Regeling van de Minister van Economische Zaken van 1 december 2016, nr. WJZ/16111733, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies in verband met de verlenging van de subsidiemodules Seed capital technostarters, Borgstelling MKB-kredieten, Garantie gericht op financiering met risicokapitaal voor ondernemers (groeifaciliteit) en Garantie ondernemingsfinanciering

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op artikel 2, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZ-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.10.14 wordt ‘1 juli 2017’ vervangen door: 1 juli 2019.

B

In artikel 3.11.12 wordt ‘1 juli 2017’ vervangen door: 1 juli 2022.

C

In artikel 3.12.15 wordt ‘1 juli 2017’ vervangen door: 1 juli 2020.

D

In artikel 3.13.13 wordt ‘1 juli 2017’ vervangen door: 1 juli 2020.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 1 december 2016

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

TOELICHTING

1. Aanleiding

In artikel 24a, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 is bepaald dat subsidieregelingen een vervaltermijn van maximaal vijf jaren bevatten. Artikel 24a, zevende lid, van de Comptabiliteitswet 2001 bepaalt dat subsidieregelingen die op 1 juli 2014 al bestonden maximaal tot 1 juli 2017 mogen doorlopen. De titels 3.10 (Seed capital technostarters), 3.11 (Borgstelling MKB-kredieten), 3.12 (Garantie gericht op financiering met risicokapitaal voor ondernemers (groeifaciliteit)) en 3.13 (Garantie ondernemingsfinanciering) van de Regeling nationale EZ-subsidies hebben derhalve een vervaldatum van 1 juli 2017. Om hieronder vermelde redenen is besloten deze vervaldatum voor deze modules te verlengen. Op grond van artikel 24a, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 is het ontwerp van deze wijzigingsregeling op 14 oktober 2016 aan de Tweede Kamer overgelegd1. Bij brief van 26 oktober 2016 (nr. 2016D40271) heeft de vaste commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer aangegeven dat zij besloten heeft deze wijzigingsregeling voor kennisgeving aan te nemen. De beleidsevaluatie van de desbetreffende subsidiemodules is de basis voor de wijziging van de vervaldata.

2. Seed capital technostarters

Met de subsidiemodule Seed capital technostarters, opgenomen in titel 3.10 van de Regeling nationale EZ-subsidies, wordt beoogd de onderkant van de Nederlandse risico-kapitaalmarkt te stimuleren en te mobiliseren om investeringen te doen in technostarters. Om deze investeringen te bevorderen, wordt met deze subsidiemodule de risicorendementsverhouding voor private kapitaalverschaffers verbeterd, zodat zij profiteren van een verhoging van het rendement in combinatie met een verlaging van het risico. De subsidiemodule biedt participatiefondsen de mogelijkheid een renteloze lening van de Nederlandse staat te verkrijgen voor het verkrijgen van participaties.

Deze subsidiemodule is als onderdeel van het Actieprogramma Technopartner geëvalueerd en de resultaten hiervan zijn in december 2012 gepresenteerd in de ‘Eindevaluatie TechnoPartner2‘. Uit deze evaluatie blijkt dat de subsidiemodule een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de financiering van technostarters. Dit wordt geïllustreerd door onder andere de bijna verdubbeling van het aantal Venture Capital investeringen in technologiebedrijven van 52 in 2005 naar 100 in 2011, en de toename van het vroege fase-durfkapitaal. De meeste participatiefondsen die van de Seed-Capital-regeling gebruikmaken, zouden zonder deze regeling niet, of niet in dezelfde omvang, zijn opgezet. In 2014 is het maximale subsidiebedrag per subsidieontvanger verhoogd van € 4.000.000 naar € 6.000.000 om de slagkracht en efficiëntie van de subsidiemodule te vergroten. Om het doel van deze subsidiemodule (meer investeringen in technostarters) te bereiken, wordt de horizontermijn verlengd tot 1 juli 2019.

3. Borgstelling MKB-kredieten

In titel 3.11 van de Regeling nationale EZ-subsidies is de subsidiemodule Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) opgenomen. Op grond van de BMKB kunnen financiers een borgstelling verkrijgen voor kredieten die zij verstrekken aan MKB-ondernemers. Via de BMKB kan een borgstelling verstrekt worden aan een bank of een aangewezen kredietverstrekker voor het sluiten van bepaalde kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers. De borgstelling wordt tegen een provisie verstrekt. Uit de evaluatie ‘Nut en noodzaak van de BMKB-regeling’ van 1 september 2015, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van de CPB-notitie ‘Inzicht in de BMKB’ van 2 juli 20153, volgt dat de BMKB een doeltreffende subsidiemodule is om bedrijven die in de kern gezond zijn en voldoende toekomstperspectief hebben van financiering te voorzien in het geval dat deze onvoldoende zekerheden hebben om voor krediet in aanmerking te komen. De bedrijven die van de BMKB gebruik maken, passen in het doel van de regeling, omdat zij na gebruik van de BMKB een grotere omzetgroei laten zien dan vergelijkbare bedrijven die geen gebruik van de BMKB hebben gemaakt. Deze positieve bevindingen over het effect van de regeling geven daarom aanleiding de BMKB te continueren en de horizontermijn te verlengen tot 1 juli 2022.

4. Garantie gericht op financiering met risicokapitaal voor ondernemers (Groeifaciliteit)

De Groeifaciliteit, opgenomen in titel 3.12 van de Regeling nationale EZ-subsidies, helpt MKB-ondernemingen bij het aantrekken van risicodragend vermogen. Op grond van de Groeifaciliteit verstrekt de Nederlandse staat een garantstelling voor de financiering van MKB-bedrijven die neerkomt op een garantie van 50% van de waarde van verstrekte achtergestelde leningen of verstrekt aandelenkapitaal. Voor deze garantstelling betaalt de financier een kostendekkende provisie aan de Nederlandse staat.

De Groeifaciliteit is in 2012 geëvalueerd en de bevindingen zijn neergelegd in ‘de Beleidsevaluatie Groeifaciliteit’4 van 31 mei 2012. De belangrijkste bevinding daaruit is dat de Groeifaciliteit een belangrijke functie vervult voor de financiering van het bedrijfsleven, met name bij de sterk groeiende kleinere bedrijven waar de regeling zich op richt. Het gebruik van de Groeifaciliteit is tussen 2012 en 2016 sterk toegenomen. Omdat de verwachting is dat de vraag nog verder zal toenemen, wordt de horizontermijn verlengd tot 1 juli 2020.

5. Garantie ondernemingsfinanciering

In titel 3.13 van de Regeling nationale EZ-subsidies is de subsidiemodule Garantie ondernemingsfinanciering (GO) opgenomen. Deze subsidiemodule beoogt de toegang tot bankkrediet voor het Nederlandse bedrijfsleven te verbeteren. Op grond van de GO kunnen banken een garantstelling van de Nederlandse staat verkrijgen voor kredieten die zij verstrekken aan ondernemers. De GO geldt zowel voor MKB-bedrijven als niet MKB-bedrijven. Ook bevat de GO een faciliteit ter zake van bankgaranties die ervoor zorgt dat de Nederlandse staat garant kan staan voor door banken af te geven garanties voor de nakoming van contractuele verplichtingen van de desbetreffende onderneming. Voor de garantstelling wordt een kostendekkende premie geheven. De GO is in 2014 geëvalueerd en de bevindingen zijn neergelegd in de ‘Evaluatie Garantiefaciliteit Ondernemingsfinanciering (GO)’5 van 24 september 2014. Uit de kwantitatieve analyse van de evaluatie valt af te leiden dat circa 50% van het krediet dat onder de GO is verstrekt direct een bijdrage heeft geleverd aan het verhogen van de kredietverlening aan het MKB. Met betrekking tot de overige 50% geldt dat er mogelijk een indirecte bijdrage is geleverd. Dit omdat een deel van deze kredieten zonder de GO onder minder gunstige condities of voor een lager bedrag zou zijn verstrekt. Hieruit blijkt dat de subsidiemodule de doelgroep goed bereikt en leidt tot meer kredietverlening aan het MKB. Om die reden wordt de horizonbepaling verlengd tot 1 juli 2020. Er is gekozen voor deze vervaltermijn, omdat dit een jaar is na de volgende evaluatie die overeenkomstig artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht in 2019 zal plaatsvinden.

6. Staatssteun

De subsidiemodules Seed capital technostarters en BMKB bevatten staatssteun die wordt gerechtvaardigd door respectievelijk artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening6 en de algemene de-minimisverordening7 (zie respectievelijk de artikelen 3.10.13 en 3.11.11 van de Regeling nationale EZ-subsidies). De verlenging van de horizonbepalingen brengt hierin geen verandering, omdat de voorwaarden van deze vier subsidiemodules ongewijzigd blijven. De subsidiemodules Groeifaciliteit en GO bevatten geen staatssteun (zie respectievelijk artikel 3.12.14 en 3.13.12 van de Regeling nationale EZ-subsidies).

7. Regeldruk

De wijziging van de vervaltermijnen leidt niet tot het wijzigen van informatieverplichtingen en daarom ook niet tot een toe- of afname van de regeldruk bij de gebruikers van de subsidiemodules.

8. Vaste verandermomenten

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Met deze datum wordt aangesloten bij de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van elk kwartaal in werking treden. Wel wordt afgeweken van de regel dat een regeling minimaal twee maanden voordien wordt bekendgemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding. Via deze regeling wordt de horizonbepaling van een aantal subsidiemodules namelijk verlengd. Omdat zonder deze verlenging de desbetreffende subsidiemodules slechts beperkt opengesteld zouden kunnen worden, is afwijking van de bekendmakingstermijn gewenst. Daarbij komt dat de doelgroep voldoende tijd heeft om te kunnen anticiperen op de inhoud van deze regeling. Deze regeling is op 14 oktober 2016 aan de Tweede Kamer overgelegd. Hierdoor is de inhoud van de regeling al openbaar bekend gemaakt.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Kamerstukken II 2016/17, 32 637, nr. 257.

X Noot
2

Kamerstukken II 2013/14, 33 750-VIII, nr. 41.

X Noot
3

Kamerstukken II 2015/16, 32 637, nr. 248.

X Noot
4

Kamerstukken II 2011/12, 32 637, nr. 34.

X Noot
5

Kamerstukken II 2014/15, 32 637, nr. 162.

X Noot
6

verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187).

X Noot
7

verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352).

Naar boven