Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 18 mei 2020, nr. WJZ/ 20022360, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 in verband met de invoering en openstelling van een subsidiemodule betreffende brongerichte verduurzaming van stal- en managementmaatregelen ten aanzien van investeringen in niet-bewezen innovaties

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 4, aanhef en onderdelen a, b, c, d en h, 5, eerste en tweede lid, 15, 16, 17 eerste lid, onderdeel b, en derde lid, 19, tweede en derde lid, 23, onderdeel b, 25, 34, eerste lid, 44, tweede lid, en 50, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Na titel 2.1 wordt een titel ingevoegd, luidende:

Titel 2.2. Brongerichte verduurzaming van stallen en managementmaatregelen

§ 2.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 2.2.1. Begripsomschrijving

In deze titel wordt verstaan onder:

broeikasgasemissies:

emissies van methaan, koolstofdioxide en lachgas vanuit het stalsysteem naar de lucht binnen de stal en de omgeving;

brongerichte verduurzaming:

het zo veel mogelijk voorkomen van de vorming van broeikasgasemissies of stalemissies op een veehouderijlocatie;

eindgebruiker:

veehouderijonderneming die ontwikkelde technologie gaat toepassen en daarmee brongerichte verduurzaming op zijn veehouderijlocatie realiseert;

jonge landbouwer:

jonge landbouwer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 34, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;

melkgeitenhouderijonderneming:

veehouderijonderneming waarin melkgeiten worden gehouden voor de primaire productie van melk of de vermeerdering van de desbetreffende dieren;

melkveehouderijonderneming:

veehouderijonderneming waarin melkkoeien worden gehouden voor de primaire productie van melk of de vermeerdering van de desbetreffende dieren;

onderzoeksorganisatie:

organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

stalemissies:

emissies van ammoniak, endotoxinen, fijnstof en geur vanuit het stalsysteem naar de lucht binnen de stal en de omgeving;

stalsysteem:

mest- en voeropslag, mestkelder, mestbewerkingsinstallatie of dierenverblijven, of een combinatie hiervan, die zich bevindt respectievelijk die zich bevinden op een veehouderijlocatie;

varkenshouderijonderneming:

veehouderijonderneming waarin varkens worden gehouden voor de primaire productie van vlees of de vermeerdering van varkens;

veehouderijonderneming:

een landbouwonderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of vermeerdering van de desbetreffende dieren;

veehouderijlocatie:

vestiging van een veehouderijonderneming;

vleeskalverhouderijonderneming:

veehouderijonderneming waarin vleeskalveren worden gehouden voor de primaire productie van vlees.

§ 2.2.2. Investering in niet-bewezen innovaties
§ 2.2.2.1. Algemeen
Artikel 2.2.2. Subsidieverstrekking
  • 1. De minister verstrekt op grond van deze paragraaf op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een innovatieproject gericht op brongerichte verduurzaming op een veehouderijlocatie van:

    • a. een varkenshouderijonderneming;

    • b. een melkgeitenhouderijonderneming;

    • c. een melkveehouderijonderneming; of

    • d. een vleeskalverhouderijonderneming.

  • 2. Een innovatieproject bestaat uit de volgende fases:

    • a. de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, bedoeld in artikel 2.2.10;

    • b. de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.15;

    • c. de resterende productieve levensduurfase, bedoeld in artikel 2.2.21.

  • 3. Aan een samenwerkingsverband nemen ten minste één onderzoeksorganisatie en één veehouderijonderneming, die ook een potentiële eindgebruiker is van de investeringen of managementmaatregelen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a respectievelijk b, deel.

Artikel 2.2.3. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt het percentage en het maximum subsidiebedrag:

  • a. bedoeld in artikel 2.2.11, voor zover het de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, bedoeld in artikel 2.2.10, betreft;

  • b. bedoeld in artikel 2.2.16, voor zover het de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.15, betreft;

  • c. bedoeld in artikel 2.2.22, voor zover het de resterende productieve levensduurfase, bedoeld in artikel 2.2.21, betreft.

Artikel 2.2.4. Verdeling subsidieplafond
  • 1. De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 2. Indien voor een soort innovatieproject afzonderlijke subsidieplafonds zijn vastgesteld voor investeringen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, en voor managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel b, wordt het voor de ene soort activiteit overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor de andere soort activiteit toegevoegd.

  • 3. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor innovatieprojecten ten behoeve van melkveehouderijondernemingen of vleeskalverhouderijondernemingen als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel c of d, lager is dan het subsidieplafond dat voor de desbetreffende soort innovatieprojecten is vastgesteld, wordt, onverminderd het tweede lid, het voor de ene soort innovatieproject overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor de andere soort innovatieproject toegevoegd.

  • 4. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor innovatieprojecten ten behoeve van melkveehouderijondernemingen en vleeskalverhouderijondernemingen als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdelen c en d, lager is dan het daarvoor na toepassing van het derde lid overblijvende bedrag, wordt het hierna overblijvende bedrag zo nodig toegevoegd aan het subsidieplafond voor innovatieprojecten ten behoeve van varkenshouderijondernemingen als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel a.

  • 5. Voor zover het na toepassing van het derde lid overblijvende bedrag niet wordt toegevoegd aan het subsidieplafond voor innovatieprojecten ten behoeve van varkenshouderijondernemingen als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel a, wordt dit overblijvende bedrag zo nodig toegevoegd aan het subsidieplafond voor innovatieprojecten ten behoeve van melkgeitenhouderijondernemingen als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel b.

  • 6. Indien voor innovatieprojecten afzonderlijke subsidieplafonds zijn vastgesteld voor investeringen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, en voor managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel b, wordt bij de toepassing van het derde tot en met vijfde lid, het bedrag telkens toegevoegd aan het subsidieplafond voor investeringen.

Artikel 2.2.5. Start- en realisatietermijn
  • 1. Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde innovatieprojecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.

  • 2. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar.

Artikel 2.2.6. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie indien:

  • a. op basis van de projectomschrijving, bedoeld in artikel 2.2.8, derde lid, aannemelijk is dat met de uitvoering van het innovatieproject:

    • 1°. de op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij van toepassing zijnde maximale emissiewaarde wordt overschreden;

    • 2°. de reductie van broeikasgasemissies of stalemissies lager is dan de van toepassing zijnde minimale reductiepercentages van de emissiewaarde, bedoeld in bijlage 2.2 of geen reductiepercentage voor de betreffende emissie is vastgesteld in bijlage 2.2;

    • 3°. het niveau van dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderijlocatie zou verminderen;

    • 4°. minder dan 40% vast voer wordt verstrekt, indien het een innovatieproject gericht op investeringen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, ten behoeve van een vleeskalverhouderijonderneming betreft als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel d;

  • b. na toepassing van:

    • 1°. artikel 2.2.7, eerste lid, onderdeel a, minder dan 14 punten zijn toegekend, indien het een innovatieproject ten behoeve van een varkenshouderijonderneming, een melkgeitenhouderijonderneming of een vleeskalverhouderijonderneming betreft als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel a, b of d;

    • 2°. artikel 2.2.7, eerste lid, minder dan 29 punten zijn toegekend, indien het een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming betreft als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel c;

  • c. de afwijzingsgrond voor de emissiemetingenfase, genoemd in artikel 2.2.18 zich voordoet;

  • d. de afwijzingsgronden voor de resterende productieve levensduurfase, genoemd in artikel 2.2.24 zich voordoen.

Artikel 2.2.7. Rangschikkingscriteria
  • 1. De minister kent aan een innovatieproject:

    • a. een hoger aantal punten toe naarmate:

      • 1°. het innovatieproject naar verwachting leidt tot een hoger percentage emissiereductie van de relevante broeikasgas- of stalemissies voor de betreffende dierlijke sector, uitgaande van de streefwaarden, opgenomen in bijlage 2.2;

      • 2°. het innovatieproject meer gericht is op vernieuwingen die economisch meer perspectief bieden voor toepassing op een veehouderijlocatie;

      • 3°. het innovatieproject meer bijdraagt aan dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderijlocatie;

      • 4°. het innovatieproject vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek;

    • b. 15 punten toe, in het geval het aannemelijk is dat de frequentie van de weidegang op een veehouderijlocatie gelijk is aan of meer zou bedragen dan 6 uur per dag gedurende minimaal 120 dagen per jaar, indien het een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming betreft als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel c.

  • 2. De minister kent per subonderdeel van het eerste lid, onderdeel a, ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

  • 3. Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, vermenigvuldigd met 3, voor het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, vermenigvuldigd met 2, en voor het eerste lid, onderdeel a, onder 3° en 4°, telkens vermenigvuldigd met 1, en vervolgens opgeteld.

  • 4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het innovatieproject zijn toegekend.

Artikel 2.2.8. Informatieverplichtingen
  • 1. Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

  • 2. Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. kerngegevens over het project;

    • d. de gegevens over de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, bedoeld in artikel 2.2.13.

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van een projectomschrijving, een financieringsplan en een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het project.

  • 4. De projectomschrijving bevat in ieder geval de reductie van broeikasgasemissies of stalemissies die met het innovatieproject op een veehouderijlocatie wordt beoogd te realiseren.

  • 5. Het financieringsplan en de exploitatieberekening bevatten in ieder geval:

    • a. een begroting waarin de totale kosten van de investeringen of managementmaatregelen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a respectievelijk b, en emissiemetingen, bedoeld in artikel 2.2.15, en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen;

    • b. informatie over de wijze waarop de deelnemers van het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren.

Artikel 2.2.9. Aanvraag subsidievaststelling
  • 1. Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

    • a. een algemene en technische omschrijving van de aangeschafte en gebruikte installaties;

    • b. een overzicht van de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, inclusief risico-opslag.

  • 2. Onverminderd het eerste lid gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:

    • a. een afschrift van de factuur en het betalingsbewijs voor investeringen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a;

    • b. een effectmeting als bedoeld in artikel 2.2.15;

    • c. een document waaruit blijkt of investeringen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, in gebruik zijn genomen;

    • d. de benodigde milieueffectbeoordeling of de vergunning voor het betrokken investeringsproject, bedoeld in artikel 2.2.25;

    • e. een berekening van de met het innovatieproject gerealiseerde reductie van broeikasgasemissies en stalemissies.

§ 2.2.2.2. Onderzoeks- en ontwikkelingsfase
Artikel 2.2.10. Subsidiabele activiteiten

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de onderzoeks- en ontwikkelingsfase wordt deze verstrekt aan de veehouderijonderneming of veehouderijondernemingen, of een andere onderneming of andere ondernemingen, binnen het samenwerkingsverband ten behoeve van experimentele ontwikkeling, industrieel onderzoek of haalbaarheidsstudies met betrekking tot:

  • a. investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen; of

  • b. managementmaatregelen die kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen.

Artikel 2.2.11. Hoogte subsidie
  • 1. Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase bedraagt de subsidie:

    • a. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;

    • b. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;

    • c. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie.

  • 2. De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c worden verhoogd met:

    • a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming;

    • b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.

  • 3. De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden overeenkomstig artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening verhoogd met 10 procentpunten indien:a. het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;b. de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories of gratis of opensource-software.

  • 4. Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase bedraagt de subsidie ten hoogste:

    • a. € 750.000 per veehouderijlocatie in een innovatieproject, voor zover het innovatieproject betrekking heeft op investeringen of managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a of b, die betrekking hebben op bestaande stalsystemen;

    • b. € 1.000.000 per veehouderijlocatie in een innovatieproject, voor zover het innovatieproject betrekking heeft op investeringen of managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdelen a of b, die betrekking hebben op nieuw te ontwikkelen en te bouwen type stalsystemen.

Artikel 2.2.12. Subsidiabele kosten

Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase komen uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling;

  • b. de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie.

Artikel 2.2.13. Informatieverplichtingen
  • 1. Onverminderd artikel 2.2.8 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste de volgende informatie over de onderzoeks- en ontwikkelingsfase:

    • a. gegevens over de grootte van het bedrijf van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2.2.11, tweede lid;

    • b. gegevens over de wijze waarop de projectresultaten ruim worden verspreid, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor de ruime verspreiding van de projectresultaten, bedoeld in artikel 2.2.11, derde lid, onderdeel b.

  • 2. Indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor de ruime verspreiding van de projectresultaten, bedoeld in artikel 2.2.11, derde lid, verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het innovatieproject jaarlijks een voortgangsrapportage waaruit blijkt op welke wijze de openbare ruime verspreiding van de projectresultaten heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.2.14. Staatssteun

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2.10, bevat deze staatssteun en wordt deze gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

§ 2.2.2.3. Emissiemetingenfase
Artikel 2.2.15. Subsidiabele activiteiten

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de emissiemetingenfase wordt deze verstrekt aan de onderzoeksorganisatie of onderzoeksorganisaties binnen het samenwerkingsverband voor het meten van het effect dat de investeringen of de managementmaatregelen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a of b, hebben op de broeikasgasemissies en stalemissies op een veehouderijlocatie.

Artikel 2.2.16. Hoogte subsidie

Voor de emissiemetingenfase bedraagt de subsidie 100% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 200.000 per veehouderijlocatie in een innovatieproject.

Artikel 2.2.17. Subsidiabele kosten

Voor de emissiemetingenfase komen voor subsidie uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Artikel 2.2.18. Afwijzingsgrond

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.2.6, indien de subsidiabele activiteiten voor de emissiemetingenfase niet van belang zijn voor alle veehouderijondernemingen die in de betrokken specifieke landbouwsector of subsector actief zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.2.19. Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. Voor het meten van het effect van de investeringen en managementmaatregelen, bedoeld in artikel 2.2.15, maakt de onderzoeksorganisatie gebruik van meetprotocollen die voldoen aan de internationale stand van onderzoek of techniek.

  • 2. Voorafgaand aan de datum waarop de subsidiabele activiteiten aanvangen, maakt de onderzoeksorganisatie de informatie, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, bekend op het internet.

  • 3. De onderzoeksorganisatie stelt de resultaten van de subsidiabele activiteiten overeenkomstig artikel 31, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, op het internet beschikbaar:

    • a. vanaf de datum waarop deze subsidiabele activiteiten zijn afgerond; of

    • b. vanaf de datum waarop informatie over deze resultaten aan leden van specifieke organisaties wordt gegeven.

  • 4. De resultaten blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar nadat de subsidiabele activiteiten zijn afgerond.

Artikel 2.2.20. Staatssteun

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2.15, bevat deze staatssteun en wordt deze gerechtvaardigd door artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

§ 2.2.2.4. De resterende productieve levensduurfase
Artikel 2.2.21. Subsidiabele activiteiten

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de resterende productieve levensduurfase wordt deze verstrekt aan de veehouderijonderneming of veehouderijondernemingen binnen het samenwerkingsverband voor de afschrijving van de investeringen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, in het geval de onderzoeks- en ontwikkelingsfase en emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdelen a en b, zijn afgerond en hieruit blijkt dat de investeringen leiden tot brongerichte verduurzaming en deze gebruiksklaar zijn ten behoeve van het gebruik bij de primaire landbouwproductie op de desbetreffende veehouderijlocatie.

Artikel 2.2.22. Hoogte subsidie
  • 1. Voor de resterende productieve levensduurfase bedraagt de subsidie het percentage van de subsidiabele kosten dat op grond van artikel 2.2.11, eerste tot en met derde lid, van toepassing is op de investeringen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, met dien verstande dat dit percentage niet meer bedraagt dan 40% van de subsidiabele kosten, verhoogd met 20 procentpunten, indien:

    • a. subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers of landbouwers die zich hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 14, dertiende lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;

    • b. subsidie wordt verstrekt voor de extra kosten voor investeringen om het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn te verbeteren om een hoger niveau dan de geldende normen van de Europese Unie te halen, en die niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit, bedoeld in artikel 14, dertiende lid, onderdeel e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

  • 2. Voor de resterende productieve levensduurfase bedraag de subsidie ten hoogste € 500.000 per veehouderijonderneming in een innovatieproject.

  • 3. Onverminderd het tweede lid bedraagt de subsidie voor de resterende productieve levensduurfase ten hoogste € 350.000 per veehouderijlocatie.

Artikel 2.2.23. Subsidiabele kosten
  • 1. Voor de resterende productieve levensduurfase komen voor subsidie uitsluitend de afschrijvingskosten van de investeringen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, in aanmerking, voor zover deze afschrijvingskosten vallen onder de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

  • 2. Op de subsidiabele kosten van de resterende productieve levensduurfase is artikel 10, derde lid, van het besluit niet van toepassing.

Artikel 2.2.24. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.6, indien voor de resterende productieve levensduurfase:

  • a. de investeringen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, niet passen binnen ten minste een van de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen a, b en d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;

  • b. de investeringen, bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;

  • c. de verlening van subsidie in strijd zou zijn met de verboden of beperkingen, bedoeld in artikel 14, elfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Artikel 2.2.25. Verplichtingen

Indien voor een investering als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a, een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, is deze beoordeling uitgevoerd of de vergunning voor het betrokken investeringsproject verleend vóór de datum waarop de investering wordt aangeschaft en de resterende productieve levensduurfase van start gaat.

Artikel 2.2.26. Staatssteun

Voor zover de subsidie betrekking heeft op de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2.21, bevat deze staatssteun en wordt deze gerechtvaardigd door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

§ 2.2.3. Slotbepaling
Artikel 2.2.27. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 20 mei 2025, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

B

Voor bijlage 2.5.1 wordt de in de bijlage van deze regeling opgenomen bijlage ingevoegd.

ARTIKEL II

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK-en LNV-subsidies 2020 worden boven de rij van titel 2.3 de volgende rijen ingevoegd:

Titel 2.2: brongerichte verduurzaming van stallen

2.2.2, eerste lid, onderdeel a

§ 2.2.2. Investering in niet-bewezen innovaties

Varkenshouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a

25-05-2020 t/m 15-07-2020

€ 4.880.000

     

Varkenshouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel b

25-05-2020 t/m 15-07-2020

€ 1.220.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel b

 

Melkgeitenhouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen of managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a of b

25-05-2020 t/m 15-07-2020

€ 2.000.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel c

 

Melkveehouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a

25-05-2020 t/m 15-07-2020

€ 6.750.000

     

Melkveehouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel b

25-05-2020 t/m 15-07-2020

€ 2.250.000

 

2.2.2, eerste lid, onderdeel d

 

Vleeskalverhouderij-ondernemingen, indien het innovatieproject betrekking heeft op investeringen of managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdeel a of b

25-05-2020 t/m 15-07-2020

€ 2.000.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 mei 2020

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

BIJLAGE, BEHOREND BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL B

Bijlage 2.2., behorende bij de artikelen 2.2.6, onderdeel a, onder 2°. en 2.2.7, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (minimale reductiepercentages en streefwaarden voor broeikasgasemissies of stalemissies per dierlijke sector of diercategorie vanuit het stalsysteem).

1. Algemeen

In paragraaf 2 van deze bijlage zijn de reductiepercentages weergegeven, die minimaal per dierlijke sector of onderliggende diercategorie bereikt moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van de subsidiemodule Investering in niet-bewezen innovaties (hierna: de innovatiemodule), opgenomen in paragraaf 2.2.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (zie ook artikel 2.2.6, onderdeel a, onder 2°).

Indien deze minimale reductiepercentages behaald kunnen worden en niet om andere redenen de subsidieaanvraag afgewezen hoeft te worden, zal de rangschikking van de subsidieaanvragen mede plaatsvinden op basis van de hoogte van de reductiepercentages waarvoor streefwaarden zijn opgenomen in de tabel van paragraaf 3 van deze bijlage (zie ook artikel 2.2.7, eerste lid, onderdeel a).

De reductiepercentages die moeten worden behaald, worden gemeten ten opzichte van zogenaamde referentiewaarden per soort emissie per dierlijke sector of onderliggende diercategorie vanuit stalsystemen. Deze referentiewaarden zijn opgenomen in paragraaf 4 van deze bijlage.

2. Minimale reductiepercentages per soort emissie per dierlijke sector of diercategorie vanuit stalsystemen

In deze paragraaf zijn de reductiepercentages weergegeven, die minimaal bereikt moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van de innovatiemodule. Indien deze percentages niet behaald worden, wordt de subsidie afgewezen op grond van artikelen 2.2.6, onderdeel a, onder 2°. Voor alle veehouderijsectoren of diercategorieën is het uitgangspunt dat het innovatieproject betrekking heeft op investeringen of managementmaatregelen die leiden tot integrale brongerichte verduurzaming (lees: brongerichte maatregelen die gerealiseerd worden om de gestelde emissiereductie te behalen). Uitsluitend onderzoek naar en het gebruik van deze investeringen of managementmaatregelen komt voor subsidie in aanmerking en moet minimaal leiden tot de reductiepercentages per dierlijke sector of diercategorie zoals opgenomen in de tabel van paragraaf 2.1 respectievelijk 2.2.

2.1 Minimale reductiepercentages per dierlijke sector of diercategorie te realiseren via investeringen

In deze tabel zijn de minimale reductiepercentages per dierlijke sector of diercategorie opgenomen die gerealiseerd moeten worden door het onderzoek naar en het gebruik van investeringen die leiden tot brongerichte verduurzaming.

Dierlijke sector

/diercategorie

Methaanreductie

Ammoniakreductie

Geurreductie

Fijnstof/

Endotoxine-reductie

Melkvee

50%*

50%

n.v.t.

n.v.t.

Vleeskalveren

50%*

50%

25%

n.v.t.

Melkgeiten

50%*

25%

25%

nog n.v.t.

Varkens

50%

70%

25%

25%

*De genoemde methaan-reductie van minimaal 50% bij melkvee, kalveren en geiten moet gerealiseerd worden door middel van het onderzoek naar en het gebruik van investeringen betreffende mest. Rekening houdend met de enterische methaanemissie betekent dit dat op stalsysteemniveau een reductie van minimaal 12,5% gerealiseerd moet worden. Het uitgangspunt is namelijk dat 25% van de methaan uit mest komt en 75% van de methaan enterisch is.

2.2 Minimale reductiepercentage per dierlijke sector of diercategorie te realiseren via managementmaatregelen

In deze tabel zijn de minimale reductiepercentages per dierlijke sector of diercategorie opgenomen die gerealiseerd moeten worden door het onderzoek naar en het gebruik van managementmaatregelen die leiden tot brongerichte verduurzaming.

Dierlijke sector

/diercategorie

Methaanreductie

Ammoniakreductie

Geurreductie

Fijnstof/

Endotoxine-reductie

Varkens

n.v.t.

10%

10%

10%

Melkvee

10%*

20%

n.v.t.

n.v.t.

*De genoemde methaan-reductie van minimaal 10% bij melkvee moet gerealiseerd worden door middel van het onderzoek naar en het gebruik van managementmaatregelen betreffende enterische methaan. Rekening houdend met het aandeel enterische methaanemissie betekent dit dat op stalsysteemniveau een reductie van afgerond 7,5% gerealiseerd moet worden. Het uitgangspunt is namelijk dat 25% van de methaan uit mest komt en 75% van de methaan enterisch is.

3. Streefwaarden voor de reductie per soort emissie per dierlijke sector of diercategorie vanuit stalsystemen in de periode 2020–2050

Indien de minimale reductiepercentages, bedoeld in de tabellen van de paragrafen 2.1 en 2.2 behaald kunnen worden en niet om andere redenen de subsidieaanvraag afgewezen hoeft te worden, zal de verdere rangschikking van de subsidieaanvragen mede plaatsvinden op basis van de hoogte van de beoogde reductiepercentages. Op grond van artikel 2.2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt aan een innovatieproject dan ook een hoger aantal punten toegekend naarmate het innovatieproject naar verwachting leidt tot een hoger percentage emissiereductie van de relevante broeikasgas- of stalemissies voor de betreffende dierlijke sector of diercategorie.

Gelet op de vereiste integraliteit van emissiereducties kunnen naast investeringen die leiden tot brongerichte verduurzaming, zo nodig, ook innovatieve naschakeltechnieken gebruikt worden die al of niet op de Rav-lijst staan vermeld, zoals een nieuwe generatie luchtwasser, om een deel van de streefwaarde te realiseren. Deze naschakeltechnieken komen niet voor subsidie in aanmerking, maar worden wel meegewogen bij de rangschikking van de innovatieprojecten.

Om een indruk te geven van de lange termijn ambities zijn in onderstaande tabel voor stallen en stalsystemen de volgende streefwaarden opgenomen waarmee bij de rangschikking rekening wordt gehouden.

Dierlijke sector /diercategorie

Methaanreductie

Ammoniakreductie

Geurreductie

Fijnstof/

Endotoxine-reductie

Melkvee

75%*

70%

n.v.t.

n.v.t.

Vleeskalveren

75%*

70%

50%

n.v.t.

Melkgeiten

75%*

50%

50%

nog n.v.t.

Varkens

90%

85%

70%

50%

*De in deze tabel genoemde methaan-reductie van minimaal 75% bij melkvee, kalveren en geiten moet gerealiseerd worden door middel van het onderzoek naar en het gebruik van investeringen dan wel managementmaatregelen betreffende mest. Rekening houdend met de enterische methaanemissie betekent dit dat op stalsysteemniveau een reductie van afgerond 19% gerealiseerd moet worden. Het uitgangspunt is namelijk dat 25% van de methaan uit mest komt en 75% van de methaan enterisch is).

4. Referentiewaarden per soort emissie per soort diercategorie vanuit stalsystemen

De reductiepercentages die zijn opgenomen in voormelde tabellen van deze bijlage behelzen een reductie ten opzichte van bepaalde referentiewaarde. Deze referentiewaarden betreffen de hoogte van de emissie die zonder investeringen en managementmaatregelen vanuit het stalsysteem voortkomt.

4.1 Referentiewaarden voor methaan

Voor methaan worden de volgende referentiewaarden gehanteerd:

  • a. Melkvee: 186 kg CH4/jaar per dierplaats;

  • b. Vleeskalveren: 62 kg CH4/jaar per dierplaats;

  • c. Geiten: 27 kg CH4/jaar per dierplaats;

  • d. Varkens1:

    • (I) Biggen: 1,8 kg CH4 per jaar per dierplaats;

    • (II) Kraamzeugen: 23,3 kg per jaar per dierplaats;

    • (III) Guste/dragende zeugen: 23,3 kg per jaar per dierplaats;

    • (IV) Vleesvarkens: 15,7 kg per jaar per dierplaats.

De referentiewaarden, genoemd onder a, b en c zijn gebaseerd op de voorlopige getallen van een klimaatonderzoek van Wageningen University & Research (WUR) dat in het voorjaar van 2020 gepubliceerd wordt.

4.2 Referentiewaarden ammoniak

Voor de reductie van ammoniak wordt uitgegaan van de referentiewaarden zoals deze op het moment van aanvang van de openstellingsperiode gelden voor melkvee, vleeskalveren en varkens op grond van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) Voor melkgeiten is de referentie gebaseerd op de voorlopige getallen van een klimaatonderzoek van Wageningen University & Research (WUR) dat in het voorjaar van 2020 gepubliceerd wordt. Dit betekent dat voor ammoniak de volgende referentiewaarden worden gehanteerd:

  • a. Melkvee: Rav code A1.100;

  • b. Vleeskalveren: Rav code A4.100;

  • c. Melkgeiten: 3,4 kg NH3 per jaar per dierplaats2;

  • d. Varkens: de Rav codes D1.1.100, D1.2.100, D1.3.100, D1.3.101, D2.100 en D3.100.

4.3 Referentiewaarden voor geur

Voor de reductie van geur wordt uitgegaan van de referentiewaarden zoals deze op het moment van aanvang van de openstellingsperiode gelden voor vleeskalveren, geiten en varkens op grond van de Regeling Geurhinder en veehouderij (Rgv). Dit betekent dat voor geur de volgende referentiewaarden worden gehanteerd:

  • a. Vleeskalveren: Rgv code A4;

  • b. Geiten: de Rgv codes C1, C2 en C3;

  • c. Varkens: de Rgv codes D1.1, D1.2, D1.3, D2 en D3.

4.4 Referentiewaarden voor fijnstof

Voor de reductie van fijnstof wordt uitgegaan van de referentiewaarden zoals deze op het moment van aanvang van de openstellingsperiode voor varkens gelden op grond van de fijnstoflijst. Dit betekent dat voor fijnstof bij varkens de volgende referentiewaarden worden gehanteerd: codes D1.1.100, D1.2.100, D1.3.100 en D1.3.101.

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Met deze wijzigingsregeling is titel 2.2 Brongerichte verduurzaming van stal- en managementmaatregelen (Sbv of titel 2.2) in de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (RNES) ingevoegd. In deze titel zullen uiteindelijk twee subsidiemodules opgenomen worden ten behoeve van brongerichte verduurzaming van de veehouderijsector, die verder gaat dan de maatregelen die op dit moment beschikbaar zijn. Deze wijzigingsregeling voorziet uitsluitend in de invoering van Algemene bepalingen (paragraaf 2.2.1) en de eerste van twee subsidiemodules in paragraaf 2.2.2 van titel 2.2 van de RNES. Dit betreft de subsidiemodule Investering in niet-bewezen innovaties (de innovatiemodule) die zich richt op onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten waarbij op representatieve schaal en onder representatieve omstandigheden proof of principle concepten ontwikkeld en getest worden. Met een latere wijzigingsregeling zal de tweede subsidiemodule opgenomen worden in paragraaf 2.2.3 van titel 2.2. van de RNES. Deze tweede subsidiemodule betreft de subsidiemodule Investering in bewezen brongerichte innovaties (de investeringsmodule) die zich richt op de investering in de aanschaf- en het gebruiksklaar maken van nieuw bewezen innovaties ten behoeve van de nieuwbouw, verbouwing en inrichting van stalsystemen.

De achtergrond van de invoering van titel 2.2. van de RNES is te vinden in het zogenaamde hoofdlijnenakkoord en het Klimaatakkoord zoals omschreven in paragrafen 1.1 en 1.2 van deze toelichting.

In bijlage 1 is een schematische weergave van de Sbv opgenomen. Bijlage 2 geeft de rangschikkingscriteria van de innovatiemodule schematisch weer.

1.1 Hoofdlijnenakkoord

In het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ (Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 34) zijn door het kabinet maatregelen aangekondigd om gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in gebieden met een zeer hoge vee dichtheid te verminderen. Per brief van 7 juli 2018 (Kamerstukken II 2017/18, 28 973, nr. 200) heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) de Tweede Kamer geïnformeerd over het Hoofdlijnenakkoord dat zij heeft gesloten met vijf provincies (Noord-Brabant, Gelderland, Limburg, Utrecht en Overijssel), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de ketenpartijen uit de Coalitie Vitalisering Varkenshouderij (CoViVa), ter invulling van de in het Regeerakkoord aangekondigde maatregelen.

Om maximaal recht te doen aan de uitdagingen die op de korte, middellange en lange termijn liggen, zijn partijen een gecombineerde aanpak langs twee sporen overeengekomen. Het eerste spoor is uitgewerkt in de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). De Srv ziet op het op korte termijn verminderen van geuroverlast door varkensbedrijven in vee dichte gebieden door het bieden van een subsidie voor het definitief en onherroepelijk beëindigen van varkenshouderijlocaties die geuroverlast geven (het saneringsspoor).

Het tweede spoor is (gedeeltelijk) uitgewerkt in titel 2.2 van de RNES. Dit tweede spoor betreft onderzoek en ontwikkeling van en investeringen in nieuwe stal- en houderijsystemen in de varkens-, pluimvee- en melkgeitenhouderij (het verduurzamingsspoor). Het verduurzamingsspoor moet de basis leggen voor een forse reductie en het via brongerichte verduurzaming voorkomen van schadelijke emissies uit stallen op de middellange en lange termijn. Voor het verduurzamingsspoor is € 60.000.000 gereserveerd, waarvan € 40.000.000 voor de varkens-, € 15.000.000 voor de pluimvee- en € 5.000.000 voor de melkgeitenhouderijsector. Voor de uitvoering van beide sporen is een bedrag van maximaal € 12.000.000 beschikbaar.

1.2 Klimaatakkoord

In het Klimaatakkoord (bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 32 813, nr. 342) is het volgende aangegeven (C4.4.1 Generieke afspraken Veehouderij): ‘Het Rijk neemt het voortouw in het uitwerken van regelingen voor het ontwikkelen en stimuleren van innovaties en investeringen in integraal duurzame en emissiearme stalsystemen met een bron- en diergerichte samenhangende emissiereductie van broeikasgassen, ammoniak, geur en fijnstof. Deze regelingen hebben zowel betrekking op innovatie- en pilotprojecten en emissiemetingen als op investeringsprojecten voor ‘first movers’. Naast managementmaatregelen (vee, veevoer, toevoegmiddelen in mest) en het ontwikkelen van meet- en sensortechnologie betreft het zowel de aanpassing van bestaande stalsystemen als de ontwikkeling van nieuwe stalsystemen die gericht zijn op onder andere snelle afvoer van mest uit de stal, opslag buiten de stal en mestbehandeling.’

In het kader van de hierboven genoemde uitwerking van het Klimaatakkoord wordt aanvullend voor de subsidiemodules in totaal voor de periode 2020 tot 2030 € 112 miljoen beschikbaar gesteld uit de zogenaamde Klimaatenveloppe voor de veehouderijsector.

2. Beleidscontext

In de veehouderijsector zorgen verschillende emissies uit het stalsysteem voor overlast van geur, negatieve effecten op de volksgezondheid, de milieu- en natuurkwaliteit en het klimaat. Dit zijn zowel emissies van broeikasgassen, zoals koolstofdioxide, methaan en lachgas (broeikasgasemissies) als emissies van ammoniak, endotoxinen, fijnstof en geur (stalemissies) vanuit het stalsysteem naar de lucht binnen de stal en de omgeving. Met het stalsysteem wordt de mest- en voeropslag, mestkelder, mestbewerkingsinstallatie en het dierenverblijf bedoeld. Vanuit de samenleving is er behoefte aan vermindering van gezondheids- en leefomgevingsrisico’s, geuroverlast, milieubelasting en bijdrage aan klimaatverandering door vestigingen van veehouderijondernemingen (hierna: veehouderijlocaties). Met de innovatiemodule – en in een latere fase ook met de investeringsmodule – wordt financiële ondersteuning geboden om toe te werken naar een duurzame veehouderijsector die maatschappelijk geaccepteerd en gewaardeerd wordt.

De veehouderijsector heeft een belangrijke plek in de kringlooplandbouw door het omzetten van reststromen in waardevol voedsel en waardevolle meststoffen. Daarbij horen stallen met zeer weinig emissie die tegemoetkomen aan de natuurlijke gedragsbehoefte van de dieren. Door bijvoorbeeld dagontmesting uit de stallen en mestdroging of mestscheiding tot een dikke en dunne fractie, gevolgd door een verwerkingsslag buiten de stal, kan de uitstoot van ammoniak en andere emissies worden teruggebracht. Bovendien neemt daarmee de overlast naar de omgeving af en wordt de kwaliteit van de stallucht sterk verbeterd, wat positief is voor welzijn en gezondheid van dieren en veehouders.

Het doel van de in het Hoofdlijnenakkoord afgesproken maatregelen is het stimuleren van de ontwikkeling van en investeringen in brongerichte emissiebeperkende maatregelen in nieuwe en bestaande stallen in de varkenshouderij en voor de pluimvee- en melkgeitenhouderij. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld specifiek voor de varkens-, pluimvee- en melkgeitenhouderijsector. Vanuit het Klimaatakkoord worden middelen beschikbaar gesteld voor het verminderen van de uitstoot van met name broeikasgassen voor de gehele veehouderijsector. Dit resulteert in een innovatie- en investeringsmodule die voor de gehele veehouderijsector beschikbaar wordt.

2.1 Hoofdlijnenakkoord
2.1.1 Varkenshouderij

In de varkenshouderij zorgen emissies van ammoniak, fijnstof, endotoxinen, geur en methaan uit dierlijke mest voor geuroverlast en negatieve effecten op de volksgezondheid, de milieu- en natuurkwaliteit en het klimaat. De varkenshouderijsector emitteert jaarlijks 19 kiloton ammoniak (17% van de totale ammoniakemissie uit de gehele veehouderijsector), 925 ton fijnstof (14% van de totale fijnstofemissies uit de gehele veehouderijsector) en 2.4 megaton CO2-equivalenten (CO2-eq) methaan (14% van de totale methaanuitstoot uit de veehouderij)3 4. Daarnaast veroorzaken deze emissies een slechte kwaliteit van de stallucht. Vooral de hoge ammoniakconcentraties in de stallucht van 35 tot 50 ppm (parts per million) in varkensstallen leiden tot welzijns- en gezondheidsproblemen voor varkens en dierverzorgers. De advieswaarde voor de ammoniakconcentratie in stallucht in varkensstallen ligt beneden 20 ppm5.

Eén van de belangrijkste oorzaken van de gezondheids- en leefomgevingsrisico’s van de varkenshouderij is de langdurige opslag van mest en urine in mestkelders in en onder de stallen en in mestsilo’s. Door langdurige opslag en het mengen van mest en urine ontstaan door biologische afbraakprocessen schadelijke stoffen, waaronder ammoniak, die in de stallucht terecht komen.

De milieu- en omgevingswetgeving stuurt per afzonderlijke stof op een maximale emissie naar de leefomgeving. De wettelijke emissienormen worden gefaseerd aangescherpt om te kunnen voldoen aan de milieu- en natuurkwaliteitsdoelstellingen. Met deze regelgeving wordt niet gestuurd op een verbetering van de kwaliteit van de lucht in de stallen. Dit heeft geleid tot een eenzijdige focus op end of pipe technieken zoals luchtwassers, omdat hiermee milieuvergunningen voor bedrijfsontwikkeling en -uitbreiding konden worden afgegeven. Luchtwassers leveren geen verbetering van de kwaliteit van de lucht in de stallen op, omdat de lucht wordt behandeld vlak voordat deze de stallen verlaat. Dit leidt ertoe dat veehouderijbedrijven die een omgevingsvergunning hebben en stalinrichtingsbedrijven de afgelopen jaren niet zijn en worden geprikkeld om nieuwe integrale oplossingen te initiëren. Voor kleine MKB-bedrijven met lage economische marges is het bovendien risicovol te investeren in onderzoek en innovatie.

Uit recent onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) (Kamerstukken II 2017/18, 29 383, nr. 295) naar de werking en effectiviteit van in de varkenshouderij veel gebruikte combi-luchtwassers is tevens gebleken dat de emissiereducerende werking aanzienlijk lager ligt dan waar in de regelgeving vanuit werd gegaan. De gemiddelde geurreductie van de combi-luchtwassers bleek in de praktijk 40% te bedragen, de helft van de verwachte gemiddelde reductie van 81%. Voor ammoniakverwijdering was de gemiddelde gemeten reductie 59%, ten opzichte van een verwachte reductie van 85%. Daarnaast ziet de varkenshouderijsector voor zichzelf in het Klimaatakkoord landbouw en landgebruik een aanvullende opgave om de komende jaren de methaanemissies uit stallen en mestopslagen nog verder te verminderen. Luchtwassers kunnen geen methaan uit de stallucht halen.

De kern is dat een fundamenteel andere inrichting en uitvoering van varkensstallen nodig is, vanwege de gefaseerde aanscherping van de wettelijke emissienormen in de milieuregelgeving waarmee de gezondheids- en leefomgevingsrisico’s op middellange en lange termijn verder moeten worden verminderd, de (nieuwe) klimaatopgave voor de varkenshouderijsector en de gewenste verbetering van de kwaliteit van de stallucht. Er zijn op dit moment geen bewezen en erkende technische en managementmaatregelen die kosteneffectief en integraal de genoemde problemen en risico’s significant verminderen. Wel zijn er ideeën voor brongerichte maatregelen waarmee de emissie van schadelijke stoffen in stallen wordt beperkt, maar deze vergen verdergaand onderzoek, validatie en doorontwikkeling op praktijkbedrijven6.

2.1.2 Pluimveehouderij

In de pluimveehouderijsector gaat het vooral om negatieve effecten voor de volksgezondheid. Deze worden met name veroorzaakt door de hoge fijnstofconcentraties in de nabijheid van pluimveebedrijven. De fijnstofemissie in de pluimveesector bedraagt 4.3 kiloton (67% van de totale fijnstofemissie door de gehele veehouderijsector). De stalluchtkwaliteit in pluimveestallen heeft negatieve effecten op het welzijn en de gezondheid van pluimvee en de pluimveehouder. Er loopt onderzoek naar perspectiefvolle fijnstofmaatregelen in de pluimveehouderijsector. De verwachting is dat begin 2020 meer betaalbare technieken beschikbaar komen om fijnstofreductie in de stallucht te bewerkstelligen. Om uitrol van (nieuwe) fijnstof reducerende technieken te stimuleren, wordt onder meer voormelde investeringsmodule in de loop van 2020 ingevoerd. De investeringsmodule moet uiteindelijk voor de gehele veehouderijsector ingezet gaan worden.

In verschillende gebieden in Nederland is de achtergrondconcentratie fijnstof hoog. De World Health Organization (WHO) adviesnorm is een fijnstofconcentratie van maximaal 20 µg PM10. In sommige gebieden ligt de concentratie fijnstof boven de WHO adviesnorm, tussen 20 en 30 µg PM10. Ook in het Schone Lucht Akkoord (Kamerstukken II 2019/20 30 175, nr. 343) wordt toegewerkt naar het niet-overschrijden van de advieswaarden van de WHO. In het Schone Lucht Akkoord streven sectoren naar het realiseren van een permanente verbetering van de luchtkwaliteit ten behoeve van gezondheidswinst voor iedereen in Nederland.

2.1.3 Melkgeitenhouderij

Bij de melkgeitenhouderijsector gaat het vooral om negatieve effecten voor de volksgezondheid. In de onderzoeken naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-onderzoeken 1 en 2) is in een straal van 2 kilometer rond melkgeitenhouderijbedrijven een verhoogde kans op longontstekingen vastgesteld. De precieze oorzaak is nog niet bekend, maar wordt gezocht in emissies uit melkgeitenstallen. Om de precieze oorzaak te achterhalen is onder VGO-3 een deelonderzoek gestart, waarvan de resultaten op zijn vroegst medio 2021 worden verwacht. VGO-3 zal tevens inzicht bieden in fijnstof.

Melkgeiten worden in de regel het gehele jaar door in de stal gehouden. Het merendeel van de geitenstallen is uitgevoerd volgens het potstal-concept – het specifieke stalsysteem van de melkgeitenhouderij – en wordt op natuurlijke wijze geventileerd door middel van geopende stalzijden en een open nok. In een potstal lopen de geiten in het stro. In de loop van de tijd vormt zich in de pot een mengsel van stro, feces en urine. In de pot vindt broei plaats door aerobe/deels anaerobe omzetting van organische stof. In de potstal ontstaan emissies door omzetting van ureum uit urine en microbiële afbraak van organische stof in de pot als gevolg van broei. Voor de potstal zijn momenteel nog geen reductiemaatregelen ontwikkeld. Maatregelen die toegepast worden in andere diersectoren met andere huisvestingsystemen zijn niet rechtstreeks overdraagbaar naar de potstal. Wel is het mogelijk gebruik te maken van proceskennis en emissiereducerende principes die zijn ontwikkeld voor andere diersectoren en deze principes in aangepaste vorm toe te passen in geitenstallen. Zo mag verwacht worden dat bekende emissiereducerende principes zoals urineafvoer, koeling en beluchting/droging van mest tot reductie zullen leiden.

Op dit moment zijn enkele innovatieve ideeën in ontwikkeling om voor de melkgeitenhouderijsector relevante emissiegroepen te reduceren, met name gericht op de reductie van ammoniakemissie uit de potstal. Het gaat hierbij om nog niet bewezen maatregelen zoals het snel verwijderen van urine en mest, koelen van mest, beluchten en/of drogen van de mest, interne zuivering van de stallucht en het toevoegen van additieven aan de pot die ammonium kunnen binden. De relevante emissiegroepen voor de melkgeitenhouderijsector zijn geur, ammoniak en methaan. Door de afwijkende eigenschappen van de mest in de pot is het niet mogelijk zonder nader onderzoek nauwkeurige inschattingen te maken van te behalen emissiereducties. Voor deze emissiegroepen is om die reden, in ieder geval voor de eerste openstelling van de innovatiemodule, op basis van een expert judgement door Wageningen UR, gekozen voor haalbare reductiepercentages (zie Bijlage 2.2 van de RNES). Zodra de resultaten van metingen bij innovatieve stalaanpassingen bekend zijn, kunnen de reductiepercentages bij een latere openstelling bijgesteld worden.

Het Besluit emissiearme huisvesting is niet van toepassing voor melkgeiten. Wel zijn voor de melkgeitenhouderij, net als voor de andere diercategorieën, in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) emissiefactoren voor de berekening van de ammoniakemissie van een dierenverblijf opgenomen. Uit de voorlopige resultaten van onderzoek dat in het kader van het Klimaatakkoord is uitgevoerd bij twee gangbare melkgeitenhouderijen is gebleken dat de feitelijke emissies in een melkgeitenstal mogelijk 80% hoger zijn dan de waarden die in de Rav zijn opgenomen. Dit aanzienlijke verschil tussen de emissiewaarden uit de Rav en de feitelijke emissies in een gangbare stal maakt dat aan innovaties in melkgeitenstallen niet de voorwaarde verbonden kan worden dat deze innovaties een reductie moeten opleveren ten opzichte van de huidige emissiewaarde uit de Rav. Naar aanleiding van metingen vanuit het Klimaatakkoord wordt nog discussie gevoerd over de emissiewaarde van het ‘overige huisvestingssysteem’ in de Rav.

2.2 Klimaatakkoord

In het Klimaatakkoord (par C 4.2) is aangegeven dat de beoogde emissiereductie in 2030 voor de veehouderijsector 1,2-2,7 Mton CO2-eq methaan is. Hiervoor worden diverse maatregelen ingezet, zoals een geïntegreerde aanpak van methaan en ammoniak via het voer- en dierspoor. Ook de warme sanering van de varkenshouderij zal hieraan een bijdrage leveren door het definitief doorhalen van productierechten voor varkens.

Anders dan in het Hoofdlijnenakkoord is voor het Klimaatakkoord de primaire invalshoek de reductie van broeikasgassen, met name methaan. Echter wordt hier ook gefocust op een integrale aanpak van emissies (methaan, lachgas, ammoniak en voor zover relevant ook geur, fijnstof en endotoxinen). De inzet van de middelen is gericht op de bijdrage die alle veehouderijsectoren moeten leveren aan de geformuleerde emissiereductiedoelstelling voor de veehouderijsector.

Een belangrijk accent bij de inzet van de middelen zal bij de melkveehouderij liggen, die een belangrijk aandeel heeft in de emissies (methaan en ammoniak) binnen de veehouderijsector. Vanwege deze bijdrage worden toenemende (wettelijke/provinciale) eisen gesteld. Daarnaast zijn zuivelverwerkers bereid om extra te betalen voor klimaatvriendelijke producten. Methaan wordt met name tijdens het verteringsproces in de pens van herkauwers geproduceerd; het resterende deel is afkomstig uit de mest. In onderstaande figuur is de methaanemissie van de Nederlandse veehouderij per diersoort uitgesplitst. Figuur 1a+b: Verdeling van de methaanemissie over de sectoren van de Nederlandse veehouderij op een totale emissie van 14.5 Mton CO2-eq, waarvan 4.5 Mton CO2-eq uit mest (op basis van Van Bruggen et al., 2018).

Figuur 1a+b: Verdeling van de methaanemissie over de sectoren van de Nederlandse veehouderij op een totale emissie van 14.5 Mton CO2-eq, waarvan 4.5 Mton CO2-eq uit mest (op basis van Van Bruggen et al., 2018).

In het Klimaatakkoord is aangegeven dat naast de melkveehouderij- en varkenshouderijsector ook de andere veehouderijsectoren voorstellen moeten indienen voor de wijze waarop zij gaan bijdragen aan de klimaatdoelstelling voor de sector landbouw. Ondanks dat de bijdrage van deze sectoren aan methaanemissie beperkt is, is het wel van belang dat ook zij van de subsidiemodules gebruik kunnen maken om initiatieven verder te kunnen ontwikkelen. Om deze reden zijn de middelen vanuit het Hoofdlijnenakkoord en het Klimaatakkoord gecombineerd, waardoor de subsidiemodules (op termijn) voor alle dierlijke sectoren kunnen worden opengesteld.

3. Doel van de Sbv

Het doel van de Sbv is het ontwikkelen en uitrollen van integrale, brongerichte emissiereducerende maatregelen in zowel bestaande als nieuwe stalsystemen, gericht op broeikasgas- en stalemissies. Dit draagt zowel bij aan de gezondheid en het welzijn van mens en dier als aan realisatie van klimaat- en milieudoelen.

Brongericht betekent dat de uitstoot van verschillende emissies, zoals ammoniak en methaan, zoveel mogelijk wordt voorkomen, namelijk door de emissies bij de bron aan te pakken. Bijvoorbeeld door het snel uit de stal afvoeren en scheiden van urine en mest. Hiermee wordt de uitstoot van ammoniak en andere emissies teruggebracht. Tevens kan gedacht worden aan innovatieve technieken die voorkomen dat emissies die in de mestkelder ontstaan de stalruimte bereiken, waardoor het stalklimaat substantieel verbetert voor mens en dier. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan (gedeeltelijke) luchtafzuiging onder de roosters.

De brongerichte aanpak verschilt van end of pipe maatregelen, waarbij de emissies eerst ontstaan, de stalruimte bereiken en vervolgens pas uit de lucht worden verwijderd voordat de lucht de stal verlaat. Ook end of pipe technieken kunnen in sommige gevallen innovatief zijn.

Om invulling te geven aan de brongerichte verduurzamingsopgave en de klimaatopgave worden twee subsidiemodules (zie hoofdstuk 1 van deze toelichting) in de RNES gefaseerd ingevoerd. De subsidiemodules dragen op de middellange en lange termijn bij aan het verminderen van overlast voor omwonenden van veehouderijen, het verminderen van de milieu- en klimaatbelasting door veehouderijbedrijven naar de leefomgeving én het verbeteren van de kwaliteit van de lucht in stallen voor mens en dier. De huidige erkende maatregelen, bestaande uit investeringen en managementmaatregelen, zijn voornamelijk gericht op één type emissie en hebben in mindere mate een integrale benadering (gericht op broeikasgas- en stalemissies). Hier ligt een taak voor de Rijksoverheid om de integrale brongerichte verduurzaming te ondersteunen. Naast deze taak zijn koplopers onmisbaar voor het in de praktijk ontwikkelen, bouwen en testen van innovaties op het gebied van stalinrichting en nieuwe stalconcepten.

De eerste subsidiemodule (de subsidiemodule Investering in niet-bewezen innovaties) richt zich op innovatie-, onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten waarbij concepten ontwikkeld en getest worden. Het gaat hierbij om subsidie voor drie fases in de ontwikkeling van nieuwe brongerichte verduurzamingsmaatregelen. Het betreft de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (waarin stalinnovaties en managementmaatregelen ontwikkeld en getest worden), de emissiemetingenfase (waar het effect van de stalinnovaties en managementmaatregelen doorgemeten wordt) en de resterende productieve levensduurfase (waarin de innovaties verder gebruikt kunnen worden tijdens de afschrijvingstermijn) (zie paragraaf 4.2.1). Op deze fases wordt in hoofdstuk 4 van deze toelichting in gegaan.

Bovenop het gebruik van brongerichte maatregelen, kunnen innovatieve end of pipe technieken als aanvullende naschakeltechniek worden gebruikt om een deel van de streefwaarde van de reductiepercentages voor de verschillende emissies te realiseren (zie bijlage 2.2 van de Sbv). Randvoorwaarde hierbij is dat deze niet het risico vergroten op stalbranden of negatieve consequenties hebben voor dierenwelzijn.

De tweede subsidiemodule (de investeringsmodule) wordt op een later moment aan titel 2.2. van de RNES toegevoegd. Deze nog in te voeren subsidiemodule gaat zich richten op de aanschaf- en het gebruiksklaar maken van nieuwe bewezen innovaties ten behoeve van emissiereductie in bestaande en nieuwe stalsystemen.

4. Financiering en opbouw van de subsidiemodules

Bijlage 1 van deze toelichting bevat de schematische weergave van de Sbv en de financiering daarvan. Zoals hiervoor is aangegeven komt de Sbv voort uit twee akkoorden: het Hoofdlijnenakkoord enerzijds en het Klimaatakkoord (Bijlage 1: 1a en 1b) anderzijds. De doelen uit de akkoorden komen deels overeen, waardoor de budgetten voor de Sbv gecombineerd worden. Om recht te doen aan de verschillende doelen, gelden voor onderdelen van de Sbv verschillende voorwaarden.

De Sbv bestaat uit twee subsidiemodules: de innovatiemodule (Bijlage 1: 2a1, 2a2 en 2b) en de investeringsmodule (Bijlage 1: 3a1, 3a2 en 3b). De innovatiemodule is gericht op het ontwikkelen van technieken, managementmaatregelen en stalsystemen voor zowel bestaande als nieuwe stallen. De investeringsmodule stimuleert de uitrol van bewezen innovaties op veehouderijlocaties van veehouderijondernemingen. Vanuit het Hoofdlijnenakkoord en het Klimaatakkoord gaat een deel van het budget naar ieder van deze subsidiemodules (zie het kopje budgetten, Bijlage 1).

Binnen de innovatiemodule is het mogelijk om zowel open als gesloten innovaties te subsidiëren. Voor de investeringsmodule is het, op grond van de Europese staatssteunkaders, niet mogelijk om gesloten innovaties te subsidiëren. Open innovatieprojecten kunnen door eenieder worden toegepast. Bij gesloten innovaties gaat het om vertrouwelijke projecten waarbij de nieuwe maatregelen en technieken worden afgeschermd (niet openbaar gemaakt) en worden gepatenteerd.

4.1 Doelen subsidiemodules
4.1.1 Hoofdlijnenakkoord

In Bijlage 1: 1a zijn de doelen voor de verschillende diercategorieën weergegeven die voortkomen uit het Hoofdlijnenakkoord. Voor de varkenshouderijsector is het doel om fijnstof, geur, ammoniak en broeikasgassen te verminderen. Voor de pluimveehouderijsector is het doel vermindering van fijnstof. Voor de melkgeitenhouderijsector is het doel vermindering van methaan-, ammoniak- en geuremissies. Voor fijnstof (en endotoxinen) zijn voor de melkgeitenhouderij op dit moment nog geen reductiedoelen geformuleerd. Deze volgen mogelijk op een later moment uit de resultaten van het VGO-3 onderzoek. De huidige verwachting is dat het resultaat van het vervolgonderzoek medio 2021 opgeleverd wordt.

In het Hoofdlijnenakkoord is eveneens afgesproken dat de Coalitie Vitalisering Varkenshouderij (CoViVa) voor de investeringsmodule een investeringsfonds inricht voor de varkenshouderij. Daaruit kunnen achtergestelde leningen worden verstrekt aan first movers. Vanuit dit fonds worden echter geen subsidies verstrekt.

4.1.2 Klimaatakkoord

De doelen vanuit het Klimaatakkoord voor de Sbv zijn weergegeven in Bijlage 1: 1b. Het hoofddoel is vermindering van broeikasgasemissies, gerealiseerd door alle veehouderijsectoren. Broeikasgassen afkomstig uit de veehouderijsector zijn methaan (CH4), lachgas (N2O) en koolstofdioxide (CO2). Een integrale aanpak is van belang, waarbij overige emissies ook gereduceerd worden. Deze overige emissies zijn fijnstof, endotoxinen, geur en ammoniak. De Sbv draagt bij aan het verminderen van uitstoot van broeikasgassen uit de veehouderijsector. De beoogde reductie ligt tussen de 1,2 tot 2,7 Mton CO2-eq in 2030. Vooral door reductie van methaanuitstoot wordt een grote vermindering in geproduceerde CO2-eq verwacht. Methaan is een sterk broeikasgas en heeft een Global Warming Potential (GWP) van 257. Dit betekent dat een kilo methaan net zo veel effect heeft op de opwarming van de aarde als 25 kilo koolstofdioxide (CO2), uitgedrukt in CO2-eq. Het GWP van lachgas is zelfs 298.

4.2 Opbouw en maximum subsidiebedragen van de subsidiemodules
4.2.1 Innovatiemodule

De innovatiemodule (paragraaf 2.2.2 van de RNES) is schematisch weergegeven in bijlage 1: 2a1, 2a2 en 2b. De innovatiemodule richt zich op het ontwikkelen en testen van investeringen en managementmaatregelen die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen type stalsystemen. Subsidie kan aangevraagd worden door een samenwerkingsverband bestaande uit ten minste één onderzoeksorganisatie, één veehouderijonderneming en eventueel andere ondernemingen. De veehouderijonderneming dient een potentiële eindgebruiker van de investeringen of managementmaatregelen te zijn. De innovatiemodule bevat drie fasen. Op welke wijze het samenwerkingsverband vormgegeven kan worden en wie van de deelnemers in welke fase voor subsidie in aanmerking komt, wordt nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 2.2.2, 2.2.10, 2.2.15 en 2.2.21. Ook wordt daar nader ingegaan op de inhoud van deze fases die kortgezegd op het volgende neerkomt.

De eerste fase betreft de onderzoeks- en ontwikkelingsfase. Binnen deze fase wordt subsidie verstrekt aan een veehouderijonderneming of andere onderneming. Het gaat hierbij om experimentele ontwikkeling, industrieel onderzoek of haalbaarheidsstudies met betrekking tot investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen, alsook managementmaatregelen die kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen. Bij managementmaatregelen kan gedacht worden aan het gebruik van een andere fokkerijmethode, veevoer dan wel additieven in veevoer of in mest. Concreet dienen deze activiteiten te bestaan uit onderzoeks-, ontwikkelings- en pilotprojecten waarbij concepten van brongerichte maatregelen in bestaande of nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen getest worden. De hoogte van de subsidie in de eerste fase is tussen de 25% en 80% van de subsidiabele kosten. Het maximum subsidiebedrag is € 750.000 als de investering of managementmaatregel betrekking heeft op een bestaand stalsysteem en € 1.000.000 als de investering of managementmaatregel betrekking heeft op een nieuw stalsysteem.

De tweede fase betreft de emissiemetingenfase. Binnen deze fase is subsidie aan te vragen voor het uitvoeren van metingen naar de daadwerkelijke emissiereductie van investeringen en managementmaatregelen die in de eerste fase ontwikkeld zijn. Het subsidiebedrag wordt verstrekt aan een onderzoeksorganisatie. De hoogte van de subsidie in de onderzoeksfase is 100% van de subsidiabele kosten met een maximum subsidiebedrag van € 200.000 per veehouderijlocatie.

In de derde fase wordt de subsidie voor de resterende productieve levensduur van de innovatie verstrekt aan een veehouderijonderneming, wanneer uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de innovatie bijdraagt aan brongerichte verduurzaming. Het innovatieproject draagt bij aan brongerichte verduurzaming als ten minste nul procent of meer reductie wordt behaald ten opzichte van de referentiestal. Er mag dus geen achteruitgang plaatsvinden. Daarnaast mag het dierenwelzijn en de brandveiligheid niet achteruit zijn gegaan. Op het moment dat een innovatieproject voor één of meerdere emissiegroepen meer emitteert dan de referentiewaardes of het dierenwelzijn en de brandveiligheid verslechterd, wordt niet voldaan aan brongerichte verduurzaming en komt het innovatieproject niet voor de resterende levensduurfase in aanmerking.

De hoogte van de subsidie bedraagt het percentage aan subsidiabele kosten dat in de eerste fase voor het project is verstrekt (waarbij de maximaal toegestane percentages uit de groepsvrijstellingsverordening landbouw niet overschreden worden). Het maximum subsidiebedrag in de derde fase is € 350.000 per veehouderijlocatie en € 500.000 per veehouderijonderneming. Een veehouderijonderneming kan over meerdere veehouderijlocaties beschikken. Zie hiervoor ook de voorbeeldberekeningen in hoofdstuk 6 van deze toelichting.

Voor de varkenshouderijsector is € 30.000.000 gereserveerd vanuit het Hoofdlijnenakkoord voor de periode van 2020 tot en met 2024 (Bijlage 1: 2a1). Voor de melkgeitenhouderijsector is € 5.000.000 gereserveerd vanuit het Hoofdlijnenakkoord voor de periode van 2020 tot en met 2024 (Bijlage 1: 2a2). Vanuit het Klimaatakkoord is € 41.000.000 beschikbaar, waar alle veehouderijsectoren gezamenlijk gebruik van kunnen maken (Bijlage 1: 2b). Het gereserveerde bedrag voor alle veehouderijsectoren is gefaseerd beschikbaar tussen 2020 en 2030. Er wordt gebruik gemaakt van afzonderlijke subsidieplafonds voor de verschillende veehouderijsectoren. Deze worden per openstelling vastgesteld.

4.2.2 Investeringsmodule

Deze nog in te voeren investeringsmodule gaat zich richten op de aanschaf- en het gebruiksklaar maken van nieuwe bewezen innovaties ten behoeve van integrale, brongerichte emissiereductie in bestaande en nieuwe stalsystemen. Voorzien is dat deze subsidiemodule in 2020 wordt ingevoerd en opengesteld. Bij die regeling zal de inhoud van deze subsidiemodule worden toegelicht.

4.3 Gefaseerde openstellingen en budgetverdeling

Voorzien is om de Sbv – en dus zowel de innovatiemodule als investeringsmodule – twee keer per jaar open te stellen, waarbij per openstelling wordt bezien voor welke diercategorieën die openstelling geldt. De subsidieplafonds zullen op basis hiervan worden vastgesteld.

Voor de innovatiemodule betekent dit dat de eerste openstelling in 2020 alleen gericht is op de varkens-, melkgeiten-, melkvee- en vleeskalverhouderij. Voor deze sectoren zijn namelijk al referentiewaardes beschikbaar voor broeikasgas- en stalemissies. Bij de andere dierlijke sectoren zijn de te hanteren referentiewaardes nog niet bekend. Er wordt gewerkt aan het compleet maken van de referentiewaardes voor alle dierlijke sectoren. Wanneer deze bekend zijn, kan de desbetreffende sector meegenomen worden in een nieuwe openstelling. Referentiewaardes zijn nodig om te kunnen meten met hoeveel procent de broeikasgas- en stalemissies afnemen door middel van de innovatie. Vanwege de urgente klimaatopgave kan met openstelling van de innovatiemodule niet gewacht worden tot alle referentiewaardes bekend zijn. Om deze reden wordt de innovatiemodule zo snel mogelijk opengesteld voor de diercategorieën waar de cijfers wel bekend zijn.

De investeringsmodule wordt met een latere wijzigingsregeling ingevoerd zodra bekend is voor welke investeringen subsidie verstrekt kan worden.

Voor de verschillende diercategorieën (of een combinatie daarvan) worden afzonderlijke subsidieplafonds vastgesteld. Het budget uit het Hoofdlijnenakkoord is al vastgesteld per dierlijke sector. Het budget van het Klimaatakkoord wordt vooraf gereserveerd voor verschillende dierlijke sectoren. Mocht een gereserveerd budget niet opgemaakt worden door een vooraf vastgestelde dierlijke sector, dan wordt het geld beschikbaar gesteld voor een andere sector. Er wordt gewerkt met afzonderlijke subsidieplafonds om in te kunnen spelen op de beoogde reductie van CO2-eq. Een groot deel van het budget vanuit het Klimaatakkoord zal naar innovaties binnen de melkveehouderij gaan, omdat daar de meeste winst valt te behalen voor een reductie van broeikasgassen.

Als voorbeeld voor de gefaseerde openstelling en budgetschotten wordt verwezen naar bijlage 1. Er is vanuit het Klimaatakkoord een budget beschikbaar van € 112.000.000 tussen 2020 en 2030 voor alle veehouderijsectoren. Voor 2020 en 2021 is € 11.000.000 per jaar beschikbaar, daarna structureel € 10.000.000 per jaar. Met budgetschotten worden bedragen gereserveerd per diercategorie. In de eerste openstelling is voor de melkveehouderijsector € 9.000.000 beschikbaar en voor de vleeskalverhouderijsector € 2.000.000. Voor de varkens- en melkgeitenhouderijsector is geen budget beschikbaar vanuit het Klimaatakkoord. Voor de melkveehouderijsector wordt in de eerste openstelling een onderverdeling in het budget gemaakt, waarbij 75% wordt gereserveerd voor investeringen en 25% voor managementmaatregelen. Voor de varkens- en melkgeitenhouderijsector komt de eerste jaren budget beschikbaar vanuit het Hoofdlijnenakkoord (Bijlage 1:2a1 en 2a2). Hierbij wordt voor de varkenshouderijsector in de eerste openstelling een onderverdeling in het budget gemaakt, waarbij 80% wordt gereserveerd voor investeringen en 20% voor managementmaatregelen. Daarnaast is voorzien in een budgetschuif, in geval het budget voor een bepaalde sector niet wordt uitgeput. Dit is verder toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.2.4.

5. Afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria Sbv

Om te bepalen of een aanvrager voor een innovatieproject subsidie krijgt, wordt gebruik gemaakt van afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria. Afwijzingsgronden zijn voorwaarden waar elke projectaanvraag aan dient te voldoen. Indien een project niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt de aanvraag afgewezen. De aanvragen worden gerangschikt op basis van zogenoemde rangschikkingscriteria. De rangschikking is bepalend voor de volgorde waarin de aanvragen subsidie krijgen. Hoe hoger een aanvraag gerangschikt wordt, hoe groter de kans dat hieraan subsidie kan worden gegeven. De afwijzingsronden en rangschikkingscriteria voor de innovatiemodule worden hierna toegelicht. Ook voor de investeringsmodule zullen bij introductie van die module afwijzingsgronden en rangschikkingscriteria gaan gelden. Deze worden toegelicht bij de regeling waarmee de investeringsmodule wordt geïntroduceerd.

5.1 Afwijzingsgronden innovatiemodule

In artikel 2.2.6 van de RNES is opgenomen wanneer een aanvraag voor subsidie wordt afgewezen.

Allereerst dient de aanvrager, ook met het innovatieproject, te voldoen aan wettelijke emissiegrenswaardes. Dit zijn waardes waar veehouderijen op dit moment reeds aan moeten voldoen volgens het Besluit emissiearme huisvesting (Beh). De wettelijke emissiegrenswaardes verschillen per dierlijke sector. Op het moment dat emissiearme huisvestingssystemen beschikbaar zijn, bepaalt het Beh dat dierenverblijven bij oprichting (oprichting, vervanging of uitbreiding van een dierenverblijf) emissiearm moeten zijn. In het Beh staan maximale emissiewaarden, waarbij alleen huisvestingssystemen zijn toegestaan met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde. De subsidie wordt afgewezen, wanneer het aannemelijk is dat met de uitvoering van het innovatieproject de van toepassing zijnde maximale emissiewaarde van het Beh wordt overschreden.

Ten tweede dient de aanvrager aan minimale reductiepercentages te voldoen. Deze minimale reductiepercentages zijn opgenomen in bijlage 2.2 van de RNES. De minimale reductiepercentages zijn gebaseerd op rapporten die zijn opgesteld door WUR met daarin een inschatting van de huidige broeikasgas- en stalemissies in stallen waarin nog geen investeringen of managementmaatregelen zijn toegepast die leiden tot (brongerichte) reductie van voornoemde emissies. Op basis hiervan zijn de minimale reductiepercentages vastgesteld. De subsidie wordt afgewezen indien aannemelijk is dat met de uitvoering van het innovatieproject niet de minimale reducties van broeikasgas- of stalemissies worden behaald die op de desbetreffende veehouderijonderneming van toepassing zijn. Ook wordt de subsidie afgewezen indien er geen reductiepercentage voor de desbetreffende emissie is vastgesteld in bijlage 2.2. Zo is er bijvoorbeeld voor koolstofdioxide en lachgas geen reductiepercentage in bijlage 2.2. vastgesteld. Hierdoor komen innovatieprojecten die betrekking hebben op deze emissies niet voor subsidie in aanmerking bij de eerste openstelling van de innovatiemodule.

Ten derde wordt de subsidie afgewezen indien aannemelijk is dat met de uitvoering van het innovatieproject het niveau van dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderijlocatie zou verminderen. Hierbij kan voor dierenwelzijn bijvoorbeeld worden gedacht aan gladde vloeren of voermaatregelen die negatieve effecten hebben op het welzijn van het dier.

Ten vierde wordt een subsidie afgewezen indien aannemelijk is dat met de uitvoering van het innovatieproject minder dan 40% vast voer wordt verstrekt. Deze afwijzingsgrond heeft betrekking op innovatieprojecten die gericht zijn op brongerichte verduurzaming door middel van investeringen op een veehouderijlocatie van een vleeskalverhouderijonderneming. Onder vast voer wordt een combinatie van ruwvoer en mengvoer verstaan. Door deze eis is er in de stal zowel sprake van methaan uit mest als methaan op basis van penswerking (enterisch methaan). De minimale eis van 40% vast voer is tevens van belang in het kader van het welzijn van de vleeskalveren, ongeacht of het hierbij gaat om rosé- of blankvleeskalveren.

Ten vijfde dient aan de subsidieaanvraag bij de rangschikking minimaal 14 punten te zijn toegekend indien het een innovatieproject ten behoeve van een varkenshouderijonderneming, een melkgeitenhouderijonderneming of een vleeskalverhouderijonderneming betreft. Voor een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming geldt een minimum aantal punten van 29. De subsidieaanvraag wordt afgewezen in het geval niet minimaal het toepasselijke aantal punten behaald wordt. Hiermee wordt geborgd dat bepaalde projecten die kwalitatief onvoldoende zijn toch voor subsidie in aanmerking komen. Op welke wijze deze punten worden toegekend en wat het maximaal aantal te behalen punten is, wordt toegelicht in paragraaf 5.2 van deze toelichting.

Tot slot zijn er voor de emissiemetingenfase (fase 2) en de resterende productieve levensduurfase (fase 3) in artikel 2.2.6, onderdelen c en d, enkele afwijzingsgronden opgenomen. Die bepalen dat de subsidie wordt afgewezen indien er voldaan is aan één van de gronden, bedoeld in artikelen 2.2.18 en 2.2.24. In deze artikelen zijn afwijzingsgronden opgenomen die volgen uit de staatssteunkaders. Een voorbeeld hiervan is de vergunningseis bij de start van de resterende levensduurfase. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 2.2.18 en 2.2.24.

5.2 Rangschikkingscriteria innovatiemodule

De subsidieaanvragen voor een innovatieproject ten behoeve van een varkenshouderijonderneming, een melkgeitenhouderijonderneming of een vleeskalverhouderijonderneming worden op basis van vier criteria gerangschikt. De subsidieaanvragen voor een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming wordt op basis van dezelfde vier criteria en een aanvullend vijfde criterium gerangschikt.

Voor elk van de eerste vier criteria kan een score tussen de 1 en 5 punten worden behaald. Om de nadruk te leggen op criteria die belangrijker zijn, wordt aan bepaalde criteria een zwaardere weging gegeven. Twee van deze criteria hebben een wegingsfactor van 1, één criterium heeft een wegingsfactor van 2 en één criterium heeft een wegingsfactor van 3. Door deze wegingsfactoren is het minimum totaal aantal punten dat voor deze criteria behaald kan worden 7 en het maximum aantal te behalen punten 35. Zoals eerder benoemd bij de afwijzingsgronden, dient een innovatieproject ten behoeve van een varkenshouderijonderneming, een melkgeitenhouderijonderneming of een vleeskalverhouderijonderneming minimaal 14 punten te behalen, om niet te worden afgewezen.

Voor een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming gelden voor de eerste vier criteria dezelfde minimum en maximumwaarden. Daarnaast kan aan een subsidieaanvraag voor een dergelijk innovatieproject nog 15 punten extra worden toegekend als aan een vijfde criterium inzake weidegang voldaan wordt. Zoals eerder benoemd bij de afwijzingsgronden, dient een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming minimaal 29 punten te behalen, om niet te worden afgewezen.

Hieronder worden de verschillende criteria toegelicht, inclusief wegingsfactor. In onderstaande tabellen staan voorbeelden van het minimum en maximum aantal te behalen punten. De volledige tabellen met criteria, inclusief bijbehorende wegingsfactor en maximum score zijn te vinden in bijlage 2 van deze toelichting.

Tabel 1: Rangschikking en puntentoekenning voor een aanvraag betreffende een innovatieproject ten behoeve van een varkenshouderijonderneming, een melkgeitenhouderijonderneming of een vleeskalverhouderijonderneming.

Criteria nummer

Weging

Minimum toekenning

Minimum totaal aantal punten

Maximum toekenning

Maximum aantal totaal punten

a.1°

3

1

1*3=3

5

5*3=15

a.2°

2

1

1*2=2

5

5*2=10

a.3°

1

1

1*1=1

5

5*1=5

a.4°

1

1

1*1=1

5

5*1=5

7

35

Tabel 2: Rangschikking en puntentoekenning voor een aanvraag betreffende een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming.

Criteria nummer

Weging

Minimum toekenning

Minimum totaal aantal punten

Maximum toekenning

Maximum aantal totaal punten

a.1°

3

1

1*3=3

5

5*3=15

a.2°

2

1

1*2=2

5

5*2=10

a.3°

1

1

1*1=1

5

5*1=5

a.4°

1

1

1*1=1

5

5*1=5

b

n.v.t.

0

0

15

15

7

50

A.1°) Hoger percentage integrale reductie – wegingsfactor 3

Allereerst wordt aan een innovatieproject een hoger aantal punten toegekend indien het innovatieproject naar verwachting leidt tot een hoger percentage emissiereductie van de per dierlijke sector relevante broeikasgas- of stalemissies. Dit betekent dat een project dat meer emissiereductie behaalt dan de gestelde minimale reductiepercentages per dierlijke sector, hoger wordt gerangschikt op het moment dat per emissiedoel verwacht wordt een hoger reductiepercentage te behalen.

Voor hogere reductiepercentages, richting de weergegeven streefwaarden (lange termijn ambities), geldt dat – zo nodig – ook innovatieve naschakeltechnieken gebruikt mogen worden die al of niet op de Rav-lijst staan vermeld, om een deel van de reductie te realiseren (zie H3 van deze toelichting). Deze naschakeltechnieken komen echter niet voor subsidie in aanmerking, maar worden wel meegewogen bij de rangschikking van innovatieprojecten. Op de Rav-lijst is per diercategorie een opsomming te vinden van verschillende huisvestingssystemen en de bijbehorende ammoniakemissiefactoren.

Een voorbeeld is een innovatieproject op een varkenshouderijonderneming of -locatie waarbij brongericht het minimale reductiepercentage van 70% voor ammoniak wordt behaald. Deze brongerichte innovatie wordt gesubsidieerd. Indien wordt beoogd met het innovatieproject een reductiepercentage van 75% voor ammoniak te behalen (richting de streefwaarde van 85%), is het mogelijk om met aanvulling van een (innovatieve) naschakeltechniek 5% extra reductie te realiseren. Deze naschakeltechniek wordt niet gesubsidieerd, maar wordt dus wel meegenomen in de rangschikking.

Dit criterium heeft een wegingsfactor van 3, wat betekent dat een minimum aantal punten van 3 kan worden behaald en een maximum aantal punten van 15. De reden dat dit criterium een wegingsfactor van 3 heeft verkregen, is omdat dit het belangrijkste doel is van de innovatiemodule.

Op het moment dat een innovatieproject bijvoorbeeld precies de gestelde minimale reductiepercentages voor de betreffende sector behaalt, kan het zo zijn dat aan dit project 1 punt wordt toegekend. Op het moment dat voor een bepaalde emissie meer dan het gestelde minimale reductiepercentage wordt behaald, kan de score hoger dan 1 zijn. Als een project op alle emissies meer dan het gestelde minimale reductiepercentage behaald, kunnen de volledige 5 punten worden toegekend. Vervolgens wordt het aantal toegekende punten voor dit criterium vermenigvuldigd met 3.

A.2°) Vernieuwingen die economisch meer perspectief bieden – wegingsfactor 2

Ten tweede wordt aan een innovatieproject een hoger aantal punten toegekend indien het innovatieproject meer gericht is op vernieuwingen die economisch meer perspectief bieden voor toepassing op een veehouderijlocatie. Dit houdt in dat een innovatie naast de emissiereductie bijdraagt aan het economische perspectief van een veehouderijlocatie. Onder het economisch perspectief wordt de economische slaagkans verstaan. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de kosten en opbrengsten en aanverwante terugverdientijd van de innovatie.

Dit criterium heeft een wegingsfactor van 2, wat betekent dat een minimum aantal punten van 2 kan worden behaald en een maximum aantal punten van 10. Het bieden van meer economisch perspectief is erg van belang bij het ontwikkelen van innovaties, waardoor dit criterium een wegingsfactor van 2 heeft gekregen. Als een innovatie geen economisch perspectief biedt en bijvoorbeeld zorgt voor een te sterke stijging van de kostprijs, kan dit zorgen dat de innovatie niet verder wordt ontwikkeld en niet verder wordt uitgerold in de sector.

Een innovatieproject dat bijvoorbeeld leidt tot een aanzienlijke verhoging van de kostprijs die niet kan worden terugverdiend, kan een score van 1 krijgen. Een innovatieproject dat zorgt voor verlaging van de kostprijs en dit effect waarschijnlijk op meerdere bedrijfslocaties van de betreffende sector heeft, kan een score van 5 punten krijgen.

A.3°) Dierenwelzijn en brandveiligheid – wegingsfactor 1

Aan een innovatieproject wordt een hoger aantal punten toegekend naarmate het project meer bijdraagt aan dierenwelzijn en brandveiligheid op de veehouderijlocatie.

Dierenwelzijn

Op het gebied van dierenwelzijn wordt een aanvraag hoger gerangschikt als onder andere wordt voldaan aan de volgende punten:

  • Verbetering van het lig- en loopcomfort;

  • Het beter kunnen uitoefenen van het natuurlijk gedrag van het dier;

  • Het houden van dieren zonder ingrepen.

Brandveiligheid

Op het gebied van brandveiligheid wordt een aanvraag hoger gerangschikt als onder andere wordt voldaan aan de volgende punten:

  • Technische ruimten van bestaande stallen voor 2014 worden voorzien van een 60 minuten brandwerende scheiding;

  • Technische ruimten en de dierenverblijven van zowel bestaande als nieuwe stallen worden voorzien van slimme brand- en rookdetectiesystemen.

Dit criterium heeft een wegingsfactor van 1. Het minimum aantal te behalen punten is 1 en het maximum aantal te behalen punten is 5. Het bijdragen aan dierwelzijn en brandveiligheid is van belang, maar is niet het uitgangspunt van de innovatiemodule. Om deze reden is gekozen voor een wegingsfactor van 1.

Innovatieprojecten waarbij niet wordt aangetoond in het projectplan dat het dierenwelzijn en/of de brandveiligheid verbetert, kunnen score 1 krijgen. Innovatieprojecten waarvan de verwachting aan de hand van het projectplan is dat zowel het dierenwelzijn als de brandveiligheid verbeteren, kunnen score 5 krijgen.

A.4°) Vernieuwender t.o.v. internationale stand van onderzoek of techniek – wegingsfactor 1

Ten vierde wordt aan een innovatieproject een hoger aantal punten toegekend indien het innovatieproject vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek. Dit houdt in dat wordt beoordeeld of een innovatieproject vernieuwend is ten opzichte van eerder uitgevoerde onderzoeken of eerder bedachte en geteste technieken. Op grond van dit criterium worden de onderzoeks- en innovatieaspecten beoordeeld. Een project heeft een hogere waardering op dit criterium naarmate het innovatiever is en een hogere onderzoekskwaliteit en mate van vernieuwing in zich bergt. Het kan gaan om een nieuwe technologie (investering of managementmaatregelen) met betrekking tot een bestaand stalsysteem of nieuw type te ontwikkelen stalsysteem of om wezenlijke vernieuwingen of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie. De stand van de techniek, internationaal gezien, is daarbij de maatstaf. Er wordt meer bijgedragen aan dit criterium naarmate er meer sprake is van technologische vernieuwing, bezien in het spectrum van een marginaal technische verbetering tot een technologische doorbraak. Daarbij is een project in een nieuw onderzoeksgebied niet per definitie innovatiever dan een ontwikkelingsproject in een bestaand onderzoeksgebied. Wel geldt dat de technische risico’s die aan een project verbonden zijn beheersbaar dienen te zijn.

Dit criterium heeft een wegingsfactor van 1. Het minimum aantal te behalen punten voor dit criterium is 1 en het maximum aantal te behalen punten is 5. Het is van belang dat een innovatieproject vernieuwend is. Dit is echter minder van belang dan het behalen van de emissiereductiedoelstellingen, het bieden van meer economisch perspectief of het op een eerder moment van start kunnen gaan van een project.

Indien een innovatieproject vergelijkbaar is met eerder uitgevoerd onderzoek of een reeds bedachte techniek, kan een score van 1 punt worden toegekend. Op het moment dat een innovatieproject nog niet eerder in een vergelijkbare vorm is uitgevoerd en veel perspectief biedt, kan een score van 5 punten worden toegekend.

B) Frequentie weidegang, specifiek voor melkveehouderijondernemingen

Weidegang is een belangrijk criterium voor melkveehouderijondernemingen. Innovatieprojecten die weidegang garanderen moeten hoog kunnen eindigen in een vergelijkende rangschikking. Aan een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming worden bovenop de punten die voor voormelde criteria behaald kunnen worden, nog eens 15 punten toegekend indien aannemelijk is dat met de uitvoering van het innovatieproject de frequentie van de weidegang op een veehouderijlocatie gelijk zou zijn aan of meer zou bedragen dan 6 uur per dag gedurende minimaal 120 dagen per jaar. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat er onvoldoende of geen weidegang plaatsvindt op een veehouderijlocatie van een melkveehouderijonderneming. Ook wordt aangesloten bij de (minimale gangbare aangemerkte) eisen zoals onder meer opgenomen in het Convenant Weidegang8.

De puntentoekenning voor dit criterium wijkt af van de voorgaande criteria. In de voorgaande criteria konden 1 tot en met 5 punten toegekend worden. Indien aan dit criterium voldaan wordt, dan worden er 15 punten toegekend. De reden daarvan is dat een melkveehouderijonderneming wel of niet kan voldoen aan het criterium voor weidegang.

6. Subsidiebedrag

Aan de hand van een voorbeeld wordt toegelicht op welke manier de subsidiabele kosten voor de innovatiemodule per fase worden berekend, uitgaande van een (af te schrijven) investering. Het gaat hierbij om een fictief voorbeeld.

In het voorbeeld wordt uitgegaan van een innovatieproject met betrekking tot een investering van € 1.000.000. Het investeringsbedrag in het voorbeeld zijn de investeringen met een lange afschrijvingstermijn, zoals de aanschaf van technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting. In fase 1 komen overigens ook andere kosten in aanmerking voor subsidie zoals de kosten voor het inhuren van onderzoekers of technici en kosten van materialen. Dergelijke kosten worden niet afgeschreven en staan daarom niet in dit voorbeeld.

6.1 Fase 1 – Onderzoeks- en ontwikkelingsfase

In onderstaande tabel is een voorbeeld opgenomen waarbij een investeringsbedrag van € 1.000.000 in twintig jaar volledig wordt afgeschreven. Dit betreft lineaire afschrijving. De onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) duurt maximaal vijf jaar. Hierbij komen de afschrijvingskosten bij dit voorbeeld gedurende de projectduur (vijf jaar afschrijvingskosten van € 50.000 per jaar) op € 250.000. Dit zijn de subsidiabele kosten voor deze investering in fase 1. In fase 1 kunnen ook andere kosten worden gesubsidieerd, zoals hierboven beschreven, maar deze worden niet meegenomen in dit voorbeeld.

Tabel 3: Berekening van het te verlenen subsidiebedrag voor de af te schrijven investering van € 1.000.000 voor fase 1.

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag voor de af te schrijven investering van € 1.000.000

Voorbeeld

Fase 1 – Onderzoeks- en ontwikkelingsfase

 

Subsidiepercentage indien: industrieel onderzoek (50%), kleine onderneming (20%) en kennisverspreiding (10%)

80%

Afschrijvingsmethode

Lineair

Aanschafkosten/ investeringsbedrag

€ 1.000.000,00

Restwaarde

€ –

Afschrijfbare bedrag (aanschaf/rest)

€ 1.000.000,00

Economische levensduur (jaren)

20

Afschrijvingskosten per jaar

€ 50.000,00

Projectduur in jaren

5

Subsidiabele kosten fase 1 (kosten die voor subsidie in aanmerking komen)

€ 250.000,00

De basis-steunintensiteit (subsidiepercentage) verschilt per type onderzoek:

  • 1. Industrieel onderzoek: 50%;

  • 2. Experimentele ontwikkeling: 25%;

  • 3. Haalbaarheidsstudies: 50%.

Daarnaast kunnen bovenstaande percentages op verschillende manieren worden opgehoogd9, zoals:

  • 1. Type onderneming (+ 10 of 20%):

    • a. Middelgrote ondernemingen: + 10%;

    • b. Kleine ondernemingen: + 20%;

  • 2. Daadwerkelijke samenwerking of verspreiding van de projectresultaten (+ 10%);

  • 3. Deze verhoging van 10% vindt plaats indien er sprake is van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en:

    • a. Het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of

    • b. De projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories of gratis of opensource-software.

De maximale subsidiabele bedragen per veehouderijlocatie zijn € 750.000 voor zover het project betrekking heeft op bestaande stalsystemen en € 1.000.000 voor zover het project betrekking heeft op nieuwe stalsystemen.

6.2 Fase 2 – Emissiemetingenfase

De hoogte voor de subsidiabele kosten voor de emissiemetingenfase zijn 100% met een maximum van € 200.000 per veehouderijlocatie. Dit subsidiebedrag wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding binnen het samenwerkingsverband toegekend. Wanneer de kosten hoger zijn dan € 200.000 per veehouderijlocatie, worden deze meer kosten niet gesubsidieerd. Er is immers een subsidiebedrag van maximaal € 200.000 per veehouderijlocatie beschikbaar.

6.3 Fase 3 – Resterende levensduurfase

Het basis-subsidiepercentage voor deze fase is in beginsel gelijk aan het percentage dat in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase voor de betreffende aanvraag is gehanteerd. Daarbij geldt wel dat binnen het percentage gebleven moet worden dat op grond van het betreffende Europese steunkader van toepassing is. Het subsidiepercentage op grond hiervan is 40% van de subsidiabele kosten. Indien bij de investering het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden, of het dierenwelzijn verbeterd en de productiecapaciteit niet wordt verhoogd, kan het subsidiepercentage van 40% met 20 procentpunten worden opgehoogd tot 60%. Daarnaast kan voor jonge landbouwers het subsidiepercentage met nogmaals 20 procentpunten worden opgehoogd tot in totaal 80%.

Omdat het subsidiepercentage bij fase 3 nooit meer mag zijn dan het toegekende subsidiepercentage in fase 1, kan mogelijk niet in alle gevallen de genoemde 80% worden toegekend. Indien bijvoorbeeld in fase 1 een subsidiepercentage van 50% is toegekend, mag het subsidiepercentage in fase 3 nooit meer dan 50% zijn.

Tabel 4: Berekening van de subsidiabele kosten in fase 3.

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag voor de af te schrijven investering van € 1.000.000

Voorbeeld

Fase 3 – Resterende productieve levensduurfase

 

Afschrijvingsmethode

Lineair

Aanschafkosten/ investeringsbedrag

€ 1.000.000,00

Restwaarde

€ –

Afschrijfbare bedrag (aanschaf/rest)

€ 1.000.000,00

Economische levensduur (jaren)

20

Afschrijvingskosten per jaar

€ 50.000,00

Resterende productieve levensduur

15

Subsidiabele kosten fase 3

€ 750.000,00

6.4 Voorbeeldberekening

Om een beeld te geven van de verschillende subsidiepercentages en het effect daarvan op het subsidiebedrag is een voorbeeldberekening gemaakt. In het voorbeeld is gekozen voor het type onderzoek: industrieel onderzoek.

Voorbeeld – Industrieel onderzoek

Voor industrieel onderzoek in fase 1 is het basis subsidiepercentage 50%. In dit voorbeeld is ervanuit gegaan dat een kleine onderneming de subsidieaanvraag indient (+ 20%) en de projectresultaten ruim verspreid via conferenties en publicaties (+ 10%). Hierbij komt het subsidiepercentage voor fase 1 op 80%. Dit subsidiepercentage wordt vervolgens toegepast op de subsidiabele kosten. De subsidiabele kosten zijn € 250.000, omdat in dit voorbeeld alleen de afschrijvingskosten gedurende de looptijd van het project worden gesubsidieerd. Overige kosten zijn niet opgenomen in het voorbeeld. Door de subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met 80% komt het subsidiebedrag in dit voorbeeld uit op € 200.000.

Tabel 5: Voorbeeldberekening industrieel onderzoek fase 1.

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag voor de af te schrijven investering van € 1.000.000

Voorbeeld

Fase 1 – Onderzoeks- en ontwikkelingsfase

 

Subsidiepercentage indien: industrieel onderzoek (50%), kleine onderneming (20%) en kennisverspreiding (10%)

80%

Afschrijvingsmethode

Lineair

Aanschafkosten/ investeringsbedrag

€ 1.000.000,00

Restwaarde

€ –

Afschrijfbare bedrag (aanschaf/rest)

€ 1.000.000,00

Economische levensduur (jaren)

20

Afschrijvingskosten per jaar

€ 50.000,00

Projectduur in jaren

5

Subsidiabele kosten fase 1 (kosten die voor subsidie in aanmerking komen)

€ 250.000,00

   

Subsidiebedrag fase 1

€ 200.000,00

Vervolgens wordt één locatie van deze veehouderijonderneming doorgemeten in fase 2. De maximale subsidiabele kosten zijn € 200.000 per veehouderijlocatie. Deze worden verstrekt aan de onderzoeksorganisatie die het effect meet dat de investeringen hebben op de broeikasgas- en stalemissies. In het geval de meetkosten voor de locatie in dit voorbeeld € 150.000 zijn, ontvangt de onderzoeksorganisatie die de metingen uitvoert in totaal € 150.000 subsidie.

Tot slot wordt in fase 3 de resterende productieve levensduur van de innovatie gesubsidieerd, aangezien duidelijk is geworden dat een aanzienlijke reductie ten opzichte van de referentiestal wordt behaald. In totaal komt deze veehouderijonderneming in aanmerking voor 60% subsidie. Het standaard subsidiepercentage is 40%. Daarnaast draagt de innovatie bij aan verbeteringen van het natuurlijke milieu en het dierenwelzijn. De onderneming heeft geen verhoging van de productiecapaciteit. De resterende productieve levensduur is in dit voorbeeld 15 jaar, waarbij de subsidiabele kosten € 750.000 zijn. Het subsidiebedrag zou daarmee uitkomen op 60% van € 750.000 is € 450.000. Echter komen deze kosten boven de maximaal toegestane subsidie per veehouderijlocatie van € 350.000 uit. Om deze reden wordt € 350.000 subsidie toegekend in plaats van € 450.000.

Tabel 6: Voorbeeldberekening industrieel onderzoek fase 3.

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag voor de af te schrijven investering van € 1.000.000

Voorbeeld

Fase 3 – Resterende productieve levensduurfase

 

Afschrijvingsmethode

Lineair

Aanschafkosten/ investeringsbedrag

€ 1.000.000,00

Restwaarde

€ –

Afschrijfbare bedrag (aanschaf/rest)

€ 1.000.000,00

Economische levensduur (jaren)

20

Afschrijvingskosten per jaar

€ 50.000,00

Resterende productieve levensduur

15

Subsidiabele kosten fase 3

€ 750.000,00

   

Subsidiepercentage fase 1: 80%, tevens maximum subsidiepercentage voor fase 3

 

Subsidiepercentage fase 3: 60% (wanneer de productiecapaciteit niet toe is genomen door de investering)

60%

Subsidiebedrag fase 3, geen rekening gehouden met maximum subsidiabele kosten fase 3

€ 450.000,00

   

Maximale subsidiabele kosten fase 3 per veehouderijlocatie

€ 350.000,00

   

Subsidiebedrag fase 3

€ 350.000,00

In totaal wordt aan de veehouderijonderneming een subsidiebedrag van € 550.000 toegekend. Dit is 55% van de totale kosten die zijn gemaakt voor een investering, zoals de aanschaf van technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting.

Tabel 7: Voorbeeldberekening industrieel onderzoek totaaloverzicht subsidiebedrag.

Berekening van het te verlenen subsidiebedrag voor de af te schrijven investering van € 1.000.000

Voorbeeld

Subsidiebedrag fase 1

€ 200.000,00

Maximum subsidiebedrag fase 3

€ 350.000,00

Totaal subsidiebedrag fase 1 + 3

€ 550.000,00

Subsidiepercentage fase 1 en 3 t.o.v. totaal investeringsbedrag

55%

6.5 Fiscale aspecten

De subsidie die in het kader van de Sbv wordt verkregen, behoort in zijn algemeenheid tot de winst. De Sbv leidt niet tot heffing van btw over beide subsidiemodules. Zowel de innovatiemodule als de investeringsmodule richt zich op het verminderen van gezondheids- en leefomgevingsrisico’s, geuroverlast, milieubelasting en bijdrage aan klimaatverandering door veehouderijondernemingen. Uit de regeling is geen verbruik bij wie dan ook, anders dan de samenleving in algemene zin, vast te stellen dan het bieden van financiële ondersteuning om toe te werken naar een duurzame veehouderijsector.

7. Staatssteun

7.1 Vormgeving innovatiemodule

De innovatiemodule (paragraaf 2.2.2) richt zich op innovatieprojecten waarbij concepten ontwikkeld en getest worden. De subsidie die op grond van deze subsidiemodule verstrekt wordt, is staatsteun die gerechtvaardigd wordt door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase), artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (voor de emissiemetingenfase) en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (voor de resterende productieve levensduurfase). Om deze combinatie van subsidies voor verschillende fases van het innovatieproject (en daarmee de combinatie van verschillende artikelen uit de groepsvrijstellingsverordeningen) vorm te geven is de innovatiemodule onderverdeeld in verschillende paragrafen.

In paragraaf 2.2.2.1 zijn algemene bepalingen opgenomen. Deze paragraaf vormt de basis voor de systematiek van de innovatiemodule. Zo is geregeld dat voor een innovatieproject subsidie kan worden verkregen, dat dit project bestaat uit de hiervoor genoemde fases en dat de hoogte van de subsidie het totaal is van de voor de verschillende fases te verkrijgen subsidie. Verder zijn enkele algemene bepalingen opgenomen die van toepassing zijn op alle fases van het innovatieproject. Dat betreft bijvoorbeeld de wijze van verdeling van het subsidieplafond, de realisatietermijn, de rangschikkingscriteria, bepaalde afwijzingsgronden en informatieverplichtingen.

De paragrafen 2.2.2.2 tot en met 2.2.2.4 hebben betrekking op de verschillende fases van het innovatieproject en bevatten specifiek op die fases van toepassing zijnde voorwaarden. Zo is voor iedere fase geregeld voor welke activiteiten subsidie wordt verstrekt, wat de hoogte van de subsidie is en wat de subsidiabele kosten voor de desbetreffende fase zijn. Ook zijn hierin enkele bepalingen opgenomen die invulling geven aan de artikelen van de groepsvrijstellingsverordeningen, die de basis vormen voor de innovatiemodule, enkele specifieke voorwaarden voor de verstrekking van steun. Het gaat dan bijvoorbeeld om afwijzingsgronden of verplichtingen waar de subsidieontvanger aan moet voldoen. Dergelijke voorwaarden, die gekoppeld zijn aan de artikelen die de basis vormen voor subsidieverstrekking voor die betreffende fase, zijn ook in deze paragrafen opgenomen. Zo wordt verzekerd dat voor iedere fase voldaan wordt aan de toepasselijke voorwaarden uit de groepsvrijstellingsverordeningen.

Van belang is dat de innovatiemodule gefaseerd van toepassing zal worden voor de verschillende veehouderijsectoren. Dit is met name relevant voor fase 3 van de innovatiemodule die gerechtvaardigd wordt door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Het tiende lid van dit artikel bepaalt namelijk dat de steun niet mag worden beperkt tot specifieke landbouwproducten en dat de steun dus ter beschikking moet worden gesteld aan alle sectoren van de primaire landbouwproductie, van de hele sector plantaardige productie of van de hele sector dierlijke productie. Met de gefaseerde invoering van de voormelde subsidiemodule voor de hele sector dierlijke productie wordt invulling gegeven aan deze bepaling (zie ook paragraaf 4.3 van deze toelichting). Ook wordt met de gefaseerde aanpak invulling gegeven aan de ambities en afspraken uit het Klimaatakkoord. Van belang is dat in het Klimaatakkoord voor de veehouderij diverse emissiereducties zijn opgenomen en is afgesproken dat zowel door de zuivelsector als door de varkenshouderijsector plannen van aanpak zullen komen voor reductie van emissies. Voor de overige veehouderijsectoren zijn in het Klimaatakkoord geen concrete afspraken gemaakt. Wel is aan de overige sectoren verzocht om aan te geven op welke wijze zij een bijdrage zullen leveren aan de klimaatdoelen voor de veehouderij. Deze sectoren werken aan een verduurzamingsaanpak, waarin ook de bijdrage aan de klimaatdoelstellingen zullen worden uitgewerkt. Aan de hand van de verduurzamingsaanpak wordt duidelijk naar welke emissiereducties de overige sectoren toewerken. Zodra de plannen door de sector ontwikkeld zijn, kan de subsidiemodule uitgebreid worden.

7.2 Aanmeldingsdrempels, steunintensiteit, transparantie, stimulerend effect en cumulatie

De voor de innovatiemodule toepasselijke maximale steunpercentages zijn opgenomen in voormelde artikelen van de algemene groepsvrijstellingsverordening en groepsvrijstellingsverordening landbouw. De gestelde eisen in titel 2.2 van de RNES, alsook de algemene eisen uit het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies zorgen ervoor dat de subsidie verleend wordt in overeenstemming met de eisen uit voormelde artikelen uit de algemene groepsvrijstellingsverordening en groepsvrijstellingsverordening landbouw en dat wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot transparantie, stimulerend effect en cumulatie. Ook blijft voormelde subsidiemodule binnen de daarvoor geldende drempels voor aanmelding van de steun en maximum steunintensiteiten. In de innovatiemodule wordt verwezen naar de relevante basis in de algemene groepsvrijstellingsverordening of groepsvrijstellingsverordening landbouw.

7.3 Kennisgeving en openbare bekendmaking van gegevens inzake steunverlening

Van de publicatie en openstelling van deze subsidiemodule zal een kennisgeving aan de Europese Commissie worden gedaan, conform artikel 11, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 9, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Indien een subsidie die op grond van de innovatiemodule wordt verleend, staatssteun bevat die door de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, maakt de minister op grond van artikel 1.8 van de RNES binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:

  • a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en

  • b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 500.000.

Indien een subsidie die op grond van deze subsidiemodule wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening landbouw wordt gerechtvaardigd, maakt de minister op grond van artikel 1.8 van de RNES binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:

  • a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, en

  • b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:

    • 1°. € 60.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of

    • 2°. € 500.000 voor begunstigden die actief zijn in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector, of die activiteiten uitoefenen die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen.

Hierbij gaat het om onder andere de volgende gegevens indien de individuele steun meer bedraagt dan € 500.000: naam van de begunstigde, soort onderneming, steunelement (uitgedrukt in hele bedragen), steuninstrument, datum van toekenning, doel van de steun en de steunverlenende autoriteit.

8. Regeldruk

In dit hoofdstuk wordt een inschatting gegeven van de kosten van de administratieve lasten van de innovatiemodule. In de toelichting bij de regeling waarmee de investeringsmodule wordt geïntroduceerd wordt ingegaan op de administratieve lasten waarmee die module gepaard gaat. Om in aanmerking te komen voor een subsidie, worden door de subsidieaanvragers administratieve handelingen verricht. Hieronder volgt een inschatting van deze kosten. Een concept van de innovatiemodule is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk en is niet geselecteerd voor formele advisering.

Subsidieaanvragers die gebruik willen maken van de innovatiemodule moeten administratieve handelingen verrichten om in aanmerking te komen voor een subsidie en, in geval een subsidie wordt toegekend, om verantwoording af te leggen over de verplichtingen die verbonden zijn aan de subsidie. In deze paragraaf worden uitsluitend de administratieve lasten meegenomen die rechtstreeks voortvloeien uit deelname aan de subsidiemodules. Het indienen van een subsidieaanvraag is vrijwillig en kan gedaan worden tijdens nader te bepalen openstellingsperioden.

Ten behoeve van de vaststelling van de administratieve lasten die voortvloeien uit de Sbv wordt uitgegaan van 200 tot 300 subsidieaanvragen in de periode 2020-2030 gezien de beschikbaarheid van de middelen. Vanwege de onzekerheid van dit aantal worden de administratieve lasten in deze paragraaf zowel voor het totaal van 250 aanmeldingen als per individuele subsidieaanvraag weergegeven (tabel 7).

Ingeschat wordt dat, binnen het beschikbare budget van € 71 miljoen, er ruimte is om aan circa 60 samenwerkingsverbanden een subsidie te verstrekken voor het ontwikkelen van nieuwe brongerichte maatregelen. Het budget van € 71 miljoen (Bijlage 1) is een optelsom van de budgetten voor de innovatiemodule. De administratieve lasten die voortvloeien uit de verplichtingen die aan subsidieverlening zijn verbonden, worden weergegeven per veehouderijonderneming en voor dit aantal van 60 (tabel 8).

Tabel 8: Administratieve lasten verbonden aan de aanvraag van een innovatiesubsidie, per aanvraag en in totaal, onder de aanname van 250 aanvragen.

Handeling/verplichting

Uitgangspunt berekening

Administratieve last per aanvraag

Administratieve last bij 250 aanvragen

Kennisneming/ zich op de hoogte stellen van de verplichting

2 uur * € 54,00

€ 108,00

€ 27.000

Gegevens verkrijgen

2 uur * € 54,00

€ 108,00

€ 27.000

Opstellen projectplan en begroting

 

€ 2.160,00

€ 540.000

Formulieren invullen, tabelleren, classificeren

0,5 uur * € 54,00

€ 27,00

€ 6.750

Opstellen samenwerkingsovereenkomst

4 uur * € 54,00

€ 216,00

€ 54.000

Totaal per aanvraag

 

€ 2.619,00

 

Totaal per 250 aanvragen

   

€ 1.309.500

Tabel 9: Administratieve lasten na toekenning van een innovatiesubsidie, per aanvraag en in totaal, onder de aanname van 60 toegekende subsidies.

Handeling/verplichting

Uitgangspunt berekening

Administratieve last per aanvraag

Administratieve last bij 60 aanvragen

Formulieren invullen, tabelleren, classificeren

0,5 uur * € 54,00

€ 27,00

€ 1.620

Data versturen en publiceren

0,5 uur * € 54,00

€ 27,00

€ 1.620

Opstellen eindverslag

20 uur * € 54,00

€ 1.080,00

€ 64.800

Laten opstellen controleverklaring accountant

Investeringskosten

€ 2.500,00

€ 150.000

Totaal per aanvraag

 

€ 3.634,00

 

Totaal per 60 aanvragen

   

€ 218.040

De totale administratieve lasten die voortvloeien uit de innovatiemodule, onder de aanname van 250 aanvragen en 60 toegekende subsidies, worden daarmee ingeschat op € 1.527.540.

De administratieve last voor het indienen van een aanvraag bedraagt € 2.619. Indien het project wordt goedgekeurd moet (voor de vaststelling) nog eens € 3.634 aan administratieve lasten gemaakt worden. De totale administratieve lasten voor een aanvrager bedragen daarmee € 6.253. Er is een budget van € 71 miljoen waarmee ongeveer 60 projecten kunnen worden gefinancierd. Dat betekent een gemiddeld subsidiebedrag van € 1.183.333. De verhouding tussen de administratieve last en de subsidie is daarmee 0,53%. Aanvragen die niet in aanmerking komen voor subsidie hebben dus wel administratieve lasten gemaakt van € 2.619.

Nalevingskosten zijn de kosten die veehouderijondernemingen moeten maken om te voldoen aan inhoudelijke eisen uit wet- en regelgeving. Aan deze regeling zijn geen nalevingskosten verbonden, anders dan de hiervoor genoemde administratieve verplichtingen. Wel moeten de resultaten op het internet beschikbaar blijven tot ten minste vijf jaar nadat de subsidiabele activiteiten zijn afgerond.

9. Uitvoering en handhaving innovatiemodule

De Sbv wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Bij de inhoudelijke beoordeling en rangschikking van de projectvoorstellen zal gebruik worden gemaakt van expertise op het gebied van met name broeikasgas- en stalemissies uit stalsystemen. Door de aanvragen te rangschikken op inhoudelijke criteria komen de meest kansrijke projecten als eerste in aanmerking.

De controle en handhaving van de Sbv is eveneens in handen van RVO.nl. RVO.nl monitort de voortgang van de projecten aan de hand van bedrijfsbezoeken en voortgangsrapportages. RVO.nl controleert of de onderzoeksorganisatie de resultaten van de emissiemetingen op het internet publiceert. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld met een eindverslag en een accountantsverklaring. Op deze manier vindt volledige verantwoording plaats van de prestatie en de kosten.

RVO.nl heeft voor de Sbv een Uitvoerings- en handhavingstoets (UHT) uitgevoerd. De Sbv is over het geheel genomen door RVO.nl uit te voeren en te handhaven. Blijkens de UHT vraagt RVO.nl op een aantal punten aandacht voor de uitvoerbaarheid van de Sbv. In algemene zin betreft het een complexe subsidiemodule met veel verwijzingen naar diverse (steun)kaders. Dit vraagt om een goede vertaling naar de praktijk en praktisch bruikbare communicatie.

Voor de emissiemetingsfase geldt dat deze alleen uitgevoerd wordt door een onderzoeksorganisatie. De onderzoeksorganisatie moet tevens deelnemer zijn in het samenwerkingsverband en is daardoor (mede)begunstigde van de subsidie.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Met dit artikel wordt een nieuwe titel 2.2 Brongerichte verduurzaming van stallen en managementmaatregelen opgenomen in de RNES. Deze titel bestaat thans uit algemene bepalingen (paragraaf 2.2.1) en de subsidiemodule Investering in niet-bewezen innovaties (paragraaf 2.2.2) (hiervoor in hoofdstuk 1 van de algemene toelichting ook al aangeduid als de innovatiemodule). Op korte termijn wordt hieraan de subsidiemodule investering in brongerichte innovaties toegevoegd (hiervoor in hoofdstuk 1 van de algemene toelichting al aangeduid als investeringsmodule). Deze subsidiemodule zal zich gaan richten op de investering in de aanschaf- en het gebruiksklaar maken van nieuw bewezen innovaties ten behoeve van de nieuwbouw, verbouwing en inrichting van stalsystemen. Deze subsidiemodule zal in de loop van de tijd gefaseerd van toepassing moeten worden op alle sub-sectoren die zich bezighouden met dierlijke productie en beoogt zowel de eerste marktintroductie (‘first movers’) als praktijktoepassing van investeringen in nieuwe effectieve en erkende emissiebeperkende maatregelen in stalsystemen te stimuleren in de vorm van een gedeeltelijke subsidiëring van de onrendabele top hiervan. Bij de eerste openstelling zal deze subsidiemodule zich richten op de praktijk toepassing van investeringen door pluimveehouderijondernemingen. Bij de inrichting van titel 2.2 is al rekening gehouden met deze toe te voegen module. Te zijner tijd wordt de huidige paragraaf met de slotbepaling (thans paragraaf 2.2.3) vervangen door twee nieuwe paragrafen (de voornoemde subsidiemodule in een nieuwe paragraaf 2.2.3 en de slotbepaling in een nieuwe paragraaf 2.2.4).

§ 2.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 2.2.1. Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die van belang zijn voor beide subsidiemodules. Zo wordt omschreven wat onder een veehouderijonderneming wordt verstaan en worden voor zover relevant ook de verschillende type veehouderijondernemingen omschreven. Deze ondernemingen zijn in ieder geval te beschouwen als landbouwondernemingen die de typen activiteiten uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 2.2.1. De definitie landbouwonderneming staat beschreven in artikel 1.1 van de RNES. De subsidie wordt ingezet voor subsidiabele activiteiten op een veehouderijlocatie (een vestiging van een veehouderijonderneming).

Daarnaast wordt in de begripsbepalingen een koppeling gemaakt met de activiteiten waarvoor op grond van de onderhavige subsidiemodules subsidie verleend kan worden. Zo is een definitie opgenomen van brongerichte verduurzaming. De focus van de subsidiabele activiteiten ligt namelijk op brongerichte verduurzaming. Brongerichte verduurzaming is gericht op het zo veel mogelijk voorkomen van de vorming van broeikasgasemissies of stalemissies op een veehouderijlocatie. Kenmerk van maatregelen gericht op brongerichte verduurzaming is dat deze maatregelen verder gaan dan de maatregelen die op dit moment beschikbaar zijn, zoals frequente verwijdering van verse mest uit stallen, het scheiden van mest in een dunne en dikke fractie, koelen van de mest, gebruik van additieven in het voer en nabehandeling van mest om methaanemissies te voorkomen.

Ook is er een definitie van onderzoeksorganisatie opgenomen. Uit deze definitie volgt dat hieronder wordt verstaan ‘een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening’, zoals Wageningen University & Research (WUR) en het Instituut voor Landbouw-, Visserij en Voedingsonderzoek (ILVO). Naast subsidie die door de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, wordt op grond van de innovatiemodule echter ook steun verleend die gerechtvaardigd wordt door de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Omdat de groepsvrijstellingsverordening landbouw geen definitie van onderzoeksorganisatie bevat, wordt evenwel voor dat deel van de subsidie aangesloten bij voormelde definitie uit de algemene groepsvrijstellingsverordening. Uit de context van beide verordeningen en aanverwante Europese steunkaders, kan namelijk afgeleid worden dat voormelde definitie een adequate omschrijving geeft van wat ook in de groepsvrijstellingsverordening landbouw onder een dergelijke onderzoeksorganisatie verstaan kan worden.

§ 2.2.2. Investering in niet-bewezen innovaties

In deze paragraaf is de innovatiemodule opgenomen, die zich richt op innovatieprojecten waarbij concepten ontwikkeld en getest worden. Doel van deze innovatieprojecten is om te komen tot brongerichte verduurzaming door de vermindering van broeikasemissies of stalemissies. Deze subsidiemodule bevat een algemene paragraaf en een drietal paragrafen die betrekking hebben op de drie fases waaruit een innovatieproject bestaat.

§ 2.2.2.1. Algemeen
Artikel 2.2.2. Subsidieverstrekking

Op grond van dit ‘basisartikel’ wordt subsidie verstrekt voor innovatieprojecten die gericht zijn op brongerichte verduurzaming op een veehouderijlocatie. Deze innovatieprojecten dienen te leiden tot onderzoek- en ontwikkeling naar investeringen of managementmaatregelen die bijdragen aan een brongerichte verduurzaming op een veehouderijlocatie van een veehouderijonderneming. Zoals in de paragrafen 4.1 en 4.2 reeds uiteen is gezet, is er voor deze subsidiemodule voorzien in budget uit enerzijds het Hoofdlijnenakkoord en anderzijds het Klimaatakkoord. Om dit onderscheid ook in de uitvoering te kunnen maken en te borgen dat deze middelen juist worden besteed, is onderscheid gemaakt in innovatieprojecten betreffende een veehouderijlocatie van een varkenshouderijonderneming, melkgeitenhouderijondernemingen, melkveehouderijondernemingen en vleeskalverhouderijondernemingen. Zoals in paragraaf 4.5 toegelicht, is beoogd de subsidiemodule gefaseerd voor alle soorten veehouderijondernemingen in te voeren. Dit betekent dat in de loop van de komende jaren ook andere veehouderijondernemingen gefaseerd aan de groep van potentiële subsidieaanvragers in dit artikel worden toegevoegd.

In het tweede lid van artikel 2.2.2 wordt ingegaan op de drie fases waaruit een innovatieproject bestaat, te weten: (1) de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, bedoeld in artikel 2.2.10, (2) de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.2.15 en (3) de resterende productieve levensduurfase, bedoeld in artikel 2.2.21. De subsidie die voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) verleend wordt, is bestemd voor experimentele ontwikkeling en industrieel onderzoek of een haalbaarheidsstudie met betrekking tot investeringen of managementmaatregelen die zouden kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming op een veehouderijlocatie met een bestaand stalsysteem of een nieuw te ontwikkelen type en te bouwen stalsysteem. De subsidieaanvrager zal derhalve een keuze moeten maken of deze subsidie aanvraagt voor een innovatieproject dat betrekking heeft op investeringen of een innovatieproject dat betrekking heeft op managementmaatregelen. In de emissiemetingenfase (fase 2) dient het effect gemeten te worden van de activiteiten die in fase 1 plaatsvinden of hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de resterende productieve levensduurfase (fase 3) wordt subsidie verleend voor de afschrijvingskosten voor de resterende productieve levensduur van de onderzochte en ontwikkelde investeringen die toegepast kunnen worden ten behoeve van de primaire productie van landbouwproducten. Deze subsidie wordt echter alleen verleend indien de activiteiten in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) en emissiemetingenfase (fase 2) tot een (positief) resultaat (in ieder geval meer dan nul procent reductie geleid hebben en de investeringen gebruiksklaar zijn voor het gebruik bij de primaire productie van landbouwproducten. Wat de subsidiabele activiteiten behelzen en welke specifieke bepalingen daar verder op van toepassing zijn, wordt nader uitgewerkt in de toelichting van de bijhorende sub-paragrafen van deze subsidiemodule (sub-paragrafen 2.2.2.2, 2.2.2.3 en 2.2.2.4).

De subsidie wordt verleend aan een specifieke deelnemer in een samenwerkingsverband (hierna: de subsidieontvanger) die met andere partijen samenwerkt. Uit het derde lid, in samenhang met de artikelen 2.2.10, 2.2.15 en 2.2.21, volgt dat binnen een samenwerkingsverband een of meerdere veehouderijondernemingen subsidie kunnen aanvragen. Het initiatief voor een innovatieproject ligt binnen een samenwerkingsverband bij een of meerdere deelnemende veehouderijondernemingen die zich richten op de activiteiten die plaatsvinden in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) van het innovatieproject. Ook dient een samenwerkingsverband ten minste één onderzoeksorganisatie te bevatten. De emissiemetingenfase (fase 2) dient namelijk door een onderzoeksorganisatie uitgevoerd te worden. De subsidie voor emissiemetingen wordt verstrekt aan de betreffende onderzoeksorganisatie.

De veehouderijonderneming (en eventuele onderzoeksorganisatie) kan voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) samenwerken met andere ondernemingen die subsidie kunnen aanvragen. Het hangt van het soort innovatieproject af welke type ondernemingen dit zullen zijn, zoals stal-inrichtingsbedrijven, aannemers, veevoerfabrikanten, meetlaboratoria en/of adviesbureaus. Daarnaast is het mogelijk om ervoor te kiezen om niet met deze partijen samen te werken, maar om tegen transparante en marktconforme voorwaarden gebruik te maken van diensten of producten van deze of andere derde(n), zoals onderzoeksorganisaties.

Verder is gewaarborgd dat de voormelde innovatieprojecten ten behoeve van een veehouderijonderneming plaatsvinden. Ten minste één veehouderijonderneming moet namelijk een potentiële eindgebruiker van de onderzochte en ontwikkelde innovaties zijn. Deze bepaling is met name van belang, omdat het doel uiteindelijk is dat een veehouderijonderneming de investering of managementmaatregel gaat gebruiken. Ook wordt hiermee gewaarborgd dat de veehouderijonderneming die in de productieve levensduurfase een bepaalde investering gaat gebruiken direct gedurende het hele project betrokken is.

Tot slot is voor voormelde verhoudingen binnen het samenwerkingsverband van belang dat elke deelnemer uit het samenwerkingsverband als penvoerder kan optreden. De penvoerder is degene die namens het samenwerkingsverband de aanvraag indient. Dit is bepaald in artikel 21 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, waaronder de RNES (en dus onderhavige subsidiemodule) valt. De beschikking tot subsidieverlening wordt verzonden aan de penvoerder, maar de subsidie zal uiteindelijk verleend en betaald worden aan de subsidieontvanger die de desbetreffende subsidiabele activiteiten uitvoert. Dit betekent dat voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) de veehouderijonderneming en/of andere ondernemingen de begunstigde van de subsidie is respectievelijk zijn. Voor de emissiemetingenfase (fase 2) wordt de subsidie aan de desbetreffende onderzoeksorganisatie verleend. Voor de resterende productieve levensduurfase (fase 3) wordt de subsidie verleend aan de desbetreffende veehouderijonderneming. Bij de toelichting op de paragrafen 2.2.2.2, 2.2.2.3 en 2.2.2.4 wordt nader in gegaan op de subsidiabele activiteiten en wie de begunstigden van de subsidie zijn.

Artikel 2.2.3. Hoogte subsidie

In dit artikel is een bepaling opgenomen die de hoogte van de totale subsidie van het innovatieproject regelt. Dit is het totaal aan subsidie dat wordt verstrekt op grond van artikel 2.2.10 voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, op grond van artikel 2.2.16 voor de emissiemetingenfase en op grond van artikel 2.2.22 voor de resterende productieve levensduurfase.

Artikel 2.2.4. Verdeling subsidieplafond

Dit artikel bepaalt allereerst op welke wijze het subsidieplafond wordt verdeeld. Dat vindt plaats op volgorde van rangschikking van de aanvragen (per subsidieplafond). Op deze wijze worden projecten hoger gerangschikt die in hogere mate aan de doelstellingen van deze subsidiemodule bijdragen. Hoe hoger een project wordt gerangschikt, hoe eerder het voor subsidie in aanmerking komt. Alleen aan de projecten die na de rangschikking binnen het subsidieplafond passen, wordt subsidie verleend. Op het moment dat het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van de subsidieaanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt overeenkomstig het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, vastgesteld door middel van loting.

Verder gaat dit artikel in op eventuele verschuivingen van budget tussen subsidieplafonds. Van belang hierbij is dat voor elk soort innovatieproject (per type veehouderijonderneming) een ander subsidieplafond wordt vastgesteld. Er worden derhalve subsidieplafonds vastgesteld voor varkenshouderijondernemingen, melkgeitenhouderijondernemingen, melkveehouderijondernemingen en vleeskalverhouderijondernemingen. Bij de eerste openstelling van de innovatiemodule wordt voor varkenshouderijondernemingen en melkveehouderijondernemingen voor de verschillende type projectactiviteiten een afzonderlijk subsidieplafond gehanteerd. Voor deze veehouderijondernemingen geldt dus zowel voor innovatieprojecten met betrekking tot investeringen als innovatieprojecten met betrekking tot managementmaatregelen een afzonderlijk subsidieplafond. Indien deze subsidieplafonds niet geheel gebruikt worden, dan wordt het voor de ene soort activiteit aanvankelijk overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor de andere soort activiteit toegevoegd. Op deze wijze wordt bevorderd dat het beschikbare budget (zoveel mogelijk) wordt gebruikt voor een innovatieproject van een bepaald type veehouderijonderneming.

Bij de subsidieplafonds van varkenshouderijondernemingen en melkgeitenhouderijondernemingen wordt gebruik gemaakt van budget dat afkomstig is uit het Hoofdlijnenakkoord. Bij de subsidieplafonds van melkveehouderijondernemingen en vleeskalverhouderijondernemingen wordt gebruik gemaakt van klimaatbudget. Voor de achtergrond bij deze beide type budgetten wordt verwezen naar paragrafen 1.1 en 1.2 van het algemene deel van de toelichting.

Voor het klimaatbudget is het gewenst dat dit eerst wordt ingezet voor innovatieprojecten ten behoeve van melkveehouderijondernemingen en vleeskalverhouderijondernemingen, en indien er een bedrag overblijft vervolgens zo nodig nog voor innovatieprojecten ten behoeve van varkenshouderijondernemingen en tot slot voor melkgeitenhouderijondernemingen. Op deze wijze wordt het klimaatbudget (zoveel mogelijk) over alle type veehouderijondernemingen verdeeld. In het geval klimaatbudget wordt verschoven ten behoeve van innovatieprojecten, waarvoor zowel een subsidieplafond met betrekking tot investeringen als een subsidieplafond met betrekking tot managementmaatregelen gehanteerd wordt, vindt de hiervoor beschreven verschuiving van klimaatbudget plaats naar het subsidieplafond met betrekking tot investeringen. De verwachting is namelijk dat de meeste innovatieprojecten hierop gericht zullen zijn.

De varkenshouderijondernemingen en melkgeitenhouderijondernemingen kunnen dus pas gebruik maken van het klimaatbudget op het moment dat dit niet geheel gebruikt wordt door melkveehouderijondernemingen of vleeskalverhouderijondernemingen. De reden hiervoor is dat de subsidieplafonds voor innovatieprojecten ten behoeve van varkenshouderijondernemingen en melkgeitenhouderijondernemingen gebruik maken van budget uit het Hoofdlijnenakkoord.

Het budget uit het Hoofdlijnenakkoord wordt op een andere wijze verdeeld. Het (mogelijk) overblijvende budget uit het Hoofdlijnenakkoord dat voor de subsidieplafonds varkenshouderijondernemingen en melkgeitenhouderijondernemingen beschikbaar wordt gesteld, zal niet worden toegevoegd aan de subsidieplafonds van andere soort innovatieprojecten, omdat de voormelde budgetten echt specifiek voor deze soort projecten bestemd is.

Artikel 2.2.5. Start- en realisatietermijn

Voor deze subsidiemodule bepaalt dit artikel dat met de uitvoering van het op grond van deze subsidiemodule gesubsidieerde innovatieproject moet worden gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat het desbetreffende project spoedig van start zal gaan.

De realisatietermijn is vastgesteld op vijf jaar. Dit betekent dat het project vijf jaar na de subsidieverlening gerealiseerd moet zijn. Indien uit het bij de subsidieaanvraag aangeleverde projectplan blijkt dat het project niet uiterlijk binnen vijf jaar gerealiseerd zou kunnen worden, wordt de subsidie afgewezen. De grondslag om deze subsidie af te wijzen, bevindt zich in artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. Volgens dit artikel kan een subsidie worden afgewezen indien het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn (in dit geval vijf jaar) kunnen worden voltooid. Er is voor deze termijn gekozen, omdat de verwachting is dat het project binnen de realisatietermijn kan worden afgerond. Het project is afgerond op het tijdstip waarop de subsidiabele activiteiten van de onderzoeks- en ontwikkelingsfase en emissiemetingenfase zijn afgerond. Het onderzoek ten behoeve van de investeringen en managementmaatregelen) zijn dan immers voltooid. In de resterende productieve levensduurfase vinden geen subsidiabele activiteiten meer plaats, omdat de investeringen dan gebruiksklaar zijn ten behoeve van het gebruik bij de primaire landbouw productie. Daarom zijn voor deze fase alleen de afschrijvingskosten subsidiabel. De subsidieontvanger moet op grond van artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies zijn aanvraag om subsidievaststelling uiterlijk indienen dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid. Op dat moment wordt ook bezien of de afschrijvingskosten voor fase 3 betaald worden.

Artikel 2.2.6. Afwijzingsgronden

In dit artikel is opgenomen wanneer een aanvraag voor subsidie wordt afgewezen. Voor een toelichting op deze afwijzingsgronden wordt verwezen naar paragraaf 5.1.

Artikel 2.2.7. Rangschikkingscriteria

In dit artikel zijn criteria opgenomen waaraan de aanvragen gerangschikt worden. De subsidieaanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate het desbetreffende innovatieproject meer bijdraagt aan bepaalde criteria. Een toelichting op deze rangschikkingscriteria is opgenomen in paragraaf 5.2. Hier is ook toegelicht hoe verschillende criteria ten opzichte van elkaar worden gewogen.

Artikel 2.2.8. Informatieverplichtingen

Het eerste en tweede lid van dit artikel maken duidelijk welke informatie in een subsidieaanvraag opgenomen moet worden. Het betreft hier de minimale informatie-vereisten over de subsidieaanvrager en het project die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Deze vereisten zijn in overeenstemming met de algemene groepsvrijstellingsverordening en groepsvrijstellingsverordening landbouw en sluiten aan bij de wijze waarop andere (vergelijkbare) subsidiemodules in de RNES zijn vormgegeven.

Verder bepalen het derde, vierde en vijfde lid van welke informatie de aanvraag vergezeld moet gaan. Zo moet er een projectomschrijving verschaft worden die in ieder geval een omschrijving bevat van de reductie van de broeikasgasemissies of stalemissies die het project op een veehouderijlocatie beoogt te realiseren. Met deze gevraagde gegevens kan een goede inschatting gemaakt worden of het project aan de doelstelling van deze subsidiemodule voldoet. Ook moet een financieringsplan en een exploitatieberekening, inclusief de financiële parameters van het project, verschaft worden, zodat kosten goed onderscheiden kunnen worden.

Om te kunnen beoordelen of de activiteiten waar de aanvraag tot subsidieverlening betrekking op heeft, uitgevoerd worden met inachtneming van de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, dienen relevante bescheiden aangeleverd te worden, zoals de aanvragen voor vergunningen of de vergunningen zelf. Hierbij kan gedacht worden aan omgevingsvergunningen en natuurbeschermingswetvergunningen.

Daarnaast is een situatie mogelijk waarin het aannemelijk is dat aan de toepasselijke wettelijke voorschriften voldaan kan worden en waarbij de vergunning voor een bepaalde investering nog aangevraagd moet worden of aangevraagd is. Hiermee kan bij de rangschikking van de subsidieaanvraag voor het desbetreffende project rekening mee gehouden worden. Zie hieromtrent ook paragraaf 5.1.2.

Artikel 2.2.9. Aanvraag subsidievaststelling

Voor de RNES zijn de verplichtingen inzake subsidievaststelling opgenomen in artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. Er is voor gekozen om deze verplichtingen in dit artikel nader in te vullen. Dit artikel bevat een opsomming van informatie die opgenomen moet worden in het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend. Deze onderdelen dienen om na te kunnen gaan of de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk (in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke vereisten) hebben plaatsgevonden, alsook of de subsidiabele activiteiten tot het gewenste eindresultaat hebben geleid. Daarom wordt onder andere gevraagd om documenten die het bewijs vormen dat deze activiteiten zijn uitgevoerd en illustreren dat bepaalde betalingen zijn gedaan, alsook de aanschaf van bepaalde zaken inhuur van derde(n) hebben plaatsgevonden.

Tot slot wordt nog opgemerkt dat op grond van artikel 50, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies de aanvraag om subsidievaststelling uiterlijk ingediend moet worden dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid. Zie de toelichting bij artikel 2.2.5 voor het tijdstip waarop de activiteiten zijn voltooid.

§ 2.2.2.2. Onderzoeks- en ontwikkelingsfase

Deze paragraaf bevat de bepalingen die specifiek van toepassing zijn op de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) van het innovatieproject.

Artikel 2.2.10. Subsidiabele activiteiten

Dit artikel geeft voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase aan voor welke partijen en voor welke activiteiten de subsidie wordt verstrekt. De subsidie is bestemd voor een veehouderijonderneming of een andere onderneming. De veehouderijonderneming kan voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) samenwerken met andere ondernemingen die subsidie kunnen aanvragen. Het hangt van het soort innovatieproject af welke type ondernemingen dit zijn, zoals stal-inrichtingsbedrijven, aannemers, veevoerfabrikanten, meetlaboratoria en/of adviesbureaus. Om die reden is dan ook geëxpliciteerd dat het hier primair gaat om veehouderijondernemingen, maar dat ook andere ondernemingen (niet-zijnde veehouderijondernemingen) subsidie kunnen aanvragen. Voor een verdere uitwerking van de verhouding binnen het samenwerkingsverband wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.2.2.

Voormelde subsidieontvanger(s) dienen onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten uit (te laten) voeren. Het gaat hierbij om onderzoek en ontwikkeling in de vorm van experimentele ontwikkeling, industrieel onderzoek of haalbaarheidsstudies. Deze onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten dienen betrekking te hebben op ofwel investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting of managementmaatregelen. De subsidieaanvrager zal derhalve een keuze moeten maken of deze subsidie aanvraagt voor een innovatieproject dat betrekking heeft op investeringen of een innovatieproject dat betrekking heeft op managementmaatregelen. Van belang is in ieder geval dat de investeringen of managementmaatregelen, waar het innovatieproject betrekking op heeft, kunnen leiden tot brongerichte verduurzaming in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen type stalsystemen. Bij managementmaatregelen kan gedacht worden aan het gebruik van andere fokkerijmethoden, ander veevoer of additieven in veevoer of in mest. Concreet zullen deze activiteiten dienen te bestaan uit onderzoeks-, ontwikkelings- en pilotprojecten waarbij concepten van brongerichte maatregelen in bestaande of nieuw te ontwikkelen en te bouwen type stalsystemen getest worden. De focus ligt hierbij op een integrale brongerichte aanpak. Door voormelde investeringen en managementmaatregelen worden broeikasgasemissies en stalemissies preventief (bij de bron) zoveel mogelijk voorkomen waardoor deze emissies zullen reduceren en de kwaliteit van de lucht in de stal en omgeving zal verbeteren.

Artikel 2.2.11. Hoogte subsidie

In dit artikel is voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase aangegeven welke steunintensiteiten en maximum subsidiebedragen voor de subsidiabele kosten gehanteerd worden.

Het eerste, tweede en derde lid geven aan welke percentages aan steunintensiteit vallen binnen de marges van het toepasselijke Europese steunkader (artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening). Op grond van het eerste lid bedraagt de subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten: a. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek, b. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling, en c. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie.

In het tweede lid van dit artikel wordt aangegeven dat op grond van voormeld artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening de percentages van de steunintensiteit voor kleine of middelgrote ondernemingen met 20 procentpunten respectievelijk 10 procentpunten kunnen worden opgehoogd, voor zover er sprake is van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling en/of een haalbaarheidsstudie. Middelgrote en kleine ondernemingen komen in aanmerking voor een verhoging van het subsidiepercentage, wanneer de noodzakelijke gegevens over de bedrijfsgrootte bij de subsidieaanvraag worden overgelegd (zie de toelichting op artikel 2.2.13 inzake informatieverplichtingen). De begrippen middelgrote en kleine onderneming worden gedefinieerd in artikel 1.1 van de RNES.

Daarnaast geeft het derde lid aan dat het percentage voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling nog verder kan worden opgehoogd. Deze ophoging vindt alleen plaats indien voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, respectievelijk ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Deze mogelijkheid bestaat in een tweetal gevallen. Ten eerste bestaat deze mogelijkheid tot ophoging wanneer het project daadwerkelijke samenwerking behelst ofwel tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een mkb-onderneming is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten of in een lidstaat en in een overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst, en geen van de ondernemingen meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening neemt, ofwel tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren. Ten tweede bestaat deze mogelijkheid tot ophoging indien de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories of gratis of opensource-software. Artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening maakt in voormelde gevallen een (extra) ophoging mogelijk met 15 procentpunten. Voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek zou voor kleine ondernemingen met deze ophoging het percentage uitkomen op 85 procent van de subsidiabele kosten. Omdat de algemene groepsvrijstellingsverordening steun tot maximaal 80 procent toestaat, zal de verhoging voor kleine ondernemingen op grond van artikel 25, zesde lid, onderdeel b, slechts voor maximaal 10 procentpunten kunnen plaatsvinden. Vanwege de praktische uitvoerbaarheid en gelijke stimulering van alle soorten veehouderijondernemingen om samen te werken en kennis te verspreiden, is ervoor gekozen om voor alle ondernemingen deze grens van 10 procent uit te gaan zowel in de gevallen dat er sprake is van industrieel onderzoek als experimentele ontwikkeling.

Verder bepaalt het vierde lid wat de subsidie ten hoogste bedraagt. Dit maximum subsidiebedrag is (a) € 750.000 per veehouderijlocatie in een innovatieproject voor zover het innovatieproject betrekking heeft op investeringen of managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdelen a of b, die betrekking hebben op bestaande stalsystemen; en (b) € 1.000.000 per veehouderijlocatie in een innovatieproject voor zover het innovatieproject betrekking heeft op investeringen of managementmaatregelen als bedoeld in artikel 2.2.10, onderdelen a of b, die betrekking hebben op nieuw te ontwikkelen en te bouwen type stalsystemen. Er is gekozen voor deze maximumsubsidiebedragen om ervoor te zorgen dat hiermee in voldoende mate geschikte (omvangrijke) projecten ondersteund kunnen worden, zonder dat bijvoorbeeld één project het subsidieplafond grotendeels gebruikt. Ook vallen deze subsidiebedragen binnen de steundrempels die op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing zijn.

Artikel 2.2.12. Subsidiabele kosten

Uit dit artikel volgt welke kosten in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase voor subsidie in aanmerking komen.

Dit zijn allereerst de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling. Van belang is dat deze subsidiable kosten bij een specifieke categorie van onderzoek en ontwikkeling worden ingedeeld. Het betreffen de volgende kosten: a) personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden, b) kosten van apparatuur en uitrusting, c) kosten van gebouwen en gronden, d) kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt en e) bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Wat betreft kosten van apparatuur en uitrusting, bedoeld onder b, geldt dat alleen de kosten subsidiabel zijn voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, zijn alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project subsidiabel. De kosten dienen te worden berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. Ook de kosten van gebouwen en gronden, bedoeld onder c, komen voor subsidie in aanmerking voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Voor gebouwen worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project als in aanmerking komende kosten beschouwd. Deze kosten dienen ook te worden berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. Voor gronden komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten voor subsidie in aanmerking.

Concreet betekent het voorgaande voor apparatuur, uitrusting, gebouwen en gronden dat als deze ook na de afronding van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten gebruikt worden dit deel van de kosten niet subsidiabel is op grond van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (lees: dit deel van de subsidiemodule). Deze kosten zijn mogelijk wel subsidiabel voor de productieve resterende levensduur van voormelde zaken, indien voldaan wordt aan de voorwaarden die zijn opgenomen in paragraaf 2.2.2.4 van deze subsidiemodule.

Verder komen de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie. Bij haalbaarheidsstudies zijn de voor subsidie in aanmerking komende kosten, overeenkostig dit artikel, de kosten van de studie.

Artikel 2.2.13. Informatieverplichtingen

In artikel 2.2.8 is bepaald welke informatie de aanvraag tot subsidieverlening moet bevatten en van welke informatie deze aanvraag vergezeld dient te gaan. Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase wordt in onderhavig artikel aanvullend bepaald dat een aanvraag voor subsidieverlening ten minste gegevens moet bevatten over de grootte van het bedrijf van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2.2.11, tweede lid.

Ook moet de subsidieaanvraag gegevens bevatten over de wijze waarop de projectresultaten ruim worden verspreid, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor de ruime verspreiding van de projectresultaten bedoeld in artikel 2.2.11, derde lid. Omdat het van belang is dat de ruime verspreiding van resultaten op een juiste wijze plaatsvindt, dient de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het innovatieproject jaarlijks een voortgangsrapportage te verstrekken waaruit blijkt op welke wijze de openbare ruime verspreiding van de projectresultaten heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.2.14. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.2.12, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Voor een toelichting op de staatssteunaspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze toelichting.

§ 2.2.2.3 Emissiemetingenfase

Deze paragraaf bevat de bepalingen die specifiek van toepassing zijn op de emissiemetingenfase (fase 2) van het innovatieproject.

Artikel 2.2.15. Subsidiabele activiteiten

In de emissiemetingenfase (fase 2) wordt subsidie verstrekt aan een onderzoeksorganisatie voor het meten van het effect dat investeringen of managementmaatregelen uit de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) hebben op de broeikasgas- en stalemissies. Met voormelde emissiemetingen wordt vanzelfsprekend alleen naar een deel van het effect van de investeringen of managementmaatregelen gekeken, namelijk uitsluitend het effect op de broeikasgasemissies en stalemissies. In de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, alsook in het volledige innovatieproject, blijft de integrale brongerichte verduurzaming centraal staan. De reductie van emissies binnen de gehele stal leidt tot een verbetering van het zogenaamde stalklimaat. De verbetering van het stalklimaat zou beter zijn voor het welzijn en de gezondheid van mens en dier die zich (regelmatig) in de stal bevinden (lees: de gehouden dieren en dierverzorgers). Daarnaast zal de reductie van voormelde emissies naar de leefomgeving een positief effect hebben op de gezondheid van mens en dier die in deze omgeving leven, alsook op de rest van het natuurlijke milieu.

Naast het vaststellen van het effect van de investeringen of managementmaatregelen uit de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, kan de emissiemeting (afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek) ook worden gebruikt voor een versnelde erkenning van de nieuw ontwikkelde investeringen en type stalsystemen in het kader van de milieuregelgeving, waarna deze technieken breder in de praktijk door bedrijven kunnen worden toegepast.

Artikel 2.2.16. Hoogte subsidie

In dit artikel is voor de emissiemetingenfase aangegeven welke steunintensiteiten en maximum subsidiebedragen voor de subsidiabele kosten gehanteerd kunnen worden.

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de steunintensiteit voor de emissiefase 100% van de subsidiabele kosten bedraagt. Dit percentage aan steunintensiteit valt binnen de marges van het toepasselijke Europese steunkader (artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw).

Verder bevat het tweede lid het maximum subsidiebedrag dat voor de emissiefase gehanteerd kan worden. De subsidie bedraagt ten hoogste € 200.000 per veehouderijlocatie. De inschatting is dat met dit maximumsubsidiebedrag voldoende ondersteuning geboden wordt om emissiemetingen op een veehouderijlocatie te kunnen uitvoeren.

Artikel 2.2.17. Subsidiabele kosten

Uit dit artikel volgt dat voor de emissiemetingenfase uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw voor subsidie in aanmerking komen. Dit zijn de volgende kosten: a) personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel, voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden, b) kosten van apparatuur en uitrusting, voor zover en zolang deze wordt gebruikt voor het project, c) kosten van gebouwen en gronden, voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project, d) kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt en e) extra algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Wat betreft kosten van apparatuur en uitrusting, bedoeld onder b, geldt dat alleen de kosten subsidiabel zijn, voor zover en zolang zij worden gebruikt voor de emissiemetingen. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor de emissiemetingen worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project inzake de emissiemetingen als subsidiabele kosten beschouwd. De kosten dienen te worden berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. Kosten van gebouwen en gronden komen voor subsidie in aanmerking voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project inzake de emissiemetingen. Deze kosten worden berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. Voor gronden komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten voor subsidie in aanmerking. In het geval apparatuur, uitrusting, gebouwen en gronden ook na de afronding van de emissiemetingengebruikt worden, is dat deel van de kosten dus niet subsidiabel op grond van artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw (lees: op grond van dit deel van de subsidiemodule). Omdat het hier uitsluitend kosten van de onderzoeksorganisatie betreft, komen deze kosten niet op grond van een andere sub-paragraaf van deze subsidiemodule voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.2.18. Afwijzingsgrond

Op grond van artikel 2.2.6, onderdeel c, wordt een subsidie onder meer afgewezen als voldaan is aan de grond die is opgenomen in artikel 2.2.18. Dit artikel bevat voor de emissiemetingenfase een afwijzingsgrond die is opgenomen om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan artikel 31, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Op grond van deze bepaling moet het gesteunde project van belang zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouwsector of -sub sector actief zijn. Indien dit niet het geval is, wordt de subsidie afgewezen. Voormelde beoordeling vindplaats om binnen de reikwijdte van artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw subsidie te kunnen verlenen. Er wordt echter verwacht dat, indien de projecten voldoen aan alle overige voorwaarden inzake de subsidieverlening op grond van deze subsidiemodule, hieraan voldaan zal worden.

Artikel 2.2.19. Verplichtingen subsidieontvanger

In dit artikel zijn voor de subsidieontvanger een aantal verplichtingen opgenomen. Hierin is bepaald dat voor het meten van het effect van de investeringen of managementmaatregelen de onderzoeksorganisatie gebruik moet maken van meetprotocollen die voldoen aan de internationale stand van onderzoek of techniek. Hiermee wordt gewaarborgd dat het effect van investeringen of managementmaatregelen op de broeikasgasemissies of stalemissies worden gedaan volgens de laatste meetmethoden, en dus ook verricht worden met de meest geschikte (nieuwe) technieken. Voorbeelden van meetprotocollen die in ieder geval geschikt zijn voor een dergelijke effectmeting zijn onder andere:

Verder zijn er in dit artikel een aantal verplichtingen opgenomen om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Zo dient de subsidieontvanger de informatie, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, bekend te maken op het internet voorafgaand aan de datum waarop met de subsidiabele activiteiten van de emissiemetingenfase (in dit geval de emissiemetingen) wordt aangevangen. Het betreft hier informatie over (a) het feit of het gesteunde project (in dit geval de emissiemetingenfase) wordt uitgevoerd, (b) de doelstellingen van het gesteunde project, (c) de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht en (d) de plaats waarop de verwachte resultaten van het gesteunde project op het internet zullen worden bekendgemaakt, alsook (e) de vermelding dat de resultaten van het gesteunde project gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouwsector of -sub sector actief zijn.

Ook dient de subsidieontvanger de resultaten van de emissiemetingen overeenkomstig artikel 31, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, op internet beschikbaar te stellen. Dit dient te gebeuren (a) vanaf de datum waarop de bijhorende subsidiabele activiteiten zijn afgerond, of (b) vanaf de datum waarop informatie over de voormelde resultaten aan leden van specifieke organisaties wordt gegeven. Deze resultaten dienen voor ten minste vijf jaar op het internet beschikbaar te blijven nadat de subsidiabele activiteiten van de emissiefase zijn afgerond.

Artikel 2.2.20. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.2.17, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 31 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Voor een toelichting op de staatssteun aspecten wordt verwezen naar paragraaf 7 van deze toelichting.

§ 2.2.2.4. De resterende productieve levensduurfase

Deze paragraaf bevat de bepalingen die specifiek van toepassing zijn op de resterende productieve levensduurfase (fase 3) van het innovatieproject.

Artikel 2.2.21. Subsidiabele activiteiten

Dit artikel beschrijft waarvoor in de resterende productieve levensduurfase subsidie verleend wordt. Dit betreft de afschrijvingskosten voor de resterende productieve levensduur van de investeringen die gebruikt, onderzocht en ontwikkeld zijn in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (fase 1) en de emissiemetingenfase (fase 2) in het geval deze investeringen toegepast kunnen worden bij de primaire landbouw productie op de desbetreffende veehouderijlocatie (fase 3).

Van belang is dat de onderzoeks- en ontwikkelingsfase en de emissiemetingenfase zijn afgerond. Ook moet uit de resultaten van voornoemde fases blijken dat de investeringen leiden tot brongerichte verduurzaming. Managementmaatregelen worden niet meer gesubsidieerd in fase 3, omdat deze geen langere afschrijvingstermijn hebben en/of continue opnieuw aangeschaft zullen moeten worden, zoals een managementmaatregel met betrekking tot de aanschaf van voer.

Daarbij zullen voormelde investeringen gebruiksklaar moeten zijn ten behoeve van het gebruik bij de primaire landbouw productie op de desbetreffende veehouderijlocatie. De investeringen moeten immers al getest zijn in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, waarbij deze gebruikt worden op een veehouderijlocatie. Indien investeringen aangeschaft en geïnstalleerd zijn, alsook de onderzoeks- en ontwikkelingsfase gebruikt konden worden, mag ervan uit gegaan worden dat de investering dus klaar is voor het gebruik op de voormelde veehouderijlocatie.

Artikel 2.2.22. Hoogte subsidie

In dit artikel is voor de resterende productieve levensduurfase aangegeven welke steunintensiteiten en maximum subsidiebedragen voor de subsidiabele kosten gehanteerd kunnen worden.

Het eerste lid van dit artikel bevat een bepaling over de te hanteren steunintensiteit. Uitgangspunt is dat het percentage aan steunintensiteit voor de resterende productieve levensduurfase gelijk is aan het percentage dat geldt voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase. Het is immers logisch dat het percentage aan kosten waarvoor subsidie wordt verstrekt voor de afschrijving van een investering niet hoger is dan het percentage dat voor subsidiëring van die investering zelf (in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase) wordt gehanteerd. Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase wordt gebruik gemaakt van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Ook voor de resterende productieve levensduurfase geldt daarom dat in ieder geval beneden de percentages van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening gebleven moet worden, ondanks dat voor deze fase geen gebruik gemaakt wordt van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Voor de resterende productieve levensduurfase is ervoor gekozen om gebruik te maken van artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, omdat het onder het voornoemde artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet mogelijk is voor de resterende productieve levensduurfase subsidie te verstrekken. Het is onder artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw echter niet mogelijk om exact dezelfde percentages te hanteren als die op grond van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening gehanteerd moeten worden voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase. Concreet betekent dit dat op grond van deze subsidiemodule dat voor de resterende productieve levensduurfase hetzelfde percentage wordt gehanteerd als voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, tenzij op grond van artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw een lager percentage gehanteerd moet worden. In het laatste geval wordt dat percentage gehanteerd. Op grond van artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw is de steunintensiteit voor (de resterende levensduur) van de investering 40% van de subsidiabele kosten. Dit kan worden opgehoogd met 20 procentpunten: (a) indien subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers of landbouwers die zich hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 14, dertiende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw of (b) indien subsidie wordt verstrekt voor de extra kosten voor investeringen om het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn te verbeteren om een hoger niveau dan de geldende Unienormen te halen, bedoeld in artikel 14, dertiende lid, onderdeel e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Verder bevatten het tweede en derde lid de maximum subsidiebedragen die gehanteerd kunnen worden. De subsidie kan ten hoogste € 350.000 bedragen per veehouderijlocatie. Er is gekozen voor dit maximum subsidiebedrag om ervoor te zorgen dat hiermee in voldoende mate geschikte projecten ondersteund kunnen worden. Daarnaast is er een maximum subsidiebedrag van € 500.000 per veehouderijonderneming opgenomen, omdat een veehouderijonderneming ook voor meerdere veehouderijlocaties subsidie kunnen aanvragen. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat met voormelde subsidiebedragen gebleven wordt binnen het drempelbedrag voor individuele steun die op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw van toepassing is op steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven.

Artikel 2.2.23. Subsidiabele kosten

Uit het eerste lid van dit artikel volgt dat voor de resterende productieve levensduurfase

de afschrijvingskosten van de investering uitsluitend voor subsidie in aanmerking komen, voor zover deze afschrijvingskosten vallen onder de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Het gaat hierbij om de volgende kosten: (a) de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10% van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie, (b) de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa, (c) de algemene kosten in verband met de onder (a) en (b) bedoelde uitgaven en (d) de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken.

Verder bepaalt het tweede lid van dit artikel dat artikel 10, derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies niet van toepassing is op de subsidiabele kosten. In dat artikel is bepaald dat de restwaarde van specifiek voor het project aangeschafte apparatuur geen deel uitmaakt van de subsidiabele kosten. De toepassing van deze bepaling zou betekenen dat slechts de afschrijvingskosten voor de duur van de looptijd van het project voor subsidie in aanmerking zouden komen. In het geval van deze subsidiemodule zouden dat dan de afschrijvingskosten tot het einde van de realisatietermijn, bedoeld in artikel 2.2.5, kunnen zijn. Dit zou tot gevolg hebben dat kosten voor de resterende productieve levensduur van de investering niet voor subsidie in aanmerking zouden komen. Om die reden is gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 15 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies om van artikel 10, derde lid, Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, af te wijken. Zo komen ook de (afschrijvings)kosten na afloop van de realisatietermijn voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.2.24. Afwijzingsgronden

Op grond van artikel 2.2.6, onderdeel d, wordt een subsidie afgewezen als voldaan is aan de gronden die zijn opgenomen in artikel 2.2.24. In artikel 2.2.24 is namelijk een aantal afwijzingsgronden opgenomen om ervoor te zorgen dat voor de resterende productieve levensduurfase voldaan wordt aan artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Zo is het van belang dat de investering past binnen ten minste een van de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen a, b en d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Dit betekent dat de investering gericht zal moeten zijn op ten minste een van de volgende doelstellingen: (a) de verbetering van de algehele prestatie en duurzaamheid van het landbouwbedrijf, met name door een verlaging van de productiekosten of de verbetering en omschakeling van de productie, (b) de verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn, voor zover de investering verder gaat dan de geldende Unienormen en (d) de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen, waaronder die in verband met de staat van instandhouding van de biodiversiteit van soorten en habitats, en de vergroting van de maatschappelijke belevingswaarde van een Natura 2000-gebied of van andere systemen met hoge natuurwaarde, als bepaald in de nationale of regionale plattelandsontwikkelingsprogramma's van de lidstaten, voor zover het om niet-productieve investeringen gaat. Verder moet de investering op grond van artikel 14, vijfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving van de betrokken lidstaat. Ook bepaalt artikel 14, elfde lid, dat de steun niet mag worden toegekend in strijd met de in Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PBEU 2013 L347/671) vastgestelde verboden of beperkingen, ook niet wanneer die verboden of beperkingen uitsluitend betrekking hebben op de steun van de Unie waarin die verordening voorziet.

De voormelde voorwaarden zijn opgenomen in de afwijzingsgronden in artikel 2.2.24. De voorwaarden uit artikel 14, vierde en achtste lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw zijn niet in de afwijzingsgronden opgenomen, omdat deze voorwaarden betrekking hebben op investeringen die niet voor subsidie in aanmerking komen op grond van deze subsidiemodule.

Artikel 2.2.25. Verplichtingen

Steun voor investeringen waarvoor krachtens Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (codificatie) (PbEU2012, L 26) een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, mag op grond van artikel 14, vijfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw slechts worden toegekend op voorwaarde dat die beoordeling is uitgevoerd en de vergunning voor het betrokken investeringsproject is verleend vóór de datum van de toekenning van de individuele steun. Om die reden is in artikel 2.2.25 een verplichting opgenomen om te borgen dat de benodigde milieueffectbeoordeling uitgevoerd is of de vergunning voor het betrokken investeringsproject verleend is vóór de datum waarop de desbetreffende investering is aangeschaft en de resterende productieve levensduurfase van start gaat. Of de voormelde vergunningverlening heeft plaatsgevonden zal worden beoordeeld op het moment van subsidievaststelling, omdat op dat moment ook beoordeeld moet worden of inderdaad met fase 3 van start kan worden gegaan. Indien dit het geval is en ook aan de overige voorwaarden, bedoeld in artikel 2.2.21, is voldaan om met fase 3 van start te gaan, dan zal na de subsidievaststelling ook tot betaling van de subsidie voor fase 3 worden overgegaan. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat bepaalde activiteiten pas verricht mogen worden op het moment dat een vergunning verleend is. Er wordt alleen in het kader van deze subsidiemodule op het moment van subsidievaststelling getoetst of op basis van voormelde milieueffectbeoordeling of vergunning daadwerkelijk tot betaling voor de subsidie voor fase 3 overgegaan kan worden. In het geval geen vergunning vereist is, zal er vanzelfsprekend geen vergunning aangevraagd hoeven te worden en zal ook niet op de aanwezigheid van dergelijke vergunningen getoetst worden.

Artikel 2.2.26. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 2.2.23, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. Voor een toelichting op de staatssteun aspecten wordt verwezen naar paragraaf 7 van deze toelichting.

§ 2.2.3. Slotbepaling
Artikel 2.2.27. Vervaltermijn

In artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 is bepaald dat subsidieregelingen een vervaltermijn van maximaal vijf jaren bevatten. De eerste doelstelling van de voormelde subsidiemodules is echter om voor 2030 de voormelde gewenste reducties te bewerkstelligen. Om die reden is gekozen voor de maximaal te bepalen horizonbepaling. Titel 2.2 vervalt dan ook na vijf jaar, dus met ingang van 20 mei 2025. Om voormelde doelstelling te behalen, zal te zijner tijd bezien worden of het wenselijk is de vervaldatum voor deze titel te verlengen. De (mogelijke) ontwerpregeling inzake een dergelijke verlenging zal, overeenkomstig artikel 4.10, zevende lid, van de Comptabiliteitswet 2016, aan de Tweede Kamer worden overgelegd.

Artikel II

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 is aangegeven in welke periode de diverse subsidiemodules van de RNES zijn opengesteld en wat het subsidieplafond bedraagt.

Voor de innovatiemodule loopt de periode waarin deze subsidiemodule wordt opengesteld van 25 mei 2020 tot en met 15 juli 2020. Aanvragen zijn tijdig ingediend indien zij op de genoemde einddatum van 15 juli 2020 vóór 17.00 uur zijn ontvangen.

Voor elk soort innovatieproject (per type veehouderijonderneming) wordt een ander subsidieplafond vastgesteld. Ook wordt voor varkenshouderijondernemingen en melkveehouderijondernemingen voor de verschillende type projectactiviteiten een ander subsidieplafond gehanteerd. Voor deze veehouderijondernemingen geldt dus zowel voor innovatieprojecten met betrekking tot investeringen als innovatieprojecten met betrekking tot managementmaatregelen een afzonderlijk subsidieplafond. Voor melkgeitenhouderijondernemingen of vleeskalverhouderijondernemingen wordt voor beide type projectactiviteiten gebruik gemaakt van hetzelfde subsidieplafond.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Met de datum van inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding van deze regeling. Op deze wijze wordt de doelgroep de mogelijkheid geboden spoedig subsidieaanvragen in te dienen en te starten met een innovatieproject. Daarbij komt dat de doelgroep voldoende tijd heeft om te kunnen anticiperen op de inhoud van deze regeling. Omdat de subsidiemodule opengesteld wordt vanaf 25 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 heeft de doelgroep (gelet op de verwachte vraag en beschikbare budgetten) voldoende tijd om aanvragen in te dienen en voor te bereiden.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

BIJLAGE 1 – SCHEMATISCH OVERZICHT SUBSIDIEMODULES BRONGERICHTE VERDUURZAMING STAL- EN MANAGEMENTMAATREGELEN

BIJLAGE 2 – RANGSCHIKKINGSCRITERIA INNOVATIEMODULE

Artikel 2.2.7 Rangschikkingscriteria varkenshouderij-, melkgeitenhouderij- en vleeskalverhouderijsector

Wegingsfactor

Maximum score

1

De minister kent aan een innovatieproject:

a. een hoger aantal punten toe naarmate:

   

a.1°

Het innovatieproject naar verwachting leidt tot een hoger percentage emissiereductie van de relevante broeikasgas- of stalemissies voor de betreffende dierlijke sector;

3

15

a.2°

Het innovatieproject meer gericht is op vernieuwingen die economisch meer perspectief bieden voor toepassing op een veehouderijlocatie;

2

10

a.3°

Het innovatieproject meer bijdraagt aan dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderijlocatie;

1

5

a.4°

Het innovatieproject vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek.

1

5

     

35

Per rangschikkingscriterium wordt minimaal 1 punt en maximaal 5 punten toegekend.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien na toepassing van artikel 2.2.7, eerste lid, onderdeel a, minder dan 14 punten zijn toegekend.

Artikel 2.2.7 Rangschikkingscriteria melkveehouderijsector

Wegingsfactor

Maximum score

1

De minister kent aan een innovatieproject:

a. een hoger aantal punten toe naarmate:

   

a.1°

Het innovatieproject naar verwachting leidt tot een hoger percentage emissiereductie van de relevante broeikasgas- of stalemissies voor de betreffende dierlijke sector;

3

15

a.2°

Het innovatieproject meer gericht is op vernieuwingen die economisch meer perspectief bieden voor toepassing op een veehouderijlocatie;

2

10

a.3°

Het innovatieproject meer bijdraagt aan dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderijlocatie;

1

5

a.4°

Het innovatieproject vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek.

1

5

 

b. 15 punten toe, in het geval het aannemelijk is dat de frequentie van de weidegang op een veehouderijlocatie gelijk is aan of meer zou bedragen dan 6 uur per dag gedurende minimaal 120 dagen per jaar, indien het een innovatieproject ten behoeve van een melkveehouderijonderneming betreft als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, onderdeel c.

n.v.t.

15

     

50

Per rangschikkingscriterium van onderdeel a wordt minimaal 1 punt en maximaal 5 punten toegekend. Voor het rangschikkingscriterium bij onderdeel b worden nul punten toegekend als hieraan niet voldaan is en 15 punten als hieraan wel voldaan is.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien na toepassing van artikel 2.2.7, eerste lid, minder dan 29 punten zijn toegekend.


X Noot
1

Mosquera, J. en J.M.G. Hol, 2012. Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting, Livestock Research, Wageningen UR, Rapport 496. Referentiestallen gelijk verondersteld aan categorie overige huisvesting-categorieën.

X Noot
2

Deze referentie is gebaseerd op de voorlopige getallen van klimaatonderzoek van Wageningen University & Research (WUR) dat in het voorjaar van 2020 gepubliceerd wordt.

X Noot
3

www.agrimatie.nl, WUR, cijfers 2016)

X Noot
4

www.emissieregistratie.nl, WUR, cijfers 2016

X Noot
5

European Food Safety Authority (EFSA), rapport EN-181, 2011).

X Noot
6

WUR-rapport ‘Stalmaatregelen voor het reduceren van geuremissie uit de intensieve veehouderij’ (https://edepot.wur.nl/453477, WUR, 2018) en WUR-rapport ‘Maatregelen ter reductie van ammoniakemissie in bestaande stallen’ (https://edepot.wur.nl/406202, WUR, 2017).

X Noot
9

Voor de volledige toelichting op de mogelijkheden tot verhoging van de steunintensiteiten, wordt verwezen naar de Algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 25, lid 6.

Naar boven