Vennootschapsbelasting. Functionele valuta

Directoraat-generaal Belastingdienst/Corporate dienst Vaktechniek / Directoraat-generaal Fiscale Zaken, Internationale Zaken en Verbruiksbelastingen

Besluit van 30 juli 2020, nr. 2020-69898,

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit bevat mijn beleid voor de toepassing van de Regeling functionele valuta (RFV). Het besluit is een herziene versie van het besluit van 14 februari 2017 nr. 2017-1187, Staatscourant, 2017, 15378. Gewijzigd is het volgende. In de goedkeuring voor de bronbelasting van paragraaf 6 is om de uitvoering te vergemakkelijken vervallen de eis van een voorafgaand verzoek. In paragraaf 7 (nieuw) wordt ingegaan op de samenloop met rechtsvormomzetting. Paragraaf 8 (nieuw) behandelt valutaresultaat op de vennootschapsbelastingschuld.

1. Inleiding

De inspecteur kan op verzoek van belastingplichtige toestaan het belastbare bedrag te berekenen in een andere geldeenheid dan de euro, de zogenoemde functionele valuta (artikel 7, vijfde lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, hierna: Wet Vpb). De voorwaarden waaronder aan het verzoek wordt tegemoetgekomen zijn gepubliceerd in de Regeling functionele valuta (regeling van 21 augustus 1997, nr. WDB97/348M, zoals laatstelijk gewijzigd bij regeling van 30 december 2015, nr. DB/2015/465M, hierna: RFV). In dit besluit vermeld ik de door mij gestelde beleidskaders voor toepassing van de RFV.

2. De voorwaarde dat de werkzaamheid of internationale vertakking een functionele valuta rechtvaardigt

De RFV eist onder andere dat in het eerste jaar waarin de RFV wordt toegepast de belastingplichtige ook de commerciële jaarrekening opstelt in de betreffende andere geldeenheid en dit wordt gerechtvaardigd door de werkzaamheid van de rechtspersoon of de internationale vertakking van zijn groep. De inspecteur zal deze rechtvaardiging slechts marginaal toetsen. Alleen als de rechtvaardiging evident afwezig is, zal hij het standpunt innemen dat niet wordt voldaan aan de eisen die de RFV stelt op het punt van de commerciële jaarrekening.

3. Fiscale eenheid alleen mogelijk met maatschappijen die ook gebruik maken van de RFV

Door toepassing van de RFV wordt de winst in afwijking van de normale regels berekend. Als de ene belastingplichtige wel en de andere belastingplichtige geen gebruik maakt van de RFV, wordt niet voldaan aan de voor een fiscale eenheid geldende eis dat bij beide rechtspersonen dezelfde bepalingen van toepassing zijn. Een belastingplichtige die gebruik maakt van de RFV kan dus alleen een fiscale eenheid vormen met belastingplichtigen die de winst berekenen in dezelfde andere geldeenheid.

4. Toe te passen buitenlandse valuta

Met ingang van 1 januari 2011 is de RFV (onder andere) gewijzigd op het punt van de toegelaten valuta. Toegelaten worden nu alleen nog – kort gezegd – de valuta met een door de Europese Centrale Bank vastgestelde wisselkoers (‘euro foreign exchange rates’). Op 1 januari 2011 werkzame beschikkingen, afgegeven voor valuta die met ingang van die datum niet langer behoren tot – kort gezegd – de toegelaten valuta, zullen worden geëerbiedigd tot aan het eerste moment waarop de belastingplichtige de beschikking zou kunnen opzeggen krachtens de wederopzeggingsregeling van artikel 3 van de RFV.

5. Gemiddelde koers en liquidatie

Voor de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting moet het belastbare bedrag van het (boek)jaar worden omgerekend van de functionele valuta naar de euro, tegen de gemiddelde koers van het (boek)jaar (artikel 4 van de RFV). In geval van liquidatie houdt een belastingplichtige op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt (artikel 2:19, zesde lid, BW) en eindigt op dat tijdstip tevens haar laatste boekjaar. De toe te passen gemiddelde koers wordt dan berekend als gemiddelde van de koersen van het begin tot het einde van dit laatste boekjaar.

6. Voorkoming dubbele belasting

  • a. Vaste inrichting en voorkomingsbreuk

    Dit onderdeel regelt de samenloop met de voorkoming van dubbele belasting zoals die gold voor de invoering van de zogenoemde objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb (met ingang van kort gezegd 2012). Onder omstandigheden is deze voorkomingsregeling nog steeds van kracht of van belang. Dit onderdeel is daarom in dit besluit gehandhaafd.

    Als een belastingplichtige winst geniet uit een in het buitenland gelegen vaste inrichting wordt de vrij te stellen winst van de vaste inrichting berekend naar Nederlandse maatstaven en op de grondslag van dezelfde valuta, of van een andere eenheid, als waarop de belastbare winst wordt berekend in het land waar de vaste inrichting is gevestigd. Vervolgens wordt deze winst omgerekend in euro's. Indien gebruik wordt gemaakt van de RFV wordt het belastbare bedrag, waaronder de wereldwinst, berekend in de functionele valuta in plaats van in euro’s. In het verlengde daarvan wordt de voorkomingsbreuk eveneens in functionele valuta berekend. Een bedrag dat op grond van artikel 34 (doorschuifregeling) of artikel 35 (inhaalregeling) van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna Bvdb) naar het volgende jaar wordt overgebracht, wordt ook vastgesteld in de functionele valuta.

    Voor de volledigheid merk ik op dat dit onderdeel overeenkomstig geldt bij toepassing van de zogenoemde objectvrijstelling. Ook onder de objectvrijstelling wordt de winst van de vaste inrichting (kort gezegd) berekend in de buitenlandse valuta en vervolgens voor de aftrek of bijtelling omgerekend naar de euro. Bij toepassing van de RFV moet de in de buitenlandse valuta berekende winst voor de aftrek of bijtelling worden omgerekend naar de functionele valuta.

  • b. Verrekening buitenlandse bronbelasting

    De te verrekenen buitenlandse bronbelasting dient in beginsel in euro's te worden omgerekend op basis van de wisselkoers van de buitenlandse valuta op het tijdstip waarop die buitenlandse belasting wordt ingehouden.

Goedkeuringen

Ik keur goed dat, in afwijking van bovenstaande, de te verrekenen bronbelasting wordt vastgelegd in de functionele valuta. Daartoe wordt de bronbelasting die in een andere valuta luidt dan de functionele valuta, omgerekend in de functionele valuta tegen de wisselkoers op het inhoudingstijdstip. Voor de verrekening van de bronbelasting wordt de in functionele valuta luidende bronbelasting vervolgens omgerekend in euro’s tegen de gemiddelde koers van de functionele valuta over het desbetreffende jaar. Een aan het einde van enig boekjaar (in euro’s luidend) nog te verrekenen bedrag wordt tegen de gemiddelde koers van dat jaar weer omgerekend in functionele valuta en schuift op de voet van artikel 37 Bvdb door naar een volgend boekjaar.

Ook keur ik goed dat indien een belastingplichtige op het overgangstijdstip (als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, RFV), nog te verrekenen bronbelasting uit voorgaande jaren heeft, de nog te verrekenen bronbelasting wordt omgerekend in functionele valuta. Ook hier wordt voor de verrekening van de bronbelasting de in functionele valuta luidende bronbelasting vervolgens omgerekend in euro’s tegen de gemiddelde jaarkoers en vindt doorschuiving van een eventueel resterend te verrekenen bedrag plaats zoals hiervoor is beschreven.

7. Samenloop met omzetting (artikel 28a Wet Vpb)

Bij de omzetting als bedoeld in artikel 28a Wet Vpb wordt fiscaal de belastingplichtige geacht te zijn geliquideerd en een nieuwe belastingplichtige te zijn ontstaan. Door deze liquidatiefictie vervalt in beginsel de toepassing van de RFV en moet door de belastingplichtige die geacht wordt te zijn ontstaan opnieuw toepassing van de RFV worden aangevraagd. Dit acht ik een onnodig gevolg van de omzetting. In de fiscale begeleiding die door mij bij omzetting wordt geboden wordt daarom kort gezegd de omzetting wat betreft de RFV buiten aanmerking gelaten.

8. Koersresultaat op vennootschapsbelastingschuld

Ook bij toepassing van de RFV moet de belasting in euro’s worden betaald. Koerswijziging van de functionele valuta na het ontstaan van de vennootschapsbelastingschuld leidt daarom mogelijk tot valutaresultaten. Dit valutaresultaat wordt mede bepaald door het tijdstip waarop de vennootschapsbelastingschuld ontstaat. Voor de bepaling van dit tijdstip is allereerst van belang dat het hier gaat om de zogenoemde materiele belastingschuld en dat de vennootschapsbelastingschuld niet eerst ontstaat op het moment van formalisering in een belastingaanslag1. De materiele vennootschapsbelastingschuld ontstaat gedurende het boekjaar, naar gelang de relevante feiten zich voordoen.2

Als bij de berekening van het valutaresultaat moet worden uitgegaan van dit gedurende het jaar ontstaan van de schuld wordt de berekening zeer gecompliceerd. Onder andere omdat valutaresultaat en schuld elkaar ook onderling beïnvloeden. Om de uitvoering te vergemakkelijken keur ik dan ook voor zover nodig goed dat voor de berekening van het valutaresultaat op de vennootschapsbelastingschuld, deze wordt geacht te zijn ontstaan bij het einde van het boekjaar waarop de schuld betrekking heeft.

9. Ingetrokken regeling

Het besluit van 14 februari 2017, 15378, wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

10. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Den Haag, 30 juli 2020

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, J. de Blieck, hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken


X Noot
1

Zie o.a. HR 19-01-1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2712.

X Noot
2

In gelijke zin o.a. Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 518 en de Leidraad 2008, artikel 19.2.1

Naar boven