruikt bij de aanleg van de desbetreffende investering, voor zover de investering een drukdrainagesysteem betreft.

  • 3. Voor de toelichting op het gebruik van een hoog scenario of medium scenario, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, wordt gebruik gemaakt van de uitgangspunten uit het rekenmodel SOMERS 1.0 zoals dat beschikbaar is via www.nobveenweiden.nl tijdens de periode waarin de aanvraag tot subsidievaststelling is ingediend.

Artikel 4.11.14. Vervaldatum

Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2025, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

ARTIKEL II

Aan de tabel van artikel 2 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 wordt een rij toegevoegd, luidende:

Titel 4.11:

Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden

4.11.2

   

15-11-2022 t/m 30-12-2022

€ 14.114.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 november 2022.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 8 november 2022

De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Aanleiding

Met deze wijzigingsregeling wordt de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden ingevoerd in de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (hierna: REES) en opengesteld. Hiermee wordt op de volgende twee sporen ingezet (1) het plaatsen van landschapselementen en (2) het plaatsen van investeringen betreffende grondwater.

Allereerst beoogt deze subsidiemodule het totaal aantal landschapselementen in of aanpalend aan het agrarisch gebied te verhogen. De achtergrond hiervan is dat landschapselementen onder druk staan. Dit terwijl deze van grote waarde zijn voor lokale biodiversiteit, een bijdrage leveren aan doelstellingen rond klimaatadaptatie en -mitigatie, alsook de landschappelijke identiteit van een gebied versterken. Daarnaast zien steeds meer grondeigenaren en -gebruikers ruimte om landschapselementen in te passen in het agrarisch gebied. Deze aanpak past binnen het zogenaamde Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (hierna: GLB), waarvoor thans (ondersteunende financiële) maatregelen voor nationale en /of Europese financiering zijn opgenomen in verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L347) (hierna: verordening 1305/2013). Deze subsidiemodule loopt vooruit op eventuele vergoedingen voor het beheer van landschapselementen, waarvan de mogelijkheden in het kader van het Nationaal Strategisch Plan breed besproken worden. Met deze subsidiemodule zullen onder meer niet-houtige landschapselementen gesubsidieerd worden. Ook houtige landschapselementen (zoals bomen, houtwallen en heggen) komen voor subsidie in aanmerking voor zover deze niet in grasland geplant worden. Voor het aanplanten van voormelde houtige landschapselementen is het namelijk nodig om grasland te scheuren, wat op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving betreffende mest (in bepaalde gevallen) niet is toegestaan in de periode september tot en met februari. Voor meer informatie wordt verwezen naar https://www.rvo.nl/onderwerpen/mest/grasland-scheuren.

Verder richt deze subsidiemodule zich op investeringen betreffende grondwater in veengrond. Het gaat hierbij onder meer om het stimuleren van investeringen in de vergroting van het meetnet van grondwaterpeilbuizen in agrarisch veenweidegebied. Dit is noodzakelijk voor het realiseren van diverse klimaatdoelstellingen. Het meten van de grondwaterstand moet leiden tot het vergroten van de kennis en bewustwording van grondeigenaren en gebruikers van grond in het veenweidegebied met betrekking tot grondwaterstanden, in relatie tot weersveranderingen, zoals het effect op de grondwaterstand bij verschillende perceelbreedtes en slootwaterpeilen. Ook is het continu meten van grondwaterstanden bij verschillende perceelbreedtes, typen veen en grondwaterstandverhogende maatregelen nodig voor validatie van onderzoeken en modelberekeningen in het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweide. Zie hieromtrent onder meer www.nobveenweiden.nl. Ook stimuleert deze subsidiemodule de aanleg van waterinfiltratiesystemen, waaronder begrepen onderwaterdrainage en drukdrainage op veengrond (ook wel veenweideinfiltratie (VWI) genoemd) die voldoen aan de KIWA richtlijn BRL1411. Deze investeringen zijn noodzakelijk voor het realiseren van de klimaatdoelstelling om de CO2-emissie in veenweidegebieden te reduceren.

Van belang is dat de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden gebaseerd is op artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van verordening 1305/2013. Uit dit artikel volgt dat steun verleend kan worden vanuit het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) voor roerende en/of onroerende investeringen die worden beschouwd als niet-productieve investeringen die verband houden met de verwezenlijking van de in het kader van deze verordening nagestreefde agromilieu- en klimaatdoelstellingen, waaronder de instandhouding van de biodiversiteit op het gebied van soorten en Habitats, alsmede de vergroting van de maatschappelijke belevingswaarde van Natura 2000-gebieden of van andere in het plattelandsontwikkelingsprogramma beschreven systemen met een hoge natuurwaarde. Deze subsidiemodule wordt volledig gefinancierd door Europese financiële middelen uit het GLB.

2. Staatssteun

De subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden is gebaseerd op artikel 17, eerste lid, onderdeel d, van verordening 1305/2013 en is als maatregel in het nationale plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (hierna: POP) genotificeerd bij de Europese Commissie. De gesubsidieerde investeringen houden verband met de POP-maatregelen 04.4.01 (Niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen PAS) en 04.4.02 (Niet-productieve investeringen voor water).1

Voor de staatssteunaspecten van de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden is van belang dat deze subsidiemodule beoogt om het totaal aantal landschapselementen in of aanpalend aan het agrarisch gebied te verhogen en subsidieverstrekking regelt aan grondeigenaren die meestal bestaan uit landbouwers en grondeigenaren van landbouwgrond (die zij verpachten aan landbouwers), alsook landgoedeigenaren of natuurorganisaties waarbij de desbetreffende grond slechts een klein onderdeel is binnen een groot geheel. Het landschap wordt hierbij in breder opzicht versterkt en er is geen specifieke exploitatie toe te schrijven aan één of meerdere landschapselementen. Ook richt deze subsidiemodule zich op investeringen betreffende grondwater in veengrond. Het gaat hierbij onder meer om het stimuleren van investeringen in de vergroting van het meetnet van grondwaterpeilbuizen in agrarisch veenweidegebied en de aanleg van waterinfiltratiesystemen, waaronder begrepen onderwaterdrainage en drukdrainage op veengrond. Deze investeringen leiden (mogelijk) tot grondwaterstandverhoging en zijn niet-productief, omdat uit onderzoeken blijkt dat er geen baat is voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven, vooral vanwege de evt. verminderde draagkracht en verminderde gewasgroei door grondwaterstandverhoging. In veenweidegebieden kan deze investering alleen op landbouwgrond plaatsvinden.

Verder is voor de staatssteunaspecten van deze subsidiemodule van belang dat er sprake kan zijn van een situatie waarin de staatsteunregels al dan niet van toepassing kunnen zijn. Op welke wijze de steun gerechtvaardigd kan worden, hangt af van de verrichtte subsidiabele activiteiten en welk soort subsidieontvanger de begunstigde van de subsidie is. Voor deze kwalificatie geeft artikel 81 van verordening 1305/2013 enkele handvaten.

  • Allereest zijn op grond van artikel 81, tweede lid, van verordening 1305/2013 (de staatssteunregels uit) de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) niet van toepassing op betalingen die de lidstaten doen op grond van en in overeenstemming met die verordening en op aanvullende nationale financiering die binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU valt. De steun die op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel d, van verordening 1305/2013 via voormelde subsidiemodule gegeven kan worden aan grondeigenaren die een landbouwondernemingen in stand houden, valt binnen deze categorie (en dus binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU). Bij de subsidieverlening aan deze eerste groep grondeigenaren zijn (de staatssteunregels uit) de artikelen 107, 108 en 109 niet van toepassing. Hierop is dus geen steunkader en ook geen maximum steunintensiteit van toepassing. Er is daarom voor gekozen de steunintensiteit vast te stellen op een percentage van 100%, zodat een maximale stimulans aan de voormelde subsidiabele activiteiten wordt gegeven.

  • Ten tweede volgt uit artikel 81, eerste lid, van verordening 1305/2013 dat (de staatssteunregels uit) de artikelen 107, 108 en 109 VWEU van toepassing zijn op de (overige) steun voor plattelandsontwikkeling door de lidstaten (aan andere partijen). De steun die op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel d, van verordening 1305/2013 via voormelde subsidiemodule gegeven kan worden aan grondeigenaren die geen landbouwonderneming in stand houden, valt dus niet binnen de werkingssfeer van artikel 42 VWEU en kan alleen verleend worden in het geval dit toegestaan is op grond van het zogenaamde staatssteunrecht opgenomen in artikelen 107, 108 en 109 VWEU. Bij de toepassing van dit staatssteunrecht is van belang of er sprake is van niet-economische activiteiten (waarbij de subsidie niet als staatssteun aangemerkt zal worden) of economische activiteiten (waarbij de subsidie als staatssteun aangemerkt moet worden en moet worden gerechtvaardigd door een toepasselijk Europees staatssteunkader). Het eerste is het geval, want de subsidie die aan deze groep grondeigenaren verleend wordt, is bestemd voor niet-economische activiteiten. De subsidie is namelijk specifiek bestemd voor de inrichting van grond door grondeigenaren, waarbij deze inrichting geen verband houdt met de uitoefening van activiteiten in het kader van het beroep of bedrijf van deze grondeigenaar, en ook niet op een andere wijze bestemd is voor of een bijdrage levert aan het verrichten van economische activiteiten, zoals het exploiteren van de grond voor bezoekers. Bij de subsidieverlening aan deze groep grondeigenaren is er dan ook geen sprake van staatssteun. Hierop is dus geen steunkader en ook geen maximum steunintensiteit van toepassing. Er is daarom voor gekozen de steunintensiteit vast te stellen op een percentage van 100%, zodat een maximale stimulans aan de voormelde subsidiabele activiteiten wordt gegeven.

Tot slot is van belang dat deze subsidiemodule voldoet aan en niet verder reikt dan wat de bepalingen van verordening 1305/2013 mogelijk maken. De betalingen die op grond van deze subsidiemodule plaatsvinden, dienen ter uitvoering van verordening 1305/2013 en het plattelandsontwikkelingsprogramma dat gebaseerd is op deze verordening en is goedgekeurd door de Europese Commissie. Opgemerkt wordt dat de datum van de horizonbepaling van de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden, die is opgenomen in artikel 4.11.13 van de REES, voor de datum ligt waarop de betalingen van het huidige POP moeten hebben plaatsgevonden op grond van verordening 1305/2013. De nieuwe Europese verordening 2021/21152 bevat echter een grondslag voor het verlenen van steun aan niet-productieve investeringen onder het nieuwe POP. Zo nodig zal de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden te zijner tijd worden voortgezet en aangepast aan deze nieuwe verordening.

3. Regeldruk

3.1 Algemeen

Deze regeling betreft de invoering van de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden. De subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden heeft administratieve lasten tot gevolg, samenhangend met de aanvraag tot subsidie en de aanvraag tot subsidievaststelling. De subsidiemodule brengt geen inhoudelijke nalevingskosten met zich mee.

Om de kosten voor aanvragers te minimaliseren is de regeldruk voor deze subsidiemodule zo laag mogelijk gehouden, zodat het voor elke aanvrager haalbaar is om gebruik te maken van deze subsidiemodule, mits het minimum van € 70.000 aan te verlenen subsidie per investeringsproject (lees: subsidieaanvraag) wordt gehaald. Ook is het uit het oogpunt van efficiency mogelijk om als samenwerkingsverband van meerdere grondeigenaren een aanvraag in te dienen.

3.2 Informatieverplichtingen

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet een aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend waarin of waarbij bepaalde informatie verschaft moet worden. In de artikelen 2.9 en 4.11.3 zijn algemene respectievelijk specifieke informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de subsidieaanvraag moet bevatten of waarvan deze vergezeld dient te gaan. Voor de aanvraag tot subsidieverlening is een aantal minimale informatievereisten opgenomen over de subsidieaanvrager, het investeringsproject en deelnemers uit het samenwerkingsverband, die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Hiervoor worden vanuit RVO.nl een aantal standaard formats beschikbaar gesteld die ingevuld moeten worden. Daarnaast moet de subsidieaanvraag vergezeld gaan van een aantal documenten om de kosten, de omvang en het effect van het investeringsproject te kunnen beoordelen, bestaande uit het projectplan (met daarin o.a. de benaming van elke investering en de bijbehorende kenmerken hiervan) en een kaart van de beoogde locatie, waarop via een tekening wordt aangegeven waar elke beoogde investering geplaatst gaat worden en een kopie van drie offertes met daarin de naam van de investering of investeringen met bijhorende kenmerken en de totale kosten voor deze investeringen, alsook, voor zover van toepassing, een berekening van de verwachte reductie van de emissie van CO2 die met investeringen in waterinfiltratiesystemen, zoals onderwaterdrainage en /of drukdrainage behaald wordt. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.11.3.

Na een positieve beoordeling van de aanvraag tot subsidieverlening zal er subsidie verleend worden. Met het investeringsproject mag niet later gestart worden dan twee maanden na de subsidieverlening. Daarnaast moet het investeringsproject voor 1 oktober 2024 afgerond zijn. Vanwege de korte looptijd van deze investeringsprojecten en de wens om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden, is er voor gekozen om geen (tussen)rapportage over de voortgang van het investeringsproject te vragen (en dus met artikel 4.10, zesde lid, voor deze subsidiemodule artikel 2.18 van de REES buiten toepassing te verklaren). Er bestaat dan ook uitsluitend de verplichting tot eindrapportage bij de aanvraag tot subsidievaststelling.

Voor de aanvraag tot subsidievaststelling is een aantal algemene en specifieke informatieverplichtingen van belang, die zijn opgenomen in de artikelen 2.20 respectievelijk 4.11.13. Voor deze aanvraag worden vanuit RVO.nl een aantal standaard formats beschikbaar gesteld die ingevuld moeten worden. Daarbij moeten een aantal documenten gevoegd worden, bestaande uit facturen, betaalbewijzen, foto’s, bewijs van bepaalde datalevering bij de grondwaterpeilbuizen en (technische) informatie over de waterinfiltratiesystemen. Ook dienen de GPS-coördinaten van het midden van elk landschapselement c.q. grondwaterpeilbuis doorgegeven te worden, zodat met een luchtfoto en /of eventuele controle (door een inspecteur van de NVWA) ter plaatse bepaald kan worden waar een landschapselement en /of grondwaterpeilbuis geplaatst is. De aanvraag tot subsidievaststelling en de daarbij te voegen documenten moeten kort gezegd informatie bevatten waarmee kan worden vastgesteld of de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, alsook of ze tot het gewenste eindresultaat hebben geleid. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.11.13.

3.3 Berekening administratieve lasten

De verwachting is dat er voor investeringsprojecten 150 aanvragen tot subsidieverlening (de subsidieaanvraag) worden ingediend. Er wordt aangenomen dat de aanvrager 40 uur moet besteden aan de subsidieaanvraag. Dit is gebaseerd op de tijd die nodig is om te overleggen met mogelijke leveranciers (3x3 uur), offertes op te vragen en te toetsen (3x2 uur), tekening, projectplan en begroting te maken (20 uur) en aanvraag in te dienen (5 uur). Het totale aantal uren voor al deze subsidieaanvragen komt dan uit op 6.000 uur (40 uur per aanvraag x het aantal van 150 verwachte aanvragen). Verder is de verwachting dat 140 subsidieaanvragen worden gehonoreerd binnen het toepasselijke subsidieplafond.

Tot slot moet voor de 140 gehonoreerde investeringsprojecten ook een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend worden. Er wordt verwacht dat de verslaglegging achteraf (o.a. het opstellen van de aanvraag tot subsidievaststelling en bijhorende documenten) gemiddeld 10 uur in beslag zal nemen per investeringsproject. Dit is gebaseerd op de tijd die nodig is om ondertekende offertes, facturen en betaalbewijzen te registreren en de informatie van de leveranciers (tekening, foto’s, evt. certificaten, bewijs van datalevering, GPS-coördinaten) van de gerealiseerde niet-productieve investeringen te toetsen (5 uur). Het indienen van het vaststellingsverzoek met bijlagen kost ook 5 uur. Uitgaande van 140 gehonoreerde investeringsprojecten zou het totale aantal uren voor het indienen van de aanvragen tot subsidievaststelling hiermee dan uitkomen op 1.400 uur.

Uit het voorgaande volgt dat het totale aantal uren werk om aan de voormelde informatieverplichtingen te kunnen voldoen naar verwachting uitkomt op 7.400 uur (6.000 uur bij de aanvraag tot subsidieverlening +1.400 bij de aanvraag tot subsidievaststelling). Het toepasselijke uurtarief is € 60. De totale administratieve lasten van alle projecten gezamenlijk komen dan uit op € 444.000 (7.400 uur x € 60,– uurtarief). Dit is circa 3 procent van het subsidieplafond van € 14.114.000.

Het belang van de grondeigenaar om hieraan mee te doen is gelegen in het verhogen van de omgevingskwaliteit en biodiversiteit door aanleg van landschapselementen en in het anticiperen op de klimaatopgave in de veenweidegebieden door aanleg van grondwaterpeilbuizen en waterinfiltratiesystemen. De kosten van deze niet-productieve investeringen worden volledig gefinancierd. Alleen de administratieve lasten (aanvragen ca. 40 uur, vaststellen ca. 10 uur) zijn de kosten voor de grondeigenaar.

3.4 Beoordeling door Adviescollege toetsing regeldruk

Deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Naar aanleiding hiervan is deze wijzigingsregeling niet geselecteerd voor formele advisering, omdat deze geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

4. Uitvoering

De uitvoering van dit subsidie-instrumentarium is in handen van RVO.nl. Deze subsidieregeling wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Artikel 4.11.1. Begripsbepalingen

In dit artikel zijn begripsbepalingen opgenomen die van belang zijn voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden. Het betreft hier de begripsbepalingen van grasland, grondeigenaar, landbouwgrond en veenweidegebied. Op deze begripsbepalingen wordt (waar nodig) in gegaan in de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 4.11.2 en 4.11.8.

Artikel 4.11.2. Subsidieverstrekking

Uit artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van verordening 1305/2013 volgt dat steun verleend kan worden vanuit het POP voor roerende en/of onroerende investeringen die worden beschouwd als niet-productieve investeringen die verband houden met de verwezenlijking van de in het kader van deze verordening nagestreefde agromilieu- en klimaatdoelstellingen.

In artikel 4.11.2 van de REES is een aantal niet-productieve investeringen opgesomd waarvoor de Minister voor Natuur en Stikstof (hierna: minister) subsidie kan verstrekken. Een investeringsproject betreft de aanschaf en het plaatsen van een niet-productieve investering of combinatie van niet-productieve investeringen die bestemd is respectievelijk zijn voor de inrichting van (1) landbouwgrond en /of de aangrenzende grond en /of (2) veenweidegrond die de aanvrager in eigendom heeft. Deze investeringen voldoen aan de voorwaarden van artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van verordening 1305/2013 en de plaatsing hiervan draagt bij aan de lokale biodiversiteit, de landschappelijke kwaliteit en klimaatadaptatie en -mitigatie in Nederland. De subsidie voor een dergelijk investeringsproject kan worden aangevraagd door een grondeigenaar. Onder grondeigenaar wordt verstaan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die grond in eigendom heeft, niet zijnde de Staat der Nederlanden, een gemeente, provincie, waterschap, openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, of ander overheidsorgaan. Ook kan de subsidie worden aangevraagd door (een penvoerder namens) een samenwerkingsverband van grondeigenaren. Per investeringsproject kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend, ongeacht of dit investeringsproject door een grondeigenaar zelfstandig of in een samenwerkingsverband van grondeigenaren wordt uitgevoerd. Hiermee wordt een efficiënte afhandeling van de subsidieaanvragen bevorderd en wordt voorkomen dat er losse aanvragen voor diverse investeringen uit hetzelfde investeringsproject kunnen worden ingediend.

Inrichting van landbouwgrond en hieraan grenzende grond met landschapselementen (artikel 4.11.2, tweede lid)

Op grond van artikel 4.11.2, tweede lid, wordt subsidie verstrekt voor investeringen die bestemd zijn voor de inrichting van landbouwgrond of de aangrenzende grond die de aanvrager in eigendom heeft, gericht op het leveren van een bijdrage aan grotere diversiteit in het landschap in Nederland.

Van belang hierbij is dat onder landbouwgrond wordt verstaan landbouwareaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de zogenaamde pop-verordening (1305/2013)3 waarop de onderhavige subsidie is gebaseerd. Hierin wordt landbouwareaal omschreven als alle grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland of voor blijvende teelten als omschreven in artikel 4 van de zogenaamde betalingsverordening voor het pop (1307/2013)4. In de praktijk is dit (in veel gevallen) de grond die in de zogenaamde perceelregistratie is geregistreerd als landbouwgrond.

Verder is van belang dat onder het inrichten van aan landbouwgrond grenzende grond wordt verstaan het inrichten van aan landbouwgrond grenzende grond die binnen een afstand van ten hoogste 5 meter van deze landbouwgrond begint en ten hoogste 20 meter van deze landbouwgrond eindigt. De investering moet binnen de voorgaande marges van deze aangrenzende grond geplaatst worden. In de praktijk betekent dit dat een investering die bestemd is voor grond aan de andere kant van bijvoorbeeld een brede rivier, weg of spoorbaan, niet voor subsidie in aanmerking komt. Wel zou bijvoorbeeld een slootkant aan de andere kant van een kavel pad anders aangelegd en ingericht kunnen worden, mits deze investering voldoet aan de daarvoor gestelde eisen.

Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de investeringen voor de aanschaf, het plaatsen en, voor zover van toepassing, het afrasteren van één of meer landschapselementen die een bepaalde omvang hebben. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in (1) niet-houtige en (2) houtige landschapselementen.

Niet-houtige landschapselementen (artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen a tot en met e)

Op grond van artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen a tot en met e, komt een vijftal niet-houtige landschapselementen voor subsidie in aanmerking. Het betreft hier de investering of investeringen in een natuurvriendelijke oever, een natuurvriendelijke overhoek, een natuurvriendelijke sloot, een poel en een meerjarige bloemrijke rand of kruidenrijke akkerrand. Voornoemde onderdelen van artikel 4.11.2, tweede lid, bevatten de kenmerken waaraan de desbetreffende niet-houtige landschapselementen moeten voldoen. Het betreft hier de omvang (breedte of lengte) van het landschapselement en/of de soorten planten en/of bloemen die het landschapselement moet bevatten.

Oevers, overhoeken en sloten moeten natuurvriendelijk zijn. Daarvoor kan het nodig zijn om een talud in een bepaalde mate af te graven, zodat de helling hiervan flauwer zal zijn in verband met de mogelijkheid van groei van bepaalde plantensoorten en aanverwante nesteling van bepaalde diersoorten.

Aanvullend op de vereiste kenmerken van het landschapselement zelf is ook de wijze van aanleg en beheer van belang om bij te kunnen dragen aan de doelen van deze subsidiemodule. Om die reden is in artikel 4.11.10, eerste lid, opgenomen dat bij de aanleg en het beheer geen gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen mag worden gemaakt, zodat onder meer de natuurvriendelijkheid van de landschapselementen ook tijdens de aanleg en het beheer in stand blijft. De volgende niet-houtige landschapselementen komen voor subsidie in aanmerking.

Allereerst wordt subsidie verstrekt voor een natuurvriendelijke oever. Een dergelijke oever grenst altijd aan een watergang en vaak aan grasland en past bij natuurinclusieve landbouw, maar vergroot ook de waterkwaliteit en wateropvangmogelijkheden en versterkt de biodiversiteit. Een natuurvriendelijke oever heeft een belangrijke functie als leefgebied voor soorten als bittervoorn, grote modderkruiper en rugstreeppad en ook bij weidevogelbeheer zijn natuurvriendelijke oevers van belang. Er is sowieso sprake van een natuurvriendelijke oever als de slootkant /de oever (geleidelijk) is afgegraven over de gehele breedte van de oever (lees: het talud van de oever flauwer is). De helling van een talud geeft aan in welke mate het talud schuin afloopt, uitgedrukt in een verhouding hoogteverschil: breedteverschil. Wanneer een talud 1:3 is, betekent dit dat het talud 1 meter in hoogte stijgt over een afstand van 3 horizontale meters. Bij een reguliere oever is de stijging van een talud ongeveer 1:1 groot, in plaats van 1:3 dat gewenst is om een oever als natuurvriendelijke oever te kunnen kwalificeren. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet de natuurvriendelijke oever zowel een breedte van ten minste 3 meter en ten hoogste 10 meter als een lengte van tenminste 25 meter hebben. Meer informatie over natuurvriendelijke oevers is te raadplegen via https://www.landbouwmetnatuur.nl/maatregelen/natuurvriendelijke-oever/.

Ten tweede wordt subsidie verstrekt voor een natuurvriendelijke overhoek. Een overhoek is een onderdeel van het landbouwperceel dat door de grotere landbouwmachines lastig bereikt kan worden, omdat dit onderdeel (lees: deze hoek) van het perceel vaak te scherp is. Van dit deel van het perceel kan een natuurvriendelijke overhoek gemaakt worden door middel van het afgraven van de teeltlaag van deze grond. Na het afgraven kan de overhoek zich natuurlijk ontwikkelen, waarbij de ontwikkeling eventueel gestimuleerd kan worden door het inzaaien van meerjarige inheemse bloemen en kruiden. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet een natuurvriendelijke overhoek een oppervlakte van tenminste 10 vierkante meter hebben. Meer informatie over de overhoek is te raadplegen via https://edepot.wur.nl/218161.

Ten derde wordt subsidie verstrekt voor een natuurvriendelijke sloot. Een sloot is in de regel natuurvriendelijk als deze flauw talud van 1:2 heeft, in plaats van 1:1 dat bij een normale sloot gebruikelijk is. Het verdient de voorkeur om een waterdiepte van 60 cm in het midden van de natuurvriendelijke sloot te hanteren, maar dit is geen randvoorwaarde voor de subsidie. Op kruisingen van sloten of bij duikers kunnen diepere plekken gemaakt worden voor bijvoorbeeld de grote modderkruiper om te overwinteren. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet de natuurvriendelijke sloot zowel een breedte van ten minste 3 meter en ten hoogste 10 meter als een lengte van tenminste 25 meter bevatten. Meer informatie is te vinden via https://www.rouveen-kaasspecialiteiten.nl/dier_plant/grote-modderkruiper/.

Ten vierde wordt subsidie verstrekt voor een poel. Het afgraven van grond voor het plaatsen van een poel in een akker of grasland draagt bij aan het verrijken van de natuur. Het is wenselijk dat een talud van een poel flauw afloopt (de helling van het talud 1:10 is). Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen moet de poel een oppervlakte van tenminste 50 vierkante meter en ten hoogste 5.000 vierkante meter hebben, omdat deze minimale en maximale maten van de poel aansluiten bij de mogelijkheden voor een beheervergoeding in het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer en bij de mogelijkheden in de Index Natuur en Landschap. Opgemerkt wordt dat ook de oever van een poel onderdeel uitmaakt van een poel, en dus wordt meegenomen in de bepaling van de oppervlakte van de poel. Meer informatie is te vinden via https://poelen.nu/aanleg.

Ten vijfde wordt subsidie verstrekt voor een meerjarige bloemrijke rand of kruidenrijke akkerrand. Met meerjarig wordt gedoeld op het feit dat een bloemrijke rand of kruidenrijke akkerrand meerdere jaren achter elkaar bloeit /uitkomt, zonder dat deze opnieuw ingezaaid en /of beplant hoeft te worden. Of een bloemrijke rand of kruidenrijke akkerrand meerjarig is, kan worden aangetoond door bij het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling (in de factuur) een specificatie te geven van welk type zaad gebruikt is. Een dergelijke bloemrijke rand of kruidenrijke akkerrand past bij de zogenaamde natuurinclusieve landbouw (sparen, benutten en verrijken van natuur), maar ook bij de eisen in het nieuwe GLB om een bepaald percentage niet-productief areaal (voorheen ecologisch aandachtsgebied) te realiseren op akkerbouwbedrijven. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet een bloemrijke rand of kruidenrijke akkerrand zowel een breedte van ten minste 3 meter en ten hoogste 20 meter als een lengte van tenminste 10 meter hebben. Op de peildatum voor de perceelregistratie van het GLB (15 mei van elk kalenderjaar) mag het perceel, waar de rand langs ligt, geen grasland zijn (artikel 4.11.8, onderdeel e). Meer informatie is te vinden via www.landbouwmetnatuur.nl/maatregelen/akkerranden-en-bloemstroken.

Houtige landschapselementen (artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen f tot en met j)

Op grond van artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen f tot en met j, komt een vijftal houtige landschapselementen voor subsidie in aanmerking. Het betreft hier een solitaire boom, bomenrij, boomgroep, houtwal of heg. Uit artikel 4.11.2, eerste lid, volgt dat bijvoorbeeld vrucht- en notenbomen en -struiken niet voor subsidie in aanmerking komen, omdat deze productief zijn (er een oogst mogelijk is). Het gaat dus echt om niet-productieve houtige landschapselementen, die moeten voldoen aan bepaalde kenmerken. Deze kenmerken, die zijn opgenomen in de voornoemde onderdelen van artikel 4.11.2, tweede lid, betreffen de omvang (breedte, lengte en /of hoogte) van het landschapselement en/of (het aantal van) de soorten planten en /of materialen die het landschapselement moet bevatten. De minimale en maximale omvang van de houtige landschapselementen zijn gebaseerd op wat in de praktijk gebruikelijk en wenselijk is, alsook wat hierover is opgenomen in de provinciale index natuur en landschap. Aanvullend op de vereiste kenmerken van het landschapselement zelf is ook de wijze van aanleg van belang om bij te kunnen dragen aan de doelen van deze subsidiemodule. Om die reden is in artikel 4.11.8, onderdeel e, opgenomen dat de investering niet bestemd kan zijn voor grasland of om te voldoen aan de herbeplantingsplicht, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming, alsook dat de investering geen betrekking kan hebben op een uitheemse soort (zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.11.8, onderdeel e). Meer informatie is te vinden via www.landbouwmetnatuur.nl/maatregelen/landschapselementen/ of www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/landschapselementtypen/l01-groenblauwe-landschapselementen/.

Inrichting van veengrond met grondwaterpeilbuizen en /of waterinfiltratiesystemen (artikel 4.11.2, derde en vierde lid)

Er wordt subsidie verstrekt voor investeringen die bestemd zijn voor de inrichting van veengrond die de aanvrager in eigendom heeft, gericht op het leveren van een bijdrage aan de agromilieu- en klimaatdoelstellingen in Nederland via (1°) het verbeteren van het inzicht van het effect van de grondwaterstand of (2°) het verhogen van de grondwaterstand. Het betreft hier specifiek landbouwgrond die bestaat uit veengrond als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de meststoffenwet (lees: landbouwgrond die bestaat uit een perceel waarvan blijkens representatieve grondmonsters ten minste de helft van de oppervlakte voor meer dan de helft van de dikte van de grondlaag tot een diepte van 80 centimeter onder het maaiveld bestaat uit veen). Deze veengrond moet liggen in de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, of in de provincie Groningen (uitsluitend in de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Westerkwartier) of de provincie Overijssel (uitsluitend in de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle). De reden hiervoor is dat de maatregelen voor de invulling van het Klimaatakkoord, (voor het onderdeel Veenweidegebied) zich met name op voormelde gebieden met veengrond richten.

Grondwaterpeilbuizen (artikel 4.11.2, derde lid)

Een subsidiabele investering betreft de aanschaf en het plaatsen van één of meer grondwaterpeilbuizen op veengrond, waarbij per 50 hectare veengrond die de aanvrager in eigendom heeft ten hoogste één grondwaterpeilbuis geplaatst mag worden. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat de verkregen data van de zogenaamde continumeting, die met de grondwaterpeilbuizen verricht moet worden, representatief zullen zijn om jaarlijks in een databestand op te nemen (zie over de datalevering de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.11.10). Door een maximum van één grondwaterpeilbuis per 50 hectare veengrond vast te stellen, wordt gestimuleerd dat verspreid over de veenweidegrond een netwerk van grondwaterpeilbuizen ontstaat, waarmee een adequaat inzicht kan worden verkregen in de gehele grondwaterstand in het desbetreffende veenweidegebied.

Waterinfiltratiesystemen (artikel 4.11.2, vierde lid)

Verder is subsidiabel de aanschaf en het plaatsen van één of meer waterinfiltratiesystemen, waaronder uitsluitend begrepen onderwaterdrainage of drukdrainage op de veengrond van de aanvrager (ook wel veenweideinfiltratie (VWI) genoemd) die voldoet aan de zogenaamde KIWA richtlijn BRL1411. Hierbij is van belang dat alleen waterinfiltratiesystemen voor subsidie in aanmerking komen, waarmee: (a) de emissie van CO2 vanuit deze veengrond wordt gereduceerd met ten minste 10 procent en (b) de emissie van CO2 uitkomt onder de 10 ton per hectare van deze veengrond. Dit dient aangetoond te worden met het zogenaamde rekenmodel ‘SOMERS 1.0’ (zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.11.3, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, en derde lid). Verder is voor het beoogde effect op de CO2 -emissie het volgende van belang.

  • Allereerst is van belang dat bij drukdrainage sprake kan zijn van een hoog en medium scenario. Bij drukdrainage heeft een hoog scenario een actief systeem om weersveranderingen te volgen. Zo wordt bij hoge gewasverdamping snel water ingelaten en bij piekbuien snel water afgevoerd. Hierdoor kan de grondwaterstand redelijk stabiel blijven. Bij het medium scenario bij drukdrainage fluctueert de grondwaterstand meer, vanwege de langere reactietijd op grote gewasverdamping of piekbuien. Toch is die fluctuatie kleiner dan bij onderwaterdrainage.

  • Ten tweede is het van belang dat onderwaterdrainage pas effectief is wanneer het slootwaterpeil minder dan circa 50 cm onder het maaiveld ligt, omdat de drainerende werking in de winter dan kleiner is dan de infiltrerende werking in de zomer.

  • Ten derde is van belang dat zonder waterinfiltratiesysteem de fluctuatie van de grondwaterstand het grootst is. Bij gewasverdamping zal de grondwaterpeilstand lager worden en de emissie van CO2 toenemen. Bij piekbuien zal het grondwaterpeil verhoogd worden en enige reductie van CO2-emissies plaatsvinden. De combinatie van grondwaterpeilverhoging (door buien) met een waterinfiltratiesysteem zorgt ervoor dat de CO2-emissie substantieel kan reduceren, met behoud van de landbouwkundige functie van het grasland dat zich op de desbetreffende veengrond bevindt.

Artikel 4.11.3. Aanvraag tot subsidieverlening

In artikel 2.9 van de REES is onder meer bepaald welke gegevens de aanvraag tot subsidieverlening moet bevatten en van welke documenten deze vergezeld dient te gaan. Het betreft hier de minimale informatievereisten over de subsidieaanvrager en het project, die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Aanvullend hierop bepaalt artikel 4.11.3 van de REES voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden welke informatie een aanvraag tot subsidieverlening moet bevatten en van welke documenten deze vergezeld moet gaan.

Inhoud van de aanvraag tot subsidieverlening (artikel 4.11.3, eerste lid)

Een aanvraag tot subsidieverlening moet op grond van artikel 2.9, derde lid, van de REES ten minste gegevens bevatten over de subsidieaanvrager, waaronder naam van de natuurlijke persoon, rechtspersoon of publieke instelling, adres en rekeningnummer. Aanvullend volgt uit artikel 4.11.3, eerste lid, welke informatie een subsidieaanvraag voor een investeringsproject onder de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden nog meer moet bevatten.

Allereerst moet de subsidieaanvraag een verklaring bevatten dat een investering of de investeringen niet in strijd is respectievelijk zijn met het bestemmingsplan van de gemeente waarbinnen de grond zich bevindt waarop de investering wordt geplaatst. Hiermee wordt getoetst aan de afwijzingsgrond van artikel 4.11, onderdeel a. Voor de achtergrond bij deze bepaling wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4.11.8, onderdeel a.

Ten tweede moet de subsidieaanvraag informatie bevatten over of er door andere overheden (in dit geval een bestuursorgaan of de Europese Commissie) subsidie verstrekt is voor de investering of de combinatie van investeringen of een onderdeel daarvan die bestemd was respectievelijk waren voor hetzelfde gebied op de grond die de grondeigenaar in eigendom heeft. Hiermee wordt getoetst aan de afwijzingsgrond van artikel 4.11.8, onderdeel b, die bepaalt dat er geen subsidie verstrekt wordt indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie aan de grondeigenaar verstrekt is voor de investering of de combinatie van investeringen of een onderdeel daarvan. Voor de achtergrond bij deze bepaling wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4.11.8, onderdeel b.

Ten derde moet de subsidieaanvraag in bepaalde gevallen een verklaring bevatten dat de desbetreffende investering niet gebruikt zal worden om te voldoen aan de herbeplantingsplicht, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Deze verklaring moet afgegeven worden voor zover de aanvraag betrekking heeft op een investering in een solitaire boom, bomenrij, boomgroep, houtwal of heg als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen f tot en met j. Hiermee wordt getoetst aan de afwijzingsgrond van artikel 4.11, onderdeel e, subonderdeel 3°. Voor de achtergrond bij deze bepaling wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4.11.8, onderdeel e, subonderdeel 3°.

Bijlagen bij de aanvraag tot subsidieverlening (artikel 4.11.3, tweede en derde lid)

Op grond van artikel 2.9, vierde lid, van de REES moet een aanvraag tot subsidieverlening voor een project vergezeld gaan van een projectplan, waarin ten minste een beschrijving van het project is opgenomen (waaronder 1°. de doelstellingen, 2°. een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering daarvan te maken kosten blijken, 3°. de activiteiten en wijze van uitvoering daarvan en 4°. voor zover van toepassing, een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende partijen en de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemers, alsmede een bewijsstuk waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is om namens de deelnemers aan het samenwerkingsverband te handelen). Daarnaast moet het projectplan bestaan uit (a) informatie waaruit blijkt in hoeverre het project bijdraagt aan de doeleinden waarvoor subsidie wordt verstrekt, (b) een sluitende begroting voor het project, die een meerjarenbegroting is met liquiditeitsplanning per jaar voor zover het project langer dan een jaar duurt, met een toelichting daarop, (c) criteria voor het toetsen van de resultaten van het project en (d) de verwachte realisatietermijn, met een beschrijving van het tijdpad en mijlpalen indien de termijn langer dan een jaar is. Aanvullend bevat artikel 4.11.3, tweede lid, nog extra eisen aan het projectplan en de overige bijlagen van de subsidieaanvraag.

Allereerst bepaalt artikel 4.11.3, tweede lid, onderdeel a, dat het projectplan een aantal voor de beoordeling van de subsidieaanvraag essentiële gegevens moet bevatten. Het betreft hier onder meer de benaming van een investering en bijbehorende kenmerken hiervan, zodat beoordeeld kan worden of een investering daadwerkelijk valt binnen de productenlijst die is opgenomen in artikel 4.11.2, tweede, derde en /of vierde lid. Bij de houtige elementen is een lijst van de aan te planten bomen en struiken nodig om te toetsen of het streekeigen soorten zijn. Ook moet het projectplan een kaart bevatten van de beoogde locatie voor een investering. Hierin moet via een tekening worden aangegeven waar de investeringen geplaatst gaan worden. Op deze wijze kan beoordeeld worden of de investering inderdaad bijdraagt aan de doelstellingen van deze subsidiemodule en plaatsvindt binnen landbouwgrond of aangrenzend daaraan. Concreet gaat het hierbij om een kadastrale kaart / tekening waarop indicatief wordt aangegeven (met punten, lijnen en vlakken, afhankelijk van het type investering) waar elke beoogde investering geplaatst gaat worden. Elk punt / lijn / vlak moet voorzien zijn van de benaming van die investering. De benaming moet overeenkomen met de benaming in de aanvraag om subsidieverlening, zodat op basis van de beschrijving ervan in het projectplan de bijbehorende kenmerken kunnen worden bepaald. Daarnaast is van belang dat de kadastrale kaart / tekening wordt geleverd op de ondergrond van de perceelsregistratie, met daarbij als extra de aanduidingen de namen van de grondeigenaar of grondeigenaren en de kadastrale perceelsnummers. Het verdient de voorkeur om de kadastrale kaart / tekening digitaal aan te leveren in PDF- of shape-file formaat op een schaal tussen 1:2500 en 1:1000.

Verder volgt uit artikel 4.11.3, tweede lid, onderdeel b, dat de subsidieaanvraag ook vergezeld dient te gaan van een kopie van drie offertes waarin de investering of investeringen met bijhorende kenmerken en totale kosten zijn opgenomen. Hiermee wordt getoetst aan de afwijzingsgrond in artikel 4.11.8, onderdeel c, die bepaalt dat er geen subsidie wordt verstrekt voor zover de redelijkheid van de kosten van de desbetreffende investering niet blijkt uit de verstrekking van kopieën van drie offertes.

Tot slot volgt uit artikel 4.11.3, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, ook dat de subsidieaanvraag vergezeld dient te gaan van een berekening van de verwachte reductie van de emissie van CO2 die met één of meerdere investeringen als bedoeld in artikel 4.11.2, vierde lid, behaald wordt. Voor deze berekening moet gebruik gemaakt worden van het rekenmodel SOMERS 1.0 zoals dat beschikbaar is via www.nobveenweiden.nl tijdens de openstellingsperiode waarin de aanvraag voor subsidie is ingediend. Concreet betekent dit dat voor elk perceel waarvoor subsidie is aangevraagd voor een waterinfiltratiesysteem bepaalde gegevens bekend moeten zijn om de huidige CO2-emissie van het desbetreffende perceel (de referentiesituatie) te kunnen bepalen. Zo bevatten de toepasselijke tabellen van het rekenmodel SOMERS 1.0 de (standaard) CO2-emissie die hoort bij een bepaald type veengrond, de breedte van het perceel en de oppervlakte van het waterpeil. Daarom moet voorafgaand aan de berekening het type veengrond, de breedte van het perceel en de oppervlakte van het waterpeil ten opzichte van het maaiveld bekend zijn zoals dat is opgenomen in het zogenaamde peilbesluit. Van belang is dat bij de toepassing van het rekenmodel SOMERS 1.0 (soms) ook gekeken kan worden naar een vergelijkbaar type veen of de breedte van het perceel of de oppervlakte van het waterpeil afgrond kan worden om zo de referentiesituatie te bepalen. Ook bevatten de toepasselijke tabellen van het rekenmodel SOMERS 1.0 de (standaard) CO2-emissies die horen bij de desbetreffende waterinfiltratiesystemen waarmee de toekomstige CO2-emissie van het desbetreffende perceel bepaald kan worden. Uiteindelijk wordt de beoogde reductie van de CO2-emissie berekend door de optelsom van het aantal hectare van het perceel te vermenigvuldigen met de (standaard) verwachte CO2-emissie zoals in voormelde tabellen is opgenomen (voor de referentiesituatie) en de uitkomst hiervan vervolgens te delen door het totaal aantal hectare van het perceel waarvoor (in de toekomstige situatie) een waterinfiltratiesysteem gebruikt wordt. Uit deze berekening, die dus moet worden toegevoegd aan de subsidieaanvraag, moet blijken dat de reductie in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie voor de desbetreffende percelen gemiddeld minimaal 10% zal bedragen.

Artikel 4.11.4 Hoogte subsidie en subsidiabele kosten

In dit artikel is voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden aangegeven welke steunintensiteiten en welk maximum subsidiebedrag voor de subsidiabele kosten gehanteerd worden.

Uit dit artikel volgt dat op de projectactiviteiten een steunintensiteit van toepassing is van 100% van de subsidiabele kosten. Voor de bij het investeringsproject horende projectactiviteiten is het op grond van een Europees steunkader niet noodzakelijk om een maximum steunintensiteit te hanteren, omdat de subsidie onder artikel 17, eerste lid, onderdeel d, van verordening 1305/2013 valt, dat geen verplichting tot hantering van een maximum steunintensiteit bevat. Voor de investeringen in landschapselementen, grondwaterpeilbuizen en waterinfiltratiesysteem is er dan ook gekozen voor voormelde steunintensiteit van 100% van de subsidiabele kosten om een maximale stimulans te geven om het investeringsproject uit te voeren, zonder dat er een eigen bijdrage van de subsidieontvanger gevraagd wordt. Een eigen bijdrage van de subsidieontvanger wordt namelijk voor deze onderdelen niet passend geacht, omdat onderhavige subsidiemodule is opgesteld om een substantiële en snelle bijdrage te leveren aan klimaatdoelstellingen. Daarnaast wordt een eigen bijdrage in een investering in een waterinfiltratiesysteem niet passend geacht, omdat uit onderzoek is gebleken dat er aan de ene kant geen baten (voor de grondeigenaar) voortvloeien uit het agrarisch gebruik van een waterinfiltratiesysteem en dat er aan de andere kant (redelijk wat) onderhoudskosten aan deze investering verbonden zijn.

Verder bepaalt dit artikel dat de subsidie ten hoogste € 500.000 per investeringsproject zal bedragen. Dit maximumsubsidiebedrag is van toepassing op het gehele investeringsproject, ongeacht het feit of het investeringsproject wordt uitgevoerd door slechts één subsidieaanvrager of meerdere subsidieaanvragers in een samenwerkingsverband. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat naar verwachting in voldoende mate geschikte (omvangrijke) projecten ondersteund kunnen worden, zonder dat één project het subsidieplafond volledig gebruikt.

Artikel 4.11.5. Subsidiabele kosten

In artikel 1.3 staan de kosten die op grond van de REES voor subsidie in aanmerking komen. Het betreft loonkosten en overheadkosten, bijdragen in natura, afschrijvingskosten en andere kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd. In afwijking hiervan bepaalt artikel 4.11.5 dat alleen voor subsidie in aanmerking komen de kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd. De reden hiervoor is dat bij de aanschaf en plaatsing van de door deze subsidiemodule gesubsidieerde investeringen uitsluitend gebruik gemaakt kan worden van producten en diensten van externe experts, zodat een bepaalde kwaliteit gewaarborgd kan worden. Om de marktconformiteit van deze kosten te kunnen beoordelen dient door de subsidieaanvrager (voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend) bij (potentiële) leveranciers via het opvragen van drie offertes informatie ingewonnen te worden over de kosten voor de aanschaf en het plaatsen van de desbetreffende investeringen, alsook voor het inzicht in de gemaakte kosten facturen en betaalbewijzen te worden verschaft bij de aanvraag tot subsidievaststelling. Voor de achtergrond wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikelen 4.11.3, tweede lid, onderdeel b en 4.11.13, tweede lid, onderdeel a,

Artikel 4.11.6. Verdeling subsidieplafond

Dit artikel bepaalt op welke wijze het subsidieplafond wordt verdeeld. Dat vindt plaats op volgorde van rangschikking van de aanvragen, met toepassing van de rangschikkingscriteria in artikel 4.11.8. Op deze wijze worden investeringsprojecten hoger gerangschikt naar mate deze meer bijdragen aan de doelstellingen van de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden. Hoe hoger een investeringsproject wordt gerangschikt, hoe eerder het voor subsidie in aanmerking komt. Alleen aan de investeringsprojecten die na de rangschikking binnen het subsidieplafond passen, wordt subsidie verleend. Op het moment dat het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van de subsidieaanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt, overeenkomstig artikel 2.6 REES vastgesteld door middel van loting.

Artikel 4.11.7. Start- en realisatietermijn

In dit artikel is bepaald dat met de uitvoering van een op grond van de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden gesubsidieerd investeringsproject moet worden gestart binnen twee maanden na de subsidieverlening. Met de start wordt gedoeld op het moment dat het desbetreffende landschapselement, grondwaterpeilbuis of waterinfiltratiesysteem is aangeschaft. Met voormelde starttermijn wordt dan ook gewaarborgd dat het desbetreffende investeringsproject spoedig van start zal gaan.

Aanvullend hierop is de realisatietermijn vastgesteld op 1 oktober 2024. Dit betekent dat het desbetreffende investeringsproject uiterlijk op 1 oktober 2024 afgerond moet zijn. Met de afronding wordt gedoeld op het moment dat het desbetreffende landschapselement, grondwaterpeilbuis en /of waterinfiltratiesysteem is geplaatst. Indien uit het bij de subsidieaanvraag aangeleverde projectplan blijkt dat het investeringsproject niet uiterlijk op 1 oktober 2024 gerealiseerd zou kunnen worden (lees: het desbetreffende landschapselement, grondwaterpeilbuis of waterinfiltratiesysteem niet uiterlijk voor 1 oktober 2024 geplaatst zou kunnen worden), wordt de subsidieaanvraag afgewezen op grond van artikel 2.11, aanhef en onderdeel b, van de REES. Er is voor deze realisatietermijn gekozen, omdat de verwachting is dat een investeringsproject binnen deze termijn kan worden afgerond om zo spoedig een bijdrage te leveren aan de relevante klimaatdoelstellingen.

Van belang is nog dat artikel 2.16 van de REES de bevoegdheid aan de Minister geeft om in geval van vertraging van de uitvoering van de activiteiten of het essentieel wijzigen daarvan ontheffing te verlenen van de verplichting om de activiteiten overeenkomstig het projectplan van de subsidieontvanger uit te voeren. Van deze bevoegdheid zal (naar alle waarschijnlijkheid) geen gebruik worden gemaakt, omdat de subsidievaststelling (op grond van de toepasselijke Europese regelgeving) uiterlijk op 31 december 2025 moet hebben plaatsgevonden.

Artikel 4.11.8. Afwijzingsgronden

In artikel 4.11.8 is voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden een aantal afwijzingsgronden opgenomen. Deze gelden in aanvulling op de algemene afwijzingsgronden die zijn opgenomen in artikel 2.11 van de REES. De afwijzingsgronden uit artikel 4.11.8 hebben betrekking op iedere afzonderlijke investering die in de subsidieaanvraag is opgenomen. Indien er dus met een aanvraag subsidie voor meerdere investeringen aangevraagd wordt, wordt slechts het deel van de aanvraag afgewezen dat betrekking heeft op een investering die niet aan de voorwaarden van deze subsidiemodule voldoet.

Ten eerste wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien het plaatsen van de investering in strijd is met het bestemmingsplan van de gemeente waarbinnen zich de grond bevindt waarvan de grondeigenaar eigenaar is. Hiermee wordt voorkomen dat subsidie wordt verleend voor een investering die niet past binnen het bestemmingsplan van de desbetreffende gemeente.

Ten tweede is er een afwijzingsgrond opgenomen waarin is geëxpliciteerd dat geen subsidie verstrekt wordt indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie aan de grondeigenaar verstrekt is voor de investering of de combinatie van investeringen of een onderdeel daarvan die bestemd was respectievelijk waren voor hetzelfde gebied op de grond waarvan de grondeigenaar eigenaar is. Op deze wijze wordt cumulatie van steun voorkomen, zonder dat hier verregaand boekhoudkundig onderzoek voor nodig is. Met het oog op de gebruiksvriendelijkheid van de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden en beperking van de administratieve lasten en uitvoeringskosten wordt met deze bepaling verder gegaan dan artikel 1.2 REES. Artikel 1.2 REES bepaalt dat indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt wordt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens de toepasselijke Europese verordeningen toegestaan is. Met artikel 1.2, alsook de aanvullende bepaling in artikel 4.11.8, onderdeel b, wordt invulling gegeven aan artikel 65, elfde lid, van verordening 1303/2013. Artikel 65, elfde lid, van verordening 1303/2013 bepaalt dat voor een concrete actie steun uit een of meer ESI-fondsen, waaronder dus het POP, of uit een of meer programma's en uit andere instrumenten van de Europese Unie mag worden ontvangen op voorwaarde dat voor een uitgavenpost die in een betalingsverzoek voor vergoeding door een van de ESI-fondsen wordt opgenomen, geen steun wordt ontvangen uit een ander Fonds of instrument van de Europese Unie, noch uit hetzelfde fonds in het kader van een ander programma.

Ten derde wordt de subsidieaanvraag afgewezen voor zover de redelijkheid van de kosten van het desbetreffende investeringsproject niet blijkt uit de verstrekking van kopieën van drie offertes als bedoeld in artikel 4.11.3, tweede lid, onderdeel b. Het is van belang dat in alle drie de offertes voor het investeringsproject alle investeringen met bijhorende kenmerken als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede, derde en /of vierde lid, en prijs zijn opgenomen. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat de voor het investeringsproject (opgevoerde) subsidiabele kosten marktconform zullen zijn (lees: de selectie van de toeleveranciers voor de desbetreffende investering tegen marktconforme en transparante voorwaarden plaatsvindt). Voor de achtergrond hierbij wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.11.5.

Ten vierde wordt de subsidieaanvraag afgewezen indien de te verlenen subsidie minder dan € 70.000 zou bedragen. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat de bijdrage van het investeringsproject aan de doelstelling van de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden voldoende substantieel is.

Ten vijfde wordt de subsidieaanvraag afgewezen, voor zover deze aanvraag betrekking heeft op een investering in een landschapselement als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid, dat geheel of gedeeltelijk bestemd is voor het deel van het erf waarop zich een woning bevindt. Hiermee wordt aangesloten op gangbare uitgangspunten in onder meer het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb). Daarnaast wordt dit deel van het erf gezien als behorend bij de bebouwing.

Ten zesde wordt een subsidieaanvraag afgewezen voor zover deze aanvraag betrekking heeft op een meerjarige bloemrijke akkerrand of kruidenrijke akkerrand die bestemd is voor de aanleg op grond die grenst aan grasland als bedoeld in artikel 1, derde lid, van het Besluit gebruik meststoffen (lees: grenst aan grond die voor tenminste 50 procent is beteeld met gras dat is of wordt gebruikt voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren). Hiermee wordt voorkomen dat een akkerrand in bepaalde mate productief zou kunnen zijn, omdat de grens van grasland (de graslandrand) wel nog in bepaalde mate productief kan zijn. Daarbij wordt ook voorkomen dat de niet met elkaar te verenigen beheerwijze van een graslandrand en een meerjarige bloemrijke akkerrand of kruidenrijke akkerrand elkaar in de weg zouden staan. Zo is het voor de biodiversiteit van belang dat bij de aanleg en het beheer van een graslandrand er extensivering plaats vindt, in plaats van dat de grond bewerkt wordt zoals bij de aanleg van een meerjarige bloemrijke akkerrand of kruidenrijke akkerrand het geval is. Ook worden op grond van deze subsidiemodule uitsluitend de aanleg, en dus niet de extensivering, gesubsidieerd, waardoor een graslandrand ook niet (indirect) voor subsidie in aanmerking mag komen.

Tot slot wordt een subsidieaanvraag voor een investering in een solitaire boom, bomenrij, boomgroep, houtwal en/ of heg als bedoeld in artikel 4.11.2, tweede lid, onderdelen f tot en met j, in de volgende gevallen afgewezen.

  • Een aanvraag tot subsidieverlening wordt afgewezen voor zover de investering in een houtig landschapselement bestemd is voor de plaatsing op een perceel dat op 15 mei 2022 in de perceelsregistratie geregistreerd is als

  • grasland als bedoeld in artikel 1, derde lid, van het Besluit gebruik meststoffen (lees: bestemd is voor de plaatsing op grond die voor tenminste 50 procent is beteeld met gras dat is of wordt gebruikt voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren). Hiermee wordt aangesloten op de wet- en regelgeving betreffende mest op grond waarvan het (in bepaalde gevallen) niet is toegestaan grasland (voor beplanting) te scheuren in de periode van september tot en met februari. Voor meer informatie wordt verwezen naar https://www.rvo.nl/onderwerpen/mest/grasland-scheuren.

  • Overigens brengt het voorgaande met zich mee dat het wel mogelijk is de grond (voor beplanting) te scheuren in de periode van september tot en met februari in het geval deze grond in die periode niet als grasland kwalificeert (dus deze grond in die periode niet voor tenminste 50 procent is beteeld met gras dat is of wordt gebruikt voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren).

  • Verder wordt een aanvraag tot subsidieverlening afgewezen voor zover de investering in een houtig landschapselement (onder meer) gebruikt zal worden om te voldoen aan de herbeplantingsplicht, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Op grond van deze herbeplantingsplicht dient herbeplanting door de grondeigenaar plaats te vinden wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan. In een dergelijk geval moet de grondeigenaar zorgdragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van de grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. Daarnaast moet na deze herbeplanting ook binnen drie jaar de herbeplanting vervangen worden die niet is aangeslagen.

  • Ook wordt de aanvraag tot subsidieverlening afgewezen voor zover de desbetreffende investering in een houtig landschapselement betrekking heeft op een uitheemse soort. De investering moet dus de aanschaf en plaatsing betreffen van producten (bomen, heggen of houtwallen) die als inheems (soorten die van oorsprong voorkomen in Nederland) beschouwd worden, en dus niet uitheems zijn (soorten die niet van oorsprong voorkomen in Nederland). Met het bevorderen van inheemse biodiversiteit worden eventuele negatieve effecten op biodiversiteit door mogelijke uitheemse (invasieve) exoten voorkomen. Bij de investering in inheemse houtige landschapselementen kan gedacht worden aan de producten die zijn opgenomen in de volgende indicatieve (ondersteunende) lijst.

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Amandelwilg

Salix petandra

Beuk

Fagus sylvatica

Bittere wilg

Salix purpurea

Boswilg

Salix caprea

Eenstijlige Meidoorn

Crataegus monogyna

Egelantier

Rosa rubiginosa

Gelderse Roos

Viburnum opulus

Gele Kornoelje (alleen in Zuid-Limburg)

Cornus mas

Geoorde wilg

Salix aurita

Gewone Es

Fraxinus excelsior

Grauwe Wilg

Salix cinerea

Haagbeuk

Carpinus betulus

Hazelaar

Corylus avellana

Hollandse Linde

Tilia x vulgaris

Hondsroos

Rosa canina

Hulst

Ilex aquifolium

Inlandse Vogelkers

Prunus padus

Jeneverbes

Juniperus communis

Kardinaalsmuts

Eunoymus europeus

Katwilg

Salix viminalis

Kraakwilg

Salix fragilis

Koraalmeidoorn

Crateagus rhypidophylla/curvisepala

Laurierwilg

Salix pentandra

Mispel

Mespilus germanica

Ratelpopulier

Populus tremula

Rode Kornoelje

Cornus sanguinea

Ruwe Berk

Betula pendula

Schietwilg

Salix alba

Sleedoorn

Prunus spinosa

Trosvlier/Bergvlier

Sambucus racemosa

Tweestijlige meidoorn

Crataegus laevigata

Veldesdoorn

Acer campestre

Vlier

Sambucus nigra

Vuilboom

Rhamnus frangula

Wegedoorn

Rhamnus catharctica

Wilde Appel

Malus sylvestris

Wilde Liguster

Ligustrum vulgare

Wilde Lijsterbes

Sorbus aucuparia

Wintereik

Quercus petreae

Winterlinde

Tilia cordata

Witte abeel

Populus alba

Zachte Berk

Betula pubescens

Zomerlinde

Tilia platyphyllos

Zomereik

Quercus robur

Zwarte Els

Alnus glutinosa

Zwarte populier

Populus nigra

Artikel 4.11.9. Rangschikkingscriteria

In dit artikel zijn criteria opgenomen op basis waarvan de aanvragen gerangschikt worden. Een subsidieaanvraag wordt op grond van artikel 4.11.9, derde lid, hoger gerangschikt naarmate het investeringsproject beter scoort op bepaalde criteria.

Inhoud van de rangschikkingscriteria per type investering (artikel 4.11.9, eerste lid)

De rangschikkingscriteria bevinden zich in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, van artikel 4.11.9. De puntentoekenning vindt plaats afhankelijk van de mate waarin aan een rangschikkingscriterium wordt voldaan. Het gaat hierbij om de volgende rangschikkingscriteria.

  • a. Investering in meer landschapselementen

    Aan een investeringsproject wordt, afhankelijk van het aantal soorten landschapselementen waarop de investering betrekking heeft, een aantal punten toegekend, namelijk acht punten bij één soort landschapselement (lees: één soort product), negen punten bij twee of drie soorten producten en tien punten bij vier of meer soorten producten. Dit betekent dat in het geval het investeringsproject betrekking heeft op meer soorten landschapselementen er meer punten worden toegekend. Een groter aantal soorten landschapselementen zal namelijk leiden tot een hogere landschapsdiversiteit. Een hogere landschapsdiversiteit, passend in het lokale (cultuur-historische) landschap, is bevorderlijk voor zowel dit landschap zelf als de biodiversiteit. Op grond van de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden wordt daarom gekeken naar de diversiteit in aangevraagde landschapselementen. Hierbij zal een hogere diversiteit leiden tot een hogere score op voormeld rangschikkingscriterium, vanwege een grotere bijdrage aan de verwezenlijking van de diversiteitsdoelstelling van deze subsidiemodule, opgenomen in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdeel a.

  • b. Een (substantiële) investering in grondwaterpeilbuizen op veengrond

    Aan een aanvraag betreffende een investeringsproject worden zeven punten toegekend, indien het investeringsproject betrekking heeft op een investering in een grondwaterpeilbuis. De reden hiervoor is dat grondwaterpeilbuizen een gemiddelde prioriteit hebben voor het verwezenlijken van de klimaatdoelstelling van deze subsidiemodule, opgenomen in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdeel b, ten opzichte van landschapselementen die een hoge prioriteit hebben voor de vervulling van de diversiteitsdoelstelling van deze subsidiemodule, opgenomen in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdeel a. Vanwege het feit dat het belang van de plaatsing van grondwaterpeilbuizen op veengrond (gemiddeld) groot is, wordt een score van zeven punten hiervoor passend geacht.

  • c. Een investering in waterinfiltratiesystemen op veengrond

    Aan een aanvraag betreffende een investeringsproject wordt één punt toegekend, indien het investeringsproject betrekking heeft op één of meer investeringen in een waterinfiltratiesysteem, waaronder begrepen onderwaterdrainage of drukdrainage. De reden hiervoor is dat de waterinfiltratiesystemen een lage prioriteit hebben voor het verwezenlijken van de klimaatdoelstelling van deze subsidiemodule, opgenomen in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdeel b, ten opzichte van grondwaterpeilbuizen die een gemiddelde prioriteit hebben en landschapselementen die een hoge prioriteit hebben voor de vervulling van de diversiteitsdoelstelling van deze subsidiemodule, opgenomen in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdeel a. Vanwege het feit dat er toch enig belang aanwezig is om voormelde waterinfiltratiesystemen op veengrond te plaatsen, wordt een score van één punt hiervoor passend geacht. De investering in waterinfiltratiesystemen kan namelijk eenvoudiger op grotere grondoppervlakten plaatsvinden, waardoor juist een combinatie van deze investering met grondwaterpeilbuizen, en eventueel landschapselementen gewenst is.

Verhouding tussen de rangschikkingscriteria van verschillende soorten investeringen (artikel 4.11.9, tweede lid)

In artikel 4.11.9, tweede lid, zijn de zogenaamde wegingsmethoden opgenomen die betrekking hebben op de puntentoekenning aan de onderdelen van artikel 4.11.9. eerste lid, bestaande uit de onderdelen a (landschapselementen), b (grondwaterpeilbuizen, en c (waterinfiltratiesystemen). Het gaat hierbij om de wijze waarop deze verschillende onderdelen zich tot elkaar verhouden (welk onderdeel hoe zwaar weegt). Van belang hierbij is dat beoogd wordt om investeringsprojecten te stimuleren waarbij het zwaartepunt ligt op het aanschaffen en plaatsen van zoveel mogelijk typen landschapselementen, gevolgd door grondwaterpeilbuizen op veengrond en als laatste de waterinfiltratiesystemen op veengrond. Met de weging van de puntentoekenning wordt er daarom voor gezorgd dat de grote nadruk ligt op landschapselementen, en eventueel grondwaterpeilbuizen, waarbij slechts door een grotere variatie in soorten investeringen van landschapselementen dan wel de substantiële investering in één of meer grondwaterpeilbuizen op veengrond een hogere score behaald kan worden. Daarbij wordt het laagste aantal punten behaald met de categorie investeringen in waterinfiltratiesystemen op veengrond, waarbij alleen met een combinatie met grondwaterpeilbuizen en landschapselementen het puntenaantal voor dit type investeringsproject verhoogd kan worden. Concreet vindt de weging plaats op grond van de volgende twee methoden.

  • a. De eerste wegingsmethode is opgenomen in artikel 4.11.9, tweede lid, onderdeel a, Deze heeft betrekking op de situatie dat de subsidieaanvraag een investeringsproject betreft dat betrekking heeft op beide typen investeringen als bedoeld in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdelen a en b, (lees: betrekking heeft op zowel landschapselementen als grondwaterpeilbuizen). In dat geval worden uitsluitend punten toegekend aan het onderdeel van het investeringsproject waarop de hoogste score behaald wordt. Dit betekent dat aan een investeringsproject een score van tien punten toegekend wordt in het geval er bijvoorbeeld op het projectonderdeel betreffende landschapselementen een score van tien punten behaald wordt en op het projectonderdeel betreffende grondwaterpeilbuizen een score van zeven punten behaald wordt.

  • b. De tweede wegingsmethode is opgenomen in artikel 4.11.9, tweede lid, onderdeel b, Deze heeft betrekking op de situatie dat de subsidieaanvraag een investeringsproject betreft dat betrekking heeft op meerdere typen investeringen als bedoeld in zowel onderdeel c (waterinfiltratiesystemen) als onderdelen a en /of b (landschapselementen en /of grondwaterpeilbuizen). In dat geval telt de minister het met deze onderdelen behaalde aantal punten bij elkaar op en deelt dit vervolgens door het aantal onderdelen. Dit betekent concreet het volgende:

    • (I) Wanneer bijvoorbeeld op onderdeel a negen punten behaald worden en op onderdeel c één punt, dan is het gemiddelde aantal punten vijf (10/2).

    • (II) Wanneer bijvoorbeeld op onderdeel b zeven punten behaald worden en op onderdeel c één punt, dan is het gemiddelde aantal punten vier (8/2).

    • (III) Wanneer bijvoorbeeld op onderdeel a tien punten behaald worden, op onderdeel b zeven punten en op onderdeel c één punt, dan is het gemiddelde aantal punten zes (18/3).

Artikel 4.11.10. Verplichtingen betreffende investeringen

In dit artikel zijn een aantal verplichtingen opgenomen betreffende de aanleg, het beheer en (het doel van) het gebruik van investeringen, alsook (tussen)rapportage.

Allereerst wordt in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieontvanger geen gebruik mag maken van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen bij de aanleg en het beheer van de investering of investeringen in een aantal niet-houtige landschapselementen; in dit geval een natuurvriendelijke oever, een natuurvriendelijke overhoek, een natuurvriendelijke sloot, een poel en een meerjarige bloemrijke rand of kruidenrijke akkerrand. Met deze bepaling wordt ervoor gezorgd dat de aanleg en het beheer op natuurvriendelijke wijze plaatsvindt, waardoor het desbetreffende (natuurvriendelijke) niet-houtige landschapselement ook daadwerkelijk natuurvriendelijk is en blijft. Hiermee wordt dan ook invulling gegeven aan één van de doelstellingen van deze subsidiemodule, namelijk ‘het leveren van een bijdrage aan grotere diversiteit in het landschap in Nederland’. Voor de houtige landschapselementen zijn voormelde verplichtingen niet noodzakelijk en wordt het voldoen aan de voormelde doelstelling (ook mede) gewaarborgd door de afwijzingsgronden, opgenomen in artikel 4.11.8, onderdeel e, subonderdeel 3°.

Ten tweede wordt in het tweede en derde lid van dit artikel bepaald dat de subsidieontvanger metingen moet verrichten met de gesubsidieerde grondwaterpeilbuizen, alsook dat de data die verkregen wordt met deze metingen door de subsidieontvanger jaarlijks verstrekt moet worden via een middel dat door de Minister beschikbaar is gesteld. In dit geval dienen voormelde documenten aangeleverd te worden via het verzenden van een e-mail, waarin de bijhorende documenten als bijlage zijn opgenomen, naar info@nobveenweiden.nl, dat beheerd wordt door een consortium bestaande uit Deltares en diverse universiteiten en onderzoeksinstellingen. Deltares zal de voormelde gegevens namens de Minister verzamelen en beheren ten behoeve van het zogenaamde Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) dat in 2019 van start is gegaan. Het NOBV onderzoekt de huidige omvang van de uitstoot van broeikasgassen in het veenweidegebied. Tegelijkertijd onderzoekt het NOBV de effecten van verschillende maatregelen op de broeikasgasuitstoot. In het Klimaatakkoord is voor veenweiden een reductiedoelstelling vastgelegd van de jaarlijkse emissie: 1,0 Mton in 2030. Het NOBV voert langdurig en structureel metingen uit om de feitelijke emissie te bepalen onder invloed van verschillende maatregelen om bodemdaling tegen te gaan. Ook onderzoekt het NOBV wat er nodig is om deze emissies in de toekomst beter te voorspellen. Dit onderzoek vindt plaats op meerdere (veenweiden)locaties door heel Nederland en hierbij wordt onder meer gebruik gemaakt van de data die verzameld wordt door het meten met grondwaterpeilbuizen. Met de voormelde verplichting om de verkregen data van de metingen met grondwaterpeilbuizen aan het NOBV te leveren, wordt dan ook invulling gegeven aan één van de doelstellingen van deze subsidiemodule, namelijk ‘het leveren van een bijdrage aan een beter inzicht van het effect van de grondwaterpeilstand op agromilieu- en klimaatdoelstellingen in Nederland’, bedoeld in artikel 4.11.2, eerste lid, onderdeel b. Een link naar het loket van het NOBV zal ook beschikbaar worden gesteld op www.RVO.nl.

Ten derde is in het vierde lid van dit artikel bepaald dat de subsidieontvanger zorg moet dragen voor het onderhoud van de waterinfiltratiesystemen, zodat een goede werking gewaarborgd wordt (via onder meer het voorkomen en /of verwijderen van vervuiling, dat ontstaat als gevolg van het gebruik van het waterinfiltratiesysteem).

Ten vierde wordt in het vijfde lid van dit artikel bepaald dat alle verplichtingen uit dit artikel gelden gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat de bijdrage aan de doelstellingen van de subsidiemodule bestendigd worden door de voorgaande voorgeschreven wijze van aanleg, beheer en het gebruik van de gesubsidieerde niet-houtige landschapselementen, grondwaterpeilbuizen en waterinfiltratiesystemen.

Tot slot bevat het zesde lid nog een bepaling betreffende de te verschaffen (tussen)rapportages tijdens de looptijd van een investeringsproject. Uit dit zesde lid volgt dat dergelijke (tussen)rapportages niet verstrekt hoeven te worden, omdat de investeringsprojecten op grond van artikel 4.11.7 een korte looptijd van ten hoogste twee jaar hebben en het gewenst is de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden (zie paragrafen 3.1 en 3.2 van de algemene toelichting). Om die reden is ervoor gekozen om met artikel 4.10, zesde lid, voor deze subsidiemodule artikel 2.18 van de REES (betreffende (tussen)rapportages) buiten toepassing te verklaren. Bij subsidieverlening onder deze subsidiemodule bestaat er dan ook uitsluitend de verplichting tot eindrapportage bij de aanvraag tot subsidievaststelling (zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.11.13).

Artikelen 4.11.11 en 4.11.12 (Onregelmatigheden, administratieve controles, controles ter plaatse, onverschuldigde betalingen, sancties en terugvorderingen)

In de artikelen 4.11.11 en 4.11.12 wordt verwezen naar de bepalingen van verordening 1306/2013 waarin verplichtingen tot terugvordering van subsidie zijn opgenomen in geval van onrechtmatigheden. Ook wordt hierin verwezen naar de bevoegdheden om te controleren of de aanvragen voor subsidie voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden en naar de bevoegdheden om tot intrekking van betalingen en de oplegging van sancties over te gaan als sprake is van schending van de subsidiabiliteitseisen. Voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden oefent de Minister deze bevoegdheden uit.

Concreet betekent dit dat de Minister is aangewezen als het bevoegde orgaan dat de invordering van onverschuldigde betalingen verricht. Voorts is de Minister bevoegd om te besluiten dat een terugvordering niet wordt voortgezet in de gevallen waarin artikel 54, derde lid, van verordening 1306/2013 voorziet. De minister is bevoegd om te controleren of de aanvragen voor subsidie voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden. Lidstaten zijn op grond van artikel 59, eerste lid, van verordening 1306/2013 verplicht dergelijke controles te verrichten. In de praktijk komt dit erop neer dat door RVO.nl aan de hand van een (administratieve) controle wordt beoordeeld of de aangeschafte investeringen voldoen aan de criteria uit deze subsidiemodule. Een deel van de controles kan (mogelijk steekproefsgewijs) fysiek op de bedrijven plaatsvinden (door de inspecteurs van de NVWA) om te controleren of investeringen daadwerkelijk geplaatst zijn. In het geval niet voldaan wordt aan de criteria voor de investeringen heeft de minister de in voormelde artikelen van de verordening neergelegde bevoegdheden ten aanzien van de Europees verplichte intrekking van (subsidie)betalingen en de oplegging van sancties in verband met de schending van subsidiabiliteitseisen.

Artikel 4.11.13. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling

Dit artikel bevat aanvullingen op de toepasselijke verplichtingen inzake subsidievaststelling die zijn opgenomen in artikel 2.20 van de REES. Hierbij is het volgende van belang.

Tijdstip van indiening aanvraag tot subsidievaststelling (artikel 4.11.13k, eerste lid)

Uit artikel 2.20, eerste lid, van de REES volgt dat de aanvraag tot subsidievaststelling moet zijn ingediend binnen dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid (lees: dertien weken nadat het investeringsproject moet zijn /is afgerond). In aanvulling hierop bepaalt artikel 4.11.13, eerste lid, dat de subsidieontvanger zijn aanvraag tot subsidievaststelling uiterlijk moet hebben ingediend op 1 oktober 2024. De reden hiervoor is dat op deze wijze de vaststelling en bijhorende betalingen nog (tijdig) afgerond kunnen worden conform de voorwaarden van de huidige programmaperiode van het GLB.

Inhoud van de aanvraag tot subsidievaststelling en bijbehorende bijlagen (artikel 4.11.13k, tweede lid)

Uit artikel 2.20, vierde en vijfde lid, van de REES volgt welke informatie de aanvraag tot subsidievaststelling moet bevatten en van welke documenten deze aanvraag vergezeld moet gaan. Zo moet op grond van artikel 2.20, vierde lid, van de REES de aanvraag tot subsidievaststelling bestaan uit ten minste een beschrijving van: (a) de gegevens over de subsidieontvanger, waaronder naam, adres en het door de Minister toegekende referentienummer en (b) gegevens over de hoogte van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten.

Daarnaast moet op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van de REES een aanvraag tot subsidievaststelling voor de uitvoering van een investeringsproject vergezeld gaan van een eindverslag dat ten minste bestaat uit: (a) een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht, (b) een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening en (c) de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan, en (d) de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, indien in onderhavige subsidiemodule of op een andere plaats inde REES is bepaald dat openbaarmaking moet plaatsvinden.

Aanvullend op het voorgaande bepaalt artikel 4.11.13, tweede lid, voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden dat een aanvraag om subsidievaststelling vergezeld moet gaan van een factuur, betaalbewijs en kaart met GPS-coördinaten van de investering of investeringen waaruit volgt wat de naam, bijhorende kenmerken en plaats van de investering of investeringen is. Op de factuur en de kaart moet dus duidelijk naar voren komen welke investering (bijv. welke boom/struik) op welke locatie is geplaatst, zodat dit steekproefsgewijs (mede met behulp van de GPS-coördinaten) gecontroleerd kan worden. Hierbij is de aanwezigheid van een kadastrale kaart van belang. Het gaat hierbij om een kadastrale kaart / tekening waarop wordt aangegeven waar elke investering geplaatst is, op basis van de GPS-coördinaten (van het midden) van elk landschapselement c.q. grondwaterpeilbuis. Elk punt / lijn / vlak moet voorzien zijn van de benaming van die investering en van de afmetingen, tenzij deze kunnen worden afgeleid uit de GPS coördinaten. De benaming moet overeenkomen met de benaming in de aanvraag om subsidievaststelling en in de factuur, zodat op basis van de beschrijving ervan in de factuur de bijbehorende kenmerken kunnen worden bepaald. Daarnaast is van belang dat de kadastrale kaart / tekening wordt geleverd op de ondergrond van de perceelsregistratie, met daarbij als extra de aanduidingen de namen van de grondeigenaar of grondeigenaren en de kadastrale perceelsnummers. Het verdient de voorkeur om de kadastrale kaart / tekening digitaal aan te leveren in PDF- of shape-file formaat op een schaal tussen 1:2500 en 1:1000.

Ook zijn voor bepaalde typen investeringen in artikel 4.11.13, tweede lid, specifieke informatieverplichtingen opgenomen.

  • Voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in een grondwaterpeilbuis moet de aanvraag tot subsidievaststelling bijvoorbeeld ook vergezeld gaan van een verklaring van de aanvrager waaruit volgt dat ook gedurende vijf jaar na subsidievaststelling voldaan zal worden aan de verplichtingen betreffende data levering van de geplaatste investering als bedoeld in artikel 4.11.10.

  • Voor zover het investeringsproject betrekking heeft op een investering in één of meer waterinfiltratiesystemen, moet de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaan van een aantal documenten met daarin informatie over de wijze van plaatsing van de investering, bestaande uit: (1°) kopieën van de perceelsregistratie van de veengrond waarop deze investeringen geplaatst zijn, (2) gegevens over de diepte van de ligging van de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters, ten opzichte van het Normale Amsterdamse Peil (NAP), (3°) gegevens over de afstand tussen de buizen van het desbetreffende waterinfiltratiesysteem in meters en (4°) een toelichting of er een hoog scenario of medium scenario is gebruikt bij de aanleg van de desbetreffende investering, voor zover de investering een drukdrainagesysteem betreft. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de uitgangspunten uit het rekenmodel SOMERS 1.0 zoals dat beschikbaar is via www.nobveenweiden.nl tijdens de periode waarin de aanvraag tot subsidievaststelling is ingediend. Hierin wordt ook uitgelegd wat een hoog scenario en medium scenario behelst.

De voornoemde documenten zijn noodzakelijk om te kunnen vaststellen of de gesubsidieerde activiteiten betreffende investeringen (overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening en het projectplan) hebben plaatsgevonden en dat de hieraan verbonden gemaakte kosten redelijk zijn, alsook dat aan bepaalde specifieke openbaarmakingsverplichtingen voor grondwaterpeilbuizen uit artikel 4.11.10, derde lid, voldaan is, om te kunnen voldoen aan de doelstellingen van de subsidiemodule.

Tot slot is van belang dat op grond van artikel 2.20, tweede lid, van de REES de aanvraag tot subsidievaststelling (en dus ook de documenten waarmee deze vergezeld moet gaan) moet worden ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld, in dit geval via het e-loket op www.RVO.nl.

Artikel 4.11.14. Vervaldatum

Voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden is in dit artikel een vervaldatum opgenomen. In artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 is bepaald dat subsidieregelingen een vervaltermijn van maximaal vijf jaren bevatten. Artikel 4.11.14 van de REES geeft invulling aan voormelde bepaling. Dit artikel bepaalt namelijk dat de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden vervalt met ingang van 31 december 2025. Te zijner tijd zal bezien worden of het wenselijk is de vervaldatum voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden te verlengen. De ontwerpregeling inzake een eventuele verlenging zal, overeenkomstig artikel 4.10, zevende lid, van de Comptabiliteitswet 2016, aan de Tweede Kamer worden overgelegd. Zie in dit kader ook het slot van paragraaf 2 van de algemene toelichting.

Artikel II

In de tabel van artikel 2 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 is aangegeven in welke periode de diverse subsidiemodules van de REES zijn opengesteld en wat het subsidieplafond bedraagt.

Voor de subsidiemodule Niet-productieve investeringen voor landbouw- en veenweidegebieden loopt de openstellingsperiode van 15 november 2022 tot en met 30 december 2022 om 17:00 uur. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 14.114.000.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 november 2022. Met deze datum wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van elk kwartaal in werking treden. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep op deze wijze de mogelijkheid wordt geboden al snel (vanaf 15 november 2022) subsidieaanvragen in te dienen. Vasthouden aan de systematiek van de vaste verandermomenten en voormelde bekendmakingstermijn zou hebben betekend dat subsidieaanvragen pas na 1 januari 2023 ingediend zouden kunnen worden.

Daarbij heeft de doelgroep voldoende tijd om aanvragen tot subsidieverlening voor te bereiden en in te dienen, omdat de openstellingsperiode zal lopen van 15 november 2022 tot en met 30 december 2022 om 17.00 uur.

De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink


X Noot
2

Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435/1).

X Noot
3

verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L 347).

X Noot
4

verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PBEU 2013 L 347/614).

Naar boven