Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 februari 2021, nr. WJZ/ 21027198, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodule Brongerichte verduurzaming van stal- en managementmaatregelen

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 4, aanhef en onderdelen a, b, c, d en h, 5, eerste en tweede lid, 13, tweede lid, 15, 16, 17 eerste lid, onderdeel b, en derde lid, 19, tweede en derde lid, 23, aanhef en onderdeel b, 25, 34, eerste lid, 44, tweede lid, en 50, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.2.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische volgorde wordt een aantal begripsomschrijvingen ingevoegd, luidende:

leghennenhouderijonderneming:

pluimveehouderijonderneming waarin leghennen dan wel grootouder- of ouderdieren hiervan worden gehouden voor de primaire productie van consumptie-eieren respectievelijk broedeieren;

managementmaatregelen:

maatregelen

  • a. die op structurele basis worden uitgevoerd door de veehouderijonderneming aan de hand van een vooraf opgesteld protocol, waarin zich relevante parameters bevinden;

  • b. waarvan de resultaten bijgehouden worden in een logboek; en

  • c. waarbij de reductie van broeikasgasemissies of stalemissies wordt geborgd en wordt aangetoond via de methode van directe emissiemonitoring of een vergelijkbare registratiemethode.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van de begripsomschrijving van vleeskalverhouderijonderneming door een puntkomma, wordt een aantal begripsomschrijvingen toegevoegd, luidende:

vleeskuikenhouderijonderneming:

pluimveehouderijonderneming waarin vleeskuikens worden gehouden voor de primaire productie van vlees;

vleeskuikenouderdierhouderijonderneming:

pluimveehouderijonderneming waarin grootouder- of ouderdieren van vleeskuikens worden gehouden voor de primaire productie van broedeieren.

3. De definitie van ‘pluimveehouderijonderneming’ komt te luiden:

pluimveehouderijonderneming:

veehouderijonderneming waarin eenden, kalkoenen of kippen, waaronder begrepen leghennen, vleeskuikens dan wel grootouder- of ouderdieren hiervan, worden gehouden voor de primaire productie van vlees, consumptie-eieren of broedeieren;.

B

Artikel 2.2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma worden aan het eerste lid drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. een leghennenhouderijonderneming;

  • f. een vleeskuikenhouderijonderneming;

  • g. een vleeskuikenouderdierhouderijonderneming.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Een innovatieproject bestaat uit:

    • a. een onderzoeks- en ontwikkelingsfase, een emissiemetingenfase en een resterende productieve levensduurfase; dan wel

    • b. uitsluitend een emissiemetingenfase.

3. In het derde lid vervalt ‘, die ook een potentiële eindgebruiker is van de investeringen of managementmaatregelen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a respectievelijk b,’.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Een veehouderijonderneming in een samenwerkingsverband als bedoeld in het derde lid, is potentiële eindgebruiker van:

    • a. indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, betreft: de te subsidiëren investeringen, managementmaatregelen of combinatie hiervan, bedoeld in artikel 2.2.10; of

    • b. indien het innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase, bedoeld in het tweede lid onderdeel b, betreft: de bij de emissiemeting te gebruiken investeringen, managementmaatregelen of combinatie hiervan, die op grond van artikel 2.2.10, voor subsidie in aanmerking zouden zijn gekomen indien het project betrekking zou hebben gehad op de onderzoeks- en ontwikkelingsfase.

C

Na artikel 2.2.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.2.3a. Uurtarief voor subsidiabele kosten voor arbeid

Voor de toepassing van deze titel bedraagt het uurtarief voor de subsidiabele kosten voor arbeid, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het besluit, € 60.

D

In artikel 2.2.4 vervallen het tweede tot en met zesde lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.

E

Artikel 2.2.5, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is:

    • a. vijf jaar, indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft;

    • b. twee jaar, indien het innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel b, betreft.

F

Artikel 2.2.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan onderdeel a wordt een subonderdeel toegevoegd luidende:

  • 5°. de leghennen of vleeskuikens dan wel grootouder- of ouderdieren hiervan niet op grondhuisvesting worden gehouden, indien het een innovatieproject gericht op investeringen, managementmaatregelen of een combinatie hiervan als bedoeld in artikel 2.2.10, ten behoeve van een leghennenhouderijonderneming, vleeskuikenhouderijonderneming of vleeskuikenouderdierhouderijonderneming betreft;.

2. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. na toepassing van:

    • 1°. artikel 2.2.7, eerste lid, onderdeel a, minder dan 14 punten zijn toegekend, indien het een innovatieproject ten behoeve van een varkenshouderijonderneming, melkgeitenhouderijonderneming, vleeskalverhouderijonderneming, leghennenhouderijonderneming, vleeskuikenhouderijonderneming of vleeskuikenouderdierhouderijonderneming betreft;

    • 2°. artikel 2.2.7, eerste lid, minder dan 29 punten zijn toegekend, indien het een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming betreft;.

3. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 2.2.24 zich voordoen voor de resterende levensduurfase, indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft.

G

Artikel 2.2.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens:

    • a. bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft;

    • b. bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, indien het innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel b, betreft.

2. Het tweede lid, onderdeel d komt te luiden:

  • d. de gegevens over de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, bedoeld in artikel 2.2.13, indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van een projectomschrijving en een begroting.

4. In het vierde lid wordt ‘de reductie van broeikasgasemissies of stalemissies’ vervangen door ‘een onderbouwing van de reductie van broeikasgasemissies of stalemissies’.

5. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. De begroting bevat ten minste:

    • a. de omvang van de gevraagde subsidie;

    • b. de totale kosten van:

      • 1°. indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft: de investeringen, managementmaatregelen of combinatie hiervan, bedoeld in artikel 2.2.10, en de emissiemetingen, bedoeld in artikel 2.2.15;

      • 2°. indien het innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel b, betreft: de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.15;

    • c. onderbouwde informatie over de wijze waarop de deelnemers van het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren.

H

Artikel 2.2.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

    • a. een algemene en technische omschrijving van de aangeschafte en gebruikte installaties, indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft;

    • b. een overzicht van de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, indien een innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. een afschrift van de factuur en het betalingsbewijs voor investeringen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, en de verleende subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager bedraagt;.

b. In de onderdelen c en d, wordt de puntkomma telkens vervangen door ‘, indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft.

I

Artikel 2.2.10 komt te luiden:

Artikel 2.2.10. Subsidiabele activiteiten

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de onderzoeks- en ontwikkelingsfase wordt deze verstrekt aan de veehouderijonderneming of veehouderijondernemingen, of een andere onderneming of andere ondernemingen, binnen het samenwerkingsverband ten behoeve van experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek met betrekking tot:

  • a. investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of in nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen;

  • b. managementmaatregelen die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of in nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen; dan wel

  • c. een combinatie van investeringen en managementmaatregelen als bedoeld in onderdeel a respectievelijk b die zou kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of in nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen.

J

Artikel 2.2.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase bedraagt de subsidie 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

2. In het tweede lid, aanhef, wordt ‘De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c worden’ vervangen door ‘Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt’.

3. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt ‘De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden’ vervangen door ‘Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt’ en wordt ‘10 procentpunten’ vervangen door ‘15 procentpunten’.

b. In onderdeel a wordt ‘het project daadwerkelijke samenwerking behelst’ vervangen door ‘de onderzoeks- en ontwikkelingsfase daadwerkelijke samenwerking behelst’.

c. In onderdeel b wordt ‘de projectresultaten ruim worden verspreid’ vervangen door ‘de projectresultaten uit de onderzoeks- en ontwikkelingsfase ruim worden verspreid’.

K

Artikel 2.2.12 komt te luiden:

Artikel 2.2.12. Subsidiabele kosten

Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

L

Artikel 2.2.15 komt te luiden:

Artikel 2.2.15. Subsidiabele activiteiten

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de emissiemetingenfase wordt deze verstrekt aan de onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties binnen het samenwerkingsverband voor het meten van het effect op de broeikasgasemissies en stalemissies op een veehouderijlocatie van:

  • a. indien een innovatieproject de drie fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreft: de gesubsidieerde investeringen, managementmaatregelen of combinatie hiervan, bedoeld in artikel 2.2.10; of

  • b. indien het innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.2, onderdeel b, betreft: de gebruikte investeringen, managementmaatregelen of combinatie hiervan die op grond van artikel 2.2.10 voor subsidie in aanmerking zouden zijn gekomen indien het project betrekking zou hebben gehad op de onderzoeks- en ontwikkelingsfase.

M

Artikel 2.2.21 komt te luiden:

Artikel 2.2.21. Subsidiabele activiteiten

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de resterende productieve levensduurfase wordt deze verstrekt aan de veehouderijonderneming of veehouderijondernemingen binnen het samenwerkingsverband voor de afschrijving van de investeringen, materiële activa van managementmaatregelen of combinatie hiervan, bedoeld in artikel 2.2.10, in het geval de onderzoeks- en ontwikkelingsfase en emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, zijn afgerond en hieruit blijkt dat de investeringen, managementmaatregelen of combinatie hiervan leiden tot brongerichte verduurzaming en gebruiksklaar zijn ten behoeve van het gebruik bij de primaire landbouwproductie op de desbetreffende veehouderijlocatie.

N

Bijlage 2.2.1 wordt vervangen door de bij deze wijzigingsregeling gevoegde bijlage 2.2.1.

ARTIKEL II

De tabel in artikel 1 van de Regeling openstelling EZK-en LNV-subsidies 2020 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste rij betreffende titel 2.2, artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 4.880.000’ vervangen door ‘8.180.000’.

2. In de eerste rij betreffende titel 2.2, artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 6.750.000’ vervangen door ‘€ 6.850.000’.

3. In de rij betreffende titel 2.2, artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel d, wordt ‘€ 2.000.000’ vervangen door ‘€ 5.200.000’.

ARTIKEL III

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK-en LNV-subsidies 2021 worden voor de eerste rij van titel 2.3 negen rijen ingevoegd, luidende:

Titel 2.2: brongerichte verduurzaming van stallen

2.2.2, eerste lid, onderdeel a

§ 2.2.2. Investering in niet-bewezen innovaties

Varkenshouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen, eventueel in combinatie met managementmaatregelen, als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a en c

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 7.360.000

     

Varkenshouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel b

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 1.840.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel b

 

Melkgeitenhouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen, managementmaatregelen of een combinatie hiervan als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, b of c

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 2.000.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel c

 

Melkveehouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen, eventueel in combinatie met managementmaatregelen, als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a en c

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 7.800.000

     

Melkveehouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel b

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 1.000.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel d

 

Vleeskalverhouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen, managementmaatregelen of combinatie hiervan als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, b of c

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 2.000.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel e

 

Leghennenhouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op

investeringen, managementmaatregelen of een combinatie hiervan als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, b of c

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 1.000.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel f

 

Vleeskuikenhouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen, managementmaatregelen of een combinatie hiervan als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, b of c

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 1.000.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel g

 

Vleeskuikenhouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen, managementmaatregelen of een combinatie hiervan als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, b of c

24-02-2021 t/m 04-05-2021

€ 1.000.000

ARTIKEL IV

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 5 februari 2021

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL N

Bijlage 2.2.1, behorende bij de artikelen 2.2.6, onderdeel a, onder 2°, en 2.2.7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (minimale reductiepercentages en streefwaarden voor broeikasgasemissies of stalemissies per dierlijke sector of diercategorie vanuit het stalsysteem).

1. Algemeen

In paragraaf 2 van deze bijlage zijn de reductiepercentages weergegeven, die minimaal per dierlijke sector of onderliggende diercategorie bereikt moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van de subsidiemodule Investering in niet-bewezen innovaties (hierna: de innovatiemodule), opgenomen in paragraaf 2.2.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (zie ook artikel 2.2.6, onderdeel a, onder 2°).

Indien deze minimale reductiepercentages behaald kunnen worden en niet om andere redenen de subsidieaanvraag afgewezen hoeft te worden, zal de rangschikking van de subsidieaanvragen mede plaatsvinden op basis van de hoogte van de reductiepercentages waarvoor streefwaarden zijn opgenomen in de tabel van paragraaf 3 van deze bijlage (zie ook artikel 2.2.7, eerste lid, onderdeel a).

De reductiepercentages die door investeringen in stalsystemen moeten worden behaald, worden gemeten ten opzichte van zogenaamde referentiewaarden per soort emissie per dierlijke sector of onderliggende diercategorie vanuit stalsystemen. De reductiepercentages van ammoniak, geur en fijnstof die door middel van managementmaatregelen moeten worden behaald, worden gemeten ten opzichte van de emissiewaarde die in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) staat voor het type huisvestingssysteem waarin de managementmaatregelen worden onderzocht. Deze referentiewaarden zijn opgenomen in paragraaf 4 van deze bijlage.

2. Minimale brongerichte reductiepercentages per soort emissie per dierlijke sector of diercategorie vanuit stalsystemen

In deze paragraaf zijn de reductiepercentages weergegeven, die minimaal brongericht bereikt moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van de innovatiemodule. Indien deze percentages niet behaald worden, wordt de subsidie afgewezen op grond van artikelen 2.2.6, onderdeel a, onder 2°. Voor alle veehouderijsectoren of diercategorieën is het uitgangspunt dat het innovatieproject betrekking heeft op investeringen, managementmaatregelen of een combinatie hiervan die leiden tot integrale brongerichte verduurzaming (lees: brongerichte maatregelen die gerealiseerd worden om de gestelde emissiereductie te behalen). Uitsluitend onderzoek naar en het gebruik van deze investeringen of managementmaatregelen komt voor subsidie in aanmerking en moet minimaal leiden tot de reductiepercentages per dierlijke sector of diercategorie zoals opgenomen in de tabel van paragraaf 2.1 respectievelijk 2.2.

2.1 Minimale reductiepercentages per dierlijke sector of diercategorie te realiseren via investeringen, eventueel in combinatie met managementmaatregelen.

In deze tabel zijn de minimale reductiepercentages per dierlijke sector of diercategorie opgenomen die gerealiseerd moeten worden door het onderzoek naar en het gebruik van investeringen, die (eventueel in combinatie met managementmaatregelen), leiden tot brongerichte verduurzaming.

Dierlijke sector /diercategorie

Methaan-reductie

Ammoniak-reductie

Geur-reductie

Fijnstofreductie

Varkens

50%

70%

25%

25%

Dragende zeugen

50%

60%

25%

25%

Melkgeiten1

50%2

25%

25%

nog n.v.t.

Melkvee

50%2

50%

n.v.t.

n.v.t.

Vleeskalveren

50%2

50%

25%

n.v.t.

Leghennen3

10%

50%

25%

40%

Vleeskuikens3

10%

50%

25%

50%

Vleeskuikenouderdieren3

10%

60%

25%

40%

X Noot
1

Voor de melkgeitenhouderij gelden de reductiepercentages uitsluitend voor de stalsystemen exclusief de mestopslag in afwachting van het onderzoeksproject Veehouderij en Gezondheid Omwonenden 3 (VGO 3).

X Noot
2

De genoemde methaan-reductie van minimaal 50% bij melkvee, kalveren en geiten moet gerealiseerd worden door middel van het onderzoek naar en het gebruik van investeringen betreffende mest. Rekening houdend met de enterische methaanemissie betekent dit dat op stalsysteemniveau een reductie van minimaal 12,5% gerealiseerd moet worden. Het uitgangspunt is namelijk dat 25% van de methaan uit mest komt en 75% van de methaan enterisch is.

X Noot
3

Voor de grondhuisvesting van vleeskuikens, leghennen en vleeskuikenouderdieren zijn referentiewaarden beschikbaar en kunnen de minimale emissiereductiepercentages worden vastgesteld voor ammoniak, methaan, geur en fijnstof (zie paragraaf 4 van deze bijlage).

2.2 Minimale reductiepercentage per dierlijke sector of diercategorie te realiseren via managementmaatregelen

In deze tabel zijn de minimale reductiepercentages per dierlijke sector of diercategorie opgenomen die gerealiseerd moeten worden door het onderzoek naar en het gebruik van managementmaatregelen die leiden tot brongerichte verduurzaming.

Dierlijke sector

/diercategorie

Methaan-reductie

Ammoniak-reductie

Geur-reductie

Fijnstof -reductie

Varkens

n.v.t.

10%

10%

10%

Melkvee

10%1

20%

n.v.t.

n.v.t.

X Noot
1

De genoemde methaan-reductie van minimaal 10% bij melkvee moet gerealiseerd worden door middel van het onderzoek naar en het gebruik van managementmaatregelen betreffende enterische methaan. Rekening houdend met het aandeel enterische methaanemissie betekent dit dat op stalsysteemniveau een reductie van afgerond 7,5% gerealiseerd moet worden. Het uitgangspunt is namelijk dat 25% van de methaan uit mest komt en 75% van de methaan enterisch is.

3. Streefwaarden voor de reductie per soort emissie per dierlijke sector of diercategorie vanuit stalsystemen in de periode 2020-2050

Indien de minimale reductiepercentages, bedoeld in de tabellen van de paragrafen 2.1 en 2.2 behaald kunnen worden en niet om andere redenen de subsidieaanvraag afgewezen hoeft te worden, zal de verdere rangschikking van de subsidieaanvragen mede plaatsvinden op basis van de hoogte van de beoogde reductiepercentages. Op grond van artikel 2.2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt aan een innovatieproject dan ook een hoger aantal punten toegekend naarmate het innovatieproject naar verwachting leidt tot een hoger percentage emissiereductie van de relevante broeikasgas- of stalemissies voor de betreffende dierlijke sector of diercategorie.

Gelet op de vereiste integraliteit van emissiereducties kunnen naast investeringen die leiden tot brongerichte verduurzaming, zo nodig, ook zogenaamde naschakeltechnieken gebruikt worden om een deel van de streefwaarde te realiseren. Een naschakeltechniek is een techniek die de emissies uit de stallucht verwijderd op het moment dat de lucht de stal verlaat. Het gaat hierbij om naschakeltechnieken die (eventueel) in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) zijn opgenomen, zoals een nieuwe generatie luchtwasser. Deze naschakeltechnieken komen niet voor subsidie in aanmerking, maar worden wel meegewogen bij de rangschikking van de innovatieprojecten.

Om een indruk te geven van de lange termijn ambities zijn in onderstaande tabel voor stalsystemen de volgende streefwaarden opgenomen waarmee bij de rangschikking rekening wordt gehouden.

Dierlijke sector /diercategorie

Methaan-reductie

Ammoniak-reductie

Geur-reductie

Fijnstofreductie

Varkens

90%

85%

70%

50%

Melkgeiten1

75%2

50%

50%

nog n.v.t.

Melkvee

75%2

70%

n.v.t.

n.v.t.

Vleeskalveren

75%2

70%

50%

n.v.t.

Leghennen

20%

75%

50%

60%

Vleeskuikens

20%

70%

50%

70%

Vleeskuikenouderdieren

20%

75%

50%

60%

X Noot
1

Voor de melkgeitenhouderij gelden de streefwaarden in deze openstelling uitsluitend voor de stalsystemen exclusief de mestopslag in afwachting van het onderzoeksproject Veehouderij en Gezondheid Omwonenden 3 (VGO 3).

X Noot
2

De in deze tabel genoemde methaan-reductie van minimaal 75% bij melkvee, kalveren en geiten moet gerealiseerd worden door middel van het onderzoek naar en het gebruik van investeringen, managementmaatregelen of een combinatie hiervan betreffende mest. Rekening houdend met de enterische methaanemissie betekent dit dat op stalsysteemniveau een reductie van afgerond 19% gerealiseerd moet worden. Het uitgangspunt is namelijk dat 25% van de methaan uit mest komt en 75% van de methaan enterisch is).

4. Referentiewaarden per soort emissie per soort diercategorie vanuit stalsystemen

De reductiepercentages die zijn opgenomen in voormelde tabellen van deze bijlage behelzen een reductie ten opzichte van bepaalde referentiewaarden. Deze referentiewaarden betreffen de hoogte van de emissie die zonder investeringen en managementmaatregelen vanuit het stalsysteem voortkomt.

4.1 Referentiewaarden voor methaan

Voor methaan worden de volgende referentiewaarden gehanteerd:

  • a) Varkens1:

    • Biggen: 1,8 kg CH4 per jaar per dierplaats;

    • Kraamzeugen: 23,3 kg per jaar per dierplaats;

    • Guste/dragende zeugen: 23,3 kg per jaar per dierplaats;

    • Vleesvarkens: 15,7 kg per jaar per dierplaats;

  • b) Melkgeiten: 27 kg CH4/jaar per dierplaats;

  • c) Melkvee: 186 kg CH4/jaar per dierplaats;

  • d) Vleeskalveren: 62 kg CH4/jaar per dierplaats;

  • e) Leghennen: 0,03 kg CH4/jaar per dierplaats

  • f) Vleeskuikens: 0,004 kg CH4/jaar per dierplaats

  • g) Vleeskuikenouderdieren: 0,07 kg CH4/jaar per dierplaats

De referentiewaarden genoemd onder b, c en d zijn gebaseerd op de voorlopige getallen van een klimaatonderzoek van Wageningen University & Research (WUR) dat in 2021 gepubliceerd wordt.

4.2 Referentiewaarden ammoniak

Voor de reductie van ammoniak wordt uitgegaan van de referentiewaarden zoals deze op het moment van aanvang van de openstellingsperiode gelden voor melkvee, vleeskalveren en varkens op grond van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) Voor melkgeiten is de referentie gebaseerd op de voorlopige getallen van een klimaatonderzoek van Wageningen University & Research (WUR) dat in het jaar 2021 gepubliceerd wordt. Dit betekent dat voor ammoniak de volgende referentiewaarden worden gehanteerd:

  • Varkens: Rav codes D1.1.100, D1.2.100, D1.3.100, D1.3.101, D2.100 en D3.100;

  • Melkgeiten: 3,4 kg NH3 per jaar per dierplaats2;

  • Melkvee: Rav code A1.100;

  • Vleeskalveren: Rav code A4.100;

  • Leghennen: Rav code E2.100;

  • Vleeskuikens: Rav code E5.100;

  • Vleeskuikenouderdieren: Rav code E4.100.

4.3 Referentiewaarden voor geur

Voor de reductie van geur wordt uitgegaan van de referentiewaarden zoals deze op het moment van aanvang van de openstellingsperiode gelden voor vleeskalveren, geiten en varkens op grond van de Regeling Geurhinder en veehouderij (Rg). Dit betekent dat voor geur de volgende referentiewaarden worden gehanteerd:

  • Varkens: de Rgv codes D1.1, D1.2, D1.3, D2 en D3;

  • Melkgeiten: de Rgv codes C1, C2 en C3;

  • Vleeskalveren: Rgv code A4;

  • Leghennen: Rgv code E2.100;

  • Vleeskuikens: Rgv code E5.100;

  • Vleeskuikenouderdieren: Rgv code E4.100.

4.4 Referentiewaarden voor fijnstof

Voor de reductie van fijnstof wordt uitgegaan van de referentiewaarden zoals deze op het moment van aanvang van de openstellingsperiode voor varkens gelden op grond van de fijnstoflijst. Dit betekent dat voor fijnstof de volgende referentiewaarden worden gehanteerd:

  • Varkens: codes D1.1.100, D1.2.100, D1.3.100 en D1.3.101;

  • Leghennen: codes E2.100;

  • Vleeskuikens: codes E5.100;

  • Vleeskuikenouderdieren: codes E4.100.

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Met deze wijzigingsregeling wordt de subsidiemodule Investering in niet-bewezen innovaties aangepast. Met een eerdere wijzigingsregeling3 (hierna: de invoeringsregeling) is titel 2.2 Brongerichte verduurzaming van stal- en managementmaatregelen (hierna: Sbv of titel 2.2) in de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: RNES) ingevoegd. In deze titel zijn twee subsidiemodules opgenomen ten behoeve van brongerichte verduurzaming van de veehouderijsector die verder gaat dan de maatregelen die op dit moment beschikbaar zijn.

De eerste subsidiemodule betreft de subsidiemodule Investering in niet-bewezen innovaties (hierna: de innovatiemodule), opgenomen in paragraaf 2.2.2 van titel 2.2 van de RNES. Deze subsidiemodule richt zich op onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten waarbij op representatieve schaal en onder representatieve omstandigheden proof of principle concepten ontwikkeld en getest worden.

De tweede subsidiemodule betreft de subsidiemodule Investering in bewezen brongerichte innovaties (hierna: de investeringsmodule), opgenomen paragraaf 2.2.3 van titel 2.2 van de RNES, die zich richt op de investering in de aanschaf en het gebruiksklaar maken van (nieuwe) bewezen brongerichte innovaties ten behoeve van de inrichting en herinrichting van stalsystemen.

2. Beleidscontext

De achtergrond van de invoering van titel 2.2. van de RNES is te vinden in het zogenaamde Hoofdlijnenakkoord (Kamerstukken II 2017/2018, 28 973, nr. 200), naar aanleiding van het Regeerakkoord (Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 34), en het Klimaatakkoord (bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 32 813, nr. 342) zoals omschreven in paragrafen 1.1 en 1.2 van het algemene deel van de toelichting bij de invoeringsregeling. Vanuit het Hoofdlijnenakkoord zijn doelen opgenomen voor het verbeteren van de leefomgeving. Hiervoor zijn financiële middelen beschikbaar gesteld, specifiek voor de varkens-, pluimvee- en melkgeitenhouderijsector. Vanuit het Klimaatakkoord worden financiële middelen beschikbaar gesteld voor het verminderen van de uitstoot van met name broeikasgassen voor de gehele veehouderijsector. Dit heeft geresulteerd in een innovatie- en investeringsmodule die voor de gehele veehouderijsector beschikbaar komt. Voor een uitwerking van het Hoofdlijnenakkoord per dierlijke sector en het Klimaatakkoord wordt verwezen naar paragrafen 2.1 en 2.2 van het algemene deel van de toelichting bij de invoeringsregeling.

Vanuit de samenleving is er behoefte aan vermindering van gezondheids- en leefomgevingsrisico’s, geuroverlast, milieubelasting en bijdrage aan klimaatverandering door vestigingen van veehouderijondernemingen (hierna: veehouderijlocaties). Met de innovatie- en de investeringsmodule wordt financiële ondersteuning geboden om toe te werken naar een duurzame(re) veehouderijsector die maatschappelijk geaccepteerd en gewaardeerd wordt.

3. Doel van de Sbv

Het doel van de Sbv is het ontwikkelen en toepassen van integrale, brongerichte emissie-reducerende maatregelen in zowel bestaande als nieuwe stalsystemen, gericht op broeikasgas- en stalemissies. Dit draagt zowel bij aan een verbeterde gezondheid en welzijn van mens en dier als aan realisatie van klimaat- en milieudoelen. In de veehouderijsector zorgen verschillende emissies uit het stalsysteem voor overlast van geur en negatieve effecten op de volksgezondheid, de milieu- en natuurkwaliteit en het klimaat. Dit zijn zowel emissies van broeikasgassen, zoals koolstofdioxide, methaan en lachgas (broeikasgasemissies) als emissies van ammoniak, endotoxinen, fijnstof en geur (stalemissies) vanuit het stalsysteem naar de lucht binnen de stal en de omgeving. Met het stalsysteem wordt de mest- en voeropslag, mestkelder, mestbewerkingsinstallatie en het dierenverblijf bedoeld.

De Sbv draagt op de middellange en lange termijn bij aan het verminderen van overlast voor omwonenden van veehouderijondernemingen, het verminderen van de milieu- en klimaatbelasting door veehouderijlocaties naar de leefomgeving én het verbeteren van de kwaliteit van de lucht in stalsystemen voor mens en dier. Hier ligt een taak voor de Rijksoverheid om de integrale brongerichte verduurzaming te ondersteunen. Daarnaast zijn koplopers onmisbaar voor het in de praktijk ontwikkelen, bouwen en testen van innovaties op het gebied van stalinrichting en nieuwe stalconcepten.

Brongericht betekent dat de uitstoot van verschillende emissies, zoals ammoniak en methaan, zoveel mogelijk wordt voorkomen, namelijk door de emissies bij de bron aan te pakken. Bijvoorbeeld door het snel uit de stal afvoeren en scheiden van urine en mest. Hiermee wordt de uitstoot van ammoniak en andere emissies teruggebracht. Tevens kan gedacht worden aan innovatieve technieken die voorkomen dat emissies die in de mestkelder ontstaan de stalruimte bereiken, waardoor het stalklimaat substantieel verbetert voor mens en dier. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan (gedeeltelijke) luchtafzuiging onder de roosters. Voor fijnstof kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ionisatietechnieken of olieverneveling. Deze technieken voorkomen weliswaar de vorming van fijnstof niet, maar zorgen wel dat het stalklimaat verbetert voor mens en dier.

De brongerichte aanpak verschilt van end of pipe maatregelen, waarbij de emissies eerst ontstaan, de stalruimte bereiken en vervolgens pas via naschakeltechnieken uit de lucht worden verwijderd voordat de lucht de stal verlaat. Een voorbeeld van een naschakeltechniek is een luchtwasser.

Bovenop het gebruik van de subsidiabele brongerichte investeringen en managementmaatregelen, kunnen niet-subsidiabele investeringen in naschakeltechnieken gebruikt worden om een deel van de streefwaarde van de reductiepercentages voor de verschillende emissies, opgenomen in bijlage 2.2.1 van de RNES, te realiseren.

4. Financiering en opbouw van de subsidiemodules

4.1 Opbouw en maximum subsidiebedragen van de innovatiemodule

De innovatiemodule richt zich op het ontwikkelen en testen van investeringen en managementmaatregelen die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of in nieuw te ontwikkelen en te bouwen type stalsystemen. Subsidie kan aangevraagd worden door een samenwerkingsverband bestaande uit ten minste één onderzoeksorganisatie en één veehouderijonderneming. Eventueel kunnen ook andere ondernemingen deelnemen. De veehouderijonderneming dient potentiële eindgebruiker van de investeringen of managementmaatregelen te zijn. De innovatiemodule bevat drie fases. Op welke wijze het samenwerkingsverband vormgegeven kan worden en wie van de deelnemers in welke fase voor subsidie in aanmerking komt, is nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 2.2.2, 2.2.10, 2.2.15 en 2.2.21 van de invoeringsregeling. Ook wordt daar nader ingegaan op de inhoud van deze fases die kortgezegd op het volgende neerkomt.

  • 1. De eerste fase betreft de onderzoeks- en ontwikkelingsfase. Binnen deze fase wordt subsidie verstrekt aan een veehouderijonderneming of andere onderneming. Het gaat hierbij om experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek met betrekking tot investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of in nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen, alsook managementmaatregelen die kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of in nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen.

  • 2. De tweede fase betreft de emissiemetingenfase. Binnen deze fase is subsidie aan te vragen voor het uitvoeren van metingen van de daadwerkelijke emissiereductie van investeringen en managementmaatregelen die in de eerste fase ontwikkeld zijn. Het subsidiebedrag wordt verstrekt aan een onderzoeksorganisatie.

  • 3. In de derde fase wordt de subsidie voor de resterende productieve levensduur van de innovatie verstrekt aan een veehouderijonderneming, wanneer uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de innovatie bijdraagt aan brongerichte verduurzaming. Het innovatieproject draagt bij aan brongerichte verduurzaming als nul procent of meer reductie wordt behaald ten opzichte van de referentiestal. Er mag dus geen achteruitgang plaatsvinden. Daarnaast mag het dierenwelzijn en de brandveiligheid niet achteruit zijn gegaan. Op het moment dat een innovatieproject voor één of meerdere emissiegroepen (stal- en/of broeikasgasemissies) meer emitteert dan de referentiewaardes of het dierenwelzijn en de brandveiligheid verslechtert, draagt het niet bij aan brongerichte verduurzaming en komt het innovatieproject niet voor subsidie voor de resterende levensduurfase in aanmerking.

4.2 Aangepaste innovatiemodule

Met deze wijzigingsregeling wordt de innovatiemodule aangepast. De belangrijkste aanpassingen zijn de volgende:

  • 1. Uitbreiding van de sectoren (artikelen 2.2.1 en 2.2.2, eerste lid)

    Er werd in de innovatiemodule onderscheid gemaakt in innovatieprojecten betreffende een veehouderijlocatie van een varkenshouderijonderneming, melkgeitenhouderijonderneming, melkveehouderijonderneming en vleeskalverhouderijonderneming. Beoogd wordt om in het vervolg ook subsidie te verlenen voor innovatieprojecten die uitgevoerd worden ten behoeve van een leghennenhouderijonderneming, vleeskuikenhouderijonderneming en vleeskuikenouderdierhouderijonderneming. Om die reden is ook dit type projecten toegevoegd aan de innovatiemodule.

  • 2. Subsidie voor uitsluitend de emissiemetingenfase (artikelen 2.2.2, tweede, derde en vierde lid, 2.2.5, tweede lid, 2.2.6, onderdelen c en d, en 2.2.15)

    Het is in het vervolg mogelijk om ook alleen voor de tweede fase, namelijk de emissiemetingenfase, uit de innovatiemodule subsidie aan te vragen. De behoefte hieraan doet zich voor in het geval de subsidieontvanger(s) de onderzoeks- en ontwikkelingsfase zelf al uitgevoerd hebben, zonder dat hiervoor subsidie op grond van de innovatiemodule verstrekt is. De subsidiabele activiteiten betreffen het uitvoeren van effectmetingen naar de daadwerkelijke emissiereductie van de in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase onderzochte investeringen en/of managementmaatregelen. Om subsidie voor uitsluitend de emissiemetingenfase mogelijk te maken, is een afzonderlijke realisatietermijn van twee jaar ingevoerd voor dit nieuwe type innovatieproject en zijn de afwijzingsgronden hierop aangepast.

  • 3. Uurtarief voor subsidiabele kosten voor arbeid (artikel 2.2.3a)

    Voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van die arbeid inclusief de opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, in het vervolg uitgegaan van een in de innovatiemodule vastgesteld uurtarief van € 60.

  • 4. Vervallen van budgetflexbepaling (artikel 2.2.5, tweede tot en met zesde lid)

    Bij de eerste openstelling van de innovatiemodule was voor elk soort innovatieproject (per type veehouderijonderneming) een ander subsidieplafond vastgesteld, alsook in bepaalde gevallen per type veehouderijonderneming per type activiteit (investeringen of managementmaatregelen). Voor het geval deze subsidieplafonds niet geheel gebruikt zouden worden, waren bepalingen betreffende budgetverschuivingen in de innovatiemodule opgenomen. Deze bepalingen zijn komen te vervallen. Voor nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het artikelsgewijze deel van deze toelichting.

  • 5. Aanpassing van informatieverplichtingen (artikelen 2.2.8 en 2.2.9)

    Er zijn enkele informatieverplichtingen aangepast. Op deze wijze wordt verduidelijkt welke informatie van de subsidieaanvrager verwacht wordt. Daarnaast wordt in het vervolg bepaalde informatie niet meer opgevraagd. Verder wordt in het vervolg aangegeven welke informatie verstrekt moet worden in het geval het innovatieproject bestaat uit (1) alle drie de fases, zoals omschreven in paragraaf 4.1 van het algemene deel van deze toelichting, of (2) uitsluitend de emissiemetingen fase, zoals omschreven in onderdeel 2 van deze paragraaf.

  • 6. Combinatie van investeringen en managementmaatregelen

    (artikelen 2.2.2.10, 2.2.15 en 2.2.21)

    Bij de eerste openstelling van de innovatiemodule diende de subsidieaanvrager een keuze te maken of deze subsidie zou aanvragen voor een innovatieproject dat betrekking had op investeringen of een innovatieproject dat betrekking had op managementmaatregelen. In het vervolg zal echter ook subsidie verstrekt worden voor een combinatie van investeringen en managementmaatregelen.

  • 7. Het niet meer subsidiëren van haalbaarheidsstudies (artikelen 2.2.10, 2.2.11 en 2.2.12)

    Op grond van de innovatiemodule dienen in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase bepaalde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten uitgevoerd te worden. Bij de eerste openstelling van de innovatiemodule ging het hierbij om onderzoek en ontwikkeling in de vorm van experimentele ontwikkeling, industrieel onderzoek of haalbaarheidsstudies. In het vervolg komen haalbaarheidsstudies echter niet meer voor subsidie in aanmerking. Voor nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het artikelsgewijze deel van deze toelichting. Omdat haalbaarheidsstudies niet meer voor subsidie in aanmerking komen zijn bepalingen betreffende de subsidiegrondslag, subsidiepercentages en subsidiabele kosten aangepast.

  • 8. Aanpassing van de subsidiepercentages voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (artikel 2.2.11)

    Het (basis)subsidiepercentage voor industrieel onderzoek, dat 50% van de subsidiabele kosten bedroeg, is aangepast, zodat in het vervolg zowel voor industrieel onderzoek als voor experimentele ontwikkeling een percentage van 25% geldt. Dit subsidiepercentage is exclusief eventuele ophogingen, waarvoor ook een verduidelijking in de innovatiemodule is aangebracht.

Voor de achtergrond van voormelde aanpassingen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

4.3. Diercategorieën

Voor de Sbv - en dus zowel de innovatiemodule als de investeringsmodule - wordt per openstelling bezien voor welke diercategorieën die openstelling geldt. De subsidieplafonds zullen op basis hiervan worden vastgesteld.

Voor de innovatiemodule betekende dit dat de eerste openstelling in 2020 alleen gericht was op de varkens-, melkgeiten-, melkvee- en vleeskalverhouderij. De reden hiervoor was dat voor deze sectoren al referentiewaardes beschikbaar waren voor broeikasgas- en stalemissies. In paragraaf 2 van bijlage 2.2.1 van de RNES zijn de reductiepercentages weergegeven, die minimaal per dierlijke sector of onderliggende diercategorie bereikt moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van de innovatiemodule (zie ook artikel 2.2.6, onderdeel a, onder 2°, RNES). Indien deze minimale reductiepercentages behaald kunnen worden en de subsidieaanvraag niet om andere redenen afgewezen hoeft te worden, zal de rangschikking van de subsidieaanvragen mede plaatsvinden op basis van de hoogte van de reductiepercentages waarvoor streefwaarden zijn opgenomen in de tabel van paragraaf 3 van bijlage 2.2.1 bij de RNES (zie ook artikel 2.2.7, eerste lid, onderdeel a, RNES). De reductiepercentages die door investeringen in stalsystemen moeten worden behaald, worden gemeten ten opzichte van zogenaamde referentiewaarden per soort emissie per dierlijke sector of onderliggende diercategorie vanuit stalsystemen. Deze referentiewaarden zijn opgenomen in paragraaf 4 van bijlage 2.2.1 bij de RNES.

Omdat op dit moment ook voor een deel van de pluimveesector de benodigde referentiewaarden bekend zijn, zijn hiervoor diercategorieën aan de innovatiemodule toegevoegd. Met onderhavige wijzigingsregeling zijn ook leghennenhouderijondernemingen, vleeskuikenhouderijondernemingen en vleeskuikenouderdierhouderijondernemingen toegevoegd aan de innovatiemodule. Voor de in deze pluimveehouderijondernemingen gehouden diercategorieën zijn referentiewaarden en reductiepercentages beschikbaar voor methaan, ammoniak, fijnstof en geur op grondhuisvesting. Pluimveehouders met volièrestallen vallen hier buiten, omdat hiervoor geen betrouwbare emissiecijfers als referentie beschikbaar zijn. De referentiewaarden zijn opgenomen in bijlage 2.2.1 van de RNES en worden gebruikt om bij de beoordeling van de subsidieaanvraag het reductiepercentage te bepalen, dat relevant is voor de toepassing van de afwijzingsronden en de rangschikkingscriteria.

Voor de emissie van lachgas is nog geen referentiewaarde beschikbaar. Nadat voor een innovatieproject voor het meten van methaan, ammoniak, fijnstof en /of geur subsidie verleend is, zal door RVO.nl (namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)) contact gezocht worden met de subsidieaanvrager om te bezien of de emissie van lachgas aanvullend kan worden gemeten door een onderzoeksorganisatie. Deze meting zal door LNV gefinancierd worden. De uitkomst van de meting van lachgas (zowel positief als negatief) zal geen invloed hebben op de vaststelling van de subsidie (naar aanleiding van de resultaten van het innovatieproject) van de desbetreffende pluimveehouderijonderneming. De resultaten van het innovatieproject kunnen wel van invloed zijn bij het ‘doorstromen’ van onderzochte (aanvankelijk niet-bewezen) investeringen naar de investeringsmodule. De investering zal niet als bewezen investering in de investeringsmodule worden opgenomen als blijkt dat er negatieve effecten zijn dan wel onvoldoende resultaat bereikt wordt ten aanzien van de reductie van de emissie van zowel methaan, ammoniak, fijnstof en geur als ten aanzien van de emissie van lachgas.

5. Afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria Sbv

Om te bepalen of een aanvrager voor een innovatieproject subsidie krijgt, wordt gebruik gemaakt van afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria. Afwijzingsgronden zien op voorwaarden waar elke projectaanvraag aan dient te voldoen. Indien een project niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt de aanvraag afgewezen. De overige aanvragen worden gerangschikt op basis van zogenoemde rangschikkingscriteria. De rangschikking is bepalend voor de volgorde waarin de aanvragen subsidie krijgen. Hoe hoger een aanvraag gerangschikt wordt, hoe groter de kans dat hieraan subsidie kan worden gegeven. De afwijzingsronden en rangschikkingscriteria voor de innovatiemodule zijn toegelicht in hoofdstuk 5 van de toelichting bij de invoeringsregeling. Voor de toegevoegde innovatieprojecten betreffende pluimvee gaan dezelfde afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria gelden als voor andere sectoren. Voor innovatieprojecten waarvoor alleen voor de emissiemetingenfase een subsidieaanvraag wordt ingediend, is de afwijzingsgrond die is opgenomen in artikel 2.2.6, onderdeel d, RNES niet van toepassing. Dit onderdeel bepaalt dat een subsidieaanvraag wordt afgewezen indien de afwijzingsgronden voor de resterende productieve levensduurfase, genoemd in artikel 2.2.24 zich voordeden. Dit onderdeel is zodanig aangepast dat deze afwijzingsgrond uitsluitend van toepassing is op (subsidiabele) innovatieprojecten die alle drie de fases, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel a, betreffen.

De overige afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria zijn onverkort van toepassing op innovatieprojecten waarbij alleen voor de emissiemetingenfase subsidie wordt aangevraagd. Bij de beoordeling zullen namelijk ook bij deze projecten alle drie de fasen bekeken worden om te bezien of deze aan de doelstellingen van de subsidiemodule voldoen.

6. Subsidiebedrag

In de toelichting bij de invoeringsregeling is aan de hand van een voorbeeld toegelicht op welke manier de subsidiabele kosten voor de innovatiemodule per fase worden berekend, uitgaande van een (af te schrijven) investering. Het ging hierbij om een fictief voorbeeld. Omdat met deze wijzigingsregeling de steunintensiteit voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase is aangepast, wordt aan de hand van een nieuw voorbeeld de berekening van de subsidiabele kosten toegelicht.

In het voorbeeld wordt uitgegaan van een innovatieproject met betrekking tot een investering van € 1.000.000. Het investeringsbedrag in het voorbeeld heeft betrekking op investeringen met een lange afschrijvingstermijn, zoals de aanschaf van technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting. In fase 1 komen overigens ook andere kosten in aanmerking voor subsidie,

6.1 Fase 1 - Onderzoeks- en ontwikkelingsfase

In onderstaande tabel is een voorbeeld opgenomen waarbij een investeringsbedrag van € 1.000.000 in twintig jaar volledig wordt afgeschreven. Dit betreft lineaire afschrijving. De projectduur (fase 1 + fase 2) is maximaal vijf jaar. De investering wordt aan het begin van het project gedaan. Hierbij komen de afschrijvingskosten in dit voorbeeld gedurende de projectduur op € 250.000 (vijf jaar afschrijvingskosten van € 50.000 per jaar). Dit zijn de subsidiabele kosten voor deze investering in fase 1. In fase 1 kunnen ook andere kosten worden gesubsidieerd, zoals de kosten voor het inhuren van onderzoekers of technici en kosten van materialen, maar deze worden niet afgeschreven en zijn daarom niet meegenomen in dit voorbeeld.

TABEL

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag bij investering van € 1.000.000

Voorbeeld 1

Fase 1 - Onderzoeks- en ontwikkelingsfase

 

Subsidiepercentage indien: experimentele ontwikkeling (25%), kleine onderneming (+20%) en kennisverspreiding (+15%)

60%

Afschrijvingsmethode

Lineair

Aanschafkosten/ investeringsbedrag

€ 1.000.000,00

Restwaarde

€ –

Afschrijfbare bedrag (aanschaf/rest)

€ 1.000.000,00

Economische levensduur (jr)

20

Afschrijvingskosten per jaar

€ 50.000,00

Projectduur (jr)

5

Subsidiabele kosten fase 1 (kosten die voor subsidie in aanmerking komen)

€ 250.000,00

De basis-steunintensiteit (subsidiepercentage) is voor zowel industrieel onderzoek als experimentele ontwikkeling 25%. Dit percentage kan om verschillende redenen worden opgehoogd:

  • 1. Type onderneming (+ 10 of 20%):

    • a. Middelgrote ondernemingen: + 10%;

    • b. Kleine ondernemingen: + 20%;

  • 2. Daadwerkelijke samenwerking of verspreiding van de projectresultaten (+ 15%);

Deze verhoging van 15% vindt plaats indien er sprake is van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en:

  • a. Het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of

  • b. De projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories of gratis of opensource-software.

Het maximale subsidiabele bedrag per veehouderijlocatie is € 750.000 voor zover het project betrekking heeft op bestaande stalsystemen en € 1.000.000 voor zover het project betrekking heeft op nieuwe stalsystemen.

6.2 Fase 2 - Emissiemetingenfase

Het subsidiepercentage voor de emissiemetingenfase is 100%, met een maximum van € 200.000 per veehouderijlocatie. Dit subsidiebedrag wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding binnen het samenwerkingsverband toegekend. Wanneer de kosten hoger zijn dan € 200.000 per veehouderijlocatie, worden deze meerkosten niet gesubsidieerd.

6.3 Fase 3 - Resterende levensduurfase

Het basis-subsidiepercentage voor deze fase is in beginsel gelijk aan het percentage dat in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase voor de betreffende aanvraag is gehanteerd. Daarbij geldt wel dat binnen het percentage gebleven moet worden dat op grond van het betreffende Europese steunkader van toepassing is. Het maximale subsidiepercentage op grond hiervan is 40% van de subsidiabele kosten. Indien bij de investering het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden, of het dierenwelzijn verbeterd worden en de productiecapaciteit niet wordt verhoogd, kan het subsidiepercentage van 40% met 20 procentpunten worden opgehoogd tot 60%. Daarnaast kan voor jonge landbouwers het subsidiepercentage met nogmaals 20 procentpunten worden opgehoogd tot in totaal 80%.

Omdat het subsidiepercentage bij fase 3 nooit meer mag zijn dan het toegekende subsidiepercentage in fase 1, kan niet de genoemde 80% worden toegekend. Het maximum voor fase 1 is immers 60%. Indien bijvoorbeeld in fase 1 een subsidiepercentage van 50% is toegekend, mag het subsidiepercentage in fase 3 niet meer dan 50% zijn.

TABEL

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag bij investering van € 1.000.000

Voorbeeld 1

Fase 3 - Resterende productieve levensduurfase

Afschrijvingsmethode

Lineair

Aanschafkosten/ investeringsbedrag

€ 1.000.000,00

Restwaarde

€ –

Afschrijfbare bedrag (aanschaf/rest)

€ 1.000.000,00

Economische levensduur (jr)

20

Afschrijvingskosten per jaar

€ 50.000,00

Resterende productieve levensduur (jr)

15

Subsidiabele kosten fase 3

€ 750.000,00

6.4 Voorbeeldberekening

Om een beeld te geven van de verschillende subsidiepercentages en het effect daarvan op het subsidiebedrag is een voorbeeldberekening gemaakt. In het voorbeeld is gekozen voor het type onderzoek: experimentele ontwikkeling.

Voor experimentele ontwikkeling in fase 1 is het basis subsidiepercentage 25%. In dit voorbeeld is ervan uitgegaan dat een kleine onderneming de subsidieaanvraag indient (+ 20%) en de projectresultaten ruim verspreid worden via conferenties en publicaties (+ 15%). Hierbij komt het subsidiepercentage voor fase 1 op 60%. Dit subsidiepercentage wordt vervolgens toegepast op de subsidiabele kosten. De subsidiabele kosten zijn € 250.000, omdat in dit voorbeeld alleen de afschrijvingskosten gedurende de looptijd van het project worden gesubsidieerd. Overige kosten zijn niet opgenomen in het voorbeeld. Door de subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met 60% komt het subsidiebedrag in dit voorbeeld uit op € 150.000.

TABEL

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag bij investering van € 1.000.000

Voorbeeld 2

Fase 1 - Onderzoeks- en ontwikkelingsfase

 

Subsidiepercentage indien: experimenteel onderzoek (25%), kleine onderneming (20%) en kennisverspreiding (10%)

55%

Afschrijvingsmethode

Lineair

Aanschafkosten / investeringsbedrag

€ 1.000.000,00

Restwaarde

€ –

Afschrijfbare bedrag (aanschaf/rest)

€ 1.000.000,00

Economische levensduur (jr)

20

Afschrijvingskosten per jaar

€ 50.000,00

Projectduur (jr)

5

Subsidiabele kosten fase 1 (kosten die voor subsidie in aanmerking komen)

€ 250.000,00

Subsidiebedrag fase 1

€ 150.000,00

Vervolgens wordt één locatie van deze veehouderijonderneming doorgemeten in fase 2. De maximale subsidiabele kosten voor fase 2 zijn € 200.000 per veehouderijlocatie. Deze worden verstrekt aan de onderzoeksorganisatie die het effect meet dat de investeringen hebben op de broeikasgas- en stalemissies. In het geval de meetkosten voor de locatie in dit voorbeeld € 150.000 zijn, ontvangt de onderzoeksorganisatie die de metingen uitvoert in totaal € 150.000 subsidie.

In fase 3 wordt de resterende productieve levensduur van de innovatie gesubsidieerd, aangezien duidelijk is geworden dat een aanzienlijke reductie ten opzichte van de referentiestal wordt behaald. In totaal zou deze veehouderijonderneming voor fase 3 in aanmerking komen voor 80% subsidie. Het standaard subsidiepercentage is 40%. De veehouder is een jonge landbouwer. Daarnaast draagt de innovatie bij aan verbeteringen van het natuurlijke milieu en het dierenwelzijn. De onderneming heeft geen verhoging van de productiecapaciteit.

Aangezien het subsidiepercentage in fase 3 niet hoger kan zijn dan voor fase 1, wordt het percentage voor fase 3 verlaagd van 80% naar 60%. De resterende productieve levensduur is in dit voorbeeld 15 jaar, waarbij de subsidiabele kosten € 750.000 zijn. Het subsidiebedrag zou daarmee uitkomen op 60% van € 750.000 is € 450.000. Echter komen deze kosten boven de maximaal toegestane subsidie per veehouderijlocatie van € 350.000 voor fase 3 uit. Om deze reden wordt voor fase 3 € 350.000 subsidie toegekend in plaats van € 450.000.

TABEL

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag bij investering van € 1.000.000

Voorbeeld 2

Fase 3 - Resterende productieve levensduurfase

 

Afschrijvingsmethode

Lineair

Aanschafkosten / investeringsbedrag

€ 1.000.000,00

Restwaarde

€ –

Afschrijfbare bedrag (aanschaf/rest)

€ 1.000.000,00

economische levensduur (jr)

20

afschrijvingskosten per jaar

€ 50.000,00

resterende productieve levensduur (jr)

15

subsidiabele kosten fase 3

€ 750.000,00

Subsidiepercentage fase 1: 55%

 

Subsidiepercentage Fase 3 jonger landbouwer, indien productiecapaciteit niet toe is genomen door de investering: 40% + 20% + 20% = 80%.

 

Subsidiepercentage Fase 3 is maximaal het percentage voor fase 1 = 60%.

60%

Subsidiebedrag fase 3, geen rekening gehouden met maximum subsidiabele kosten fase 3

€ 450.000,00

Maximale subsidiabele kosten fase 3 per veehouderijlocatie

€ 350.000,00

Subsidiebedrag fase 3

€ 350.000,00

In totaal wordt aan de veehouderijonderneming een subsidiebedrag van € 500.000 toegekend. Dit is 50% van de totale kosten die zijn gemaakt voor een investering, zoals de aanschaf van technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting.

TABEL

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag bij investering van € 1.000.000

Voorbeeld

Subsidiebedrag fase 1

€ 150.000,00

Subsidiebedrag fase 3

€ 350.000,00

Totaal subsidiebedrag fase 1 + 3

€ 500.000,00

Subsidiepercentage fase 1 en 3 t.o.v. totaal investeringsbedrag

50%

7. Staatssteun

De innovatiemodule (paragraaf 2.2.2 RNES) richt zich op innovatieprojecten waarbij concepten ontwikkeld en getest worden. De subsidie die op grond van deze subsidiemodule verstrekt wordt, is staatsteun die gerechtvaardigd wordt door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase), artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (voor de emissiemetingenfase) en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (voor de resterende productieve levensduurfase). Om deze combinatie van subsidies voor verschillende fases van het innovatieproject (en daarmee de combinatie van verschillende artikelen uit de groepsvrijstellingsverordeningen) vorm te geven is de innovatiemodule onderverdeeld in verschillende paragrafen. Voor de achtergrond hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van het algemeen deel van de toelichting bij de invoeringsregeling.

Fase 3 van de innovatiemodule wordt gerechtvaardigd door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Het tiende lid van dit artikel bepaalt dat de steun niet mag worden beperkt tot specifieke landbouwproducten en dat de steun dus ter beschikking moet worden gesteld aan alle sectoren van de primaire landbouwproductie, van de hele sector plantaardige productie of van de hele sector dierlijke productie. Met de gefaseerde invoering van de voormelde subsidiemodule voor de hele sector dierlijke productie wordt invulling gegeven aan deze bepaling. Met onderhavige wijzigingsregeling wordt invulling gegeven aan deze gefaseerde aanpak door in het vervolg ook subsidieverlening aan vleeskuiken-, leghennen- en vleeskuikenouderdierhouderijondernemingen mogelijk te maken.

De voor de innovatiemodule toepasselijke maximale steunpercentages zijn opgenomen in voormelde artikelen van de algemene groepsvrijstellingsverordening en de groepsvrijstellingsverordening landbouw. De gestelde eisen in titel 2.2 van de RNES, alsook de algemene eisen uit het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies zorgen ervoor dat de subsidie verleend wordt in overeenstemming met de eisen uit voormelde artikelen uit de algemene groepsvrijstellingsverordening en de groepsvrijstellingsverordening landbouw en dat wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot transparantie, stimulerend effect en cumulatie. Ook blijft de subsidiemodule binnen de daarvoor geldende drempels voor aanmelding van de steun en maximum steunintensiteiten. In de innovatiemodule wordt verwezen naar de relevante basis in de algemene groepsvrijstellingsverordening of de groepsvrijstellingsverordening landbouw. De onderhavige uitbreiding van de innovatiemodule, alsook de overige (technische) aanpassingen hebben geen gevolgen voor de staatssteunaspecten, omdat binnen de grenzen van de toepasselijke staatssteunkaders gebleven wordt.

Van de publicatie van voormelde aanpassing en de hernieuwde openstelling van deze subsidiemodule zal een kennisgeving aan de Europese Commissie worden gedaan, conform artikel 11, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 9, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Indien een subsidie die op grond van de innovatiemodule wordt verleend, staatssteun bevat die door de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, maakt de minister op grond van artikel 1.8 van de RNES binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:

  • a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en

  • b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 500.000.

Indien een subsidie die op grond van deze subsidiemodule wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening landbouw wordt gerechtvaardigd, maakt de minister op grond van artikel 1.8 van de RNES binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:

  • a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, en

  • b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:

    • 1°. € 60.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of

    • 2°. € 500.000 voor begunstigden die actief zijn in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector, of die activiteiten uitoefenen die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen.

Hierbij gaat het om onder andere de volgende gegevens indien de individuele steun meer bedraagt dan €500.000: naam van de begunstigde, soort onderneming, steunelement (uitgedrukt in hele bedragen), steuninstrument, datum van toekenning, doel van de steun en de steun verlenende autoriteit.

8. Regeldruk

8.1 Ophoging subsidieplafond en technische aanpassingen in de innovatiemodule

Deze wijzigingsregeling bevat een aantal beperkte aanpassingen. Deze aanpassingen leiden niet tot een toename (en in bepaalde gevallen zelfs tot een afname) van informatieverplichtingen en hebben (naar verwachting) ook geen gevolgen voor het aantal aanvragen, doordat de doelgroep met deze wijzigingen gelijk blijft.

De aanpassingen hebben onder andere betrekking op de ophoging van subsidieplafonds van de eerdere eerste openstelling van de innovatiemodule. Hierbij zal geen aanzuigende werking plaatsvinden omdat de openstellingsperiode reeds is afgelopen. De ophoging zal naar verwachting slechts leiden tot een groter aantal toewijzingen van aanvragen die al ingediend zijn. Voor de varkenssector wordt verwacht dat vijf extra aanvragen gehonoreerd kunnen worden, voor de melkveesector één extra aanvraag en voor de vleeskalverensector vier extra aanvragen. Door de toekenning van deze extra aanvragen kunnen tien extra aanvragers gebruik gaan maken van de innovatiemodule. Op deze extra gebruikers worden ook de standaard (voortgangs)rapportageverplichtingen en de informatieverplichtingen in verband met het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling van toepassing. De administratieve lasten voor een individuele subsidieontvanger van de innovatiemodule zullen gelijk blijven.

Daarnaast hebben de aanpassingen betrekking op de volgende punten, echter zijn deze uitsluitend te beschouwen als verduidelijkingen en vereenvoudigingen ten behoeve van de gebruikers van de innovatiemodule:

  • de toevoeging van een uurtarief voor subsidiabele kosten voor arbeid

  • het laten vervallen van de zogenaamde budgetflexbepaling (bepaling voor verschuiving van budgetten tussen subsidieplafonds)

  • het verduidelijken en vervallen van informatieverplichtingen.

8.2 Aanpassing van de reikwijdte van de innovatiemodule

Er heeft een aantal inhoudelijke aanpassingen van de innovatiemodule plaatsgevonden. Deze hebben geen effect op de informatieverplichtingen. Voor elk type veehouderijonderneming zijn de informatieverplichtingen gelijk. Ook wordt bij subsidiëring van een innovatieproject dezelfde informatie verwacht, los van het feit of voor alle drie de fases of alleen voor de emissiemetingenfase van een innovatieproject subsidie wordt aangevraagd. Vanzelfsprekend gelden in het geval alleen voor de emissiemetingenfase subsidie verleend wordt bij de subsidievaststelling minder uitgebreide informatieverplichtingen dan in het geval de subsidieverlening op alle drie de fases betrekking heeft.

De beperking van de innovatiemodule aan de ene kant en uitbreiding aan de andere kant zou kunnen leiden tot een groter aantal subsidieaanvragen. Deze geplande toename is echter al bij de berekening van de administratieve lasten van de invoeringsregeling meegenomen. Hierbij is namelijk al gekeken naar hoeveel aanvragen van veehouderijondernemingen uit alle veehouderijsectoren gedurende de totale looptijd van de Sbv verwacht werden. De voormelde uitbreiding is dus de facto al meegenomen bij het bepalen van de administratieve lasten in de invoeringsregeling en heeft dan ook geen effect op het daarbij gehanteerde aantal verwachte aanvragen.

De eerste inhoudelijke aanpassing van de regeling is het beperken van de reikwijdte. De subsidiepercentages voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling zijn gelijkgetrokken. Ook wordt er geen subsidie meer verleend voor haalbaarheidsstudies, omdat subsidiëring hiervan in de praktijk niet tot nauwelijks voor kwam. Deze aanpassingen leiden tot een lichte afname van de informatieverplichtingen, omdat voor de vervallen elementen geen informatie meer nodig is.

Ten tweede is de innovatiemodule als volgt uitgebreid. In het vervolg wordt ook subsidie verleend voor innovatieprojecten die uitgevoerd worden ten behoeve van een leghennenhouderij-, vleeskuikenhouderij- en vleeskuikenouderdierhouderijonderneming. Ook is het in het vervolg mogelijk om uitsluitend subsidie aan te vragen voor de emissiemetingenfase; dit naast de mogelijkheid die er al was om voor alle drie de fases van een innovatieproject subsidie aan te vragen. Tot slot zal in het vervolg ook subsidie verstrekt worden voor een combinatie van investeringen en managementmaatregelen, in plaats van alleen voor investeringen of managementmaatregelen afzonderlijk. Dit geldt zowel voor de eerste als voor de derde fase van een innovatieproject.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A (artikel 2.2.1)

In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die van belang zijn voor beide subsidiemodules. Zo wordt omschreven wat onder een veehouderijonderneming wordt verstaan en worden voor zover relevant ook de verschillende type veehouderijondernemingen omschreven. Deze ondernemingen zijn in ieder geval te beschouwen als landbouwondernemingen die de typen activiteiten uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 2.2.1. De definitie landbouwonderneming staat beschreven in artikel 1.1 van de RNES. Omdat in het vervolg ook subsidie verstrekt wordt aan leghennenhouderijondernemingen, vleeskuikenhouderijondernemingen en vleeskuikenouderdierhouderijondernemingen is hiervoor ook een begripsbepaling ingevoegd.

Daarnaast wordt in de begripsbepalingen een koppeling gemaakt met de activiteiten waarvoor op grond van de onderhavige subsidiemodules subsidie verleend kan worden. Het gaat hierbij om subsidiabele activiteiten op een veehouderijlocatie (een vestiging van een veehouderijonderneming) die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming. De subsidieontvanger(s) dienen onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten uit (te laten) voeren die betrekking hebben op (1) ofwel investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting of (2) managementmaatregelen. Omdat het in de praktijk niet altijd duidelijk bleek te zijn wat onder een managementmaatregel verstaan werd, is hiervoor een definitie ingevoegd in artikel 2.2.1. Managementmaatregelen zijn maatregelen die worden uitgevoerd aan de hand van vooraf in een protocol neergelegde relevante parameters. Bij managementmaatregelen kan gedacht worden aan het gebruik van andere fokkerijmethoden, ander veevoer of additieven in veevoer of in mest, waarbij het handelen van de veehouder centraal staat. Wanneer het handelen van de veehouder niet centraal staat, omdat het proces volledig geautomatiseerd is, dan valt dit onder investeringen in technieken. Het toevoegen van een additief in veevoer kan daarom zowel een managementmaatregel zijn als een techniek. De uitvoering van managementmaatregelen dient dus op structurele basis plaats te vinden door een veehouderijonderneming aan de hand van het voormelde vooraf opgestelde protocol, waarin zich relevante parameters bevinden. Daarbij dienen de resultaten bijgehouden te worden in een logboek. Tot slot dient reductie van broeikasgasemissies of stalemissies te worden geborgd en te worden aangetoond via de methode van directe emissiemonitoring of een vergelijkbare registratiemethode. Bij directe emissiemonitoring kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruiken van realtime sensoren, waardoor inzicht wordt verkregen in de emissie.

Onderdeel B (artikel 2.2.2)

Op grond van dit ‘basisartikel’ wordt subsidie verstrekt voor innovatieprojecten die gericht zijn op brongerichte verduurzaming op een veehouderijlocatie. Deze innovatieprojecten dienen te leiden tot onderzoek en ontwikkeling naar investeringen of managementmaatregelen die bijdragen aan brongerichte verduurzaming op een veehouderijlocatie van een veehouderijonderneming. Zoals in de paragrafen 4.1 en 4.2 van de algemene toelichting van de invoeringsregeling (van de innovatiemodule) reeds uiteen is gezet, is er voor deze subsidiemodule voorzien in budget uit enerzijds het Hoofdlijnenakkoord en anderzijds het Klimaatakkoord. Om dit onderscheid ook in de uitvoering te kunnen maken en te borgen dat deze middelen juist worden besteed, is er een onderscheid gemaakt tussen innovatieprojecten betreffende veehouderijlocaties van varkenshouderijondernemingen, melkgeitenhouderijondernemingen, melkveehouderijondernemingen en vleeskalverhouderijondernemingen. In het vervolg zal echter ook subsidie verleend gaan worden voor innovatieprojecten die uitgevoerd worden ten behoeve van leghennenhouderijondernemingen, vleeskuikenhouderijondernemingen en vleeskuikenouderdierhouderijondernemingen. Om die reden zijn ook deze typen projecten toegevoegd aan artikel 2.2.2, eerste lid.

In het tweede lid van artikel 2.2.2 wordt ingegaan op de drie fases waaruit een innovatieproject bij de eerste openstelling van de innovatiemodule bestond, te weten: (1) de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, bedoeld in artikel 2.2.10, (2) de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.15 en (3) de resterende productieve levensduurfase, bedoeld in artikel 2.2.21. Voor de beschrijving van de inhoud van deze drie fases wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van het algemene deel van deze toelichting.

Naast het aanvragen van subsidie voor de voormelde drie fases is het in het vervolg ook mogelijk om alleen voor de tweede fase (de emissiemetingenfase) subsidie aan te vragen. In dat geval hebben de subsidiabele activiteiten uitsluitend betrekking op: (1) het uitvoeren van emissiemetingen naar de daadwerkelijke emissiereductie van investeringen en/of managementmaatregelen die door een samenwerkingsverband onderzocht en uitgevoerd zijn en (2) waarvoor geen subsidie is aangevraagd of verstrekt op grond van de innovatiemodule. Deze subsidie wordt dan ook verstrekt aan de onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties binnen het samenwerkingsverband voor het meten van het effect op de broeikasgasemissies en stalemissies op een veehouderijlocatie van in de niet-gesubsidieerde onderzoeks- en ontwikkelingsfase gebruikte investeringen en/of managementmaatregelen die op grond van de innovatiemodule voor subsidie in aanmerking hadden kunnen komen.

Tot slot is het derde lid van artikel 2.2.2 aangepast en een vierde lid aan artikel 2.2.2 toegevoegd. In het derde lid werd gewaarborgd dat innovatieprojecten ten behoeve van een veehouderijonderneming plaatsvinden. Ten minste één veehouderijonderneming moet namelijk een potentiële eindgebruiker van de te subsidiëren investeringen en /of de managementmaatregelen (lees: de onderzochte en ontwikkelde innovaties) zijn. Deze bepaling is met name van belang, omdat het doel uiteindelijk is dat een veehouderijonderneming de investering en /of managementmaatregel na afronding van de eerste twee fases gaat gebruiken en tijdens alle drie de fases van het innovatieproject betrokken is.

De betrokkenheid van de veehouderijonderneming is ook gewenst in de situatie dat uitsluitend voor de emissiemetingenfase subsidie wordt aangevraagd. Een veehouderijonderneming in het samenwerkingsverband dient in dat geval een potentiële eindgebruiker te zijn van de bij de emissiemeting te gebruiken niet-gesubsidieerde investeringen en/of managementmaatregelen die op grond van de innovatiemodule voor subsidie in aanmerking hadden kunnen komen. Om dit te waarborgen is het derde lid aangepast en is er een vierde lid toegevoegd aan artikel 2.2.2.

Onderdeel C (artikel 2.2.3a)

In de innovatiemodule is een artikel 2.2.3a ingevoegd. Dit artikel bevat een vast uurtarief van € 60 dat gehanteerd moet worden bij de bepaling van de hoogte van de subsidiabele kosten die voor arbeid gemaakt worden. Indien de subsidieaanvrager kiest voor de vaste-uurtarief-systematiek, worden de subsidiabele kosten op grond van artikel 14 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies berekend door het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met het voormelde vaste uurtarief van € 60 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen, vermeerderd met (a) de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn en (b) de aan derden betaalde kosten. Van belang is wel dat bij het gebruik van dit uurtarief gebleven moet worden binnen de begrenzing van de subsidiabele kosten in het toepasselijke staatssteunkader, bedoeld in de artikelen 2.2.12 en 2.2.17 van de innovatiemodule.

Het voormelde vaste uurtarief is van belang, omdat uit de praktijk is gebleken dat door diverse subsidieaanvragers verschillende tarieven voor de subsidiabele kosten voor voormelde arbeid werden gebruikt. Omdat (vanwege de eenheid en duidelijkheid) het gewenst is om alle subsidieaanvragers op gelijke wijze te behandelen, is ervoor gekozen in het vervolg voor arbeid een vast uurtarief van € 60 te hanteren.

Onderdeel D (artikel 2.2.4)

In dit artikel zijn het tweede tot en met zesde lid komen te vervallen. In deze artikelleden was een zogenaamde budgetflexbepaling voor de innovatiemodule opgenomen om budgetverschuivingen van het zogenaamde klimaatbudget tussen verschillende subsidieplafonds mogelijk te maken. Voor de achtergrond bij het klimaatbudget wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van het algemene deel van deze toelichting.

Van belang is dat het klimaatbudget voor alle veehouderijsectoren wordt ingezet. Voorafgaand aan de eerste openstelling van de innovatiemodule was de verwachting dat bepaalde sectoren meer en bepaalde sectoren minder budget zouden gebruiken. Ditzelfde gold voor de verschillende te subsidiëren activiteiten. Tegen deze achtergrond was voor elk soort innovatieproject (per type veehouderijonderneming) een ander subsidieplafond vastgesteld. Ook was in bepaalde gevallen per type veehouderijonderneming per type activiteit (investeringen of managementmaatregelen) een ander subsidieplafond vastgesteld. Voor het geval deze subsidieplafonds niet geheel gebruikt zouden worden, waren er bepalingen betreffende budgetverschuivingen in de innovatiemodule opgenomen waarbij het voor het ene soort innovatieproject dan wel het ene soort activiteit aanvankelijk overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor de andere soort innovatieproject respectievelijk de andere soort activiteit werd toegevoegd. Bij het opstellen van deze bepalingen is ook rekening gehouden met de verwachte vraag van de gebruikers van de innovatiemodule.

De bepalingen betreffende deze budgetverschuivingen zijn komen te vervallen, omdat deze budgetflexbepaling te beperkend werkte voor sectoren waar onverwacht een lage dan wel hogere vraag bleek te zijn naar subsidieverstrekking onder de innovatiemodule. Door het vervallen van voormelde budgetflexbepaling kan het klimaatbudget in het vervolg dan ook meer flexibel ingezet worden voor de sectoren waar de grootste vraag naar de subsidie is.

Onderdeel E (artikel 2.2.5, tweede lid)

Dit artikel bepaalt dat met de uitvoering van het op grond van deze subsidiemodule gesubsidieerde innovatieproject moet worden gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat het desbetreffende project spoedig van start zal gaan.

De realisatietermijn was vastgesteld op vijf jaar. Dit betekende dat het project vijf jaar na de subsidieverlening gerealiseerd moest zijn. Het betrof hier uitsluitend projecten die uit drie fases bestonden. Omdat in het vervolg ook subsidie verleend wordt voor innovatieprojecten die uitsluitend betrekking hebben op de emissiemetingenfase is hiervoor een afwijkende realisatietermijn van twee jaar aan dit artikel toegevoegd. Indien uit het bij de subsidieaanvraag aangeleverde projectplan blijkt dat het project niet uiterlijk binnen de toepasselijke termijn (van vijf of twee jaar) gerealiseerd zou kunnen worden, wordt de subsidie afgewezen. De grondslag hiervoor bevindt zich in artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. Er is voor deze termijnen gekozen, omdat de verwachting is dat het project binnen deze realisatietermijnen kan worden afgerond.

Het moment waarop het innovatieproject is afgerond is voor beide typen projecten gelijk, maar de invulling van de vervolgacties verschilt op detailniveau. In de praktijk komt de afronding op het volgende neer:

  • Indien het project alle drie de fases betreft, is het project afgerond op het tijdstip waarop de subsidiabele activiteiten van de onderzoeks- en ontwikkelingsfase en emissiemetingenfase zijn afgerond. Het onderzoek ten behoeve van de investeringen en/of managementmaatregelen is dan immers voltooid. In de resterende productieve levensduurfase vinden geen subsidiabele activiteiten meer plaats, omdat de investeringen dan gebruiksklaar zijn ten behoeve van het gebruik bij de primaire landbouw productie. Daarom zijn voor deze fase alleen de afschrijvingskosten (na subsidievaststelling) subsidiabel.

  • Indien het project alleen de emissiemetingenfase betreft, is het project afgerond op het tijdstip waarop de subsidiabele activiteiten van de emissiemetingenfase zijn afgerond.

De subsidieontvanger moet op grond van artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies zijn aanvraag om subsidievaststelling uiterlijk indienen dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid.

Onderdeel F (artikel 2.2.6)

In dit artikel is opgenomen wanneer een aanvraag voor subsidie wordt afgewezen. Vanwege de toevoeging van nieuwe typen innovatieprojecten zijn deze afwijzingsgronden aangepast. Voor een toelichting op de aanpassing van deze afwijzingsgronden wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel G (artikel 2.2.8)

Het eerste en tweede lid van dit artikel maken duidelijk welke informatie in een subsidieaanvraag opgenomen moet worden. Het betreft hier de minimale informatie-vereisten over de subsidieaanvrager en het project die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Deze vereisten zijn in overeenstemming met de algemene groepsvrijstellingsverordening en de groepsvrijstellingsverordening landbouw en sluiten aan bij de wijze waarop andere (vergelijkbare) subsidiemodules in de RNES zijn vormgegeven. Voormelde artikelleden zijn op een wijze aangepast, zodat duidelijk is welke informatieverplichtingen van toepassing zijn indien (1) een innovatieproject alle drie de fases betreft of (2) het innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase betreft.

Verder bepalen het derde, vierde en vijfde lid van welke informatie de aanvraag vergezeld moet gaan. Ook deze leden zijn aangepast. Zo werd voor de eerste openstelling van de innovatiemodule bepaald dat er een projectomschrijving verschaft moest worden die in ieder geval een omschrijving bevatte van de reductie van de broeikasgasemissies of stalemissies die het project op een veehouderijlocatie beoogde te realiseren. Met deze gevraagde gegevens zou een goede inschatting gemaakt moeten kunnen worden of het project aan de doelstelling van deze subsidiemodule zou voldoen. De aangeleverde informatie bleek in de praktijk echter niet voldoende te zijn om deze inschatting te kunnen maken. Om die reden is voormelde bepaling aangepast, zodat in het vervolg duidelijk is dat de reductie van broeikasgasemissies of stalemissies ook onderbouwd moet worden (met cijfers, aanvullende documentatie plus toelichting).

Ook moest tijdens de eerste openstelling van de innovatiemodule een financieringsplan en een exploitatieberekening, inclusief de financiële parameters van het project, verschaft worden, zodat kosten goed onderscheiden konden worden. Omdat ook deze informatie niet adequaat bleek te zijn, zal in het vervolg een financieringsplan en begroting verschaft moeten worden met een onderbouwing die voldoet aan de aangescherpte eisen uit artikel 2.2.8.

Onderdeel H (artikel 2.2.9)

Voor de RNES zijn de verplichtingen inzake subsidievaststelling opgenomen in artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. Er is voor gekozen om deze verplichtingen in artikel 2.2.9 nader in te vullen. Dit artikel bevat een opsomming van informatie die opgenomen moet worden in het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend. Deze onderdelen dienen om na te kunnen gaan of de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk (in overeenstemming met de toepasselijke vereisten) hebben plaatsgevonden, alsook of de subsidiabele activiteiten tot het gewenste eindresultaat hebben geleid. Daarom wordt onder andere gevraagd om documenten die het bewijs vormen dat deze activiteiten zijn uitgevoerd en illustreren dat bepaalde betalingen zijn gedaan, alsook de aanschaf van bepaalde zaken en inhuur van derde(n) hebben plaatsgevonden.

Dit artikel is op een wijze aangepast, zodat duidelijk is welke informatieverplichtingen van toepassing zijn indien een innovatieproject alle drie de fases betreft en indien het innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase betreft. Zo moet een afschrift van de factuur en het betalingsbewijs voor investeringen worden verschaft, indien een innovatieproject alle drie de fases betreft. Aan deze voorwaarde, die ook al bij de eerste openstelling van de innovatiemodule van toepassing was, is toegevoegd dat deze informatie alleen verschaft hoeft te worden in het geval dat de verleende subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager bedraagt. De reden hiervoor is dat wanneer de verleende subsidie ten minste € 125.000 bedraagt, er een controleverklaring van een accountant ingediend moet worden.

Onderdeel I (artikel 2.2.10)

Dit artikel bepaalt voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase aan welke partijen en voor welke activiteiten de subsidie wordt verstrekt. Zo dienen de subsidieontvanger(s) onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten uit te (laten) voeren. Bij de eerste openstelling van de innovatiemodule ging het hierbij om onderzoek en ontwikkeling in de vorm van experimentele ontwikkeling, industrieel onderzoek of haalbaarheidsstudies. In het vervolg komen haalbaarheidsstudies echter niet meer voor subsidie in aanmerking. Het is de bedoeling dat haalbaarheidsstudies al verricht zijn voordat een projectplan wordt ingediend. Vanwege het stimulerend effect dat het toepasselijke staatsteunkader, als ook artikel 22, onderdeel c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies, vereist, worden activiteiten die voorafgaand aan het aanvragen van de subsidie hebben plaatsgevonden, niet gesubsidieerd. De onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten bestaan in het vervolg dus uitsluitend uit industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling.

Verder dienen de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten betrekking te hebben op ofwel investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting, ofwel managementmaatregelen die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen. Bij de eerste openstelling van de innovatiemodule diende de subsidieaanvrager een keuze te maken of deze subsidie zou aanvragen voor een innovatieproject dat betrekking had op investeringen of een innovatieproject dat betrekking had op managementmaatregelen. Artikel 2.2.10 is op een wijze aangepast dat in het vervolg ook subsidie verstrekt wordt voor een combinatie van investeringen en managementmaatregelen. De reden hiervoor is dat het gebruik van een combinatie van investeringen en managementmaatregelen nog tot een grotere reductie van broeikasgasemissies en stalemissies zou kunnen leiden.

Onderdeel J (artikel 2.2.11)

In dit artikel is voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase aangegeven welke steunintensiteiten en maximum subsidiebedragen voor de subsidiabele kosten gehanteerd worden.

Het eerste, tweede en derde lid geven aan welke percentages aan steunintensiteit vallen binnen de marges van het toepasselijke Europese steunkader (artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening).

Op grond van het eerste lid bedroeg de subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten voor de eerste openstelling van de innovatiemodule: (a) 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hadden op industrieel onderzoek en (b) 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hadden op experimentele ontwikkeling. Dit onderscheid in subsidiepercentages bleek in de praktijk echter minder van belang, omdat innovatieprojecten overwegend betrekking hadden op experimentele ontwikkeling en slechts in uitzonderlijke gevallen op (een klein gedeelte) industrieel onderzoek. Daarbij blijkt het hanteren van verschillende subsidiepercentages voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling boekhoudkundig niet goed mogelijk te zijn. Om die reden is er dan ook voor gekozen het subsidiepercentage voor beide typen onderzoek gelijk te stellen. Het eerste lid is aangepast, zodat in het vervolg zowel voor industrieel onderzoek als experimentele ontwikkeling 25% van de subsidiabele kosten voor subsidie in aanmerking komt. Daarbij is het subsidiepercentage van haalbaarheidsstudies komen te vervallen, omdat haalbaarheidsstudies niet meer voor subsidie in aanmerking komen.

In het tweede en derde lid van dit artikel is bepaald in welke gevallen de basissteunintensiteit uit het eerste lid kan worden opgehoogd.

In het tweede lid van dit artikel wordt aangegeven dat op grond van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening de percentages van de steunintensiteit voor kleine of middelgrote ondernemingen met 20 procentpunten respectievelijk 10 procentpunten kunnen worden opgehoogd.

Daarnaast geeft het derde lid aan dat het percentage voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling nog verder kan worden opgehoogd. Deze ophoging vindt alleen plaats indien voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, respectievelijk ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Deze mogelijkheid tot ophoging bestaat (1) indien het project daadwerkelijke samenwerking behelst en/of (2) indien de projectresultaten ruim worden verspreid. Omdat in de innovatiemodule voor de toepassing van deze bepaling uit de algemene groepsvrijstellingsverordening met de woorden ‘het project’ uitsluitend gedoeld wordt op de onderzoeks- en ontwikkelingsfase zijn de onderdelen a en b van het derde lid van artikel 2.2.11 op een wijze aangepast dat in het vervolg duidelijk is dat voormelde verhoging alleen plaatsvind indien de onderzoeks- en ontwikkelingsfase daadwerkelijke samenwerking behelst en /of de projectresultaten uit de onderzoeks- en ontwikkelingsfase ruim worden verspreid. Ook is het percentage waarmee kon worden opgehoogd aangepast. In het vervolg kan met 15 procentpunten, in plaats van met 10 procentpunten, worden opgehoogd. Omdat de basissteunintensiteit van industrieel onderzoek in het eerste lid van dit artikel gelijk is getrokken met de steunintensiteit van experimentele ontwikkeling (en hierdoor de facto verlaagd is), valt deze verhoging binnen de marges van het toepasselijke staatssteunkader.

Onderdeel K (artikel 2.2.12)

Uit dit artikel volgt welke kosten in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase voor subsidie in aanmerking komen. Dit zijn allereerst de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling. Verder kwamen bij de eerste openstelling van de innovatiemodule de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking, voor zover deze betrekking hadden op een haalbaarheidsstudie. Omdat haalbaarheidsstudies op grond van artikel 2.2.10 in het vervolg niet meer voor subsidie in aanmerking komen, komen ook de aanverwante kosten in het vervolg niet meer voor subsidie in aanmerking. De subsidiabele kosten voor haalbaarheidsstudies zijn dan ook komen te vervallen.

Onderdeel L (artikel 2.2.15)

In de emissiemetingenfase (fase 2) wordt subsidie verstrekt aan een onderzoeksorganisatie voor onder meer het meten van het effect dat investeringen of managementmaatregelen uit de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) hebben op de broeikasgas- en stalemissies. Met voormelde emissiemetingen wordt vanzelfsprekend alleen naar een deel van het effect van de investeringen en/of managementmaatregelen gekeken, namelijk uitsluitend het effect op de broeikasgasemissies en stalemissies.

Overeenkomstig de doorgevoerde wijziging in artikel 2.2.10 is artikel 2.2.15 op een wijze aangepast, zodat in het vervolg in de emissiemetingenfase ook het effect van een combinatie van investeringen en managementmaatregelen gemeten moet worden. Daarbij is aan artikel 2.2.11 toegevoegd dat de emissiemetingenfase ook kan bestaan uit het meten van het effect van gebruikte investeringen, managementmaatregelen of een combinatie hiervan die op grond van de innovatiemodule voor subsidie in aanmerking hadden kunnen komen, indien het innovatieproject uitsluitend de emissiemetingenfase betreft. Op deze wijze kan in het vervolg ook het effect van niet-gesubsidieerde investeringen en/of managementmaatregelen worden gemeten.

Onderdeel M (artikel 2.2.21)

Dit artikel beschrijft waarvoor in de resterende productieve levensduurfase subsidie verleend wordt. Dit betrof bij de eerste openstelling van de innovatiemodule de afschrijvingskosten voor de resterende productieve levensduur van de investeringen die gebruikt, onderzocht en ontwikkeld waren in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) en de emissiemetingenfase (fase 2) in het geval deze investeringen toegepast zouden kunnen worden bij de primaire landbouwproductie op de desbetreffende veehouderijlocatie (fase 3).

In dit artikel zijn verwijzingen aangepast, zodat geëxpliciteerd wordt dat dit artikel uitsluitend van toepassing is op innovatieprojecten waarbij voor alle drie de fases subsidie verleend is op grond van de innovatiemodule. De resterende productieve levensduurfase (naast op investeringen) is in het vervolg ook van toepassing op managementmaatregelen en een combinatie van investeringen en managementmaatregelen, omdat het ook bij managementmaatregelen kan gaan om materiële activa die worden afgeschreven.

Onderdeel N (bijlage 2.2.1)

Bijlage 2.2.1 wordt opnieuw vastgesteld. Deze bijlage bevat een actualisering van de minimale reductiepercentages en streefwaarde die met de innovatieprojecten behaald moeten worden. Deze percentages zijn geüpdatet naar aanleiding van recente wetenschappelijke inzichten, alsook aangevuld met percentages voor nieuwe diercategorieën (de leghennen, vleeskuikens en grootouder- en ouderdieren hiervan) waarvoor in het vervolg ook innovatieprojecten op grond van de innovatiemodule voor subsidie in aanmerking komen.

Artikelen II en III

In de tabellen van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 en artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021 is aangegeven in welke periode de diverse subsidiemodules van de RNES zijn opengesteld en wat het subsidieplafond bedraagt.

Budgetophogingen in de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020

De innovatiemodule was in het jaar 2020 opengesteld in de periode van 25 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 om 17.00 uur. Voor elk soort innovatieproject (per type veehouderijonderneming) was een ander subsidieplafond vastgesteld. Ook werd voor varkenshouderijondernemingen en melkveehouderijondernemingen voor de verschillende type projectactiviteiten (betreffende investeringen of managementmaatregelen) een ander subsidieplafond gehanteerd. Voor melkgeitenhouderijondernemingen of vleeskalverhouderijondernemingen werd voor beide typen projectactiviteiten gebruik gemaakt van hetzelfde subsidieplafond. Omdat de vraag voor innovatieprojecten betreffende vleeskalverhouderij-, varkenshouderij- en melkveehouderijondernemingen groter was dan verwacht wordt het subsidieplafond opgehoogd.

Nieuwe openstellingen in de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021

Voor de innovatiemodule loopt de periode waarin deze subsidiemodule in 2021 wordt opengesteld van 24 februari 2021 tot en met 4 mei 2021. Aanvragen zijn tijdig ingediend indien zij op de genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.

Voor elk soort innovatieproject (per type veehouderijonderneming) wordt wederom een ander subsidieplafond vastgesteld. Ook wordt voor varkenshouderijondernemingen en melkveehouderijondernemingen voor de verschillende typen projectactiviteiten een ander subsidieplafond gehanteerd. Voor deze soorten veehouderijondernemingen geldt dus zowel voor innovatieprojecten met betrekking tot investeringen (eventueel in combinatie met managementmaatregelen) als innovatieprojecten met betrekking tot managementmaatregelen een afzonderlijk subsidieplafond. Voor melkgeiten-, vleeskalveren-, vleeskuikens-, leghennen-, en vleeskuikenouderdierhouderijondernemingen wordt voor beide typen projectactiviteiten gebruik gemaakt van hetzelfde subsidieplafond.

Artikel IV

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Met de datum van inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding van deze regeling. Met deze regeling wordt een subsidieplafond van de eerste openstelling van de innovatiemodule opgehoogd waardoor meer subsidieaanvragen gehonoreerd kunnen worden. Ook wordt met deze regeling de doelgroep via een tweede openstelling van de innovatiemodule de mogelijkheid geboden spoedig subsidieaanvragen in te dienen en te starten met een innovatieproject. Omdat de subsidiemodule opengesteld wordt vanaf 24 februari 2021 tot en met 4 mei 2021 heeft de doelgroep (gelet op de verwachte vraag en beschikbare budgetten) voldoende tijd om aanvragen in te dienen en voor te bereiden.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Mosquera, J. en J.M.G. Hol, 2012. Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting, Livestock Research, Wageningen UR, Rapport 496. Referentiestallen gelijk verondersteld aan categorie overige huisvesting-categorieën.

X Noot
2

Deze referentie is gebaseerd op de voorlopige getallen van klimaatonderzoek van Wageningen University & Research (WUR) dat in 2021 gepubliceerd wordt.

X Noot
3

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 18 mei 2020, nr. WJZ/20022360, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 in verband met de invoering en openstelling van een subsidiemodule betreffende brongerichte verduurzaming van stal- en managementmaatregelen ten aanzien van investeringen in niet-bewezen innovaties, (Stcrt. 2020, 27006).

Naar boven