Besluit van 25 november 2020, houdende tijdelijke wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES in verband met de bestrijding van het coronavirus (SARS-CoV-2)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juni 2020, nr. 2020-0000069219;

Gelet op de artikelen 16, eerste, tweede, zevende en tiende lid, en 33, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 2, eerste lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juni 2020, No. W12.20.0190/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 november 2020, nr. 2020-0000143768;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 3.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.2a Tijdelijke aanvullende vereisten in verband met de bestrijding van de epidemie covid-19

  • 1. Dit artikel is, in aanvulling op artikel 3.2, van toepassing op de bestrijding van de epidemie van covid-19, veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2, of een directe dreiging daarvan.

  • 2. Ter voorkoming of beperking van de kans op besmetting van werknemers en derden met SARS-CoV-2 worden op arbeidsplaatsen, gelet op hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid alsmede de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, tijdig de daarvoor noodzakelijke maatregelen en voorzieningen getroffen.

  • 3. Tot de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen behoren in ieder geval:

    • a. het in acht nemen van voldoende hygiënische voorzieningen;

    • b. het geven van doeltreffende voorlichting en onderricht aan werknemers over de bestrijding van SARS-CoV-2 op de arbeidsplaats; en

    • c. het houden van adequaat toezicht op de naleving van de in dit artikel bedoelde noodzakelijke maatregelen en voorzieningen.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede of derde lid. Bij de vaststelling van die regels kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende activiteiten van bedrijven of inrichtingen.

B

In artikel 9.3, tweede lid, onder c, wordt «de artikelen» vervangen door «de artikelen 3.2a, derde lid, onder a,».

C

In de artikelen 9.5, eerste lid, onder b, en 9.5a, eerste lid, onder b, wordt na artikel 3.2, eerste lid, ingevoegd «3.2a,».

D

In artikel 9.9b, eerste lid, onder c, wordt na artikel 3.2 ingevoegd «, 3.2a».

E

Artikel 9.10a, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een handelen of nalaten in strijd met de volgende artikelen:

    • 1°. van hoofdstuk 3: artikel 3.2a;

    • 2°. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.54d, eerste lid, 4.58, 4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid, 4.105, 4.108 en 4.109;

    • 3°. van hoofdstuk 6: de artikelen 6:27, 6.29 en 6.29a.

ARTIKEL II

In hoofdstuk X van het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES wordt na artikel 60 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 60a

  • 1. Dit artikel is van toepassing op de bestrijding van de epidemie van covid-19, veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2, of een directe dreiging daarvan.

  • 2. Ter voorkoming of beperking van de kans op besmetting van werknemers en derden met SARS-CoV-2 worden in werklokalen, gelet op hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid alsmede de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, tijdig de daarvoor noodzakelijke maatregelen en voorzieningen getroffen.

  • 3. Tot de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen behoren in ieder geval:

    • a. het in acht nemen van voldoende hygiënische voorzieningen;

    • b. het geven van doeltreffende voorlichting en onderricht aan arbeiders over de bestrijding van SARS-CoV-2 in werklokalen; en

    • c. het houden van adequaat toezicht op de naleving van de in dit artikel bedoelde noodzakelijke maatregelen en voorzieningen.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede of derde lid. Bij de vaststelling van die regels kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende activiteiten van ondernemingen.

ARTIKEL III

Het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.2a vervalt.

B

In artikel 9.3, tweede lid, onder c, vervalt «3.2a, derde lid, onder a,».

C

In de artikelen 9.5, eerste lid, onder b, en 9.5a, eerste lid, onder b, vervalt «3.2a,».

D

In artikel 9.9b, eerste lid, onder c, vervalt «, 3.2a».

E

Artikel 9.10a, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een handelen of nalaten in strijd met de volgende artikelen:

    • 1°. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.54d, eerste lid, 4.58, 4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid, 4.105, 4.108 en 4.109;

    • 2°. van hoofdstuk 6: de artikelen 6:27, 6.29 en 6.29a.

ARTIKEL IV

Artikel 60a van de Arbeidsveiligheidsbesluit I BES vervalt.

ARTIKEL V

  • 1. De artikelen I en II van dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

  • 2. Artikel III treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel 28, zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet vervalt.

  • 3. Artikel IV treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel 2, twaalfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES vervalt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 25 november 2020

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, B. van ’t Wout

Uitgegeven de eerste december 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In artikel 3.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna te noemen: Arbobesluit) zijn algemene uitgangspunten neergelegd over de inrichting van arbeidsplaatsen. Op basis van dit artikel moeten werknemers het werk zodanig kunnen verrichten dat hun veiligheid en gezondheid zo goed mogelijk is beschermd. Hiertoe behoort ook het zindelijk en ordelijk houden van de arbeidsplaatsen. Artikel 3.2 wordt ook wel gezien als vangnetartikel als meer specifieke voorschriften over de inrichting van arbeidsplaatsen een risico niet ondervangen. Genoemd artikel is niet specifiek toegesneden op het voorkomen of beperken van de besmetting van werknemers, veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2, of een directe dreiging daarvan. Om die reden wordt tijdelijk ter voorkoming of beperking van besmetting van werknemers en derden met SARS-CoV-2 een meer specifieke bepaling in het Arbobesluit opgenomen. Eenzelfde bepaling is ook voor Caribisch Nederland opgenomen in het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES.

Via de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 is in de Arbeidsomstandighedenwet (hierna te noemen: Arbowet) voor de toezichthouder in artikel 28 de mogelijkheid opgenomen om het werk stil te leggen, indien in verband met de bestrijding van SARS-CoV-2 bij of krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven maatregelen dan wel andere maatregelen die de kans op besmetting met genoemd virus gezien de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening kunnen voorkomen of beperken, in ernstige mate niet worden getroffen. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in artikel 2, twaalfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES. De aanvullende bevoegdheden hebben een tijdelijk karakter. In principe vervallen genoemde bevoegdheid op grond van artikel VIII, eerste lid, onderdelen b en c, van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 drie maanden na de inwerkingtreding van genoemde wet, maar bij koninklijk besluit – waarvoor een zogenoemde voorhangprocedure geldt – kan een later tijdstip worden vastgesteld, dat steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop die bepalingen zouden vervallen.

Op basis van artikel 28, zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en 2, twaalfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES kan rechtstreeks worden opgetreden tegen werkgevers die in ernstige mate niet de noodzakelijke maatregelen treffen die nodig zijn om de kans op besmetting met SARS-CoV-2 te voorkomen of beperken.

Het wordt daarnaast wenselijk geacht, naast het ultimum remedium van de tijdelijke mogelijkheid van stillegging, ook op basis van het Arbobesluit en het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES, te kunnen optreden tegen werkgevers die zich op arbeidsplaatsen, gelet op hetgeen in hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid of uit de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening voortvloeit, niet aan de voorgeschreven noodzakelijke maatregelen of voorzieningen ter bestrijding van SARS-CoV-2 houden.

Het nemen van maatregelen of het treffen van voorzieningen om de kans op besmetting te voorkomen of beperken, vloeit voort uit de algemene zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid en gezondheid van werknemers. Bescherming tegen SARS-CoV-2 verplicht de werkgever tot het nemen van noodzakelijke maatregelen of voorzieningen op de arbeidsplaats. Het nieuwe artikel 3.2a is een uitwerking hiervan en vormt de basis voor de verplichtingen van de werkgever bij het nemen van maatregelen of voorzieningen. Wat de maatregelen of voorzieningen zijn hangt af van hetgeen op arbeidsplaatsen noodzakelijk wordt geacht voor de bescherming van werknemers. Daartoe is van belang dat de risico’s op de arbeidsplaats worden geïnventariseerd. Bij het nemen van maatregelen en het treffen van voorzieningen moet de arbeidshygiënische strategie worden toegepast. Door de sectoren opgestelde protocollen kunnen behulpzaam zijn bij het vormgeven van zo’n strategie. Evenwel is een door de sectoren opgesteld protocol geen vervanging van de geldende Arbowet- en regelgeving. Tevens geldt de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, waaronder begrepen de richtlijnen van het RIVM ter bestrijding van SARS-CoV-2, voor zover deze ook de werknemer beschermen. Het gaat dan met name om het houden van een veilige afstand en daarnaast andere in de Wet publieke gezondheid opgenomen gedragsvoorschriften of maatregelen die op grond van de stand der wetenschap of professionele dienstverlening voldoende bescherming bieden aan werknemers. Hierbij moet ook worden gedacht aan de overheidsmaatregelen ter bestrijding van SARS-CoV-2, zoals handen wassen, geen handen schudden, het vermijden van drukte, wat te doen bij ziekte etc. Ook andersoortige maatregelen kunnen door werkgevers worden getroffen om de kans op besmetting met het virus te verminderen. Voorbeelden zijn het plaatsen van schermen, het aangeven van looproutes, het beperken van het aantal mensen op de arbeidsplaats, het ventileren van ruimten, het ontsmetten van de arbeidsplaats, het ontsmetten van gereedschappen, het dragen van gelaatsbescherming of het dragen van mondkapjes. Ook arboprofessionals, zoals bedrijfsartsen, vervullen hierin een belangrijke rol. Het is uiteindelijk aan de werkgever om hier een goede invulling aan te geven. Tot de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen behoren verder meer specifiek het (ook door werknemers) in acht nemen van voldoende hygiënische voorzieningen, het door of vanwege de werkgever geven van doeltreffende voorlichting en onderricht over de bestrijding van SARS-CoV-2 op de arbeidsplaats en het door de werkgever houden van adequaat toezicht op de naleving van de voorgeschreven noodzakelijke maatregelen en voorzieningen.

Zo nodig kunnen ter uitvoering van dit artikel bij ministeriële regeling nog nadere regels worden gesteld. Daarbij kunnen voor verschillende activiteiten van bedrijven of inrichtingen verschillende regels worden gesteld. De begrippen «bedrijf» of «inrichting» zijn gedefinieerd in artikel 1, vierde lid, van de Arbowet. Met betrekking tot het begrip «activiteiten» is aangesloten bij de terminologie van de Tijdelijke wet maatregelen covid 19 (artikel 58e, eerste lid, aanhef en onder c). Hierdoor is, al naar gelang de situatie daarom vraagt, nadere regulering mogelijk gelet op de aard van de activiteiten van bedrijven of inrichtingen.

In het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES is aangesloten bij de terminologie van dat besluit. Om die reden is daar het begrip «onderneming» gebruikt in plaats van bedrijf of inrichting.

De toezichthouder (in de regel de Inspectie SZW) heeft toegang tot alle arbeidsplaatsen, dat zijn alle plaatsen die in verband met het verrichten van arbeid worden gebruikt of plegen te worden gebruikt. Met inbegrip van arbeidsplaatsen in woningen (artikelen 1, derde lid, onder g, en 24, derde lid, Arbowet). Bij het binnentreden van woningen gelden de voorschriften die zijn neergelegd in de Algemene wet op het binnentreden.

Het overtreden van het nieuwe artikel 3.2a levert een beboetbare overtreding op. De Inspectie SZW zal zich daarbij met name richten op werkgevers die in ernstige mate tekortschieten bij het nemen van de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen ter voorkoming of beperking van SARS-CoV-2. In minder ernstige situaties kunnen ook andere handhavingsinstrumenten worden ingezet. Ook de mogelijkheid van bestuursdwang staat voor de toezichthouder open.

De aanvulling van het Arbobesluit is gebaseerd op artikel 16, eerste, tweede, zevende en tiende lid, van de Arbowet en moet worden gezien als een nadere invulling van artikel 3 van genoemde wet alsmede van de inrichting van arbeidsplaatsen. Het artikel is ook van toepassing op werkgevers waar vrijwilligers werken, zelfstandigen en meewerkende werkgevers. Ook van werknemers wordt verwacht dat zij zich houden aan de hygiënische maatregelen om SARS-CoV-2 te voorkomen of beperken. Deze verplichting is een nadere invulling van artikel 11 Arbowet.

Vanwege de beboetbaarstelling is het artikel mede gebaseerd op artikel 33, tweede lid, Arbowet. Artikel 3.2a zal worden toegevoegd aan de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving.

In het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES is voor Caribisch Nederland een soortgelijke bepaling opgenomen. De bepaling is opgenomen in het hoofdstuk dat handelt over het voorkomen van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten. Op de eilanden is de situatie ook zorgwekkend. Ook daar zijn maatregelen en voorzieningen nodig om de kans op besmetting met SARS-CoV-2 te voorkomen of beperken. In ogenschouw moet ook genomen worden dat er sprake is van een beperkte medische capaciteit en logistieke vraagstukken qua vervoer van patiënten en medicijnen.

Consultatie en toetsing

Bedrijfseffecten en effecten voor de regeldruk

Het nemen van maatregelen of het treffen van voorzieningen om de kans op besmetting te voorkomen of beperken, vloeit voort uit de algemene zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid en gezondheid van werknemers. Bescherming tegen het virus SARS-CoV-2 verplicht de werkgever tot het nemen van noodzakelijke maatregelen of voorzieningen op de arbeidsplaats. Deze tijdelijke wijziging van het Arbobesluit heeft materieel geen gevolgen voor de regeldruk. Het nieuwe artikel 3.2a voegt geen extra verplichtingen toe, maar is een verdere uitwerking van de zorgplicht en vormt de basis voor de verplichtingen van de werkgever bij het nemen van maatregelen of voorzieningen. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft de tijdelijke wijziging van het Arbobesluit beoordeeld en kan zich vinden in de conclusie ten aanzien van de gevolgen voor de regeldruk.

Inspectie SZW

De Inspectie SZW houdt op grond van de Arbowet toezicht op ongezonde en onveilige werksituaties. In de Arbowet staat in artikel 3 dat de werkgever dient te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en daartoe een beleid dient te voeren. Dit geldt in deze tijd ook voor ongezonde en onveilige situaties als gevolg van het risico op besmetting met SARS-CoV-2.

Handhaving is al aangewezen indien er sprake is van risico op besmetting, het niet of onvoldoende nemen van maatregelen of het daarbij niet toepassen van de arbeidshygiënische strategie. Het nieuwe artikel 3.2a is een verdere uitwerking hiervan en vormt de basis voor de verplichtingen van de werkgever bij het nemen van maatregelen of voorzieningen.

De wijziging van het besluit heeft materieel geen gevolgen voor de inzet van de Inspectie SZW en de RCN-unit SZW. De Inspectie SZW heeft de tijdelijke wijziging getoetst en een positief advies gegeven op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Vanwege het spoedeisende karakter van deze wijziging is afgezien van internetconsultatie. Verder is het doorlopen van de formele consultatieprocedure openbare lichamen niet mogelijk gebleken. Artikel 209, vierde lid, van de Wet openbare lichamen BES biedt wel de ruimte voor een oordeel achteraf. De bepaling in het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES is wel afgestemd met de RCN-unit SZW in Caribisch Nederland.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

Artikel 3.2a is een op artikel 3.2 Arbobesluit aanvullende bepaling gericht op de veiligheid en gezondheid van arbeidsplaatsen. Geregeld is dat in verband met SARS-CoV-2 door werkgevers de daarvoor noodzakelijke maatregelen en voorzieningen worden getroffen ter voorkoming of beperking van de kans op besmetting van werknemers met genoemd virus. Daarbij moet worden gelet op hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening die, in verband met de bestrijding van het virus, aan wijzigingen onderhevig is. Door de koppeling van hetgeen bij of krachtens hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid is geregeld met de stand van de wetenschap en de professionele dienstverlening bewegen de maatregelen en voorzieningen mee met de dynamiek van SARS-CoV-2. Net als in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 is gekozen voor de terminologie bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan. Onder bestrijding moet ook beheersing van de epidemie worden verstaan. Ten aanzien van arbeidsplaatsen geldt dat de maatregelen en voorzieningen de kans op besmetting van werknemers met genoemd virus moet voorkomen of beperken. Genoemde wet ziet zowel op werknemers die werken op een publieke (arbeids)plaats als op werknemers die werken op een besloten (arbeids)plaats. Telkens gelden de daarvoor in genoemde wet voorgeschreven (gedrags)regels. De stand van de wetenschap en professionele dienstverlening wordt met name weergegeven in richtlijnen van het RIVM (zie www.rivm.nl). Ook deskundige personen of bedrijfsartsen vervullen hierin een rol.

Het tweede lid is net als artikel 3.2 bedoeld als vangnetbepaling voor gevallen waarin meer specifieke voorschriften over de inrichting van arbeidsplaatsen de kans op besmetting van werknemers met genoemd virus niet (voldoende) ondervangen.

Meer specifieke aanvullende noodzakelijke maatregelen en voorzieningen zijn opgenomen in het derde lid. Zoals in het algemeen deel al is opgemerkt gaat het hier om voldoende hygiënische voorzieningen, het door of vanwege de werkgever geven van doeltreffende voorlichting en onderricht over de bestrijding van SARS-CoV-2 op arbeidsplaatsen en het door de werkgever houden van adequaat toezicht op de naleving van de voorgeschreven noodzakelijke maatregelen en voorzieningen. De hygiënische voorzieningen kunnen ook zien op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, die specifiek verband houden met het voorkomen of beperken van de kans op besmetting met SARS-CoV-2. Op dergelijke aspecten kan de toezichthouder vervolgens ook handhavend optreden. Tot voorlichting en onderricht wordt ook gerekend het aan werknemers duidelijk maken op welke wijze zij veilig van en naar hun arbeidsplaats kunnen reizen. Voorlichting en onderricht moet doeltreffend zijn, dat kan betekenen dat informatie ook in een vreemde taal moet worden verstrekt.

Met betrekking tot het begrip persoonlijke beschermingsmaatregelen wordt er nog op gewezen dat genoemd begrip in het Arbobesluit een geheel andere betekenis heeft dan genoemd begrip in de Wet publieke gezondheid. De definitie van persoonlijk beschermingsmiddel opgenomen in artikel 58a, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid1 is niet van toepassing op het Arbobesluit. Daar waar in het Arbobesluit persoonlijke beschermingsmiddelen worden voorgeschreven gaat het om persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, aanhef en onder b, van het Arbobesluit. Dat neemt niet weg dat via de Wet publieke gezondheid ook op arbeidsplaatsen vanuit het oogpunt van de volksgezondheid kunnen worden voorgeschreven (niet-medische)mondkapjes (die zowel mond als neus bedekken), spatbrillen, handschoenen of kleding die bescherming biedt tegen overdracht van het virus, zowel voor de drager als voor anderen).

Het begrip hygiënemaatregelen dat eveneens in artikel 58a, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid in opgenomen komt in het Arbobesluit niet voor. Onder dit begrip wordt in de Wet publieke gezondheid verstaan: maatregelen betreffende de inrichting van ruimten of aldaar te gebruiken voorwerpen of materialen, of het treffen van voorzieningen ten behoeve van de reinheid teneinde besmetting met of overdracht van het virus SARS-CoV-2 zoveel mogelijk te voorkomen. Dit begrip komt, voor zover het gaat om het risico voorkomen van besmetting met of overdracht van SARS-CoV-2, overeen met het begrip zindelijk houden in artikel 3.2, eerste lid, van het Arbobesluit.

De toezichthouder op de Arbowet (met name de Inspectie SZW) is niet aangewezen als toezichthouder op hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid. Voor zover maatregelen uit hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid ook gelden op arbeidsplaatsen verloopt de handhaving daarvan in principe via de Arbowet- en regelgeving en wordt daarvoor het handhavingsinstrumentarium van de Arbowet- en regelgeving ingezet (met name waarschuwing, eis tot naleving, bestuurlijke boete, last onder bestuursdwang of dwangsom, stillegging, preventieve stillegging en strafrechtelijke handhaving). Tot de te handhaven regels behoort ook de bekende veilige afstandsnorm van anderhalve-meter, met mogelijkheden voor uitzonderingen en aanpassingen, zoals die op basis van hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid, met inbegrip van de daar genoemde uitzonderingen, zijn vormgegeven. Overigens zal de Inspectie SZW bij de handhaving ook rekening moeten houden met de veiligheids- en gezondheidseisen die uit de Arbowetgeving zelf voortvloeien. Via zogenoemde arbocatalogi kan hier ook nadere invulling aan worden gegeven.

Indien nodig zullen werkgevers, met inachtneming van de arbeidshygiënische strategie, nog andere of aanvullende maatregelen moeten treffen, zo nodig na het stellen van een eis tot naleving. Daar waar de veilige afstand van anderhalve meter niet kan worden bewerkstelligd moeten noodzakelijke maatregelen worden getroffen van een gelijkwaardig beschermingsniveau, met inachtneming van de arbeidshygiënische strategie.

Op grond van artikel 10 Arbowet geldt verder dat werkgevers ook gevaar voor derden op de arbeidsplaats moeten voorkomen of beperken.

Artikel I, onderdeel B

Artikel 3.2a, derde lid, onder a, betreffende voldoende hygiënische voorzieningen richt zich mede tot werknemers. Ook van werknemers wordt verwacht dat zij, in hun doen en laten op de arbeidsplaats, zorgdragen voor de eigen veiligheid en gezondheid en die van andere betrokkenen (zie ook artikel 11 Arbowet). Om die reden is deze bepaling toegevoegd aan de werknemersverplichtingen uit het Arbobesluit en kunnen ook werknemers worden aangesproken bij onjuist gedrag. Op deze manier wordt ook de eigen verantwoordelijkheid van werknemers benadrukt. Hoewel de aandacht bij de handhaving zich doorgaans richt op de werkgever, zijn er ook handvatten als werknemers zich op arbeidsplaatsen (doelbewust) in ernstige mate niet aan de gewenste maatregelen en voorzieningen gericht tegen de verspreiding van SARS-CoV-2 houden. De bestuurlijke boete die per boetebeschikking aan een werknemer kan worden opgelegd, bedraagt conform de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving maximaal € 450.

Artikel I, onderdeel C

Artikel 3.2a geldt ook voor werkgevers waar vrijwilligers werken en voor zelfstandigen en meewerkende werkgevers. Om die reden wordt artikel 3.2a opgenomen in de artikelen 9.5 en 9.5a Arbobesluit.

Artikel I, onderdeel D

Het niet naleven van artikel 3.2a levert een beboetbare overtreding op. De hoogte van de boete wordt nader uitgewerkt in de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving. Op basis van artikel 9.10 Arbobesluit kan ook een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Artikel I, onderdeel E

Aan artikel 9.10a, derde lid, onderdeel b, is artikel 3.2a als ernstige overtreding toegevoegd. Het gaat hier om stillegging van werk in verband met recidive.

Artikel II

Ten behoeve van Caribisch Nederland is een soortgelijke bepaling als in artikel 3.2a Arbobesluit opgenomen in het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES. Ook in Caribisch Nederland is op grond van artikel 68a de Wet publieke gezondheid van toepassing. Opgemerkt wordt nog dat de Arbeidsveiligheidswet BES, waarop de nieuwe bepaling is gebaseerd (artikel 2, eerste lid), geen met artikel 3 van de Arbowet vergelijkbaar artikel kent. Niettemin zijn de woorden «gelet op de stand van de wetenschap en de professionele dienstverlening» net als in de Arbeidsveiligheidswet BES ook in artikel 60a van het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES gebruikt. In artikel 3 van de Arbowet is geen definitie opgenomen van genoemde terminologie, maar met die terminologie wordt ook in Caribisch Nederland bedoeld dat de werkgever zich houdt aan hetgeen door vakdeskundigen in brede kring wordt aanvaard als toepasbaar in de praktijk (best practical means). Met de term «professionele dienstverlening» wordt gedoeld de bijstand die door (arbo)deskundigen en (bedrijfs)artsen wordt gegeven.

In Caribisch Nederland wordt de Arbeidsveiligheidswetgeving gehandhaafd door ambtenaren aangewezen op basis van artikel 2, vijfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES. De aanwijzing heeft plaatsgevonden in de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren SZW-regelgeving BES (met name gaat het hier om de RCN-unit SZW).

Artikelen III en IV

De toegevoegde artikelen aan het Arbobesluit en het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES zijn tijdelijke bepalingen. De artikelen vervallen (via de artikelen III en IV) gelijktijdig met artikel 28, zevende lid, van de Arbowet respectievelijk artikel 2, twaalfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES. Het vervallen van genoemde artikelen uit de Arbowet en de Arbeidsveiligheidswet BES is geregeld in artikel VIII van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Dit kan voor Caribisch Nederland zo nodig een ander tijdstip zijn dan in Europees Nederland.

In principe vervallen de artikelen in het Arbobesluit en het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES op grond van artikel VIII, eerste lid, onderdelen b en c, van de Tijdelijke wet maatregelen covid 19 dus weer drie maanden nadat ze in werking zijn getreden. Verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (en daarmee tevens van de onderhavige bepalingen in het Arbobesluit en het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES) is mogelijk bij koninklijk besluit telkens voor ten hoogste drie maanden. Daarvoor geldt een verkorte voorhangprocedure bij het parlement. De tijdelijke bepalingen kunnen, eveneens na een verkorte voorhangprocedure, ook eerder vervallen.

Artikel IV

Vanwege de spoedeisendheid van de aanvullende bepalingen in het Arbobesluit en het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, B. van ’t Wout


X Noot
1

Persoonlijke beschermingsmiddelen: uitrusting die bestemd is om te worden gedragen of vastgehouden teneinde de eigen of een andere persoon zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus SARS-CoV-2.

Naar boven